INHOUD WTT
HOME

De start van het Woordenboek van de Tilburgse Taal werd in 2013 mede mogelijk gemaakt door

 

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

 

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y


De letter H

is voor het laatst aangepast en aangevuld op 16 september 2023. De redactie is nog niet voltooid.


A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

WTT

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tiburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van ha tot huw

ha
in 1ste en 3de persoon enkelvoud van de verleden tijd van hbbe
had
- Cees Robben; Prent van de Week - Dek praot genog h... (19590912)
- Cees Robben; Prent van de Week - En as Nordje t gekund h (19660429)
Dossier 'hbbe' - alle vormen

 

haacht

zelfstandig naamwoord

- WBD haachte - strengen (trektouwen, -riemen, -kettingen van het paard; Hasselt)

- WBD haachte - ijzeren strengen (Hasselt)

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "haagten - de ijzeren kettingen waarmede de paarden aangespannen worden"

- WNT HACHT - elk der beide (ijzeren) kettingen waaraan het paard (in plaats van aan touwen strengen) de kar trekt.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - haacht, zelfstandig naamwoord vr.- hacht, "elk der beide ijzeren kettingen waaraan het paard de kar trekt"

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HACHT zelfstandig naamwoord vrouwelijk - ketting, keten

bijwoord

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): t Is ummers zoo haacht nie; doe ge t mergen op staoi Daar geannoteerd met: haacht, druk ; van hach [gevaar]. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: haastig, presseerend.

- WNT kent alleen een zelfstandig naamwoord: lemma HACH II, 3; in ouder vorm HACHT znw. vrouwelijk en soms onz.: Gevaarlijke onderneming, waagstuk.

 

haaft

bijvoeglijk naamwoord

druk

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "haaft - hij hee get haaft (druk; of: 't is haaft: er is haast bij)"

- WBD III.4.4:282 'haaft' = van belang

 

haaj

zelfstandig naamwoord

hei(de), het heidegebied

- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch, 1932 - Och neej! mar kk dan toch,/ is d nie fraai !/ Kende g' iets schoonders nog/ dan onze haai?

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 03 - Vier aovenden d'n kker in / Dur bossen en dur haai / Mersjeeren langs d'n Buunder / t Baksven en langs de Laai.

- Cees Robben; Prent van de Week - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)
- Cees Robben; Prent van de Week - d bepaolt de haai... (19560630)
- Cees Robben; Prent van de Week - Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belpe (19570119)
- Cees Robben; Prent van de Week - Wij zn uit t laand van febrieke en haai (19580308)
- Cees Robben; Prent van de Week - Ons drpke leej rontom/ In maast en haai gevangen (19600909)
- Cees Robben; Prent van de Week - Dan hakket hier gelk gehad... W, hakket hakket... As ge haai had gegeten.. Dan hadde na trf gescheten... (19830812)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: op de haai

de plantensoort

- WBD III.4.3:368 haaj (Calluna vulgaris) struikhei; ook genoemd: bissemhaaj of buunderhaaj

 

 

- WBD III.4.3:368 dphaaj - dophei (Erica tetralix), ook genoemd haaj

 

 

in tegenstelling tot 'stad'

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) -In Tilburg ging d presies etzllefde! As hier in de haaj, iemand vrder in de haaj iemand wonde, dan brchte zem ok nr de stad toe!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dan wier zon zandkar meej prd n waoge, wier zon lk op zon zandkar geleejegeztn dan ginge der nkele femielieleeje, ginge der rondom op zon kar zitte n dan brnge ze oe van t de haaj t, zak zgge, dsse oe nr et drp toe brnge!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- WBD III.3.1:329 'gemeentehei' - gemeenteheide

 

Haaj, de

toponiem

de Campina

- Interview Jolen - 1978 En ik hb ng in, in, in, in de haaj ok en bietje gewrkt, nou weet ik tch niemer w, wllek d d isin de haaj zgge ze vruugerds die kaant ammel t h, boove Hilverenbeek n zo hAcht Zaalegheede j. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

haajbaaj

zelfstandig naamwoord

haaibaai

- 2019 vlotte, bijdehante meid (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier.

 

haajbissem, -bssem

zelfstandig naamwoord

bezem van heide of brem

- WBD III.2.1:303) haajbissem - heibezem

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEIBESSEM zelfstandig naamwoord mannelijk: - heidebezem, bezem van heide gemaakt.

 

Haajkaant

Heikant

toponiem (noordelijkste wijk van Tilburg, geheel opgegaan in Tilburg-Noord)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 04 09 - "In d'n Haaikaant komt 'n Krs, / W z d vur iets zn?" /  / Ik heb ze haorfn uitgelee / Al gaaf d wel w laast: / "'n Krs d is 'n instelling / Die op de kiendjes paast."

- Audioregistratie 1978 - Et is hier mar hil lichte zandgrond hier n de Haajkaant want et hiet nie vur niks Haajkaant! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Henritte Vunderink; Tilbrg trakteert, uit Tis de moejte wrd, 2011 - op et Krvel f int Zaand,/ den Haajkaant ft Kednt.

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - den Haajkaant

 

Haajkaants

zelfstandig naamwoord

Heikants, het dialect van de Heikant; meestal in de uitdrukking 'stads meej Haajkaants', gezegd als een dialectspreker de standaardtaal wil spreken maar daar niet goed in slaagt.

- Ik neem mn ontslag. Zaoterdag ben ik hier vur et list en ge ziet mar degget stelt, sprak mn Lia in stads meej heikaants (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- WTT 2012 - door humoristen gebruikte voorbeelden van 'stads mee haajkaants' zijn:

- De fabrikantennaam Swagemakers foutief uitgesproken als Swaogemakers of als Swagemaokers; juist is: Swaogemaokers

- het woord tafelkleed, foutief uitgesproken als tafelkled; juist is: tffelkled.

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

bijvoeglijk naamwoord

uit het stadsdeel de Heikant
- Cees Robben; Prent van de Week - Unne Haaikaantse meens liep w hers en w geens (19550618)
 

Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

 

Haajke

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

 

zelfstandig naamwoord, eigennaam, toponiem.

centraal stadsdeel = 't Heike

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de Haajkese krk durt strtje van Bronsgist - een moeilijke bevalling

- As getrouwe kattelieken waare we irst amml op et Haaike nr de mis gewist. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

Haajkese toore
naam
de toren van de kerk van het Heike
- Cees Robben; Prent van de Week - We draaien de klok op van den Haaikese toren... (datum onbekend)
- Cees Robben; Prent van de Week - Ik heb liever degge den Haaikese toren omstt as degge menne borrel leeg kwaanselt.. taotolf... (19820402)


(1982-04-02)

 

haajkneuter

zelfstandig naamwoord

klein boertje, oorspronkelijk op heidegrond

- WBD III.4.1:137 'heikneuter', kneuter, kreuter - kneu (Carduelis cannabina)

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - haajkneuter zelfstandig naamwoord - heidekneutje (vogeltje, Acanthis)

- WNT kneuterboer: jongere vervorming van keuterboer. Keuter: eig. bewoner van een kote, een kleine (boeren)woning; vandaar: kleine boer. Keuterboer: boer van of op een keuterij; in 't alg.: boer met een klein bedrijf.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
HEIKNEUTEr zelfstandig naamwoord mannelijk:- kneuter; vlasvink; fig. iemand die eenzaam in de heide woont.

 

Gryllus campestris - Zwarte veldkrekel

 

haajkriek

zelfstandig naamwoord

Gryllus campestris - Zwarte veldkrekel

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "haaikriek - krekel"

- WBD III.4.2:217 'heikriek' of 'kriek'

- WNT HEIKREKEL

 

Carduelis cannabina

 

haajmaawerek

zelfstandig naamwoordletterlijk 'heidemauwerd'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - kneu (Carduelis cannabina)

 

 

haajslangeske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- WBD III.4.2:105 'heislangeske' - hagedis (Lacerta vivipara)

 

Gravure van Bathasar van der Ast - 17de eeuw

 

haand

zelfstandig naamwoord

hand

het meervoud = haand of haande

verkleinwoord ► hndje

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand.

(= De schilder moet de fouten van de timmerman bedekken)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - der was iets n de haand

- KAREL. Jao mar: iedereen kan toch mee zn haande vatte dechche het staon te liege. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij kan mee zn 2 linkse haande nog behoorlijk uit de voete (17-10-1972)

- Cees Robben, Prent van de Week - In de schnste stad van t laand/ kwaam... En mee gin lege haand/ Tntje... [Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tntje van Zundert. De schonste stad van et laand is de volksnaam voor Tilburg.] (19540213)
- Cees Robben; Prent van de Week - En mee t aai in baai zn haand... (19560428)
- Cees Robben; Prent van de Week - Mn haande vol blne... (19570309)
- Cees Robben; Prent van de Week - Hij vruutte meej zn haand in t zaand (19600219)
- Cees Robben; Prent van de Week - En heddet t ter haand gehad (19600624)
- Cees Robben; Prent van de Week - Dur n vrouwehaand bedisseld... (19700220)
- Cees Robben; Prent van de Week - t Schilt mar amper haand of keer (19710129) [Het scheelt maar een klein beetje; haand en keer zijn waarschijnlijk commandos die de voerman aan zijn paard geeft]
- Cees Robben; Prent van de Week - t Schou mar haand of kr (19620518)

- Pierre van Beek - gezegde: Et ha mar haand f keer geschouwd - het was op het nippertje.(Tilburgse Taalplastiek 170)

- Wettie mee zun haande rgt zet, stt ie mee zun kont wir om! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- n as mene vriend d wir perbeerde,/ zgt dan: "Haawt oew haande ts". (Henritte Vunderink; Mene listen biecht; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: Hij haaudt 'nen dikken stok in de haand

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge vouwt er de haande van saome (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - uitroep van verbazing

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): gin weeren in de haande krge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - 'n hekel aan werk hebben

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - oopaa wrre kunde meej oew haanden in oew zakke

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'hand' zelfstandig naamwoord - hand; mv. 'hande'

- Brod vatte in oew haand om op te eeten en gin enkele sneekes mar dubbele bottramme, die waaren ok beter in oew haande te vatten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- 2020 - Het zien lopen van een juffrouw met magere beentjes in een kort jurkje: - gin dikke reme, mar wl dunne bene! of: - die lopt op der haande! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

- 2020 Iemand krabt tussen zijn billen en excuseert zich: Ik hb ene tamme lintwrm; die frt t mn haand. (Zegsman Huub Robben, circa 1965)

- 2020 - Bij een vrouw met een strak zittende broek: - dr kan ng gin haand tusse! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

Meervoud: naast haande ook haand

- Ons moeder zeej dan aaltij, as we in de sneuw bezig waren: Krgde gullie naa not gin kaaw haand, doe toch un paor handschoenen aon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ons haand hn we allen asser un krs gemaokt moes wrre, t onze zak gehaold. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Als suffix

...derhaand

...(d)erlei

twidderhaand, driederhaand, ffderhaand, zisderhaand (in de uitspraak vervalt de h meestal).

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): twidderhaande

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945 - Zoo kank wel honderterandere vurbilde aonhaole

 

haandevol

zelfstandig naamwoord

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Het is uit met een vriendinnetje: - gin haandevol mar laandevol!

Volledige bron: KLIK HIER

 

haands

bijvoeglijk naamwoord

- WBD vur de haands ketier - rechtervoorkwartier van de koeie-uier

- WBD van de haandse kaant, van de haand - rechterkant van het paard

- WBD van de haandse kaant, b de haand; (Hasselt) ndehaand linkerkant van het paard

 

haandvat

zelfstandig naamwoord

- WBD handvat van de ploegstaart (Hasselt)

 

haandvijsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'haandvjsje ' - kleine lijmklem

 

haandwaoter

zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "haandwoater - zoo goed as d? 't heet [heeft] er gin haandwoater bij (het lijkt er nog niet op)".

- WTT (2012) - Het is opmerkelijk dat Daamen in 1916 deze zeer oude uitdrukking nog optekent. 'Iemand handwater geven' betekende: iemand water aanbieden om de handen te wassen alvorens de maaltijd te beginnen (vergelijk de handwassing in de katholieke eucharistie). In overdrachtelijke zin kwam de uitdrukking in gebruik om rangen, standen, en kwaliteiten te vergelijken: aanbieding van het handwater geschiedde alleen door aan elkaar gelijkwaardige personen. Daamens uitdrukking bedoelt te zeggen dat het hier twee zaken betreft die niet aan elkaar gelijkwaardig zijn. Die betekenis vinden we in het - WNT in het lemma 'handwater': '"Bij" iemand of iets (niet) in vergelijking komen, (niet) vergeleken kunnen worden, wordt uitgedrukt door: bij iemand of iets (geen) handwater geven. Hy sey dat Don Rodrigo of de Cid, wel een goet Ridder was geweest, maer dat hy evenwel by die van het brandende Swaert geen hantwater gaf, die enz., V. BOS, Don Quichot 1, 11. (Geen) handwater geven (bij) werd vervolgens nog verder verbasterd tot (geen) handwater hebben bij...

 

haawdoe, houdoe

tussenwerpsel, afscheidsgroet

- Cees Robben; Prent van de Week - Kom haauw-doe war... en t biste... (19600415)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hou je, tot ziens, vaarwel

►houdoe

 

Anti-hondenpoepoactie van de gemeente Tilburg. Kromhoutpark 2016.

 

haawe

werkwoord, sterk

houden

haawe - hiel - gehaawe

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - haawe - hield - gehaawe

geen vocaalkrimping

- Dialectenqute 1887 Willems; ook: haawde

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hij haauwdt 'nen dikken stok in de haand; haauwe

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - haawe; verleden tijd 'hiel'

- ...en Teun kos weer nie goed begrijpen, d die [trein] nie efkes ho kos haawen om hum over te laoten stappen... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)

uitdrukkingen
- Cees Robben; Prent van de Week - Hij haauwt lang weg (19671215)
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Hij waar der gehaawe en geslaon, zas d hiete.

- WBD; b den hngst haawe - de merrie bij de hengst brengen (ter dekking)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Of ge kunt op z'n aauwverwets / Gezellig kermis haauwen.

 

haawer

zelfstandig naamwoord

houder

- WBD kttinghaawer, vasthaawer (II:1004) kettinghouder;

ook wel kttingspanner genoemd

 

haawke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

peultje, peulerwt, 'skerrt', 'pultje', peul

- WBD III.2.3:81 'hauwke' = peulerwt

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - HOUW, HOUWKEN - peul, peultie.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - h.u, zelfstandig naamwoord vrouwelijk "houw', 'hauw' - peul; verkleinwoord 'hwke(n)

 

haawknd

zelfstandig naamwoord

kind dat het ouderlijk huis niet verlaat; zorgenkind; iemand die veel over de vloer komt

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): de tram zal aaltij en haawkiendje blve

- Cees Robben; Prent van de Week - 'k Heb alle bij mekaare tien kender gehad... aacht goei en twee kaoi... En dan hak nog un hauwknd.. D was munne man... (19610526)
- Cees Robben; Prent van de Week - [Moeder over baby:] Ik denk dettie iets onder de lee-hee.. Ast mar gin haauwknd wordt... (19740308)

- WNT HOUKIND - een kind dat bij vreemden wordt uitbesteed om te worden grootgebracht.

- Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - haawknd zelfstandig naamwoord - kind dat borstvoeding krijgt

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord, onzijdig, 'houwkind" - persoon of dier die (dat) men niet kwijt kan worden.

 

haawmaaw

zelfstandig naamwoord

wervelwind

- Cees Robben; Prent van de Week - ...krek-lek unne haauw-maauw (19560428)
- Cees Robben; Prent van de Week - W maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer... (19570631)
- Cees Robben; Prent van de Week - Diejen haauw-maauw komt me krek van paas... (19760514)

- Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958 - 't Dorp Haaren werd in 1957 door een grote windhoos verrast, waarbij enkele kippenhokken het moesten ontgelden, terwijl tientallen bomen werden ontworteld. Toen sprak men van een "haauwmaaw". Als 's zomers 't hooi in oppers staat en de wind schiet er onder, dan komt dat door een "haauwmaaw", even goed als vroeger in 't najaar als 't Bosse Veld blank stond en het water werd de lucht ingecirkeld.

- WBD III.4.4:111 'houwmouw' = rukwind; 113 'houwmouw' = windhoos

- Stadsnieuws (rubriek): Diejen haawmaaw van vleeje week heej veul schaoj gebrcht (291106)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAUWMAUW (haawmaaw) m. wervelwind, orkaan. Geluidsnabootsing?

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoordvrouwelijk 'haauwmaauw' - wervelwind, windhoos

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HOUW, zelfstandig naamwoord vrouwelijk -wervelwind, draaiwind

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992)- haawmaaw zelfstandig naamwoord - windhoos

 

haawvaast, van den zn
uitdrukking
gierig zijn
- Cees Robben; Prent van de Week - Ik heb nog nt unne interessaantere meens gezien as die daor lpt... Gierig.. vuil.. van den haauwvaast.. eene van penning zistien... (19840127)
- WNT lemma HOUVAST 1.1 - Iemand die vast houdt, die niet gemakkelijk loslaat, t.w. die niet gemakkelijk van zijn geld afstapt, een vrek.
 

habbetjap

bijwoord, spotnaam

gek

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (gehoord bij de kapper:) hllie pa is wouws, hllie moe is appetjoek en, d kunde wel naogaon, zellef is ie habbetjap (16-01-1975)

 

hadder
samentrekking
had je er
- Cees Robben; Prent van de Week - Hoeveul hadder op..? (19870703)
Dossier 'hbbe' - alle vormen

 

haffel

zelfstandig naamwoord

verkorting van 'handvol'

door assimilatie ontstaan uit 'handvol' m.b.t. telbare dingen, gewoonlijk letterlijk een hand vol, dan wel op de vingers van een hand te tellen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 12 25 - 'n Haffel kiepe en 'nen haon...

- Cees Robben; Prent van de Week - Vur n haffel dolders... (19851122)
- Cees Robben; Prent van de Week - Hier n haffeltje zaand (19580405)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'H viet unnen haffel tref'

- WBD II:708) haffel - handvol spijkers

- WBD III.2.3:79 'haffel', 'haffeltje' = bundel groenten

- WBD III.4.4:261 'haffel' = onbepaalde hoeveelheid

- Stadsnieuws (rubriek): Kom mar mnneke, dan krde en haffeltje ollienutjes van de taante.

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

 

- WBD III.4.4:277 'haffel(tje)' = handvol

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - haffel zelfstandig naamwoord - handvol

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAFFEL -handvol.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAFFEL vrouwelijk, door assimilatie ontstaan uit handvol en dus vrouwelijk: hoeveelheid die men in de hand heeft, in de hand kan houden of op de vingers van een hand kan tellen; nooit m.b.t. vloeistof, meestal van kleine hanteerbare voorwerpen.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - haffel - handvol

 

haffele

werkwoord, zwak 

voortdurend in de handen nemen

haffele - haffelde - gehaffeld

- Voorbeeld Sterenborg - W staode er tch meej te haffele. - Wat hou je het toch onhandig vast.

- WBD III.1.2:110 'haffelen' = handvollen, doelloos friemelen

- WBD III.1.2:111 'handvollen' = aanhoudend bepoetelen

- WNT HAFFELEN 2) frommelen, poedelen, dauwelen (t.w. voortdurend of telkens met de hand betasten)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): haffele werkwoord - liefkozen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAFFELEN onovergankelijk werkwoord, gewoonlijk verbonden met vz. 'met'; liefkozend op de hand of in de armen nemen, meestal kinderen of kleine dieren.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - haffele(n) zwak werkwoord onovergankelijk - voortdurend of telkens met de hand betasten, veel in handen nemen, sollen.

 

haffelkatje

zelfstandig naamwoord, verkleind

kind dat aangehaald en verwend wordt; stoeipoes

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - haffelktje

- Stadsnieuws (rubriek): Onze Sjaarel is wir meej d haffelkatje van hiernffe op rep; as d mar nie t de haand lopt! - Mijn broer Karei is weer met die stoeipoes van de buren de hort op; als dat maar niet uit de hand loopt.' (151008)

- C. Verhoeven - HAFFELKAT, v. poesje om mee te haffelen; kind dat aangehaald en verwend wordt

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hafelkt'je(n), zelfstandig naamwoord o. - haffelkatje, katje waarmee veel gehaffeld wordt

 

haggeter
samentrekking
had het er
- Cees Robben; Prent van de Week - Jaanse haggeter nie op... (19700918)
 

hak

zelfstandig naamwoord

hak

- WBD achterknie van een paard

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): zt er de hakken nder (Handschrift Daamen 1916) - steek je voeten onder de tafel; ga aanzitten

- WBD III.1.1:174 'hak' = hiel

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - (55) meervoud hakke; meej oew hakkes oover de slot

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAK zelfstandig naamwoord mannelijk: - hiel, Fr. talon

- WBD I:1454 'hak' - aanaardhak (om aardappels aan te aarden)

samentrekking

had ik

- Cees Robben; Prent van de Week - Dan hak ze vort te hoesten... (19650326)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hak vleeje week from oew stee mar gekocht... (19830812)

 

hakbrege

zelfstandig naamwoord

kinderspel

- A.J.A.C. van Delft - Nog speelde men "hakbergen". Dat geschiedde met "haktollen" (draaitollen). Deze tollen waren van ander model dan de tegenwoordige. Zij werden bij "Vrenske Appels" in den Veldhovenschen hoek gedraaid; door de smid werd er nog een pin ingezet en klaar was Kees. Men trok een cirkel op den grond en daar moesten dan de haktollen ingezet worden. Kwam de tol niet in den ring, dan moest hij er in gelegd worden. Stond hij in den ring te tollen, doch draaide hij op 't eind niet den cirkel uit, zoo moest ook deze er in blijven liggen. De anderen mochten nu met hun tol probeeren om er tusschen te hakken en sprongen de inliggenden dan van elkaar buiten den kring, zoo mocht de eigenaar van den vrijgekomene weer mee hakken. Alweer een spelletje "zonder eind". (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

Drijftol

 

Drijftol

 

hakdl

zelfstandig naamwoord

haktol, priktol

- Mee in jaor of vier is t al wir aanders, dan worrut in autoped en norvenaant het seizoen nen vlieger, kaaischeuten, drf of hakdollen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Anoniem 1959:

...en toen zeej de klne Kees:
"Vadder, ik heb naau wel unne hakdol,
mar 'k heb gin stukske pees."
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

- H.A. Sterneberg S.J. -

Mijnen bromtol

 

Ielke tol hee eigen nommer,

mer mijn bromtol nommer n.

Daor haolt niks bij mijnen brommer,

eikenhout en staolen teen!

 

Toen 'k hum straf haai upgewonden

en ik zwooi 'm zuiver nir,

wier hi gauw alleen gevonden,

zeg, waor bleven d'ullie wir!

Klik hier voor het volledige gedicht en toelichting

- Jo van Tilborg - Ok haktollen ging hl goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stkske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blf ie draaien. Al w zonne tol, assie un te harde lel verkocht krg, ok wel ens deur un raom vliegen. D kwaam naa wir nie zoveul veur. (Kosset, 2006)
- WBD III.3.2:72) hakdl= priktol

- WBD III.3.2:81) hakdl, drfdl, drftl, draajtl = drijftol

- J. Berns e.a.; Brabantse spot- en schertswoorden, 1975 - (Onder rddol - dwerg): Het lijkt ons voor de hand liggend aansluiting te zoeken bij dol in de betekenis van tol (soort kinderspeelgoed) Blz.17

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'hakdol' zelfstandig naamwoord - haktol

 

 

hakdlle

werkwoord, zwak 

tollen

- Ok haktollen ging hl goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stkske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blf ie draaien. Al w zonne tol, assie un te harde lel verkocht krg, ok wel ens deur un raom vliegen. D kwaam naa wir nie zoveul veur. (Jo van Tilborg)
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Zumme proeme of wilde liever haktolle, tis nog te vruug om te vliegere (09-07-1967)

- Cees Robben; Prent van de Week - Zumme naa is gaon proeme of doede liever hakdolle... (19670908)

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - en hakdlle en stintje kltse, stltlope n mitje steeke (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

- WBD III.3.2:75) 'haktollen'

- WBD III.3.2:84) 'hakdollen' = met de priktol spelen, ook: hakdollen

met de drijftol spelen

 

hakdlleke(s)

zelfstandig naamwoord, meervoud, verkleind

haktolletjes; kinderspeelgoed: haktol, priktol, een tol waaromheen een pees werd gedraaid om de tol te werpen, ook hakken genoemd omdat het de uitdaging was met de punt van de geworpen tol de tol van de tegenstander te splijten.

- Cees Robben; Prent van de Week - [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej 'n piske... (19800418)

Figuurlijk

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hakdlleke Klein dik gedrongen vrouwtje.

►drfdllekes

 

hakke

werkwoord, zwak 

hakken

- WBD I: 1458 'hakke' - onkruid bestrijden met de hak

 

hakkefietje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

akkevietje

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "hakkevietje - n' kleinigheid"

- WNT AKEFIETJE - In de algemeene taal wordt het stellig niet met een f maar met een v uitgesproken, en met een open d (gewoonlijk ook geaspireerd tot ha). Onaangenaam werkje; karweitje in het algemeen.

 

hakker

samentrekking

had ik er

- Cees Robben; Prent van de Week - Op dn duur hakker dorst van gekrege... (19590801)

 

hakket

samentrekking

had ik het

- Cees Robben; Prent van de Week - Dan hakket hier gelk gehad... W, hakket hakket... As ge haai had gegeten.. Dan hadde na trf gescheten... (19830812) [Gedane zaken nemen geen keer]

 

hakketener

zelfstandig naamwoord, spotnaam

iemand die gehaast loopt

 

hakkum

samentrekking

had ik hem

- Cees Robben; Prent van de Week - Akkum geraokt ha... Dan hakkum wel dd kunne slaon. (19730706)

 

haksel

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zult, hoofdkaas

- WBD III,2.3:68 'haksel ' = hoofdkaas, zult

 

half

telwoord, bijvoeglijk naamwoord

half

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ik knutsel gre mar halluf zunne td hekker ginne td veur! (20-07-1962)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - half zene td is ie nie op td - meestal komt hij te laat

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - tis amml halleven bak, wttie doe - het is allemaal half werk...

- WBD III.2.2:73 'halve broer / halfbroer' = stiefbroer; 'halve zuster / halfzuster = stiefzuster

 

halfdmswrk

zelfstandig naamwoord

halfduimswerk

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ge moet gin halfdmswrk leevere.(= onvolledig, slecht werk: vroeger werkte men met duimse planken)

 

halflf

bijvoeglijk naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - het hoofd een beetje schuin houdend

 

halfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

halve-centstuk

 

- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek 7, Nieuwe Tilburgse Courant,  zaterdag 18 maart 1950 - Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbten (doorbijten) al was 't d-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig.

- Cees Robben; Prent van de Week - Gin hallefke mir in de knip... (19641204)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): van en halfke is den boer rk gewrre (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)-let op de kleintjes.

- WBD III.3.1 :151 'halfje (halfke)' = halve-centstuk

- WBD III.4.4:297 'halfke' = kwart liter, ook 'neuker' of 'uppie'

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
HALFKEN zelfstandig naamwoordo. - kleine borrel

 

halfketoen

zelfstandig naamwoord

- WBD II:868 - halfkatoen, weefsel van linnen en katoen

 

halflnne

zelfstandig naamwoord

- WBD II.4. p. 867 Weefsel van linnen en katoen" (Van Dale).

halfkatoen: hallefketoen, K 183 (= Tilburg) . [lange oe!]

 

half om half

uitdrukking, spotnaam

- A.J.A.C. van Delft - "Wat een ferm kindje ligt daar in de wieg", zei ik. "Ja, ja," was 't antwoord "en 't is er eene van half om half! De vrouw komt uit 't Turkenland en ik ben van de stad." Hiermede werd bedoeld, dat het ouderpaar onderscheidenlijk van benoorden en bezuiden de spoorlijn afkomstig is. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

halfwaas

zelfstandig naamwoord

halfwas, aankomende of onvolwassen hulp

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hallefwaas krwaogentje' - klein ding

- WBD III.2.2:44 'een halfwasse' = puber, ook 'aankomeling'

- WBD III.2.3 :163 'halfwas' = onvolgroeide vrucht

 

halsbaand

zelfstandig naamwoord

- WBD (Hasselt): halster (hoofdstel, bestaande uit een ronde band om de neus van het paard en daaraan een band bevestigd om de nek, waarmee het paard in de stal is vastgebonden); (Hasselt) stalband (de band om de nek van het paard, waarmee men het op stal vastbindt

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HALSBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - halsboord, boord: bij landb.: band rond den hals, waarmede de beest op stal staat.

 

halvenbak

bijwoord

halfbakken, slordig, onvolmaakt

- Et waar mistal mar halvenbak as hij iets ha moete zette. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

►bak

 

ham

zelfstandig naamwoord

ham

Achterbout van een dier
- Kernkamp; Dialectenqute 1879 - haam en spk - ham en spek

 

Schilderij van Laurens Craen (detail) - 17e eeuw - 'Stilleven met ham'

 

- Kubke Kladder Irst kregen we vleeschsoep mee bollekes. Daornao gekookte ham, gin gewone zooas ge in de winkels koopt, n ham die bij den bakker 'n wijltje in den oven gesmoord h, half en half gebraojen zood 't er 'nen geur afsloeg om waoterachtig van te worren. (pseudoniem van Pierre van Beek; in: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-2-1930.)

- Kubke Kladder Dan plant-ie 't mes door de malsche zwaard [zwoerd] henen in de rood-doorregen ham en sneed er 'nen fermen homp af. (pseudoniem van Pierre van Beek; uit: MIJN VOLK, Een schets uit het Brabantsche boerenleven, Nieuwe Tilburgsche Courant, 31-7-1930.)

 

 

Cornelis van Dale - gravure - 1612

 

- A.J.A.C. van Delft (over het lied Achter de hemeldeur van de Tilburgse straatmuzikant Jan Viool)

Ach vrienden, luister naar mijn lied,

Het is een droom, die ik u ga vertellen,

Ik droomde laatst, dat ik gestorven was,

Ik zag den hemel en... de helle!

Ik zag den Rechter in de groote zaal,

En hoorde Hem met vele menschen spreken,

Maar ik durfde er niet binnen gaan,

'k Heb mij toen achter de deur versteken.

Aan de deur daar hing een groote ham,

Waar elke notaris van moest eten

Vrdat hij den hemel binnenkwam,

Maar... er was nog niet ns van gebeten.

Is het dan geen treurig spel?

- WTT 2013 - Rolf Janssen noteerde een jongere versie van dit lied van Jan Viool met de volgende muzieknotatie, opgetekend in Goirle, en die dus niet per se de melodie was waarop Jan Viool het lied zong.

 

 

- Jan Jaansen - Verder ha ze 'n schoon stuk ham gekookt en 'nen worst van ik weet nie hoeveul ellen lengte gebraoie! (pseudoniem van Piet Heerkens svd; uit: Oome Teun in den trein, Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)

Rauwe en ruwe ham - hypercorrectie

- C. Verhoeven - Er zijn mensen die in een wat sjieke winkel geen 'rauwe' ham durven te bestellen, omdat zij weten dat de juffrouw hen met een schamper lachje zal verbeteren en 'ruwe' ham zal brengen. Het gebeurt heel dikwijls dat mensen uit louter behoefte om toch maar geen dialect te spreken, allerlei fouten maken uit hypercorrectheid. (Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978)

- C. Verhoeven - Alleen bij de vleeswaren sta ik wat sterker, want zodra ik 'rauwe ham' bestel, wordt dat altijd met 'ruwe ham' vertaald, en dan weet ik, dat ik het goed zeg en de deftige dame fout. (Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978)

- Ad Haans - De Hilversumse aanstellerij is niets anders dan domme distinctiedrang. Dat is altijd het geval bij hypercorrecties. Wie ruwe ham zegt als hij rauwe ham bedoelt, geeft blijk van een leemte in zijn kennis n van angst om door de mand te vallen. (uit: De Hilversumse angst voor de S en de F, in: En jaar lief en leed columns uit het Brabants Dagblad, 2003)

 

 

- Wim van Boxtel - Waor hangt nog d'n ham, en 't spek, in de schaaw? (uit: Onzen eigen aord, Brabants Bont Sprokkels, 1981)

- Willy van Rooy - ... 'n Paor flinke sneeje malse melktarwe van Wimme mee 'ne klats aaier-mee-ham in de pan... en dan naor buite. (uit: Op mn eendje, Schn en lilluk, 1983)

- Piet Brock - Spek in de pan./ Gerkte ham./ Krp of kermenaoj./ Wrreme balkebraoj. (in: Kuus, Vuurstintjes ketse, 1990)

- Elie van Schilt - Hil de femielie bleef mee eten, uyt de mis brooikus mee allemal dingen erop die we mistal nie aten, gekokte ham, ouwe ks, jonge ks, rookvls. (uit: As ge katteliek geboren wierd dan hadde toch veul te doen en te laoten; www.cubra, ca. 2003)

- WTT 2013 - Beide teksten zijn een vervolg op een niet uitgesproken verlangen. Woordspeling met 'ha'm', hadden we maar, en vleeswaar ham. Vergelijk dooddoeners als 'as' = 'als' -> 'as is verbaande trf'.

houtere ham 1

Meestal verklaard als:

- WNT lemma HAM III,2,d: De houten ham komt daar op tafel: men houdt in dat gezin voor 't uiterlijk een stand op, terwijl men zich in 't noodigste bekrimpt en krom ligt. (1898)

-Jozef Cornelissen - HOUTEN HAMMEN - Er bestaat een spreekwoord toepasselijk op 's Gravenhage, dat zegt: de houten ham komt daar op tafel. Dat beteekent: ze moeten zich bekrimpen en toch hun stand ophouden. Van daar de spotnaam. (Nederlandsche volkshumor, 1930)

- Jozef Cornelissen - KULWORSTEN: Vermoedelijk schijnworsten. Vgl . 't is flauwe kul en Haagsche houten hammen.

houtere ham 2

Mogelijk is de verklaring echter niet aan zuinigheid of schijn verwant maar juist aan feestelijkheid, en wel bij het bouwen van een huis:

- K. ter Laan - 2. De mei [een meiboom] op een huis in aanbouw, wanneer de kapspanten zijn opgericht, dus bij het richtfeest. In Groningerland hangt aan die meitak aan de ene zijde een fles en aan de andere kant een houten ham, beide aanwijzingen dat er flink getrakteerd moet worden. De fles moet worden stukgeschoten.

Vergelijk de gewoonte om de vlag in top te steken als het hoogste punt wordt bereikt van een gebouw. Vergelijk: vlaggebier, de traktatie bij die gelegenheid.

achterwerk, bil, billen van een mens

- WBD III.1.1. lemma bil c.q. dij ham, ook in Tilburg

 

ham

samentrekking

had hem

- En toen ham d jaogertje al gaaw ingehold natuurluk. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

 

hamme

werkwoord, persoonsvorm, samentrekking

hadden we

Samentrekking uit 'hadden' + 'we', via 'hadde me' door assimilatie.

eerste persoon meervoud, verleden tijd van hbbe = han, samengetrokken met voornaamwoord we

- Cees Robben; Prent van de Week - Hamme mar ham... (19540313)

 

han
verleden tijd meervoud van hbbe
hadden
- Cees Robben; Prent van de Week - Wij wiessen precies weffer srt d we han... (19570525)
- Cees Robben; Prent van de Week - De ouden van dagen han wir is zonne aauwerwetsen aovend bij Tntjes in de Lancierstraot (19571221)
- Cees Robben, Prent van de Week - We han capecientjes en bekkerkes... (19570525)
- Cees Robben; Prent van de Week - Ze [twee vrienden] han saome gepesjonkeld/ En te veul van t goei gehad... (19620504)
- Cees Robben; Prent van de Week - Mar zo ze han geleerd,/ wier irst den roozenkraans gebid (19670428)
- Cees Robben; Prent van de Week - Vruuger han jong snotneuze.. en tirreswrrig hebben snotneuze vort jong... (19790817)
 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

handelesaosie

zelfstandig naamwoord

hantering, het omgaan met, handelwijze, inzicht

- Piet Heerkens; uit: Brabant, Harritje, 1941 - Paf [staan] van al die handelizaosie...

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij heeter gin handelesaosie van - hij weet er niet mee om te gaan

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'H hee-t-ur gin haandelesaosie van!' - Hij weet niet hoe het moet

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (38) 'Hij heeter niks gin handelesaosie van

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HANDELEZATIE zelfstandig naamwoord vrouwelijk - handeling, goede manier om eenig werk te verrichten. Die lomperik he' nieverans geen handelezatie van.

 

handketaaw

zelfstandig naamwoord

handweefgetouw

- WBD handketaaw/ haandgetaaw (II:944)

 

handpr

zelfstandig naamwoord

handpeer

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - ntp -> mp: haampeer

 

handvat, handvatsel

zelfstandig naamwoord

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - Elk veurjaor kreeg zon fietske is in goei burt, wier ze w afgeschuurd en opgelakt, hier en daor inne nuuwe speek ingezet, soms nuuw spatbordjes en handvatsels...

- WBD II:2375) 'handvat' - een van de knoppen waartussen een zaagblad van een spanzaag bevestigd wordt

 

handvger

zelfstandig naamwoord

handveger

paoter handvger - onhandig iemand

- WBD III.1:307 - handvger - stoffer

snor

- Ga zitten, zeej enne vent in vol ornaat meej ene flinke handvger onder zen neus, tegen mn. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

handwrk

zelfstandig naamwoord

handwerk

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HANDWERK - zelfstandig naamwoordo. - arbeid die met de hand verricht wordt

 

handwver

zelfstandig naamwoord

handwever

- WBD handwver, haandwver (II:941) handwever, wever die thuis met de hand weefde (op het handweefgetouw).

- WBD II:949 - 'haandwver'

 

hange

werkwoord, sterk

hangen

- A.J.A.C. van Delft - Tegen iemand, die tot haast aanmaant, heet het: "Nou, nou, hangen hee gin host." (Men behoeft zich niet te haasten om zelf iets te doen, dat minder aangenaam is, i.c. opgehangen worden.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Pierre van Beek Om iets te doen wat niet aangenaam is, behoeft men zich - althans volgens de volksmond - niet te haasten. Men geeft dit aan met de woorden: "Nou, nou, hangen heej gin host (haast)." Opgehangen worden is namelijk een van die onaangename zaken. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): de maand in den hf hbben hange (NB'78) - op korte termijn een kind verwachten (uit de bijenhouderij: Men hangt een korf in de tuin, als men een bijenzwerm verwacht.)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): heetie et gestoole, dan moetie hange (N. Daamen (handschrift 1916) - ) - hij moet de gevolgen van zijn misdaad maar ondergaan

- WBD III.4.4:27 'hangend weer' = bestendig weer, ook 'staand weer oude verleden tijd: hong

- Dialectenqute 1887 Willems -  hange - hong - gehange

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hange - hing - gehange

- Mar hij hong te vaast aon zn systeem... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
- ...et hong ok nie mee z'n punten slap en futloos naor beneje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 12 22 - Twee kln pepieren engeltjes, / Die in de Kerstbm hongen...

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Er hongen k nog un paor schilderijkes en tkeningen aon de muur.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Appels van enne bom plukken, waorvan de takken over de heg hongen.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - ... want stof hong der zat en d waar toen al nie gezond.

 

hangstrtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hangstaartje

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - staartmees (Aegithalus caudatus)

 

 

hank

zelfstandig naamwoord

- WBD dakspar

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hank - dakspar (rond Tilburg)

 

hannebroek

zelfstandig naamwoord

 

Naumann - gaai

 

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - gaai (Garrulus glandarius)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hannebroek zelfstandig naamwoord - Vlaamse gaai

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanikbroek'.

- WBD III.4.1:148 broekhannek - gaai

- WNT HANNEKE 4) verouderde benaming voor sommige vogels

 

hannek

zelfstandig naamwoord

ekster (Pica pica)

 

Afb.: Naumann - Pica pica

 

- Cees Robben, Prent van de Week - ...hanneken/ die huizen in de maast. (19600708

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HANNEK, HANNIK (uitspraak hannak) zelfstandig naamwoord m. - tamme ekster; ook 'hannen'

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - annek, hannik ekster, roek, Vlaamse gaai

lomperik, onhandige man

- WNT HANNEKE 1) zwak en onnoozel man of echtgenoot.

- door Robben gebruikt voor een mager kind; waarschijnlijk in navolging van de volksnaam voor de ekster: hannek - W bende toch unne maogere hannik (19610901)

 

hanneke

werkwoord, zwak

aarzelen

- WBD III.1.4:54 'hanniken' = aarzelen

 

hannekeskst

zelfstandig naamwoord

hannekenskost

- WTT (2012) - Het - WNT geeft onder 'Hanneke' als tweede betekenis, en als eerste voor Zuid-Nederland: 'nuchter kalf', dat wil zeggen 'mager kalfsvlees' of vlees van jonge kalveren.

- A.J.A.C. van Delft - "Hoe ziet hij er uit?" "Och, hij heeft al zijn leven hannekekost gegeten, dan weet ge 't wel." Dit is: Hij blijkt uiterlijk niet te stammen uit een gezeten burgerfamilie. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929) [WTT 2012: ofwel: hij is erg mager, hij is dus van lagere komaf; zie volgende]

- Pierre van Beek Er zijn echter mensen, die men - ook al zijn ze maatschappelijk vooruitgegaan - hun afkomst soms nog van het gezicht kan lezen. Men zegt dan, dat ge zien kunt, dat hij "al z'n lve hannekenkost gegeten heej". Zo iemand stamt derhalve niet uit een burgerfamilie. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

- Pierre van Beek - Wanneer van iemand gezegd werd, dat hij "al z'n leven hannekenkost had gegeten", dan zag hij er niet te best uit en was hij niet uit een gezeten burgerfamilie voortgekomen. (Tilburgse Taalplastiek 24-6-1964)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): aaltij hannekeskst gegeeten hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - onvoldoende, slechte, vaak gekregen kost hebben gegeten en daardoor mager zijn.

- WNT - Samenst. (in de bet. 2) Hannekensvleesch, te Antwerpen een gewoon woord voor: nuchterenkalfsvleesch (Eenen beenhouwer wiens klanten bijzonder op hannekensvleesch gesteld waren.

 

hannet
samentrekking
hadden het
- Cees Robben; Prent van de Week - Peer van Dun en Maontje Mne... / Hannet wir is schn versierd (19701120)
 

hansjee, anzjeej

zelfstandig naamwoord

hachee

 

Hachee met rode kool en aardappelpuree

 

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hachee

 

hansjup hansjpke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van hansjop'

- Cees Robben; Prent van de Week - Krgt ie irst van men n baordje../ Dan zn hanne-sjpke aon... (19581122)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 03 19 - Triske hee 'n hansjupke aon / Geborduurd mee 'n hundje / D is z hullie moeder zee / "Fn wrm aan dur kuntje."

 

haogel

zelfstandig naamwoord

hagel

- WBD III.4.4:103 'hagelsteen', 'hagelkorrel' = hagelsteen

 

 

haogele

werkwoord, zwak 

hagelen

alleen als infinitief en derde persoon enkelvoud 'het'

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HAGELEN onpersoonlijk werkwoord - heeft soms 'ze' en 'dat' als onderwerp

 

haok, hkske

zelfstandig naamwoord

haak

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): nie in den haok

- WBD puthaok (ook in Hasselt) - puthaak (stok welke scharnierend of d.m.v. een ketting opgehangen is aan de putzwengel)

- WBD schphaok - ijzeren haak aan de puthaak

- WBD gerilhaoke (Hasselt)

- WBD (Hasselt) eeghaok - egstok (dienend om de eg op te lichten)

- WBD mishaok - mesthaak (gereedschap om mest uit de stal of van de kar te trekken)

- WBD II:72l) schoenmakersterm: niet vermeld

- WBD II:2699) 'verstkhaok' - verstekhaak

- WBD III.1.3:125 'broekshaak' = gesp van een broek

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: haok - hukske (u van 'mulder' = mlder)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de kl in den haok hange ('7l) niet weten hoe het hoofd boven water te houden

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): haoke krmmen al vruug (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969)- een jong mens moet geleid worden: later lukt dat niet meer.

 

haoke

werkwoord, zwak 

haken; manier van handwerken waarbij met een metalen pen met een weerhaak een lussenweefsel wordt vervaardigd

haoke - hkte - gehkt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hkt

 

haol

Boven en onder: zaoghaol; midden: kttinghaol; eind 18e, begin 19e eeuw

 

zelfstandig naamwoord

- WBD haal (instrument waaraan men de kookketel boven het open vuur hangt)

- WBD 'haal' naast 'haol' (?)

- WBD kttinghaol - haal in kettingvorm

- WBD zaoghaol - haal met zaagvormig blad

- WBD (kln) hltje - kettingvormig verlengstuk onder aan de haal, langhaal

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - hool zelfstandig naamwoord vrouwelijk - haal, "het getakte ijzer waaraan ketel of pot over het vuur wordt gehangen" (WNT).

 

haole

werkwoord, zwak 

halen

haole - hlde - gehld

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - haole - haolde - gehaold; in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: g+/h+ hlt

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'As ie hlt, dan hlt ie ut' - Als hij holt, dan haalt hij het.

- WBD III.1.2:80 'halen' = trekken

- WBD III.1.2:88 'halen' = pakken, voor de dag halen; ook 'vatten'

 

 

haom, hmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

haam, ook volgens WBD (Hasselt), leren of houten juk om de hals van

trekpaarden

- WBD nderhaom (Hasselt) - vilten haam (of twee met elkaar verbonden kussens die het paard om de nek draagt onder het haam, indien dit te groot is in de Hasselt ook genoemd 'ndergeril'

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HAAM noemt men hier het juk, 't welk op de voorschiften der paarden of ossen gelegd wordt.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAEM: een gedeelte van het tuig van een karpaard.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - haom zelfstandig naamwoord mannelijk: haam, kraagvormig halsjuk van trekpaarden

 

haomer, haomerke

zelfstandig naamwoord

hamer

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'de smid zwaaide meej den haomer'

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen houteren haomer

- WBD II:2730 'spkhaomer' - voorhamer/ speekhamer

- WBD II:2727 'kluufhaomer' - kliefhamer

- WBD III.3.3:84 haomer = klepel van een klok

- WBD III.4.4:18 'hamerslag' = kleine wolkjes

 

haon

zelfstandig naamwoord - verkleinwoord = hntje

haan

- Jan Jaansen - Ze had al 'n partijke haonen geslacht en er waar groote verslaogenheid in et kippenhok, want, och jao, de haontjes zijn wel 'ns laastig veur de kiepkes, mar as ze d'r nie zijn, of al te weinig, dan is 't ok nie goed, d snapte! (uit het feuilleton 'Oome Teun in den trein' van Piet Heerkens;)
- Lechim - Mee 'n stuk of vf zis koeikes/ 'n Haffel kiepe en 'nen haon/ Hai alles we 'ne meens kan wille/ Hij keutelde z mar w aon. (Ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, ca. 1970)

- Lechim - En ze di'n mee hoge fiste [hoogtijdagen]/ Mee virtien man van nen haon... (Ongedateerd knipsel uit Tilburgse Koerier, ca. 1970)

- Piet van Beers - In de Lnse Moer daor wonde / onzen ome Adriaon. / Hij ha zeuve zwarte kiepe n unne groten zwarten haon. (uit: Aaajer f jong; CuBra)

- Piet van Beers - Ziede m daor gaon/ z fier n frt, zn borst flink brd/ n lken dag zn biste kleere aon./ Hij schudt zene kop/ zn vre glimme/ n z nou n dan/ ziedem kwansuis n kiep beklimme. (uit: 'Den haon'; CuBra, ca. 2007)

- Elie van Schilt - Ge wiert wakker dur ut kraaien van dun haon van dun buurman, ut getok van de kiepen, hl uitgelaoten as ze un aai hadden gelee. (Uit: 'Vruuger heurde wij aanders'; CuBra, circa 2002)
1. mannelijke kip (Gallus gallus)

1.1 Metafoor voor seksualiteit

De haan speelt vaak een rol in spreekwoorden en gezegden die betrekking hebben op seksualiteit en voortplanting

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Twee ouwe vrijsters kopen bij de boer 4 kippetjes maar willen er (voor de orde) ook 4 haantjes bij hebben. De Boer: ) D is nie nodig, 4 haontjes bij 4 kiepen (Een van de vrijsters:) J, mar wij weten w wochten is. (10-03-1967)

- Cees Robben: Dnkte naa dk van znne stmmen haon ng en aaj wil tbroeje (datum onbekend).

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): nen goejen haon die brngt er den buk n brsten aon (Handschrift Daamen 1916) - een goede echtgenoot maakt een vrouw zwanger)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ne goejen haon is nie vt

- Piet van Beers - Den haon komt vur de middag scharrele/ n dan gaoget wir van " HUPSAKEE ". (uit: 'De Aodelukke kiep'; CuBra, ca. 2007)

- Tony Ansems - Kaka Diedel Dee, kraaide den haon/ Kaka Diedel Dee, z'heej overspel gedaon/ Kaka Diedel Dee, van heur kan'k niks op aon/ Waar komt dat Russisch ei, onder der gat vandaon? (Van de cd Tilburgse Liedjes - American Style, 2007)

1.2 Eigenschappen van de haan

1.2.1 Meeloper

- Pierre van Beek; "'Haontje van den toren was zenne leermister". - Hij draaide met alle winden mee. Hij was niet flink; hield er geen eigen mening op na. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

1.2.2 Verwaandheid

- Cees Robben: Hij is z verwond as enen haon die dnkt d de zn pkmt mde hij kraajt

- Lechim - Ik waar zo frd as unnen haon/ Mar de blk nie zo schraander/ Want toen 't bal laot tne was/ Vertrok ze mee 'n aander. (Ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, ca. 1970)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lopen as enen haon meej stront n zen pote - bekakt, parmantig

- WNT - lemma Snoeshaan - Iemand die luidruchtig of aanmatigend optreedt, opschepper. Veelal met de gedachte aan iemand die een losbandig leven leidt of iemand die krijgshaftigheid ten toon spreidt. (...) Uit: Hoogduits schnauzhahn, eigenlijk kalkoensche haan.

1.2.3 Ongenaakbaar

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge bnt nog nie van mn aaf, zi den haon teege de pier, n hij had em al half p (Daamen handschrift 1916) gezegd tegen iemand die ten onrechte meent aan gestelde eisen te voldoen.

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen, 2000 - de gebraojen haon = Jozef Janssen.

1.2.4 Gulzigheid

- Informant Raaijmakers - Hij vloog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos.

- WTT 2013 - Deze vergelijking lijkt afkomstig uit de duivensport. De enige andere vindplaats van deze uitdrukking is het in Tilburg bekende lied 'Daor komt mene witpn aon' van Jo Hoogendoorn, opgetekend door Rolf Janssen: 'En is 't concours [de duivenwedstrijd] ten end/ en d'n tslag wordt bekend/ gaon ze [de duivenmelkers] op de lsten los/ a's 'nen haon op 'ne knoezelbos/ eene roept er dan vol lol/ zeg, doet 'm nog es vol... (We hebben gezongen en niks gehad; 1984)

2 Ander mannelijk gevogelte

2.1 mannelijke kalkoen (Meleagris gallopavo)

- Jan Jaansen - Den Sik wier zoo rood as 'nen kalkoenschen haon (uit: 'Den Sik van Baozel'; feuilleton van Piet Heerkens naar een tekst van Wibbelt; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939)
- WBD I.6. Kleinvee - lemma Mannelijke kalkoen - haon - mannelijke kalkoen

2.2 mannelijke zangvogel

- WBD III,4.1:25 'haan' (=haon) - mannelijke zangvogel, ongeacht de vogelsoort - als 'man' of 'mannetje' ('mnneke') frequent in Tilburg; als 'haan': zeldzaam in het midden van het Tilburgse, ook in Gilze.

2.3 mannelijke fazant (Phasianus colchicus)

 

- WBD III.4.1:183 'haan' - mannelijke fazant; verspreid in Tilburg

2.4 Korhoen ((Lyrurus tetrix of Tetrao tetrix)

 

- WBD III.4.1:185 'korhaan' - korhoen (Tetrao tetrix), ook 'korhoen'; zeldzaam in Tilburg

 

haoneg

bijvoeglijk naamwoord

hanig

vrouwziek

- WBD III.2.2:109 'hanig' = vrouwziek

 

haonekaam - haonekam

zelfstandig naamwoord

hanenkam

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hoanekaam

 

haonekrulleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

teelballetje van een haan

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): et schilt mar en haonekrulleke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - het scheelt heel weinig

 

haonenbalk

zelfstandig naamwoord

- WBD hanebalk (horizontale (bovenste) verbinding dwars door het huis)

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAANSBALKEN, zie Hoogstraten

 

haonenk

zelfstandig naamwoord

hanennek; neerhangende vel van de onderkin

- Cees Robben; Prent van de Week - Mee oewe haonenek... (19810410)

 

haonepote

zelfstandig naamwoord, meervoud

hanenpoten; slecht handschrift

- Jo van Tilborg - Ineens hak et toch te pakken en kos ik de juffrouw alles vurlezen, w ons moeder op et briefke ha geschreven, meej die haonepte van der. Waor die schrve ha geleerd! (Tilborg, Jo van - Kosset den brne eigeluk wel trekken I, 2006)

 

haonetrap

zelfstandig naamwoord

- WBD - hanetred (eigenaardige onwillekeurige beweging van een of beide achterbenen v. e. paard), ook genoemd 'haonenspat'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanetred', krampachtige beweging der achterbeenen (van een paard), waarbij het spronggewricht sterk en krampachtig bewogen wordt. (WNT)

 

haoneschreej

zelfstandig naamwoord

de schrede van een haan; figuurlijk: een zeer korte afstand, de uitersten liggen heel dicht bij elkaar

- Cees Robben; Prent van de Week - Van schreuwe tot laage.../ Van hemel naor hel.../ Van engel naor duvel.../ Van waereld naor cel... (...) W zn we toch tobbers.../ unne haoneschreej... (19570112)

 

haopere

werkwoord, zwak 

haperen

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): haopere

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): in Haopert haooer(t) et aaltij (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - woordspeling

- WBD III.4.4:311 'hapering' = stoornis

 

haor, hrke, meervoud: haor

zelfstandig naamwoord

haar, haartje, haren

- Informant Toine Raaijmakers; gezegde: (Als iemand iets doms gezegd of gedaan heeft, vergoelijkend, spottend): Lt ze mar kamme die gin haor hbbe!

- Dialectenqute 1887 Willems; meej hangende haor - met hangende haren

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan moeste de oore, daor moeste vur oppaase. Ast te het waoter was dan krulde ze op n dan braande die haor derin n zo wast meej en varke presies inder. Ast te het was dan braande die haor drin n dan hadde soodemieters veul wrk want dan koste ze nie schonkrge die rtzakke! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

Klik hier voor audiofragment)

- Audio-opname 1978 - En dan hadde van die krnge bij, j, dieter zon haor op hadde staon! Hadde die mense die niks dinne dan in die td dt slachten was, dan vur te zoute vur de boere, die ginge hil die boere ginge die aaf, war, mar dan trokke ze wl der haore! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

Klik hier om het bestand te beluisteren

- Naa zo alles praachtig gegaon zn, mar d -Informant Toine Raaijmakers; kwaam in haor in de boter... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Pierre van Beek; "De haren van zijn ziel verbranden". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- Pierre van Beek - et haor krge = boos worden. Er bestaat ook in Nederland een gewestelijke uitdrukking 'het haart in de keel krijgen'. 'Haart' betekent: een scherp of branderig gevoel, bijvoorbeeld door rook of mist of van scherpe spijs of drank, waardoor men aan het kuchen raakt. (Tilburgse Taalplastiek 152).

- Gezegde - zen haor trughaole - wraak nemen

Tekening: - Cees Robben; Prent van de Week - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): beeter rooj haor dan blnd p en eezelskont ('71)

- WBD I:1467 haore - baard, stekels van een aar

- WBD [?] wilde haor -witte vlekken (bij een paard), ook genoemd 'gedrukt'

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): haor zelfstandig naamwoord - haar; ge moet oe haor trughaole z.n.

 

haorbaand

zelfstandig naamwoord

- WBD koot van een paard, ook 'koogel', (Hasselt) 'koowgel' genoemd

- WBD kroon (van een paardehoef), ook genoemd (Hasselt) 'hrbaand' of 'kron', elders 'kronraand'

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HAARBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - het gedeelte van den voet eens peerds boven den hoef.

 

Maaier haart zijn zeis - Tekening Jan Wiegman uit Katholieke Illustratie 1926

 

haore

werkwoord, zwak

scherpen van snijdend gereedschap

haore - haorde - gehaord; geen vocaalkrimping

- Pierre van Beek; "Hij wet op een zeissie, die 't horre nie kan verdraogen", zegt men tegen iemand, die zit te zeuren en te kletsen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Jan Naaijkens, D's Biks 1992 - haore werkwoord - scherpen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAREN (haore) overgankelijk werkwoord, een zeis of zicht scherp maken door met een spec. hamer het randje te pletten. Hiervoor werd een haargetouw gebruikt

- WNT HAREN III - snijdend gereedschap - bepaaldelijk zeisen en zichten (pikken) - scherpen, door de snede op een aanbeeld met een hamertje uit te kloppen.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HAREN- 'de snede van eene pik of zeisen scherp en dun kloppen met eenen haarhamer op eene haarkruin.

 

Schilderij: Ernest Chateignon, Het binnenhalen van de oogst; 19e eeuw.

 

haornkele

werkwoord, zwak

mogelijk: lawaai maken; in de afbeelding hieronder bijvoorbeeld in verband met 'rammelen' van een weefgetouw.

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

Haorhs

toponiem in de Tilburgse wijk Oerle

- Krantenadvertentie, 1879 Houtverkoop ten behoeve van den Arme te Tilburg - Burgemeester en Wethouders van Tilburg zullen op Woensdag den 15 Januari 1879, des avonds te 6 uren, ten Koffiehuize van J. B. MARINUS, ten behoeve van den Grooten of Heiligen Geest Arme, den hoogstbiedenden publiek verkoopen, als: (...) 5 koopen idem [= kanadaboomen] te Oerle aan het Haarhuis.

 

 

Tilburgsche Courant 1 januari 1871

 

haorinder

bijvoeglijk naamwoord

precies hetzelfde, net eender, op een haar na hetzelfde

- Cees Robben; Prent van de Week - W trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAAREENDEr (haorinder) bijvoeglijk naamwoord op een haar na eender, hetzelfde

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - haarinder, bijwoord - haareender, precies hetzelfde

 

haorplukke

werkwoord, zwak

- Pierre van Beek; Da's tegen de duvel gehorplukt. - Dat is een nutteloos werk gedaan. - Vergeefse moeite. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ruzie maken

 

haorspl, hrspl

zelfstandig naamwoord

haarspeld

- WBD III.4.4:229 'haarpin' = scherpe bocht

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HAARSPEL (Kemp. haorspl), mrv. haarspellen, vklw. haarspelleke(n)

 

haorstielist

zelfstandig naamwoord

haarstilist

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 02 01

Vur hum hoevet niemir...

'n Winkeltje hiet vort "boetiek"

'ne Grte "ks en kerrie"

'n Daanszaol wier 'n "diskoteek"

Mee wnig licht, veul herrie.

 

'ne "Keurslachter" die hamme al

Net as 'ne "wrmen bekker"

Naauw komt 'r unnen "haorstielist"

't Wordt mee d'n dag al gekker.  [...]

"Mar mn - zee onzen me Kriest

Helpt d ammol gin flikker,

Mn fertuin is toch gemaokt

Al h'k 'ne kaole knikker."

haorzakke

werkwoord, zwak 

- Pierre van Beek; "Lig niet te haarzakken." Verveel me niet. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

 

Ill.: Rolf Janssen

 

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen vtten haos

 

haos, hske

zelfstandig naamwoord

haas (Lepus europaeus)

- Pierre van Beek; "Ik weet wel, waar den haos in de peper le." Hiermee werd bedoeld: Ik weet er alles van. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

- Cees Robben; Prent van de Week - De wreld is nie dur unne haos gedekt... (19780217) [haastige spoed is zelden goed]

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hoaze - hazen

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): 'ge winnet, stloor', zi den boer teege den haos toen ie em nie ks krge (N. Daamen (handschrift 1916) - )

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ek z nie dur nen haos gedkt - Rustig, ik kan niet alles tegelijk

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - haozelr onder zen schoene hbbe - hard lopen

Stuk vlees uit de lenden van een rund.

- Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004); Beschrijving van het WBD: Stuk vlees uit de lenden van een rund. Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam; beschrijving van het WBD: Van de haas; Tilburg.

 

haoske [hske]

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van haos, haasje.

- Cees Robben; Prent van de Week - of pruuft dan eens van t haoske (19550205)

 

haote

werkwoord, zwak 

haten

- Dialectenqute 1887 Willems; haote - haotte - gehaot

ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

 

Piushaven - Tilburg - ets: Hendrik de Laat

 

haove

zelfstandig naamwoord

haven - het meervoud is 'haoves'

- Cees Robben; Prent van de Week - We hebben n haoven mee waoter d -Informant Toine Raaijmakers; in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer (19540515)

 

Corylus avellana

 

haover

zelfstandig naamwoord

haver

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Haover in oew kniejes hbbe (Vooral bij kinderen gedaan) de zijkanten van de knien snel masseren waardoor er een kietelende pijn ontstaat

- Bredt vertlde ie et bezuuk/ van haoverre toe gort,/ hoe en ongeluk ie ha gehad/ daor... op de wntersprt. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aaventoe liege maag...)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hoaverkiest

- WBD I:1404 'haover' - haver

- WBD III.2.3:141 'haver(e)moutsepap', 'haver(e)moutepap= idem

 

haozelnot, haozenot

zelfstandig naamwoord

hazelnoot (Corylus avellana)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: haozelntte - hazelnoten

 

haozenhak

zelfstandig naamwoord

hazenhak

- WBD mouw (gewrichtsziekte bij jonge paarden), ook genoemd 'mwke' of 'mk'

 

haozevraoge

zelfstandig naamwoord, meervoud

samenstelling uit hazen + vragen

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019): vragen die je niet kunt beantwoorden.

Voor de volledige lijst Klik hier

 

happe

werkwoord, zwak

eten (kindertaal)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HAPPEN overgankelijk werkwoord (tegen kinderen gezegd) eten.

 

hapsnap

bijwoord

- Pierre van Beek; typoscript Archief Pierre van Beek, ca. 1974 - hapsnap dialect = in een oogwenk iets doen = in een vloek en een zucht = in overhaast iets doen - 't is in 'n "hapsnap"' gebeurd." - is een uitdrukking van de combinatie "happen" en snappen = direct reageren.

 

Typoscript - Archief Pierre van Beek

 

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - et gong ammol mar hapsnap - het ging allemaal zo maar vlugjes

- WBD III.1.4:378 'hapsnap', 'hapsnaps' = in alle haast

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - hapsnap(s) bijwoord - in alle haast;

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HAPS, APS bijwoord - in groote haast, met de gauwte.

 

hard

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

hard, in diverse betekenissen

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "ze zn hard (arm)"

- WBD (Hasselt) weerstand biedend (gezegd van een paard); elders spreekt men van harden bk'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - et er hard p hbbe - erop gebrand zijn

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: haard wrreke is z'n zoak nie - hard werken is zijn zaak niet

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): z hard as nen duuvel p zene kp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1957) - spreekwoordelijke vergelijking

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): z hard zn d den duuvel oe nie wil (N. Daamen (handschrift 1916) - )

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hard bijwoord - hard; hij is hard ziek - erg ziek

 

hardfietse

werkwoord, zwak, maar vrijwel uitsluitend als infinitief of gesubstantiveerd (et hardfietse) aangetroffen

wielrennen

- Irst hardfietse op de TeeVee. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ast ene sleur gao worre)

 

hardlveg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ik geleuf al zn lve dek van mun lve nog nie zo hardlvig z gewist, Mijnheer Dokter. (10-03-1967)

 

hardstenkapperij

zelfstandig naamwoord

steenhouwerij

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n dan hadde die hardstenkapperij van, van Petit, d was daor ammel enen hoek mar ds, hil et zaakje is daor ammel wg vort, hds ammel vort wg

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

hardzak

zelfstandig naamwoord

iemand die het moeilijk heeft

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hardzak - armen drommel"

 

harnasketaaw

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - machinaal weefgetouw (ook: staolketaaw)

 

hars en dwars

uitdrukking

- Pierre van Beek; 't Lag hars en dwars dooreen. - Schots en scheef. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

- Cees Robben; Prent van de Week - Des me k n rouw ketier (...) alles lee schots en scheef en hars en dwars dur mekaare... (19840210)

 

harses, harsens

zelfstandig naamwoord, meervoud tant.

hersenen, verstand, hoofd

- D wil zeggen: hij ha harsens genog, mar hij kos er nie mee overweg... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)

- Ge flapt er alles mar uit, w't er in oe harsens opkomt! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; Nieuwe Tilburgsche Courant 20-1-1940)

- d'r harses die werkte nie als te fel... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 09 29 - Ons Sjaan die is dr harses kwt...

- Hij gao mee zun harsus dur de muur, j. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - dnken is vur de prde, want die hbbe grote harses

- Stadsnieuws (rubriek): Hij viel meej sen harses op de kaajbaand n was gelk van sene susserd (250209) - Hij viel .... en was helemaal van de wijs, van streek, in de war.

- WBD III.1.1:37 'harsens' = hoofd

- WBD III.1.1 :178 'harsens' = hersenen

- WBD III.2.3:64 'harses' = gekookte hersenen

- WBD III.1.4:23 'hersens' = verstand

- WNT Aanvulling II:3804 HARSES informeel mv. voor hersens.

 

hart

zelfstandig naamwoord

hart

- 2019 gezegde: Et hart hbbe; het lef hebben (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier

- Kernkamp; Dialectenqute 1879 - in 't haart - in het hart

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): hbbe ze et nie nt hart, dan hbbe ze et n de start (Handschrift Daamen 1916) - ze voelen altijd wel iets, zijn altijd wel een beetje ziek

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): in iemes zen hart begraove liggen as en boereknt in en turkslre broek (Handschrift Daamen 1916) - in iemands hart gesloten zijn

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): km n men hart, want ge ruukt nr sneevel (Handschrift Daamen 1916) - Schertsende liefdesverklaring van een drinker aan zijn glas

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): et pinneke van zen hart hangt in de stront (N. Daamen (handschrift 1916) - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'

- WBD III.1.3:132 'hartje' = borststuk van een schort

- WBD III.1.3:262 'hartje' = medaillon; ook 'kastje'

- WBD III.1.4:185 'hart' = gemoed

 

harte

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - harden

 

hartelek

bijvoeglijk naamwoord

hartig [bij vergissing uit hartelijk]

- Cees Robben; Prent van de Week - n bammeke mee n harteluk stukske vorse worst... (19840615)

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hartelik - in plaats van hartig (krachtig, zout)"

 

harte(s)

zelfstandig naamwoord, meervoud

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - harten(s) (bij kaartspel)

- WBD III.3.2:175) hartes = harten (van een kaartspel)

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - hartes - zelfstandig naamwoord: harten (kaartterm)

 

hartjesbrod

zelfstandig naamwoord

hartjesbrood

vast bruinbrood, van overwegend rogge, met zuurdesem, aan de bovenzijde voorzien van een ingebakken hartjesmerk

- Cees Robben; Prent van de Week - Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hartjesbrood - zelfstandig naamwoord - soort klassiek bruinbrood met een hartje gemerkt

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - - hartjesbroot - zelfstandig naamwoord - brood van roggebloem aan de bovenkant gemerkt met een hartje. (Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - )

- Cees Robben, Prent van de Week - Ik viel op een middag na schooltijd bij tante Jana binnen. Ze bekruiste net een groot Hartjesbrood en sneed er het korstje af. In het binnenste van het aangesneden brood groef zij een diep pijpje en zij vulde de ontstane ruimte met malse boter. (Cees Robben)

- WTT 2013 - Het hartjesbrood geldt tegenwoordig als een specialiteit van de warme bakker. In tijden waarin de broodprijzen door de lokale overheid werden vastgesteld, lijkt hartjesbrood geen bijzondere culinaire verdienste te hebben gehad maar wel een bepaalde bereidingswijze. Hartjesbrood was in die tijd een vrij goedkope broodvorm, getuige deze advertenties uit Tilburgse kranten:

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, maart 1924

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, februari 1921

 

Tilburgsche Courant, februari 1928

 

- Wim van Boxtel - ... Mar smergens vruug,/ kreege ze op toffel,/ vier pillen van 't hartjesbrood./ besmeert mee niks,/ belee mee suiker,/
mar, och, ge gongter nie van dood... (uit: 'Toe de nok omhoog', geciteerd in De Brabantse Koffietafel, Cor Swanenberg & Nelleke de Laat, 2000)

- WBD III.2.3:189 lemma Half en half - Brood van tarwemeel met roggemeel vermengd - hartjesbrood: opgetekend voor Tilburg, Goirle en Lage Mierde.

- WBD III.2.3:191 lemma zemelenbrood - 'hartjesbrood' = zemelenbrood - Tilburg, Goirle en Lage Mierde

- WBD III.2.3:191 lemma roggebrood - 'hartjesbrood' = roggebrood - uitsluitend opgetekend in Tilburg.

► mik

► mlkmik

► rggebrod

► brod

 

hartlap

zelfstandig naamwoord

- Van Dale - hartelap = lieveling

- Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929 - 't Gaaf allemol niks (...) hij mos en z Anna's hebben. Naaw hij hee ze gekrege! En toen waren ze mee drien blij: de kster, omd-t-ie z'ne hartlap gewonnen h, Anna omd ze 'ne meensch h en den awen Door zelf omd't-ie eindelijk toch een van z'n dochters kwijt was.

 

hartwrm

zelfstandig naamwoord

hartworm

- WNT - spoelworm, ingewandsworm; fig. de eene of andere, de rust van het gemoed bedervende, storende zaak

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis goed vur den hartwrm (N. Daamen (handschrift 1916) - )- excuus als een borreltje genomen wordt.

 

hasjee

zelfstandig naamwoord

hachee

- Piet van Beers Praaj: "Breng dan w Praaje meej./ Tweej dikke, vur den Ertesoep/ n w vur den Hasjee" (uit: Spoeje doemmeniemer; 2009)

►hansjee

 

hasse

samentrekking

had ze

- Cees Robben; Prent van de Week - Spulle hasse zisse... (19781027)

 

hatjutbm
samentrekking
had hij het bij zich
- Cees Robben; Prent van de Week - (19670217)
 

hatsjieje

werkwoord, zwak 

niesen

 

hattie
samentrekking
had hij
- Cees Robben; Prent van de Week - meer hattie nie... (19580913)

 

hattum, hattem

samentrekking

had hem

- Cees Robben, Prent van de Week - Ik zeg vattum.. en hij viet.. en hij hattum... (19690214)

 

hb

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk

het hebben, bezit hebben

- Miep Mandos-van de Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Tis er ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb as van de geef.

 

hbbe

werkwoord, sterk

hebben

hbbe - ha/h - gehad

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - : hbbe - ha/had - gehad

voor een totaaloverzicht van de vormen van hebben, zie het dossier

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hj gezee dettiejum bijm h? (feb. 1962)

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (bij oplossing van n puzzle) t hee hil w dn veur d ge d -Informant Toine Raaijmakers; it komt (17-08-1964)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - et er hard p hbbe - erop gebrand zijn

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - kh oe nie gezien - ik heb je niet gezien

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ze hn er lillek tegenngerst - ze h. een flink pak slaag gegeven

- WBD III.2.2:4 'het hebben' = menstrueren

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEBBEN, HEMMEN - had, hod, haai, ha - gehad

Gehad hbbe

- WTT, april 2019: 'gehad' versterkt hier een voltooide tijd met 'hebben'. Dit lijkt een variant op het gebruik van 'gehad' als 'perfectum remotius' ofwel 'verwijderd voleindigde tijd' (zie volgende onderdeel). Opmerkelijk is dat de constructie in enige voorbeelden een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden reeds als voltooid weergeeft.

- "'k Zu gren Vinken 'ns efkes gesproken gehad hebbe", zee oome Teun... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; 'Kareltje Vinken'; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)

- "J, kk, 't zit zoo: ik moes eigenlijk 'ns mee Anneke van hier tegenover gesproken gehad hebbe... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

Gehad als perfectum remotius

- Ed Schilders; WTT 2019 - Het betreft hier het verschijnsel dat in de taalkunde 'perfectum remotius' wordt genoemd of 'verwijderd voleindigde tijd'. De constructie versterkt de voltooide tijd nog meer dan de verleden tijd dat doet. - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - beschrijft het met vele dialectische voorbeelden in 445 van deel 1 van 'Dialekt van Kempenland'.

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n daor hbbek lang saome meej gewrkt gehad

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Ik heb toen bij Jantje Brouwers gewrrekt gehad in den ollgstd want toen bn ik meej, meej wrkverlf gekoome...

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Mar j, die hbbe ze fIeej week opgelaoie gehad (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Kaffee Bar Dnsing Bodega 't Bmstrunkste on de Ringbaon Oost. D is 'n tdje dicht gewist, omd ze w probleme gehad hadde gehad meej laastige bezoekers. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

-Ik ston pasgeleje bij de pin-automaat, want ik moes geld hbbe. Ik wies nie f er nog wddt z koome, want de soos ha al ene hille td niks mir gestort gehad. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

hebben gebruikt in plaats van zijn

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Ze hadden omgevallen'; 'Hdde wiste kijken?'

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Verbild oe is desse gas hadden gaon betrekken van de mijnen.'

- Hij heeter, toen ie van school kwaam, k nog un paor weken in vaaste dienst gewist. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WTT april 2019 - Het is niet duidelijk in welke mate deze verwisseling van de hulpwerkwoorden in het Tilburgs normaal geweest is. De Bont beschrijft het met vele dialectische voorbeelden in 445 van deel 1 van 'Dialekt van Kempenland', alwaar de constructie blijkbaar zeer gangbaar was, of zoals - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - het zegt 'dat een zekere voorliefde voor hebben bestaat' (1962).

 

hbbedingske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Van Dale - hebbeding - voorwerp waarmee men niets weet aan te vangen, waar men geen naam voor weet, zonderling, raar ding

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hebbe-dingske 't is mar 'n hebbedingske (een klein meisje, een niemendalletje)"

- WNT HEBBEDING - Eene zaak, een voorwerp waarmede men niets kan uitrichten of niets weet aan te vangen, waar men geen naam voor weet, of waarvan men den naam op 't oogenblik niet in staat of gezind is te noemen.

 

hbberd

zelfstandig naamwoord

inhalig, gierig persoon

 

hbberdegrieks

bijvoeglijk naamwoord

de etymologie is niet opgehelderd

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): iets hbberdegrieks (HM) '70

 

Van Hbscheute

zelfstandig naamwoord, eigennaam

fantasie-eigennaam, mogelijk spottende benaming voor een hebberig persoon.

- Cees Robben: 'Van Hpscheute'

 

hbstijn

inhalig, hebberig iemand

- Informant Vromans - Naar jodennaam Ebstein

 

hdde

persoonsvorm van 'hbbe' met samengetrokken voornaamwoord

- heb je, hebt ge/gij, hebt u, hebben jullie Persoonsvorm 'hebt' geassimileerd met enclitisch pronomen 'ge'.

- WTT 2013 - 'Hdde' wordt vaak, maar niet uitsluitend, in de vragende vorm gebruikt. In zowel de vragende als de stellende vorm kan herhaling van het voornaamwoord plaatsvinden (zie onder).

Tweede persoon - gij, ge, je, jij

- Gerard van Leyborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs) - Mar Harrie hedde gin brievekpke in oewe zak, want dan mot ik toch nog effe weg schrve. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 24 oktober 1925; Tilburgsche Schetsen: Ceciliafeest)
- 1999 - Jan Naaijkens - Wie kende niet het vraagspelletje: "Hedde gij d mndje (mandje) nog? Welk mndje? Waor Mozes in gescheten h." (Het dorp van onze jeugd; 1999)
- Pierre van Beek - "Marie, ik kan een schoon stukske leer goeikoop overnemen. Hedde 'n paar gulden veur me?" Marie schoot af, het leer verwisselde van eigenaar en er was geld voor een borrel. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - woensdag 21 mei 1969; Gebrs. Van Houtum zadelmakers)
- A.J.A.C. van Delft - Hup mr Jaans, den beer ies los,/ Heddum nie hoore brulle?/ Snijd um z'n neus en oore aaf,/ Dan hedde nog w te smulle. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 18 mei 1929
Van vroeger dagen 115: Op zn Pallieters)
- Anoniem (waarschijnlijk Pierre van Beek) - "Hedde naauw ot zo gezien" bezigt men bij tegenspraak, zogoed als: "lopt naor de maon", hoepelt op! (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 28 maart 1958; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 13; Spreekwijzen in dialect.)

- Cees Robben, Prent van de Week - Moeder heeft haar Wimke verteld van het jonge leven dat zich in haar lichaam ontwikkelt en ze vraagt 'm: w hedde naa 't liefste Wimke, unne jongen of 'n meske...?' 'Nou moeder, as 't jou nie te veul moeite kost... gift men dan mar 'n fietske...' (Robben en Rooms, Dn ooievaar; 1981)
- Cees Robben; Prent van de Week - Monseigneur, ik vat de pen op,/ want ik kan 't niemer aon.../ Hedde nie ter assistentie/ unne nuuwe kapelaon...? (Robben en Rooms, t Meske...; 1981)
- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek) - 'n Klokhuis hedde in 'n appel, d is 't middelste, waor de pitjes inzitten. Tilburg mee z'ne kraans van durpen is 't binnenste van Brabant; en er zitten k pitjes in, w ik oe smoes. (Kubke Kladder, Uit 't klokhuis van Brabant 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929)
- Piet Heerkens - M'n twee vurrige busselkes "rgel" en "Mus" wieren over et algemeen heel goed onthaold en hier hedde dan busselke drie "de kinkenduut", oftewel de kikvorsch. (Voorwoord in De Kinkenduut, 1940)

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hddet f krgdet? Gezegd wanneer iemand zich idioot begint te gedragen.
- Aaf Brandt Corstius; column Tilburg, in de Volkskrant, 25 februari 2013 - De verplegers en verpleegsters kennen ook iedereen. Ze doen steeds de groetjes, en gaan op een fijne, familiaire wijze met hun patinten om. 'Hedde kramp?' hoorde ik een broeder tegen een oudere patint zeggen. Dat is toch veel prettiger dan dat formele: 'Heeft u pijnlijke spiersamentrekkingen, mevrouw?'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hdde swls niks mir geheurd? / hdde kaaw, kom mar gaaw

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEDDE voor hebt gij? HED voor den tweeden persoon  enkelvoud van den tegenw. tijd.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEDDE - samentr. van 'hebde', 'hebt-de', - hebt gij

Hebben als hulpwerkwoord waar 'zijn' grammaticaal verwacht wordt

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): Hdde wiste kke? - Ben je wezen kijken?

 - Gerard van Leyborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs) - "Hedde wiste klottere" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt)

 

hdde me nie gezien, van

bijwoordelijke uitdrukking

- Cees Robben; Prent van de Week - Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien. (19710424)

 

Hddewllekes, de

Naam van een Tilburgse carnavalsvereniging

- WTT - De naam is afgeleid van 'D hdde wl es'. (2020)

 

Foto CuBra 2020.

 

Heebreuws

bijvoeglijk en zelfstandig naamwoord naamwoord

Hebreews

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord o.- Hebreeuws, onverstaanbare taal.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEBREEWS(CH) bvw. - Dat is Hebreeuws veur mij - dat versta ik niet

 

-heedes

meervoudsvorm bij woorden met achtervoegsel -heid

- Piet Heerkens; uit: De Mus, Architekt, 1939 - IJdelheid van d'ijdelhedes...

 

hge

werkwoord, zwak

hijgen

geen vocaalkrimping

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij hgt van muugeghd - hij hijgt van vermoeidheid

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hgen as en spurriekoej - kortademig zijn

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - GEHEGEN: 3e hoofdvorm van 'hijgen'; HEEG: 2e hoofdvorm.

 

heeget

derde persoon enkelvoud van hbbe, samengetrokken met het persoonlijk voornaamwoord

- Cees Robben: Die heeget van iemes die et k geheurd heej. Ze heeget zeeker wir nie;

- Cees Robben: Die et veugeltje vnt die heeget nie, mar die et thlt.

- Cees Robben: ons Sieleke heeget himml nie op mansvolk begreepe...

- Cees Robben: den oopaa heeget bij mekaar geschrpt;

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij heeget er hard op - hij staat er erg op te kijken

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEGET: samentr. van 'heeft het'

 

heej

werkwoord, persoonsvorm

heeft

- Cees Robben: W heej oew vrouw daor naa wir op? Den dokter heej me onderzcht;

- Cees Robben: den dokter die mn dees verbje heej...

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - D heej me w in Het duurt me toch een tijd eer dat klaar is

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: diejen boer heed'n luien kncht -die boer heeft een luien knecht

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hij heej gezeej dttie n me zal dnke; de pestoor heej goeje wn

 

heekel

zelfstandig naamwoord

hekel

- A.J.A.C. van Delft - "Hij zou wel stront uit een hekel likken": Hij is een krentenkakker. Hij is zuinig op het gierige af. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- WTT 2022 - Waarschijnlijk wordt in de door Van Delft genoemde uitdrukking 'hekel' bedoeld in de betekenis van bord met tanden om vlas of hennep van korte vezels te ontdoen. Het bord bestaat uit een plaat met scherpe pinnen. ('J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek.)

 

hele

werkwoord, zwak 

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - helen

- met vocaal krimping: hilt, hilde, gehild

 

heemel

zelfstandig naamwoord

hemel

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: himmel en rde

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den heemel

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - as den heemel valt zn alle bonstaoke kept

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'den eemel'

- WBD III.2.2:32 'hemelen' = dood

- WBD III.4.4:8 'hemel' = lucht (.alg.)

 

heemelde

verleden tijd van zwak werkwoord heemele

hemelen, naar de hemel gaan, overlijden

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik w dek te naacht nog hemelde.. (19870925)

 

heemelzaod

zelfstandig naamwoord

bladluizen

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "Hemelzaad - noemen de boeren en ook wel de burgers: bladluizen"

- WBD III.4.2:225 'hemelzaad' - bladluis (Aphididae)

- Stadsnieuws (rubriek): Asser heemelzaod in de bome zit, gn ze druppe (010707)

- Jan Naaijkens;l D's Biks, 1992 - heemelzaod zelfstandig naamwoord - zwarte luis

- WNT HEMELZAAD - naam voor plantluizen (in de Meierij)

 

heene

bijwoord

heen

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): daor durheene

 

heengns, heensgns

bijwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - op de heenweg

 

hning

zelfstandig naamwoord

heining

- WBD (Hasselt) afrastering

- WBD afhne - afrasteren (Hasselts)

- WBD III.2.1:470 hning, c.q. hkken = hek

 

heer, hirke

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

heer, heertje

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Iemand wsmaoke d nzen Lieven Heer Hendrik hiet n in de haaj peeje stao te steeke.

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): den Heer had genoeg gesjouwd; drm zn Keulen n Aaken nie p enen dag gebouwd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973): uitbreiding van het AN-spreekwoord

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): vat ze Heer zooas ze zn, aanders krder gin ('73) - stel de eisen niet te hoog, anders kom je bedrogen uit.

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis nze Lieven Heer int wild ('54) - gezegd van iemand die heilig lijkt, mooi kan praten; iemand met lange haren en een baard.

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): nze Lieven Heer die snijdt de koek zooas Hij wil (Kn'50)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): nze Lieven Heer die houdt nie van raoze (Si'67) verontschuldiging als iets langzaam gebeurt

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet nze Lieven Heer nie wakker maoke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als het voor de wind gaat: men houdt rekening met latere tegenslag.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEEr m. man van stand, speciaal gezegd van een priester: 'ne zaachten heer - een zachtmoedige priester. Ook als voorvoegsel in de aanduiding van familierelaties met geestelijken: hirbruur. hirnf, e.d.

- WBD III.3.2:177) heer = koning in het kaartspel

 

hr

tussenwerpsel

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - links (voermanstaal)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - Ht nr hr - heen en weer: van links naar rechts

- Jan Naaijkens; D's Biks, 1992 - hr - bijwoord - links (voermanstaal)

 

Uit Kroniek van de Kempen - 1990

 

hrd, ►hrd

zelfstandig naamwoord

haard; woonruimte

- WBD hrd - woonvertrek v.h.boerenhuis met vuurhaard

- WBD hrd - vloer van het woonvertrek (van een boerenhuis)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hrd met van Fr. mme; haard, schoorsteen; ook 'schaauw'

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HRD zelfstandig naamwoord m. - haard, vuurstee; bij uitbr. beteekent 'hrd' de vloer v. h. woonhuis: den hrd opkren; hij staat hier alle dagen op den hrd.

 

heerejeej

zelfstandig naamwoord

heisa

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ds nie zonnen heerejeej - zoveel werk is dat nou ook weer niet

- WNT HEEREJEE - Verbastering van 'Heere Jezus'.

 

heerom

zelfstandig naamwoord

heeroom; aanspreektitel voor een geestelijke in de familie; ook binnen het gezin werd een geestelijke door ouders, broers en zusters 'heeroom' genoemd.

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - tis amml nie zo schon as heeroom prikt

WTT 2013 - Een vrouwelijke geestelijke in de familie (een kloosterzuster ofwel non) werd 'taante zuster' gebruikt.

taante zuster

 

hes

bijvoeglijk naamwoord

hees

- WBD III.4:251 'hees' = gedempt (van geluid)

 

hse

werkwoord, sterk

hijsen

- Dialectenqute 1887 Willems; hse - hes - geheese - geen vocaalkrimping

 

het, heter, hitst

bijvoeglijk naamwoord

heet

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "heeten-bliksem - appelen en aardappelen ondereen gestoofd ('appelenprol')"

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'K-h vur heter vuure gestaon'-Ik heb grotere problemen gekend.

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - en zkske het - een zakje sambal van de afhaalchinees

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - et is zo het dgge in mene naovel kunt zwmme

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Laoter is komen vast te staon det den hitste zomer van de 20e euw is gewist.

- WBD III.1.4:380 'heet staan' = gehaast zijn

- WBD III.2.2:108 'heet' = geil, wellustig manziek; 109 = vrouwziek

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - superlatief: hetst, maar hitste

 

hetbroek

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit heet + broek

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) driftkikker.

Voor de volledige lijst Klik hier

 

heete liege

uitdrukking: iemand met nadruk en openlijk verklaren dat hij liegt (of niet). 'Heten' is dus 'noemen'; iets heete liege: zeggen dat iets gelogen is of dat iemand liegt.

- WNT: Heeten liegen. In de volgende uitdrukkingen:

a) Iemand heeten liegen, iemand met nadruk en openlijk verklaren dat hij liegt

b) jonger gebruik: iemand iets heeten liegen

c) met verzwijging van de persoon: Iets heeten liegen = beweren dat het onwaar is

d) Iets gelogen heeten liegen

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEETEN LIEGEN voor 'loochenen'; reeds zeer oud.

 

heetjemop

samentrekking

heeft hij hem op

Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen.

- Cees Robben; Prent van de Week - Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217)

 

het lope

uitdrukking

dronken worden

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938) - Ondertusschen hadden die twee al enkelde borreltjes op, en ze waren dus dubbeld vlug heet geloope...

 

heevelgaore

zelfstandig naamwoord

bepaald soort dun touw (heeveltouw), o.a. gebruikt voor vliegers

- WNT HEVEL D) In de weverij: Elk der draden (lissen, oogen enz.) waardoor een draad van den ketting geregen is en door middel waarvan deze bij 't weven wordt omhoog getrokken.

 

heeveltouw

zelfstandig naamwoord

bepaald soort dun touw (zie: heevelgaore)

- WBD taowkesheejvels (II:973) - touwtjeshevels (van een weefgetouw)

- WBD staole heejvels (II:973) - stalen hevels

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'heeveltaaw'

 

Kaartspelers - onbekende kunstenaar

 

hffe

werkwoord, zwak 

heffen, tillen

de kaarten heffen: nadat ze geschud zijn de stapel couperen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hffe - hief - geheeve

- Cees Robben: chrm menen rm van al d hffe

- WBD III.3.2:171 hffe of afhffe = couperen (van kaarten)

- WBD III.1.2:81 'heffen,heften' = optillen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEFFEN overgankelijk werkwoord - tillen; in 'er af heffen' - tot een goed einde brengen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zwak werkwoord 'heffen', overgankelijk en onovergankelijk - heffen; ... de kaort heffe - afheffen (voor het rondgeven enige kaarten van het spel aflichten en die onderaan leggen)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 GEHOFFEN: 3e hoofdvorm van 'heffen'

 

hffer

zelfstandig naamwoord

heffer

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) gezegde in combinatie met lgger: De hffer n de lgger: de regelaar en de organisator

Voor de volledige lijst Klik hier

 

hg

zelfstandig naamwoord

heg

- Cees Robben; Prent van de Week - ...onder de heg = op het kerkhof liggen (19540925)

 

hgget

werkwoord, persoonsvorm van hbbe met lidwoord het

hebt het

2e persoon van 'hbbe' gevolgd door 'et', met infix g; ook in gebiedende wijs

- Cees Robben: Gij hgget aaltij oover en aander

- Cees Robben: ... n hgget hart nie dgge verzoope tskomt !

- Stadsnieuws (rubriek): Gij hgget aatij oover en aander, mar kkt ok es nor oewge. (120907)

 

hgmlder

zelfstandig naamwoord

rondtrekkende molenaarsknecht

- Pierre van Beek - aan lager wal geraakte molenaar die baanloos rondzwerft van molen tot molen om losse baantjes op te knappen; derderangs molenaar

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HEGMULDER een molenaar die geen Vasten Molen heeft, en langs het land reist.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hegmulder', molenaar die failliet is gegaan en andere molenaars om onderhoud moet bedelen;

-Lowie van Dorrus Misters; Uit onze Tilburgse folklore, afl. 20 Over mulders en molens, Nieuwe Tilburgsche Courant 4-10-1952 - Nog iets anders uit de oude muldersdoos. Wie heeft er ooit gehoord van "hegmulders"? Ja, zullen ze in Tilburg zeggen, die hebben we in onze jeugd met dozen vol uit de heggen geschud. Accoord, wij ook, maar die worden er toch niet mede bedoeld. Een andere vraag, die de meeste lezeressen en lezers wl zullen kunnen beantwoorden. Wat is een "wanderbursche"? In Duitsland vond men die vroeger nog al veel. Het waren reizende vaklui, die geen vast werk hadden en van de ene plaats naar de andere reisden en bij hun vakgenoten werk vroegen. () Van Nederlandse wandelknechts in het algemeen hoorden we nimmer. Maar wel echter in het molenaarsvak. Deze noemde men "hegmulders". De benaming is begrijpelijk, omdat zij evenals de meikever van de ene "haag" op de andere vliegen, zij van de ene mulder naar een volgende trokken. Bij onze oud-buurman hebben wij ze wel eens gezien als ze 's morgens na een nacht vrij logies en ontbijt met wat reisgeld verder trokken. In Tilburg en omgeving hadden ze een goed terrein, want er waren hier veel mulders.

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

hgwuw

zelfstandig naamwoord

moeder van buitenechtelijk kind, ongehuwde moeder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1963)

- WBD III.2.2:112 'hegweeuw' = concubine

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hoagwuw, hoakwuw - ongehuwde moeder

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoordvrouwelijk 'haakweeuw' resp. 'haagweeuw' - schampere benaming voor eene ongehuwde moeder. Vgl. - WNT 1 haagweduwe.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HAAGWEEP (zachte e), in N. Kemp haagweeuw; zelfstandig naamwoord vrouwelijk - ongehuwde moeder

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hgweuw zelfstandig naamwoord - hegweduwe; ongehuwde moeder

- WNT hegweduwe - ongehuwde moeder (in de Meierij)

 

-hei, -hdje, -heid, -hedes, -heen, -heeje

achtervoegsel '- heid' in zeer uiteenlopende uitspraken en spellingen

zoals: vurzichteghei, wrkeloshei, vlleghei

- Cees Robben: verveelendeghei; gerchtegheid; kaojeghd

- "Gij bent me 'n schoon stuk Veurzienighei, gij! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- ...asof er z'n ziel en zaolighei van afhong... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- In z'n onneuzelhei gaaf oome Teun 'm et buukske... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- Ik heb oe al in 'n euwighei nie mir gezien. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- ...en z'n luihei naam ok al toe mee de jaore; (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- ...d kan ik mee geen meensemeugelijkhei goedkeure. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- Geen kans van 'n meugelijkhei mir. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- ...dan kossen de buitenlui [...] toch impersaant mee zien, d-t-er grutsighei zaat in et plaotske. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)
- ...en naa was 't wel 'n bizunderhei detter in Baozel langen tijd geen stommigheden veurkwamen... mar daorover wier natuurlijk nie geriddeneerd. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938)
- ...et is enkeld en alleenig mar verlegenighei... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
- ...en Kareltje verschoot ineens van z'nen overmoed, wier rood van verlegenighei... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; 'Kareltje Vinken'; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)

- De Bestuursmeensche die ut daor op aon laote kome laoie 'n verantwoordelukhei op d'r ge die meer dan verschrikkeluk is! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

- Mar op de allerirste plots: publicatie van de naome van meensche die erges de verantwoordelukhei van hebbe. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- Waor holde die verwndighei ineens vandaon? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

- Dan haj misschien zoveul broerdighei nie in de wereld gebracht. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier,  57 11 22 - Dan gromde ze: "Baldaodighei/ die maag hier nie gebeuren.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier,  57 07 05 - Veur de waarhei z k nie bang.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 05 31  - In vrede, veurspoed en veural Gezondhei...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 03 13 - 't Is triest hoe hl veul jongelui / Baldaodighei uithaole.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 22 - zveul bltighei

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 05 - Hij viel dur puure muugighei / In 't waoter, van de slaop.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 05 01 - Mar agge 't goed bekkt / W isser aon saomheurighei / In dertig jaor berkt?

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 10 17 - "Ge rijdt mar zot, / Zdgge vur de zekerhei / Op 't ppke blaoze mot."

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 03 05 - Ik ha' vruuger 'n trommeltje / Om alle snoep te spaore / Daor moes'te dan toe zondags toe / Oew zuutighei bewaore.

Meervoud

- ...zukke dommighedes (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939)
- ...ze brengt ons nog in moeilijkhedes! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
.- ..hij hield erg van zuutighedes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- zuutigheen... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Troostweeg, 1932)

- KAREL. Overal is iets op te vne, Sjarel. Moeilukheeje zen er om te worre overwonne. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

- Mar daor hoefde gij oe ge toch niks van aon te trekken over de stommigheeje die aander meensche uithaole!? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- transportmoeilukheeje (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

heilzaom

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hlzaom of heilzaom
 

Heintje Pik

eigennaam

de Dood

- Cees Robben; Prent van de Week - ...kwaamp Heintje Pik de kaomer in... (19610922)

 

hkker
samentrekking
heb ik er
- Cees Robben; Prent van de Week - [Vader van drie kinderen spreekt:] Praot me nie van perbeere, Filippus.. Van perbeere hekker drie overgehaauwe... (19720107)
 

hkken

zelfstandig naamwoord

- WBD afrastering

- WBD hk, (Hasselt)'hkke' - poort van de weide

- WBD draajhkke (Hasselt) - draaiend weidehek

- WBD draodhkke (Hasselt) - sluitdraad voor een weide-ingang

- WBD III.2.1:469 hkken = hek, ook genoemd hning

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoord. o. 'hekken' - hek; mv.'hekkes'

 

hkkendam

zelfstandig naamwoord

week met daarin een feestdag

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - 'hekkendam' - Er is van de week 'nen hekkendam (week met een feestdag)

- WTT 2022 - Waarschijnlijk hangt het woord 'hekkendam' samen met het gezegde 'het hek is van de dam'. Het WNT verklaart dit gezegde als: 'het vee kan alsdan loopen waarheen het wil' en suggereert: 'vandaar figuurlijk voor: er is geen belemmering om vrijelijk zijn eigen zin te volgen.

 

hkkes

zelfstandig naamwoord

verouderd meervoud van hk in plaats van hkke(n)

afscheiding of omheining uit staken, staven of palen

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEKKEN zelfstandig naamwoordo., soms v. - hek! mrv. hekke(n)s

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Banhekkens: zekere hekkens op den weg, om beesten uit de velden te houden.

 

 

hksemaast

zelfstandig naamwoord

- Van Dale - volksnaam voor de zee-den (Pinus pinaster)

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "heksenmast - mast, heele grove naalden"

 

hl

zelfstandig naamwoord

hel

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zo donker as et bakkes van de hl

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor hadde ng zonne schone bij, n d was Denie van Lon, die was vur gin hl f duuvel bang (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels.)

► Klik hier voor audiofragment

bijvoeglijk naamwoord

hl, hller, hlst

- WBD III.2.1:395 hl, op = wakker

- WBD III.1.2:182 'hel' = gezond

- WBD III.1.4:26 'hel' = schrander; (3l) 'hel' = vlug van begrip

- WBD III.1.4 :143 'hel' = flink

- WBD III.4.4:235 'hel' = helder

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEL (hl) bijvoeglijk naamwoord - helder van geest, (nog) goed bij zijn positieven; dikwijls van oudere mensen gezegd: nog goed hl.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) -
hl, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hel' l) helder; 2) gezond, wakker, vlug, levendig

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEL bvw. - wakker, levendig, gezond naar lichaam en geest.

 

hlder

bijvoeglijk naamwoord

helder

- Handschrift Daamen 1916 - spreekwoordelijke vergelijking - "zoo helder as 'nen braand"

- WBD III.1.4:31 'helder' = vlug van begrip

- WBD III.4.4:8 'helder' = onbewolkt, ook 'klaar'

- WBD III.4.4:235 'helder = idem

 

hlleg, hllege

heilig

1. zelfstandig naamwoord

1.1. mannelijk

- Informant Toine Raaijmakers; Ter eere van wlken hllege? - voor welke gelegenheid ..

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 10 28 - Allerhllege // 'n Maondag isset in d'n hemel / Vur alle Hllege wir fist / Ds op d'n irste november / Aaltij al 't geval gewist.

- WTT 2018 - D waar enen helen hndige hllege, dieje Sintantooniejes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- A.J.A.C. van Delft - "Eer elken heilige z'n lichtje heeft, schiet Ons Lief Vrouwke er over." Dit is: Voordat elk het zijne gehad heeft, schiet er niets meer voor de allernoodzakelijkste uitgaven over. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)
- Cees Robben; Prent van de Week - As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... (19661202) [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]
- Cees Robben; Prent van de Week - Lpt naor de hel (...) Dan lpte gin hellege om... (19730608) [... dan kun je niets verkeerd doen]
- Cees Robben; Prent van de Week - Elke hellige krgt zn kerske.. (19871126)
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ge kunt van enen hllege nie verwchte dttie aachterbekaare en wonder doe - je kunt geen topprestaties verwachten van een nieuwe werkkracht
- Piet van Beers Bvert: En zo, waare der overal pestoors/ die unnen hellige op stal han staon./ Op zon bvert wier flink/ mee de schaol rondgegaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

1.2 onzijdig

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - sptte meej et hllig - met iets ernstigs spotten

2. bijvoeglijk naamwoord

- Kernkamp; Dialectenqute 1879 - hellig

- Piet Heerkens - Oo, hellige ziel, wie zal oe zaolig prijze?! (uit De knaorrie, Oo, hellige ziel, 1949)

- Kees & Bart; krantenrubriek ca. 1930 - helligendag: 'hlligen'

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar nt as in Orscht daor bn ik ok verschillende keere nr toe gewist toen in dieje td, in dieje td, d was den Hllegen Ek! n Esbeek d was vur de, vur de, de nilles, vur de kinkhoest!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - D zn ammel veul dinge die ammel t den booze zn vort, h. Nt as Keevelr, j, daor heurde ng wel es ene keer van n nt as Schrepenheuvel n zo n nt as Pirke Donders n nt as den Hllegen k in, in, in, in Orscht n den Hllege Kenilles (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Volgens mn hattie der mar ene opgevoed, dieje hellige Sint Jozef en die waar van zen ge al hellig

3. bijwoord

- Toen wonde bij t pleintje ok ng Virginie Doorakkers. Die waar bijna hllig, zoveul rozehuukes as die had vurgebeeje in de kepl. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- Dus vraog ik oe van krk toe krk:/ Verheur tch mn gebd./ Dan zulle wij beneej hier zrrege, d Gij in krte td,/ nie allen mar zaoleg, mar ok ng es hlleg zt. (Henritte Vunderink, Gebd toe Peerke Donders, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

4. figuurlijk gebruikt

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hellig oog - op 't heilig (hellig) oog / 't goa z mar op 't hellig oog

- Cees Robben; Prent van de Week - Nie z-mar op t hellig g.. t moet persies op maot zn... (19800328) ['het Heilig oog' is waarschijnlijk het alziend oog van God dat op devotieprenten afgebeeld stond.]

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hlleg vat zonder bjem - gezegd van iemand die overdreven bidt, vaak zonder dat zelf te beseffen; hlleg vat - schijnheilige

- Pierre van Beek; Tilburgsche taalplastiek 24-6-1964 - Wie "soep mee den heiligen pollepel" at, moest zich ook met heel dunne soep tevreden stellen. Het feit, dat de pollepel "geheiligd" was, vergoedde uiteraard, wel iets! Wanneer van iemand gezegd werd, dat hij "al z'n leven hannekenkost had gegeten", dan zag hij er niet te best uit en was hij niet uit een gezeten burgerfamilie voortgekomen.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hlleg hske - herberg, caf

- Jan Naaijkens, D's Biks - 1992 - hllighoske zelfstandig naamwoord-schertsende benaming voor herberg

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - den hlege! veuraon rijdt d'n hllege man. [= Sinterklaas]

 5. Allerheiligen

- Vruuger krk op en november/ ene nuuwen ooverjas./ J, d was zo de gewonte/ asset Allerhllige was. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Allerhllige)

 

hllegendag

zelfstandig naamwoord

heiligendag

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hlligendag

- Uitdrukking: de hllegendaoge afzgge - gezegd van iemand wiens komst als overbodig beschouwd wordt wegens de nutteloosheid ervan

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - meervoud hllegedaoge

- WBD III.5.3:207 - hllegendag = heiligendag

- WBD III.5.3:212 afgezette heiligendag (zonder mis-verplichting)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'heiligendag' - heiligedag

 

hlleg hart
zelfstandig naamwoord
het Heilig Hart van Jezus; object van katholieke verering
- Cees Robben; Prent van de Week - Sint Jussep onder n stlp en t hellig hart op unne pietestalleke. (19851129)

hlleghd

zelfstandig naamwoord

heiligheid

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben 09-07-1967 - (gehoord van de ene dame tegen de ander voor het winkelraam bij uitverkoop van religieuze artikelen:) kk, daor toch, al die hellight, daor blve ze schn mee zitte

 

hllepe

werkwoord, sterk

helpen

- hlpe - geholpe

- hllepe - holp - geholpe

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - ze heetem irst zen gld hllepen opmaoke

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hllepe - hielep - gehllepe

 

hlm

zelfstandig naamwoord

helm

- WBD nageboorte van het paard

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

hloore, hlheure

werkwoord, zwak 

de voelhorens uitsteken

waarschijnlijk uit 'horen', 'luisteren' en 'hel' uit 'helder', duidelijk

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "hel-ooren - ge mot irst is hel-ooren / eerst vooruit een stilletjes informeren"

- Lowie van Dorrus Misters, Nieuwe Tilburgse Courant - 1 februari 1950: Een onzer vrienden, ook vreemdeling en thans ook niet meer in Tilburg woonachtig, noemde het klotteren in de St. Nicolaastijd klodderen. Toen wij eens van hem afscheid namen na een zakelijk onderhoud, zei hij: "We zullen wel eens heil-oren" in plaats van hel-oren en was stellig in de verbeelding dat hij het nu eens goed zei, maar bewees daardoor, dat hij het woord hel-oren absoluut niet verstond.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ek zal er es gn hloore - ik zal er eens poolshoogte gaan nemen

- Stadsnieuws (rubriek): Jantje gao es hleure of de mister der al nkomt - ga eens kijken of ... (220709)

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (42) 'Kzarris gaon helloore' [Ik zal er eens gaan hel-oren...]

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
HELOOREN - de ooren spitsen, scherp toeluisteren

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hloore, werkwoord - poolshoogte nemen

 

hlzaom

bijvoeglijk naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hlzaom - heilzaam, met vocaalkrimping

 

hm, hmmeke

zelfstandig naamwoord

hemd

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Schrft et mar p oewen bk; dan kundet meej oewen hmslip tvge.

- Pierre van Beek Sommige mensen hebben een eigenaardige manier van lopen, die de indruk van voorzichtigheid maakt. Van dezulken zegt men: "Den dieje lpt op aaier (eieren)" en ook wel "Hemmeke raok m'n gotje nie!" (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

- Pierre van Beek - Een "kakmadamme" is een opschepster, terwijl men van 'n meisje of vrouw, die een trotse houding heeft en heel voorzichtig loopt, zegt: "hemmeke rokt m'n gatje nie". Dat zal wel een "semmeltrien" zijn, heet het dan. Wil men zeggen: schiet toch een beetje op!, of treuzel zo niet, dan klinkt het: "semmeltrien!". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet gin hmmekes plichte (Si'59) - geen kwaadspreken

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): hmmeke rk men gatje nie - op eieren lopen; verwaand zijn

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'K-mot gin pestoorshm in munne teej ' - ik wil geen vellen in mijn thee

- WBD III.2.2:96 'doodshemd' = doodskleed

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEM voor hemd, ... reeds bij Meyer verouderd.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hm (kaart 44)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland, deel 2, Vocabularium, 1958 - zelfstandig naamwoordo. hemd; hemslip - hemdslip

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEM zelfstandig naamwoordo. - hemd, vklw.'hemmeken'

 

hmme

samentrekking

hebben we

- Cees Robben; Prent van de Week - D hemme zat gehad... (19591017)
- Cees Robben; Prent van de Week - Hoem-pap-hemme...? (19590502)

- Interview met de heer De Kok (1978) Mar toen meej diejen bond hmme hil veul laast meej gehad want die kwaam, die kwaame betaole n ze zaate n dan kwaame ze zo ene keer hier, h腔 (transcriptie Hans Hessels 2014.

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

hmmekaar

samentrekking

hebben we elkaar

- F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Boovendien hmmekaar tch niks te vertlle.

 

hn

samentrekking van we en hebben

- WTT 2012 - waarschijnlijk alleen als eerste persoon meervoud in de voltooide tijd van 'hebben'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'W-hn nat zat gehat' - We hebben regen genoeg gehad.

 

hndeg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

gemakkelijk, moeiteloos

- Cees Robben; Prent van de Week - Die z hendig trekt en jaogt.. [namelijk een handboog] (19560714)
- Cees Robben; Prent van de Week - Z proper, z hendig... (19570216)

- WBD III.1.4:5 'handig zijn' = iets beheersen

- WBD III.1.4:27 'handig' = verstandig;

- WBD III.1.4:31 'handig'= vlug van begrip

- WBD III.1.4:148 'handig' = bijdehand;

- WBD III.1.4:354 'handig' = gemakkelijk

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - hndig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - handig, gemakkelijk

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hendig - handig, gemakkelijk

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HANDIG (hndig) bijvoeglijk naamwoord + bijwoord, nooit in de zin van 'bijdehand, maar altijd passief: 1. handzaam, gemakkelijk te hanteren; 2. gemakkelijk in de omgang, niet veeleisend; 3. het zich gemakkelijk makend, niet actief: ge zt ok 'nen hndige; 4. vlot,gemakkelijk,zonder moeite; d kan ik hndig.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HENDIG, HENDIGHEID - handig, handigheid. Hier vandaan: behendig.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HENDIG - handig

 

hndje

►haand

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van haand

handje

verkleinwoord van 'haand', met umlaut

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hndje (archasch); hiernaast handje

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hendjes en vuutjes

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 1969 - em en hndje geeve = de handen uit de mouwen steken

- Uitdrukking: hndje peepermuntje - twee gelieven met verstrengelde handen

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'W is er aon 't hendje ?

- Cees Robben; Prent van de Week - [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... (19580510)
- Cees Robben; Prent van de Week - As zn hendjes zn gewaase (19581122)

- Giender op en bngske zitten al en tdje/ hndje in hndje ene jonge meej en mdje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et vurjaor komt)

- Gif ze mar en hndje, zi ons moeder teege mn. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)

- Masturberen hiete d volgens menne biechtvadder, die ik vroeg hoe d kwaam. Ik ha ziets ok nog not bij et hendje gehad. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Ons moeder aaltij de kalmte zelf, pakte un washendje en waaste zenne kop aaf. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ziets han wij nog not bij et hendje gehad. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Ik dcht dan, isser naa ginnen ene die drft te zeggen, ik ben oewe kncht nie, of ge het zelf toch ok twee hndjes. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Piet van Beers Enen aawen bom: Ik zie me dan, rm zeuventig jaor geleeje/ n moeders hndje ok nr zon school toegaon. (Het zeventiende boekje, 2010)

- Mar we moesen assie binnekwaam/ netjes en hndje geeve... (Henritte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- WBD III.4.4:277 'handje' = handvol

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): Kinderen moeten 'n schn of 'n goej hndje geejve.

 

hndjesgegeef

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - handengeverij

 

hngel

zelfstandig naamwoord

- WBD III.2.1:141) hengel = hengsel; ook 'oor'

 

hngselmndje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (n v- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - d paartje) Ge ligt net in mnnen rrem als 'n hengselmendje. (15-06-1963)
 

hngst

zelfstandig naamwoord

- WBD hengst, ongesneden mannelijk paard

- WBD klphngst, klaphingst - slecht gesneden hengst

- WBD gebrooken hngst - hengst waarbij door het castreren een darmuitstulping optreedt

- WBD hngstvlle, hngstvulletje - mannelijk jong van een paard

- WBD krhngst - lomp paard

- WBD b den hngst haawe van een merrie) - bij de hengst brengen (ter dekking)

- WBD III.1.2:34 'hengst' = slag; ook: 'peer, fleer,'enz.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HENGST zelfstandig naamwoord mannelijk: - Zuren hengst - zuur roggebrood

 

hngsteg

bijvoeglijk naamwoord

- WBD geneigd tot paren (van een merrie),

- WBD (Hasselt) kaod hngsteg staon - ook genoemd 'prdeg' of 'prdeg' van een merrie hengstig zijn

 

hngstegebit

zelfstandig naamwoord

- WBD (Hasselt) gebroken bit (een bit dat een stang uit twee delen heeft)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hngstegebit - stevig gebit met een beugel i.p.v. een kinketting onder de onderkaak, dat men een hengst en in het algemeen een lastig paard aandoet.

 

hnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hn

- WBD vrouwelijk kuiken

- WBD jonge kip, ook genoemd 'poel' of 'jng hn'

 

hnnekegemof

zelfstandig naamwoord

gerecht, gemaakt van het eerste slachtafval na de varkensslacht

- Bernard van Dam - Lever, longen en hart gingen in een emmer en werden direct aan de zorgen van de huisvrouw overgegeven. De ingewanden, hier algemeen genoemd het hennekegemof.

- WTT 2012 - Van Dam voegt eraan toe: Wie van onze dialect-specialisten verklaart mij de afkomst van dat woord? - Bernard van Dam, Oud-brabants dorpsleven, wonen en werken op het Brabantse platteland; 1972.
► Dossier Varken Culinair

 

hns

bijwoord

uit het Engelse 'hands', de bal met de hand spelen

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hns - Handspel (hands)

 

Hnsen

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Hensen, Jan

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): aachter Jan Hnse ligge ('87) - dood en begraven zijn (het Heikantse kerkhof lag vroeger achter de boerderij van ene Jan Hensen)

 

hpke

zelstandig naamwoord, verkleinwoord van 'hap'

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 04 16 - "Ik maok 'n lekker hpke klaar / Mee vls en bruine bne...

 

hrbrgpilaor

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek; "Herbergpilaar te zijn is 'n lelijk ding", klinkt het van een drinker. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

Uit Kroniek van de Kempen - 1990

 

hrd, ►hrd

zelfstandig naamwoord

1 het woon- dan wel leefvertrek in de boerderij, rond de haard

- WBD woonvertrek (eigenlijk woonvertrek van het boerenhuis, gekenmerkt door de aanwezigheid van een haardvuur)

- WBD de vloer van het woonvertrek (van het boerenhuis)

of daor stint al innen ambtenaar over den herd. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

- Ik stapte nor binnen bij Barte, waor k de kuster op den herd zaat... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

- Den boer en de boerin zaten toen saomen bij den herd in de groote, halfdonkere keuken; (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- Pierre van Beek - bij iemand oover den hrd koome - over de vloer komen (Tilburgse Taalplastiek 142)

- Pierre van Beek - Een jongeman die 'b d'aawers oover den hrd komt' vrijt thuis. (Tilburgse Taalplastiek 142)

- Cees Robben; Prent van de Week - Van t schapraaike naor dn herd... (19590307)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 12 15 - Hij vuult z'n ge z gebonde / Aon zunnen hrd en aon zn schaauw

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - herd, hrd - woonvertrek (brab.) = nl. haard 'stookplaats'

2 de haard, dan wel de kachel in het woonvertrek

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den hrd - de haard (stookgelegenheid)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hrd, den - zelfstandig naamwoord - de haard, ook het vertrek

- Lowie van Dorrus Misters - Dan kwam de haard. Nu moeten de lezeressen zich geen moderne kamerkachel, met deze naam, voorstellen. Neen, de boerenhaard was heel wat eenvoudiger. Het was gewoon een ring van rond staafijzer met een diameter van ca. een halve meter, die steunde op vier ijzeren pootjes van bandijzer, al of niet met boven en onder een krulletje, waardoor de ring op ca. 15 cm van de vloer kwam te liggen. Rond en boven deze haard was dan de wijde schoorsteen. Beneden de zoldering had deze een breedte van plusminus 2 meter, dan werd hij steeds smaller en eindigde in het rookkanaal. () De haard is echter toch meestal vervangen door de plattebuiskachel. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 27-6-1952)

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939) - Den boer zaat aon den heerd en pookte in et vuur;

 

hrdgang

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - akkerdorp, zelfstandige agrarisch-economische en administratieve eenheid

- Middelnederlands woordenboek III; HERTGANC - Hetzelfde als meent. Het gedeelte van eene dorpsgemeente, waarop het vee gezamenlijk weidt.

 

hrdlaaj

zelfstandig naamwoord

uit hrd (haard, huis) en leiden, binnenleiden.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ge weet ummers, det ti mergen ten herdlaai is geneuid? Daar geannoteerd als: Het ingeleide van een nieuwen dienstbode, met gevolgelijke vermakelijkheden. 

- In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: boerenfeest, dat gegeven wordt als er een nieuwe knecht of eene nieuwe meid in dienst komt. 't Jonge volkje uit de buurt komt bijeen en leidt den dienstbode over den haard. Wien de eer te beurt valt, trakteert.

- WTT 2017 - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - geeft een andere invulling van deze feestelijkheid: Weg [verdwenen] is den herdlaai, waarbij de jonge echtgenoot resp. echtgenote over een bezem moest dansen... Een huwelijksfeest dus.

 

hermandientje
zelfstandig naamwoord; woordspeling met hermandad = politieagent; vrouwelijke politieagent
- Cees Robben; Prent van de Week - Vur hermandientje (19720324) [Titel van de prent]
 

hrmenie

zelfstandig naamwoord

harmonie

bok

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hrmenie; meervoud 'hermenies'/'hermenien'

...toen den brawer kwaam vertellen d-t vergadering van de hermonie was gewist (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

- Cees Robben; Prent van de Week - n schn hermenie.. Die Capelle Sint Jan... (19581206)

- Interview Jolen - 1978 - Ja, dan moeste meej, war, dan moeste meejmeej de hrmenie! (transcriptie Hans Hessels, 2013)

Klik hier om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - in de aoola hier van, van et hs, dan was ok zon, zon hrmenieke van die aaw manne die ok ammel bij de meziek gewist waare vruuger n naa meej de aaw manne bij mekaare gebleeve zn n dan geeve ze hier f daor zon, zon konsrtje, hEt Hrmenieke noeme ze derge, hDs leuk!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'de Hrmenie' - de Nieuwe Koninklijke Harmonie

Bijnamenboek Karel de Beer: Fraans hrmenie = Frans Mutsaers (blz.56)

- Vruuger was onze Pa bij de herremenie, bij Capelle St.Jan. (Nel Timmermans; D heb ik mee Tilburg; CuBra; 200?)

 

- Cees Robben - omslag van Tilburgs Prentebuukske 3 (detail)

 

- Nel Timmermans; D heb ik mee Tilburg; CuBra; 200? - Kort daornao had ie wir w aanders, toen zeetie: we krge van den beschermheer 'nen mascot, en daor moete we nog iemand vur hebbe om mee te lpe, ds wel iets vur jouw. Ik was toen 'n jaor of virtien , vftien, denk ik. Mar toen ik heurde ddieje mascot 'nen bok was mee van die grte gekrulde hres, bedankte ik toch vur de eer. As jong meske zaag ik mn al lpe mee diejen bok en mee 't zot Wimke, want die liep k aaltij mee.

- Elie van Schilt - Unne kiosk waor regelmaotig un hermenie zaat te speulen... (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

- WBD III.3.2:320) hrmenie = fanfare

Gedicht De heiremenie van H.A. Sterneberg s.j. (ca. 1935)

Ad Haans over het Tilburgs lied 'Et hrmenieke'

- WTT 20120922 - Harmonieorkesten hadden vaak een bok als mascotte; het dier liep mee tijdens optredens.

 

 

Kees, de bok van de harmonie van het Koninklijk Huis, met de prinsessen

 

Kees, op tournee op de Molukken

 

Overlijdensakte van bok Waggie van de harmonie in Heeswijk Dinther

 

Willem II 60 jaar geleden kampioen van Nederland
- Peter Anne; website Willem II, 2012 - Goede herinneringen moet je koesteren. En dat doe ik ook, want op 15 juni is het op de kop af zestig jaar geleden dat ik Willem II kampioen van Nederland zag worden. Als de dag van gisteren herbeleef ik nog steeds de wedstrijd van zondag 15 juni 1952 in het Olympisch stadion in Amsterdam. De Tricolores versloegen Ajax met 2-1. Het is tot nu toe de enige overwinning van de club in de hoofdstad waarbij van Ajax werd gewonnen. Maar wel een historische want we werden kampioen van Nederland.
Met nog enkele duizenden Tilburgers zat ik op de tribune en keek naar een spannend duel. De doelpuntenmakers waren Sjel de Bruyckere en Jan van Roessel, uit een penalty. De ontlading na afloop was groot. De supporters stormden het veld op en droegen de spelers hoog op de schouders naar de kleedkamer. De fans hadden dan wel geen vlaggen, vanen, spandoeken en rood-wit-blauwe shirts, zoals dat tegenwoordig het geval is, maar het enthousiasme was er niet minder om. De aankomst van de spelers op de Oude Bosscheweg sloeg alles. De mensen stonden daar al - Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - dik. Toen moest de open wagen met de spelers, de autos met de VIPs, de harmonie met een bok als mascotte en een rits in het rood-wit-blauw gestoken jeugdspelers nog beginnen aan een triomftocht door de overvolle binnenstad. Burgemeester en wethouders stonden klaar om de spelers en het bestuur te huldigen in het Paleis-raadhuis. De spelers lieten zich op het bordes door de duizenden mensen op het Willemsplein toejuichen en het feest werd daarna voortgezet op de Heuvel en in het befaamde hotel restaurant Riche waar een uitzinnige vreugde heerste. Heel Nederland moest weten dat Willem II haar tweede landstitel behaalde.

 

hrp

zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, hHandschrift 1916 - "herp - een flinke, bij de handte, niet verlegen meid"

- WTT (2012); Mogelijk afgeleid (en afgezwakt) uit 'harpij'; voor de klankwisseling van 'harp' naar 'herp' zie het - WNT onder 'Harp'.

 

Haringverkoopster in de Anna Pauwlonastraat (Koningswei) - ca. 1935

 

Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 20-8-1918

 

hrring

zelfstandig naamwoord

haring

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'herring'

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: herring

- Cees Robben; Prent van de Week - Jao ik mot nog vier-honderd herringen op t ptje zette... [Over een vishandelaar die voor de Kermis haringen op potjes zet] (19640724)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 07 13 - t Was pal vur n hrringkraom.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 07 13 - Ze zee: Man wie betaold 'r naa / Vur zo'n ding 'ne riksdaolder. // Driek riep: Ge hgget zelf gezien / Hoeveul meense 'm kochten / Ge kunt toch mee nen hrring nie / Op de opruiming wochten.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - zo blank as ne nuuwen hrring - zo onschuldig als 'n pasgeboren kind

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hrringhappe - haring eten op Aswoensdag

- Elie van Schilt - Ut was in de td det ur van alles nog langs de deur kwaam, de visboer riep toen nog kaai hard Nuuwe herring, drie vur un dubbeltje mar ge moest wel mee unne halve herring oe zis sneeie brd op eten. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

- Elie van Schilt - Ge mocht op Vrijdag ok gin vls eten, dus vur die ut betaolen konnen was ut dan herring of un gebakken scholleke, dun duurdere vis was vur dun betere staand. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

- Den hille oorlog han we amper enne vis gezien. Hoe herring smokte, daor wiesen we niks van... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (7) 'H h, wen hrringbraoierij is d toch!'

- WBD III.1.4:241 'haringkullen' = kibbelen

- WBD III.2.3:70 'haring' = gerookte haring

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'herring' - haring

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HRING, HRINK, HERREK (toonl. e) - haring

 

Schilderij van de Tilburgse schilder Adriaan de Lelie - Voorbreidingen voor het verkopen van haring

 

Dossier Hrring

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

 

hrringbraojerij

zelfstandig naamwoord

geknoei

een eventuele etympologische verklaring met het braden / bakken van haringen is niet aantgetoond

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - h h, wn hrringbraojerij is d toch - ... wat een knoeierij ...

- Stadsnieuws (rubriek): Moete de geut naa tch es zien: wn hrringbraojerij - knoeiboel (21020)

 

hrringhappe

werkwoord, zwak

haringhappen

traditionele traktatie op (gratis) haring in het caf op Aswoensdag

 

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

 

Hrringsnd

toponiem

Haringseind, het

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 01 11 - Hij ha' himmol van 't Hringsnd / Gedokkeld dur de sneuw.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 10 20 - Bij taante Sjaan van 't Herringsend / Daor kwaam dn ojjevaor...

- WTT 2012: - daar waar de Zomerstraat, komend vanaf de Schouwburgring, zich splitst in (rechts) Korvelseweg, en (links) Trouwlaan; die splitsing heeft, zo men wil, de vorm van een vissenstaart, met name de staart van een haring.

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen, 2000 - et hrringsnd = St.Annaplein - Korvelseweg

 

Haringseind (tegenwoordig Korvelseweg met links St. Annaplein) - Bron: Stadsmuseum Tilburg

 

► Een gedicht over het Hrringsnd door Wim van Boxtel

 

Tilburgsche Courant 9 april 1871

 

Weekblad van Tilburg 20 april 1867

 

Weekblad van Tilburg 22 december 1866

 

Tilburgsche Courant 10 januari 1912

 

hrs

bijwoord

ook wel: hrres

hierheen

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "hers of herris - Kom is hers (Kom eens naar hier)"

- Cees Robben; Prent van de Week - Allee, kom is hers..! (19551015)
- Cees Robben; Prent van de Week - Alleej kom mar hers (19640522)
- Cees Robben; Prent van de Week - En [we] zen toen op staonde voet hers gekomen... (19730413)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HERS (hrs), bijwoord- deze kant in, hierheen; hij komt hers; ook 'hers op ir, in deze richting; minder archasch in de uitdrukking 'hrs en giens'.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) - hrs, resp. (zeldzaam) bijwoord 'hers', resp. 'herres' - herwaarts, hierheen.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HERRES uitgespr. - herwaarts

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hrs bijwoord - hier

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HERS, HERRIS - herwaards, hier heen.

heen en terug

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'viezevershers' - vice versa

- Pierre van Beek - Hij ging herris en geens in 2 uur. - Heen en terug. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

geleden
- Cees Robben; Prent van de Week - Virtien daog-hers (19831111)

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - W rittereerde gij toch ammaol hers en geens (onrustig heen en weer lopen) (20-03-1968)

op en neer lopen

- Ge moest vant kasje nr de muur/ et was van hrs nr geens... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daklos)

hrs n geens

van hier naar daar, op en neer, heen en weer

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hers en gndsch (: vgl. gte - geiten) - hier en gindsch

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940 - ...en z'nen buik zwaaide en schokte van emotie op en neer en hers en geens.
- Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant' 8; 31-12-29 - As zotten vlogen we aachter 't veugeltje, d nog zotter dee dan wij. De koffiepot wier van de kachel gestooten, stoelen rolden ondersteboven, de toffel schuurde hers en geens over de plavuizen...

- Anoniem, Nieuwe Tilburgse Courant, donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)-

Nillus probeerde van alle kaante,
liep van hers naor geens,
Hij ha goei haande aon z'n lf,
stond bekend als unne prompte meens.
 

► voor de volledige tekst Klik hier

- Cees Robben; Prent van de Week - En dan langs de Blaok zmar hers en geens (19551119)

- Cees Robben; Prent van de Week - Geens-gaons gonget beter as hers... (19870501)

- Cees Robben; Prent van de Week - W rettereerde gij toch ammol hers en geens .. (19720630)

- Cees Robben; Prent van de Week - Unne Haaikaantse meens liep w hers en w geens (19550618)

- Cees Robben; Prent van de Week - En den Haaikaantse meens schoof zn pruim hers en geens... (19550618)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 09 05 - De bus gao aanders rije, Trees / - Zee Dorus fleeje week - / Toen ie zabberend op z'n pp / 's Aoves de kraant inkeek. /  / Ge kunt mee n knip van oew kaort / Hil de stad hrs en geens,

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 04 07 - Ons Sjaan die ritst van hrs naor geens

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 06 07  - Ik gaaf sekuur de richting aon / D dee'k op ieder huukske / En schoof op 't zaol mar hers en geens / Ochrm w leej mn bruukske.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 01 12 - Mee afgelaoje zwaore tasse / Jaoge ze van hrs naor geens / Asset woord "uitverkp mar heure

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 13 - "De nuuwe tunnel, die bespaort / Ons dikkels hl veul td, / Ge kunt gemakker hers en geens / Van 't Zaand naor de Rt."

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 03 02 -- Ge moest van 't kasje naor de muur / 't Was van hrs naor geens

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 03 08 - "De bus-prze gaon wir omhg / Dus w'k vur dieje td / De hle stad nog efkes zien / Van 't Gurke toe de Rt." /  / "D schol me z tenaostenbij / Wel aanderhalve piek, / Mar van d hers en geens gerits / Z'k naauw nog waogeziek."

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij liep toepertoe hrs n geens - hij liep almaar heen en weer

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'lleken dag hrs n geens nr Gol' - iedere dag heen en weer n. Goirle

 

hrslt

zelfstandig naamwoord

- WBD (Hasselt) hoornslot (geheel leren deel van het paardetuig, met dezelfde functie als het hoofdstel).

 

hrsop

voornaamwoordelijk bijwoord

samentrekking van hrs + op: deze kant op, hierheen.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Komt hersop, in 't huukske

 

hrt

zelfstandig naamwoord

hart

- Kernkamp; Dialectenqute 1879 - mi hert en ziel - met hart en ziel

 

Hesse

fantasiewerkwoord, afgeleid van de naam Rudolf Hess

- KAREL. 't Is te hope. 'k Gleuf nie detter veul van die sinjeure nog de kaans krge om er tusschenuit te Hesse. En des mar goed ook. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945) [Hess was uit nazi-Duitsland naar Engeland gevlucht.]

 

ht

werkwoord, derde persoon tegenwoordige tijd, hebt, voorafgegaan door 'gij/ge'

- Cees Robben: agger mar rg in ht; ge ht en schon kiendje

- Cees Robben: ge ht geng n oewge; ge ht ngal geaffeseerd

- Cees Robben: [gebiedende wijs] ht mar ginne bange, moeder; ge ht meepesaant oew verzt

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HED voor den 2den persoon  enkelvoud van de tegenw. tijd.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HET - hebt (2e persoon tegenw. tijd van 'hebben')

 

heu

zelfstandig naamwoord

hoogte, hoogkar

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "heu - de kar uit de heu stooten"

- WTT 2017 -  een kar met twee wielen, waarvan het voorste deel (de burries) omhoog staat (bijvoorbeeld om de lading te lossen).

 

heubrd, hubberd

zelfstandig naamwoord

verticale voorkant van een boerenaardkar, kopschot

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (47) 'Gemnlek schfte-n-ie op 't hubbert van de kr'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - h'b'rt zelfstandig naamwoordo. - hoofdbord: 1) vaste, naar het rad toegekeerde zijde van een kruiwagen; 2) vertikaal voor- of achterschot van een lage boerenkar, zgn. rdkaar.

 

hchele

werkwoord, zwak 

huichelen

- WBD III.1.4:428 'huichelen' = idem

 

hchelr

zelfstandig naamwoord

huichelaar

- WBD III.1.4:87 'huichelaar' = idem

 

hd

zelfstandig naamwoord

huid

meervoud huj of ►huije

van een vrucht ook- vl, vlleke, schl, schil

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'D schnd mekare de huid vol'

- Gezegde - n zen hd zitte: te pakken nemen.

Audioregistratie 1978 - Mar ge had hier vruuger ok nt as op de Vfhze, as daor zo iemand was zak zgge die bevobbeld die boere zon bietje zaat te koejeneere dan waarde ng nie gelukkeg, hr! Want ptverdoorie ir d d spulleke afgewrkt was han ze dieje knaap n zen hd gezeete tt n mt, hr! Meej allemlle! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- WBD schaopehd - schapehuid

- WBD vl - huid; schaopevl - schapevel

- WBD III.1.1:31 'huid' = huid, opperhuid: vkw. hdje

- WBD III.2.3:152 'huid' = schil, ook 'vel(letje)'

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HUID. Iemand op de huid geven, voor: slagen geven. Iemand de huid vol schelden, voor: met scheldwoorden overladen. In Neder-Saksisch algemeen

 

hfkr

zelfstandig naamwoord

huifkar

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de hfkr rije (N. Daamen (handschrift 1916) - )-met de knien omhoog in bed zitten

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - nt as nr Keevelr, Handel n Keevelr, meej de hfkrbn ik ok meejgewist, dikkels genogvant dinge, d, d, d vertrok aatij daor bij Vskes , bij Voskens daor vertrokke ze aatij snaachs n dan blefde vf daoge wg! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

- WBD II:2785) 'hfkr' - huifkar

 

hg

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hg' -huig

 

hge

werkwoord, zwak 

- Pierre van Beek - huigen (?), met meer dan gewone kracht lucht uitademen met de bedoeling condens of een warme aanslag op een kouder oppervlak te voorschijn te roepen, bijvoorbeeld op een spiegel om die gemakkelijker schoon te kunnen vegen.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - uithijgen; met de mond bewasemen

 

heuj

zelfstandig naamwoord

hoed

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik heb munne heuj op (19671013)

 

heukr

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - kipkar (hoogkar)

 

heul

zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.3:282 heul - slaapbol (Papaver somniferum)

 

Ill.: Naumann - Athena noctua

 

hp

zelfstandig naamwoord

- Vn Dale; huiben = steenuil

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "huip - klein, grauw steenuiltje"

- WBD III.4.l:189 'huib' - steenuil (Athene noctua), ook: 'uil', 'huipke' of 'smelleken' genoemd

 

hpe

werkwoord, zwak 

huichelen, schijnheilig doen, slijmen

hpe - hpte - gehpt (met vocaalkrimping)

hij hpt (in tegenwoordige tijd eveneens vocaalkrimping)

- A.J.A.C. van Delft - Hij die voorzichtig speelt "zit te huipen" en iemand, die stilletjes een teeken geeft, terwijl de ander het ziet, krijgt de aanmaning: "Maok nou gin pergestikus" (gestes).(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- en dus mosse we naauw irst gaauw gaon huipen (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): zitte te hpe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - zitten te hopen (kaartterm;: op winst spelen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ene keer int jaor hpe - eens per jaar zondigen (mag)

- Stadsnieuws (rubriek): Den dieje dugt vur ginne snt, mar hpe kannie wl - Die man deugt voor geen meter, maar hij kan zich wel aardig voordoen. (170208)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'hipe' werkwoord - huichelen

 

hperd

zelfstandig naamwoord

huichelaar

- 'Naa maag ie vur ene keer hier wel ene bottram meej eete bij ons, war vadder?, zi den hperd, die Hannie. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- In dieje zin waar ik et toen nog meej onze paa eens, dgge gin katteliek en socialist tegelk kost zn want dan waarde in zn oge ene hpert. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'hipert' - huichelaar

 

heur

bezittelijk voornaamwoord, persoonlijk voornaamwoord

haar

- Dialectenqute 1887 Willems - heure voogel, heur kat, heur knd, heur boeke; den heure, de heur

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik vn heur wel n aorig medje... (19860328)

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Heur heur (nou moet je haar horen) (16-01-1975)
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Of ge naa hem heurt of ge heurt heur, t is twee haande op nnen buk. (09-07-1967)

- Cees Robben; Prent van de Week - En ons Mien zigget heur (19850222)

- Sinds zij is verdwene/ Is zij al lang over hum hene/ Mar hij heget nog steeds over heur. (Tony Ansems, Hij heget nog steeds over heur; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEUr - vn. - haar, hun 'Die mens(ch)en heur huis'

 

heure

werkwoord, zwak 

horen

heure - heurde geheurd

- Dialectenqute 1887 Willems - heure - hurde - gehurd

met vocaalkrimping in gebiedende wijs 'hurt'

- Dialectenqute 1887 Willems; tegenwoordige tijd: vocaalkrimping: gij/hij hurt

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: heure

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941 - ik heur geluk in 't ritsele van de blaoier...

horen
infinitief
- Cees Robben; Prent van de Week - Ik wil t niemer heure (19661021)
- Cees Robben; Prent van de Week - d kosse ze wel heure... (19790803)
- Cees Robben; Prent van de Week - Ik heb list heure zegge (19820409)
verleden tijd
- Cees Robben; Prent van de Week - Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708)
- Cees Robben; Prent van de Week - k Heurde n geflsterd lied (19600715)
samentrekking van heure en je
- Cees Robben; Prent van de Week - [Moeder roept kind:] heurde-me-nie dve kwartel... (19680621)
- Cees Robben; Prent van de Week - Theresia.. (...) heurde d, Trees...? (19840420)
behoren
- Cees Robben; Prent van de Week - En z heuret... (19811113) [samentrekking: hoort het]
behoren tot, deel uitmaken van
- Cees Robben; Prent van de Week - Meej al mn zrgen en slameur,/ Heur ik toch bij de rke... (19580705)
- Cees Robben; Prent van de Week - D heurt bij onzen staand... (19600715)
- Cees Robben; Prent van de Week - ... heurde thuis in de Rt... (19640522)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: Wie nie heure wil, mot vule

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'van heure zgge is unne slchte raodgeever' - Je mag niet altijd op geruchten afgaan.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - verleden tijd hurde naast heurde

- WBD III.3.3:108) heure = (de mis) horen, naar de mis gaan

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - heure, met umlaut (kaart 48)

- WBD III.1.1:249 'scherp horen' = goed,scherp luisteren

 

heure, heurre, hrre

tussenwerpsel

hoor, hoor je, hoor je me

► hurre

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'heure' naast 'heurre'; De dubbele -Informant Toine Raaijmakers; bij Kees & Bart accentueert vermoedelijk de krimpende stamklinker, zodat de schrijfwijze 'hurre' de rele uitspraak benadert.

- ...As ze nie gaaw komt dan begiene me mar zonder heur, heurre!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

- "Ik smeer 'm heurre! ... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

- ...en nie verongelukken, heurre! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)

- Naaw is de maot vol, heurre. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; Nieuwe Tilburgsche Courant 10-12-1938)

- Goddaank et oratorium waar opgevoerd - et waar veurbij, heurre! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938)
- Kzot nie trugwille, hrre, dieje td... (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

heurem
samentrekking
hoor hem
- Cees Robben; Prent van de Week - Ik zieget al. Ik heurem... (19870313)
 

Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

 

hs, hske

zelfstandig naamwoord

huis, huisje

►voor hske in de betekenis van wc zie lemma hske

den hs = grote woonruimte in boerderij met breede open schouw

den hs kre: de woonruimte uitvegen.

- WBD washs, aachterhs - bijkeuken (op de boerderij) ►bakhs - bakhuis (vrijstaand gebouwtje of deel van het boerenhuis, waarin de bakoven en de baktrog zich bevinden)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Daor hbbe ze toen hze van, van de Hoeven aaf hbbe ze nkele hzen af moete breeken h腔

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: huis (de ui-klank als in fr. Meuse)

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ns aaw hs is afgebraand

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): gij de hze, ik de lze (Kn'50) - Jij rijk, ik arm.

- Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hs (kaart 28), meervoud hze (kaart 29)

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Er is te veul dak op et hs Door volwassenen gezegd tegen elkaar als het onderwerp dat ze zouden willen bespreken niet geschikt is voor de aanwezige kinderoortjes

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - en hs meej en boojemke - een huis als bezit(? met een perceel)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - en hs meej pepiere balleke - een huis met een hypotheek

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - dur den hs - door het huis (Het gebruik van het lidwoord 'den' bij een onzijdig woord wijst op een oude datief enkelvoud.) (blz.56)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - op hs aon gaon

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - wl, wl, wl, en hs meej en bl (dus een deftig huis)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - die gld heej kan hze bouwe? die gin gld heej kan stene sjouwe

meervoud - naast hze ook hs

- Alle hs han wir glas in de raomen en waren opnuuw opgeschilderd. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Ik zit goed en wel in bad, komt ons Gonnie binnengestrmd aachternao gezeete dur un vrouw van un paor hs verder (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
 

ht

zelfstandig naamwoord

ongemakkelijke vrouw

verbastering van 'hoofd' ? (via hoot)

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOOT, HEUT; hoofd. Kiliaen:: 'Hood' Zie Huydek. op Mel. Stoke 3 d. bl. 294.

 

heuve

werkwoord, zwak 

tuinieren

heuve - heufde - geheufd (geen vocaalkrimping)

- Cees Robben; Prent van de Week - Laot den hof toch ligge, Jan... Ik blf heuven z lang ik kan... (19800516)

- WBD III.2.1:407) 'hoven'= tuinieren

- Stadsnieuws (rubriek): ik blf heuve zolang ik kan; ik gao nie aachter de geraaniejums zitte (070508)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - tuinieren

 

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

 

Heuvel

toponiem

centrumplein in Tilburg

- Stadsnieuws (rubriek): Ist druk op den Heuvel? (260306) - gezegd tegen iemand die op zijn hoofd krabt.

 

 

hverbl, hverbrojke

zelfstandig naamwoord; afgeleid van de heiligennaam Hubertus; Sint-Hubertusbroodjes; door de pastoor gezegende witte broodjes, die de eter een jaar lang zouden beschermen tegen de gevolgen van een beet van een dolle hond. De traditie (3 november) betaat nog steeds (2012)Men behoorde eerst een Hubertusbroodje droog op te eten alvorens iets anders mocht worden gegeten. De broodjes zijn vierkant maar in Vlaanderen vaak ook rond.

Van 'hvert' + 'bl', waaruit de -t- verdwenen is; ook: huubkes

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier,  76 11 04

Gin Hverbroojkes mir

Liepte vruuger is enen beet op
van enen hond, dan gingde dod
Agge nie op drie november
gegeete had vant Hverbrod

Toen ginge de bkkers smrges
nr de krk toe meej en maand
vol meej kln vierkaante broojkes
meej enen blle boovekaant.

Die wiere daor dan gezeegend
n ge waart wir vur en jaor
agge dan zon broojke op had
bte dlle-honds-gevaor.

Mar agge naa is wrd gebeete
dur enen hond of dur en kat
krde van meneer den dkter
rap en sptje in oe gat.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hberbrojkes, hberbllekes' - Hubertusbroodjes

- WBD III.3.3:253) 'huibertbollen

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'Huubkesbrikes' zelfstandig naamwoord - Hubertusbroodjes

 

hvereg

bijvoeglijk naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - huiverig

 

hze

werkwoord, zwak 

huizen, wonen

 

hi

tussenwerpsel

h?; wat zeg je?

- Cees Robben; Prent van de Week - [vrouw tegen haar man:] Ge mot nie hi zegge akkoewiets vraog... zeg dan toch fesoenluk w motte na toch wir...? (19850315)

 

hiegiejne

zelfstandig naamwoord

hygine

- Cees Robben; Prent van de Week - hiegiejne... lfmieljeu (19701016)

- Ook als hiegiejeene gehoord - Mar naa zgge ze van mieljeuw n hiegiejeene. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

hiel

zelfstandig naamwoord

hiel

- De krmenaoj, de platte ribbe, de zult of krp, et zwoert n spk. Toe den hiel aon toe. Durreege spk n ballekebraaj. Et smdderptje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WBD (Hasselt) ploegzool (balk die over de grond glijdt)

- WBD (Hasselt) ploeghiel (achterste gedeelte van de ploegzool)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de hielen n de vurkaant geboore zn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - sloom zijn

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): op de hiele draaje (Handschrift Daamen 1916) - koket lopen

- WBD III.1.3:248 'hiel' = hak van een schoen

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hiel (kaart 90)

 

hiel

werkwoord, persoonsvorm

hield verleden tijd van 'haawe'

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaart 73 geeft 'hiel', met niet ver van T andere vormen: hiew, hief. Door assimilatie is uit hield > hiel ontstaan (vgl. schelden> schelle).

 

hielep

verleden tijd van hlpe

hielp

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik was vruuger gewoon mar md... Mar ik hielup in t huishaauwe net z veul as twee hullepe na vort hellepe... (19811002) [Robben speelt in deze prent met woorden waarin een zogenaamde svarabhaktivocaal wordt gehoord in de spreektaal: de invoeging van de stomme e tussen twee letters (door Robben in hielup als u geschreven).]

 

hiendere

werkwoord, zwak 

hinderen

hiendere - hienderde - gehienderd

 

hier

bijwoord, tussenwerpsel

- WBD naar links (commando voor een paard)

- WBD 'hierm' - naar links (commando voor een paard)

Bovendien worden voor hetzelfde doel gebruikt: 'aar', 'aarm' en (uitsl. Hasselt:) 'aarewch'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - zm meense heure(n) hier nie; (29) ak blf ier (wegval h)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - In allegro-vormen kan een initile h wegvallen als het vorige woord eindigt op een medeklinker: 'ik blf ier slaope'.

- WBD III.3.1:29 'mensen van hier' = dorpsgenoten

- WBD III.3.1:31 'ene niet van hier'= vreemde

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HIERE bijwoord - hier. Kom eens hiere. HIERES bijwoord - herwaarts, hierwaarts. Kom wat hieres.

 

 

hierek

zelfstandig naamwoord

lange ie

herik, kruisbloemige plant met goudgele bloemkroon (Sinapis arvensis), ook: hederik; taai soort tuinonkruid

- WBD III.4.3:309 'hierik' = herik

- WNT: Hirk zie Herk; Herk zie HEDERIK, meestal in samengetrokken vorm herik, herrik, herk, ook vervormd tot herderik en hering; daarnaast heel gewoon: haderik (harik, harrik), afl. van Lat. glechoma hederacea, aardveil, hondsdraf, enz.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk:'hirrek; resp.'herring'- hederik

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HIRK, HIRRIK zelfstandig naamwoord mannelijk: - een onkruid, in de wetenschap Raphanus Raphanistri

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HARRIK, herik of herrik - eene wilde olie-plant, alg. bekend onkruid.

 

hierentoe

voornaamwoordelijk bijwoord

- A.J.A.C. van Delft - "Toe hierentoe." Tot hier toe. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

hiert

voornaamwoordelijk bijwoord

- 2020 - Als je vraagt een glas met drank door te geven: - kunde van hiert drinke?(...als ik het gooi...) of: - waor wildet hbbe? ( als ik het gooi) (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

 

hiernffe

bijwoord

hiernaast; de buren

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De die/den dieje van hiernffe de buurvrouw/-man.

 

hierte

bijwoord

hier

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - van hierte tt daorte - van hier tot daar

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HIE(P)TEN bijwoord - hier, in de uitdrukking: van hie(r)ten tot daa(r)ten

 

hiertunne

voornaamwoordelijk bijwoord

hier, hiertoe

- Cees Robben; Prent van de Week - Van hiertunne toe daortunne... (19640814)

 

hies

bijvoeglijk naamwoord

heet (kindertaal)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hies bijvoeglijk naamwoord - heet (kindertaal)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HIES, bijvoeglijk naamwoord - heet; alleen tegen kinderen gebruikt.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - his, resp. hies bijvoeglijk naamwoord (kindert.) heet, warm

 

hiese

werkwoord, zwak

- 2019 opschieten (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier.

 

hieskont

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit hiesen + kont

- 2019 iemand die aan het doordoen is (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst Klik hier.

 

hiete

werkwoord, zwak 

heten

- Dialectenqute 1887 Willems -  hiete - hiette - gehiete

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hiete - hiet/hiete - geheete

- Miep Mandos-van de Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Iemand wsmaoke d nze Lieven Heer Hndrik hiet n in de haaj peeje stao te steeke.

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''t vrouwke deh hiette Mie'; die hiette nor den aawe

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'en die hiette ...'

- Cees Robben; Prent van de Week - In elk pront Tilbrgs hshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoe hiet dieje meens, moeder... / Die hiet nie hiet, mennekes.../ Dat hiet.. heet (19711001)

- Cees Robben; Prent van de Week - Ze hiette... k mn Sakkee... (19571123)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hoe hiet ie ok awir?

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Zo as ze daor un vreke hiete - Zoals ze daar een varken noemen.

- Stadsnieuws (rubriek): Ge wit wl, ch kom, hoe hietie naa ok alwir? (170509)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HETEN, 1. ouderwets: hte, htte, geht - de naam hebben, de naam geven; 2. nieuwer: hiete, hiette, (geehee:te?)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HIET 2e hoofdvorm van 'heeten'

 

hikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

waarschijnlijk: mank lopen; de etymologie van hikske is niet duidelijk;

een prent van Cees Robben somt gebreken op: lispelen, loenzen, en lpt op n hikske (19661014)

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "op een hikske loopen - een beetje mank"

- WBD III.1.2.382 'op een hikje lopen' = mank lopen

 

hil, hille, hillen

bijwoord

heel, geheel

- Cees Robben; Prent van de Week - hil gewichtig. (19540227)

- Cees Robben; Prent van de Week - Wer hebben er dn hillen vurrige rlog verlet naor gehad... (19561110)

- Cees Robben; Prent van de Week - Den hille dag (19700501)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - en hil dil - heel veel, een groot aantal

- Henritte Vunderink, Heure, zien n zwge, uit: Tis de moejte wrd; 2011 - want der is daogeleks nen hillen hoop ellende...

- 2020 - Als je ergens veel van hebt: - ds beeter as zo hil veul! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): d wrdt naaw en hil nuuwe stad - WBD III.4.4:273 'heel' = helemaal, geheel

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HEEL, bijvoeglijk naamwoord ,bijwoord, de uitspraak varieert van 'hel' of 'hil' tot de langgerekte vorm 'hee:l' al naargelang het volgende woord al dan niet beklemtoond is; als bijwoord altijd lang, in verbogen vorm eveneens lang.

 

hillegaans

bijwoord

volledig, heelgans, helemaal

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - Hillegaans totaol verleerd...

 

hilles

voornaamwoord

alles

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hilles - alles"

 

hilleml, himml, himmel

bijwoord

helemaal

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hillemaol (passim) - SJAREL. Des himmel iets aanders. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

- Ge heurde die nonnen aaltij al van ver aonkome, deur d gerammel van dieje kraolensnoer [de rozenkrans]. Ze ha k nog enne bril op en haorkes op der kien. Die ha ons moeder himmol nie. (Jo van Tilborg)
 

- Lechim

Jaonus witte naa himmol niks
D op 'n strkzer remt
Aanders stao'k strak mee de seprieze
Ok wir lilluk in m'n hemd.

 

- Piet van Beers
"Kom es kke Oopaa" zeej de klne Koen.
"M'n Hamsterke is himmol t zennen doen".
n... naa 't wir Krsmes wort
zt ik 'm meej klt n al
n himmol pgetgd,
bezije munne stal.


- Cees Robben: himmel (861114)

...ik z meej de bediening zo/ hillemol nie tevreeje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de zon schnt...)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'H kos ut hilleml alleneg'

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen waarder himml meej genaajd, toen moeste vort saoves wchte toed die rijers trugwaare, d was toen saoves en uur f llef, half twaalf (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

Klik hier voor audiofragment)

- Piet van Beers Nie nor Spanje: n ds naa iets waor 'k hillemol niks om geef. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Dieje frater zette mn bekaant hillemol op de aachterste bank, in de klas. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Stadsnieuws (rubriek): Ge zt ok himml ginne meens vur d wrk. (300809)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HEEMAAL: samentr. van 'heelemaal'

 

Hilverenbeek

plaatsnaam

Hilvarenbeek

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Want, want Beek as gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol kregt dan moeste gij in Orscht vurkoome!

Beek

 

hil-w-din

samentrekking

heel wat in

in de uitdrukking:

- Cees Robben; Prent van de Week - 'heej hil-w-din' (19641120) [Het heeft heel wat voeten in de aarde.]

 

himmel

bijwoord

helemaal

- Cees Robben Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... (19861124) [maakt daar geen probleem van]

- Cees Robben; Prent van de Week - Mar meens ik stao himmel tep... (19730824)

- Cees Robben; Prent van de Week - Naa hedde daor himmel gin mlderkes mir... (19570525)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job d was Berkel-Enschot, d was himmel nie zo wd h, hier bi, zo w bi, binnendeur dan waar, dan zder zo

Klik hier om dit bestand te beluisteren

►himml

 

himml
bijwoord
helemaal
- Cees Robben; Prent van de Week - Himmol niks... (19800215)
►himmel

 

Sticker van 'JongerenPUNT. Midden-Brabant'. Tilburg, Koningslein 23 maart 2019. Foto: CuBra.
 

himphamp

zelfstandig naamwoord

hap, stuk

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "himphamp - er waas 'nen hillen himphamp uit ('n hap, 'n stuk)"

- WNT Himphamp: Een woord zonder bepaalde bet. (verg. voor de vorming woorden als mikmak, poespas, rompslomp), en van zeer verscheiden toepassing.- 1) kreupele, hinkepink; 2) zeer mager persoon.

 

hinkel

zelfstandig naamwoord, van het kinderspel 'hinkele' (zie volgende)

hinkelperk

- WBD III.3.2:113) hinken = hinkelperk: ook genoemd 'hinkeleprk', hinkelbaon of hinkelblk of hinkelstrepe

- Cees Robben; Prent van de Week - [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej n piske en goeiekpe stukskes hinkelkrt... (19800418)

 

hinke, hinkele

werkwoord, zwak 

hinken (kinderspel)

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - - "hinkelen - kinderspel"

- WBD III.1.2:164 'hinkelen' = hinken

- WBD III.1.2:583 'hinkelen' manken; ook 'hinkeldepinken','honkelen', kreupelen', 'hompelen', 'strompelen', 'hinken'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HINKELEN onov. werkwoord - niet alleen gebruikt als naam voor het kinderspel, maar ook als aanduiding voor echt kreupel of op n been lopen.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899 - HINKELEN - op n been springen

- WBD haorhinkele - haarenkelen (van een paard) de enkels kwetsen door ze onder stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd (Hasselt) 'hrnkele'

 

hipke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- A.J.A.C. van Delft - Wat "een vaatje zuur bier" is, zullen de ouwe vrijsters zelf het minst gaarne uitleggen; die zouden mogelijk nog het liefst voor "'n hipje" aangezien worden in de hoop er zoodoende nog een "aan den haak te kunnen slaan". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

 

Hippelpad
zelfstandig naamwoord, toponiem

- A.J.A.C. van Delft - Nieuwe Tilburgsche Courant , 2 november 1929 - Van vroeger dagen 139: De boom in t volksgeloof - Volksnaam van een straatje in de wijk Oerle, precieze ligging niet bekend. Wel hoort men nog praten van "den Notenboom" in de wijk Oerle aan den Hippelpad. Dat die raar vergroeide notenboom het tot plaatsaanduider heeft kunnen brengen, vindt zijn grond in de omstandigheid, dat daar ter plaatse vroeger een herberg "In den Notenboom" gestaan heeft; de boom staat er nog, doch de herberg is verdwenen.
- WTT De precieze ligging is niet bekend. Hippelpad was wel een min of meer officile straatnaam, in de Tilburgse adresboeken komt de naam niet voor, wel in krantenpublicaties van gemeentewege afdeling Bevolking:
- Bevolking. Ingekomen: Cornelia J. H. Damen, fabr. arbeidster, Hippelpad A149 van Tilburg... (Nieuwe Tilburgsche Courant, 6-7-1939)
- Maria C. de Laat. dienstbode, Hippelpad A 92b, van Oirschot. Tilburgsche courant, 07-04-1931
 

hirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

heertje

verkleinwoord van 'heer', met vocaalkrimping

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HEERKE(N) zelfstandig naamwoordo.- onderpastoor eener parochie

 

hirlek

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

heerlijk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hirlek, herlek

 

hirschap

zelfstandig naamwoord

heerschap

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hirschap (met vocaalreductie)

 

hisse

werkwoord, zwak 

ophitsen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HISSEN overgankelijk werkwoord - ophitsen, vooral van een hond gezegd; de hissende kreet is 'hieskies.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hisse(n) zwak werkwoord overgankelijk - (aan)hitsen

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HISSEN, HUSSEN - hitsen, kissen. Hij huste zijnen hond op mij.

- WNT: HISSEN = hitsen

 

hit

zelfstandig naamwoord

hit (hitlander)

- WBD 'hit', 'hiet', 'hitje', (Hasselt:) 'hit' - ondermaats paardje

- WBD 'dubbelen hit' - dubbele hit

 

hits

zelfstandig naamwoord

hitte

- Piet Heerkens; uit De knaorrie, De braand, 1949 - 'nen diepen hits die dikkels broeit...

- Cees Robben; Prent van de Week - We hn allebaai dn hits in ons lf... (19850607)

- Cees Robben; Prent van de Week - W-dis onze pa toch krikkel, moeder... St.. jonge, hij hee den hits in zn lf... (19710611)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - den grotsten hits is er wl aaf - hij is nu wel wat bekoeld

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'K kos ut nie haawe van den hits'

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HITSE, voor 'hette, hitte' voornamelijk voor eene lichamelijke hitte. ... uit Duitschland overgekomen.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hit zelfstandig naamwoord vrouwelijk - hitte

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hits, hets - hitte, bronstigheid

- WNT HITS - overgenomen uit het Duits (Hitze) - hitte

 

hitst

overtreffende trap van het; de vergrotende trap = heter

heetste

- Cees Robben; Prent van de Week - Wie goed is vur de kaauw meneer.../ Is beter nog vur t hitste weer...! (19570706)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'hetst', maar 'hitste'

 

hittepetitje

zelfstandig naam woord

dienstmeisje, meid in de huishouding van een boer

- Dialoog Karel en Sjarel; Groot Tilburg, 8 december 1944 - Ons hittepetitje hee ons verlaote nao zeuven jaor trouwen dienst.

 

hobbeleureg

bijvoeglijk naamwoord

- WBD III.1.4:219 'hobbeleurig' = wispelturig

 

hobbelkaaj

zelfstandig naamwoord

hobbelkeien; kinderkopjes

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - De straot, et wegdek op zen Nederlands gezeed, waar vur fietsers un straf, om daor deur te moeten, over die hobbelkaaien. Echte kenderkpkes waren et, ingevoerd vant den Bels.

 

hd

verleden tijd van 'hbbe', tweede persoon enkelvoud

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hd van die dod, ge hd van die dodsbidders hadde, die kwaame dan. Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

hdde

samentrekking

had je, had u, hadt ge/gij

Verleden tijd van 'hbbe' met ronding van de stamklinker (a) en assimilatie van de g van 'gij/ge'

- Cees Robben; Prent van de Week - Dan hodde gij toch k gesmoord... (19560804)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hdde gin hogger kaort?

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOD: 2e hoofdvorm van 'hebben'

 

hodeldebodel

bijvoeglijk naamwoord

stapelgek

uit Hebreeuws: awar u wotl

- Van Dale: hoteldebotel

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Toentertd dit ie al zo vrmd, mar naa geluf ik dettie hartstikke hodeldebodel is (13-07-1966)

- WNT - Dol, buiten zichzelf, uitzinnig, stapelgek, inz. door woede, drift of ergernis. Mogelijk uit hoteldebotel, dat een verbastering is van jiddisch overlewotel: `heengegaan en verdwenen'.

- - Bij Robben gebruikt als stapelgek. Cees Robben t Is aatij al unne juin.. Mar meej karneval is ie hillemol hodeldebodel... (19770114)

 

hoed

zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'zuukt is nr menen oed'

- WBD III.3.2:117 hoed c.q. rust = doel bij het hinkelspel

► huudje, en voor het meervoud hoej

 

hoefstal

zelfstandig naamwoord

- WBD II:2108 'hoefstal' - uit balken bestaand bouwsel waarbinnen een

paard wordt vastgezet als de hoefsmid zijn werk doet

 

hoegenmd

bijwoord

hoegenaamd

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'hoegenaomd nie'

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

hoej, huuj

zelfstandig naamwoord, meervoud van hoed

hoeden

- Voorbeeld Sterenborg - Zis hoej hj bm

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hoej (arch.), hoeje; (29) hoej: (54) hoej (arch.) naast hoeje

...ik wed d den duuvel nog wel kwaod om die groote hoeien is... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 02 07 - Mee hge hoeien en slipjassen // Daor hedde de hge hoeien-klup.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HOED, HOET, zelfstandig naamwoord mannelijk:, mrv. hoeien en hoeten

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hoej zelfstandig naamwoord - meerv. van hoed

- Middelnederlnds woordenboek III - nog heden is in de volkstaal de vorm hoei bekend.

 

Middeleeuwse verluchting van een manuscript - De verkoper van hoeden.

 

hoejbl

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - papieren hoedezak; ook : huudjesbl

 

hoe-joei

uitroep van vrees of als waarschuwing

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoe-joei n... (19730601)

 

hoek, huukske

zelfstandig naamwoord

hoek

- WBD gge meej de lichten hoek - bot eggen (eggen op halve kracht; de tanden van de eg staan dan tegen de trekrichting in).

 

hoeke

werkwoord, zwak

hoeken, namelijk vuistvechten

- As er w te hoeke valt dan istie derbij. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus j, d wier al gaaw hoeke (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

hoem

samentrekking

hoe een; wat voor een

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoem-pap-hemme...? (19590502)

 

hoeme

werkwoord, zwak 

- Figuurlijk: een climax aanduidend: dt hoemt - heel hard, intensief iets doen

- We hebben er vort zes groote bombardons bij, dus 't zal er hoemen op den Heuvel zee de Vurzitter van De Kikvorsch". Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

- De stfzger die jaankt n hoemt/ de papegaoi kwkt mee. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene rustige snipperdag)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - mn oor hoemt zo - ik heb oorsuizingen

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ... dt hoemt - dat het tekeergaat

- Stadsnieuws (rubriek): As ge nie tschaajt, krde en flr om oew oore dt hoemt. - .. dat ze suizen (041109)

- WBD III.1.1:250 'hommen' = suizen van de oren; ook: 'toeten','tuiten'

Tekening Staf Rijckers, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930

De bombardon is de voorloper van de sousafoon. Vooral in dorpsfanfares en harmonien was dit instrument populair. Door de bastuba zo te buigen dat hij draagbaar was over de schouder kon dit instrument goed gebruikt worden om mee te lopen. (Wikipedia)

 

hoemel

zelfstandig naamwoord

hommel

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 10; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1938 - ...as 'n hoemel op 'n blom.

 

hoempele

werkwoord, zwak 

hompelen

- WNT - Gebrekkig, moeilijk, en wel stooterig, met schokken, kleine sprongen of zetten gaan of zich voortbewegen.

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - Mieke Stok, die op d'r twee krukskes zoo gaa ze kos naor et ven hoempelde...
- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939) - ...bij 't loopen hoempelde scheeve Jaonus op en neer, op en neer, om de eenvoudige rejen d z'n een been 'n paor duimkes te lang waar, of z'n aander te kort, of allebaai...
- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939 - Hij begos al aorig te hoempelen, al kos et nog nie worre vergeleken mee 't gehoempel van den scheeve Jaonus.
 

hoempit

bijwoord

horendol; etymologie niet bekend

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 gezegde: Erges et hoempit van krge, ergens horendol van worden

Voor de volledige lijst Klik hier

 

hoen

vragend voornaamwoord

hoe een, wat voor een?

in de uitdrukking: van de hoen..?; wat voor..? welke..?

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hoenne (hoe eenen)"

- Cees Robben; Prent van de Week - Van de hoen wilde hebben? (19640214)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoen huudje hottie op... (19600219)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoen brievenbus wilde op oew deur (19840518)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 01 09 - Mar w kan t ons toch schille / Hoene naom dt kiendje hee?

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - de hoen zodde wille?

 

hoeneer

bijwoord van tijd, voegwoord

wanneer

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 05 16 - "Mar hoeneer kkt ze dan de pot?"

- Cees Robben; Prent van de Week - En hoeneer komde naor ons toe..? (19651224)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)

- Soms kwaam enen dodsbidder langs om n te zgge hoeneer de begrffenis waar. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - HOENNEER. Wanneer.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - 'hoeneer' misschien gevormd uit 'hoe laat' en 'wanneer', twee tijdsaanduidingen die niet precies hetzelfde betekenen () werd toch hardnekkig als fout afgewezen en als teken van geringe ontwikkeling en gebrek aan taalgevoel beschouwd.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hoeneer, bijwoord, (weinig gebruikelijk) wanneer

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hoeneer - wanneer

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hoeneer - wanneer

- WNT HOENEER (vragend) - wanneer?

 

hoens

voornaamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - wiens

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - Hoens kiest is d? - Wiens kist is dat?

 

hoepere

werkwoord, zwak 

zittend schokken; huppen, wippen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HOEPEREN onovergankelijk werkwoord, al zittend omhoog bewogen worden, op en neer schokken in een rijtuig, op een kar of op de kermis; d hoepert lkker.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2, 1958) - hoepere(n) zwak werkwoord onovergankelijk en tr. - op en neer huppen of wippen

 

hoer

zelfstandig naamwoord

hoer

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): zde hoer, schlm f dief, hdde gld, ik hb oe lief (JM'50) - geld maakt alles goed

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - beeter en aaw hoer dan en jong zonder klaante

- WBD III.1.4:109 'hoer' = ondeugende vrouw

 

hoeset

samentrekking

hoe ze het

- Cees Robben; Prent van de Week - [Ze] wiese-nie hoeset han... (19810515)

 

hoeste

werkwoord, zwak 

in de uitdrukking iets of iemand te hoeste hbbe

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hoesten, verrekken

- Cees Robben; Prent van de Week - Dan hak ze vort te hoesten... (19650326)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Ze hn um te hoeste ' - Ze hadden hem niet nodig.

 

hoevelderhaande

voornaamwoord

hoeveel soorten

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hoevelterhaande - hoeveel soorten, hoeveel verschillende

- Stadsnieuws (rubriek): Ik wil enen ijskoo van en kwartje; hoevelderaande smaoke hdde? (141009)

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - hoevelderhande, bijvoeglijk naamwoord - hoeveel soorten

 

hoeveul

telwoord

hoeveel

- Jo van Tilborg; Ge het er gin gedaacht van hoeveul hout er los in et bos ligt.
Lechim; Rooie, witte, gle wn / Hoeveul, ds nie te ple / Verdwnt temidde van 't pleizier/ In duuzend dreuge kele.
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOEVEUL bijwoord - hoeveel

 

hf, hfke

zelfstandig naamwoord en bverkleinde vorm

de tuin, de hof, het hofje

- Cees Robben; Prent van de Week - Daor gienderwd in zunnen hof... (19550129)

- In ieder hfke zn ze wir/ nt spaoje n nt plaante/ enen hister hier, en klimros daor/ w kln grut langs de kaante. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir td vur den hf)

- Ammol han ze unnen hof Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - 'hof' - zelfstandig naamwoord - tuin; 'heuf'

- WBD III.2.1:399) hf, hfke, tn = tuin

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HOF: zelden hoort men 'tuin'.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOF zelfstandig naamwoord m. wordt overal gebruikt voor 'tuin', Frans jardin.

 

hfjes

zelfstandig naamwoord

alleen in meervoud

hofjes

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) schooiersvolk

Voor de volledige lijst Klik hier

 

hfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hf

hofje, achtertuin

- Cees Robben; Prent van de Week - Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224) [De prent gaat over de verstedeling van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.]

- Door Robben gebruikt in een uitdrukking die bezwangeren betekent: [Vader tegen ongehuwde zoon:] Ge ht nogal geaffeseerd om oew hfke in t zaod te krge... (19810710)

- Cees Robben; Prent van de Week - Den pastr is k al koome vraoge of ik mn hfke nog nie in t zaod ha... (19771230)

- WBD III.2.2:3 'de hof bezaaid hebben' = zwanger zijn

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): zit den hf al in et zaod? ('87) - is de vrouw al in verwachting (informatie gevraagd door de pastoor).

 

hfpad

zelfstandig naamwoord

tuinpad

oover den hfpad - achterom: Ge kmt mar oover den hfpad!

- Cees Robben, Prent van de Week - Ik zie (...) Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): langs den hfpad gescheeten hbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet

- Stadsnieuws (rubriek): Vruuger gingde not dur de vurdeur mar aatij oover den hfpad (200607)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOFPAD - zelfstandig naamwoord mannelijk: - tuinpad

 

hogger

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

hoger

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - De krk is hgger as de toore.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hogger (met vocaalreductie); comparativus van 'hoog', met vocaalkrimping.

 

hgget

werkwoord, verleden tijd; samengetrokken werkwoordsvorm met lidwoord

had het

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik hogget kunnen weten... (19651224)

 

hogst

overtreffende trap van 'hog'; hoogst

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hij is den hogste

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hogst (van hog) - superlatief van 'hoog'

 

hogstes

bijwoord

hoogstens, op zijn hoogst

 

hogte

zelfstandig naamwoord

hoogte

- WBD III.4.4:138 'hoogte' = heuvel

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hogte (met vocaalkrimping)

 

hoj, haj

verleden tijd van hbbe het samengetrokken persoonlijk voornaamwoord hij

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'H-j-oe? - Had hij je te pakken?

 

hkkeling

zelfstandig naamwoord

- WBD jong rund, ook 'pink' genoemd of 'graskalf'

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HOKKELING zelfstandig naamwoord mannelijk:-bij landb.: eenjarig kalf (nooit vrouwelijk..)

- WNT HOKKELING - eenjarig kalf; iemand die pas komt kijken

 

hkkoe
samentrekking
had ik je
- Cees Robben; Prent van de Week - W hokkoe gezee.. (19560526)
 

hknld

zelfstandig naamwoord

haaknaald

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hk mar en hknld - had ik maar een haaknaald

 

hks

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

haaks

- WBD 'haoks lope' - (v.e.paard) bij het stappen de voeten naar binnen keren,ook genoemd 'in zen hakke draaje"

- WBD III.1.1:171 'hoks' = knieholte

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAAKS(CH) - in den haak, rechthoekig, Fr.d'querre; fig.dwars, wederstrevend. Gij zijt altijd zoo haaks(ch)

 

hkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

haakje

- Interview Hermans - 1978 - n dan hadde van die zerdraojkes meej midde en gske derin, dan wier daor meej zon kln handvatje deraon, meej en pinneke deraon, en hkske, war, dan zaat de vrouw veur n hij eraachter n dan gaaf hij den draod aon n die sloege ze om d hkske n dan trok zij em dur die ogen vur en. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om het interview te beluisteren

- WBD II:1015 - kamhkske, kamhaakje: inrijghaak (voor weefkam); ook: rgnld of rghaok genoemd

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - haok - hkske

 

hkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hokje

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hukske (haok) (u als in 'mulder' = mlder)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - (blz.32) hkske - verkleinwoord van 'h', met vocaalkrimping

 

hl

hol

1. bijvoeglijk naamwoord, leeg

- WBD III.2.3:183 'hol' = leeg (van een noot), ook 'loos'

- WBD (Hasselt) slecht van bouw (gezegd van een paard)

2. zelfstandig naamwoord van werkwoord hollen

- WBD p hl slaon - op hol gaan (van een paard), ook genoemd 'er tussent gaon'

3. kont, aars

- WBD III.1.1. lemma aars hol, ook in Tilburg

- WBD III.1.1. lemma aars holletje, Tilburg

 

hlbaor

bijvoeglijk naamwoord

haalbaar

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hlbaor (met klinkerverkorting)

 

Ill. uit Naumann - columba oenas = hldf = holenduif

 

hlbewoner

zelfstandig naamwoord

holbewoner; hier figuurlijk bedoeld:

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Hlbewooner Homofiel

 

hldf

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hldf' - holenduif (Columba oenas)

- WBD III.4.1 'holduif' - holenduif (Columba oenas)

- WNT HOLDUIF - eene der benamingen van Columba palumbusL.

 

hlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

holletje; verkleinwoord van 'hl', met umlaut

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) uitdrukking: zen hlleke dicht(k)npe; overlijden

Voor de volledige lijst Klik hier

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: En ms heej meer dan en hlleke. (Het is altijd gemakkelijk over meer dan n mogelijkheid te kunnen beschikken.)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis en moord in en hlleke / in en maand (Handschrift Daamen 1916) het is een te verwaarlozen zaak

 

hllewaaj

zelfstandig naamwoord

vrouwelijke losbol

- Handschrift Daamen 1916 "hollewaai - 't is zo'n hollewaai (een ongegeneerde vrouw)"

- Cees Robben: 'ze gonk te veld, de hollewaai' (19600219)

- Stadsnieuws (rubriek): Die hllewaaj kan ginne manskrel meej rust laote. (051106)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'hollewaaj ' - zelfstandig naamwoord hollewaai (bep. vrouwspersoon)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HOLLEWAAI (hollewj) v., luidruchtig en brutaal vrouwspersoon, niet al te fijn gebouwd.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - hollewaai zelfstandig naamwoord vrouwelijk - een vrouwspersoon die wild en zot is en weinig verstand toont

- WNT hollewouter (alleen in toepassing op vrouwen?) Men hoort (te Leiden) ook gelijkbetekenende 'hollewaai'.

 

hllie

persoonsvorm /bezittelijk voornaamwoord

hun, hen

- Cees Robben; Prent van de Week - Hllie taante Sjoow... (19600219)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - zllie verdiene meer op llie, as gllie op hllie

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HLLIE, HLLE(N), vrnw. en bvw. Datief of accusatief van 'zllie' (zijlie) - hun, ze; ook bijv. w. : Hllie deur was vast.

 

hlp

werkwoord, verleden tijd van hl(le)pe

hielp

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'K-hllep um n beeter wrek

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOLP - 2e hoofdvorm van 'helpen'

 

hlppke

zelfstandig naamwoord, verrkleinwoord van hlpp

- WBD II:725 holpijpje: een stalen staafje dat van onderen in een scherp gerand kokertje uitloopt, waarmee men gaatjes in het leer kan slaan

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -  HAALPIJP - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - bij schoenmakers: klein eenvoudig werktuig om koperen ringskens in de rijggaten van de schoenen te vestigen.

 

hlrol

zelfstandig naamwoord

holrol

term uit de zangkanariesport; klanknabootsing om een bepaalde zang van een kanarie weer te geven.

- Cees Robben, Prent van de Week - 19570126

 

hlstnder

zelfstandig naamwoord

 -Informant Toine Raaijmakers; onrustig iemand

 

hlt

werkwoord

haalt, holt

tegenwoordige tijd 2e + 3e persoon enkelvoud van 'haole' (met vocaalkrimping)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - assie hlt, dan hltie et- als hij hard loopt, haalt hij het

 

hom

tussenwerpsel

- WBD opzij! (commando voor een paard), ook 'm' genoemd

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HOM uitroep! opzij, tegen een koe gezegd.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOM (uitspraak hoem) telwoord - bij landbouwers: uitroep om koeien of geiten te doen omstaan.

 

hmkusse

zelfstandig naamwoord

haamkussen

- WBD hmkusses (Hasselt) - haamkussens (de vilten binnenbekleding van het haam)

 

hommele

werkwoord, zwak

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - hommelen - Ze zen hiernost an't hommelen (de WC aan 't ruimen).

 

hmsklippel

zelfstandig naamwoord

- WBD haamhout, een voor aan het trekstuk van de ploeg bevestigde dwarsbalk

 

hmspaon(e)

zelfstandig naamwoord, meervoud

- WBD (Hasselt) beide pluralisvormen worden evenals de dito 'gerilspaon(e)' gebruikt voor: haamspanen, de twee houten hoofdbestanddelen van het haam

 

hn, han

werkwoord, verleden rijdsvorm van hbbe

had(den)

- Cees Robben; n plekske/ waor blom hn gestaon (19590822)
- Cees Robben; Wrrom zum daor hn neergezet (19590912)
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - Ze hn niks op f aon, Ze waren naakt.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - zllie hn meer as wij

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - daor hn ze nie n gedcht

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaart 72 geeft de ongeronde vorm: ha(n).

 

Jongen met hond - Giacomo Ceruti

 


Illustratie: Rolf Janssen

 

hond, hundje

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

hond, hondje.

- Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 9; 22-02-30 - En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as 'nen hond in 'nen botermeulen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 02 17 - En w maok t uit wie oe bet / t Hundje of de kat.

- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek 11, Nieuwe Tilburgse Courant, 17 april 1950 "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet."
- Pierre van Beek; Tilburgse taalplastiek 11, Nieuwe Tilburgse Courant, 17 april 1950 De volkse wijsheid "hoe kaolder hond hoe meer vlooien" past gewoonlijk ook wel bij de branieschopper. Degene, die zelf het minst betekent of presteert, meent vaak de meeste eisen te mogen stellen.
- Pierre van Beek - gezegde: Hij zit erp te wchten as nen hnd p en zieke koej. (Tilburgse Taalplastiek 136)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: de poote vaan 'nen hond

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - wnne kaojen hond; hij bt aachterbekaare

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - laagen as enen hnd die mosterd heej gevreete

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - meej den hnd int hk, de vrouw in hs n de meens int cafeej hdde en gereegeld hshaawe

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - menen ond (<hond)

 

Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1990

 

hondekr

zelfstandig naamwoord

hondenkar

- WBD broodkar met hond eronder

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - n Keej de Plder die daor bij et krthske wonde, witte gij d ng in den Brndk f in de Oerlesestraot was d toenn dan ginge ze rije op en hondekr want zij was zon hil dikke! (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HONDEKAAR en HON(D)SKAAR - kar met een of meer honden bespannen

 

hondekt

zelfstandig naamwoord

letterlijk: hondenkot, hondenkooi; hier figuurlijk: hogehoed

- Van Dale; 'hondenkot' - gewestelijk hogehoed

- WBD III.1.3:171 'hondenkot' = hoed (spotnaam,); ook: 'hoge zije '

- WBD III.1.3:77 'hondenkooi' = hoge hoed

 

hondepriester

zelfstandig naamwoord

- Informant Piet Mutsaers; liefhebber, verzorger, eventueel fokker van honden

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -PRIESTER woord dat min of meer vermeden wordt, maar bij voorkeur als tweede lid in samenstellingen gebruikt, waar het ongeveer betekent: goede verzorger, liefhebber van klein, ongevaarlijk vee, bijvoorbeeld in hennenpriester, konijnenpriester.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - hondepriester, zelfstandig naamwoord mannelijk: - groot kenner en liefhebber van honden

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HONDEPASTOOR zelfstandig naamwoord mannelijk - liefhebber van  honden, hondengek.

 

honderd

telwoord

honderd

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): oover honderd jaor hbbe we tch ene gtekp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - over honderd jaar zijn we allemaal dood

- WBD II :1017 riet van hnderd - riet van honderd: rietkam met honderd rietstaven per kwart el (l7 1/2 cm)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'In-t volle hondert' - In het openbaar

 

honderd zakke grt vur de nonne

bastaardvloek

klanknabootsing van de vloekklanken sakker, godver en nonde(ju)

- Elie van Schilt - Honderd zakken gort vur de nonnen... (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

 

honderste

telwoord

ranghonderdste

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - honderste

 

honderteraante, honderterandere

telwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - honderd verschillende

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945 - Zoo kank wel honderterandere vurbilde aonhaole

 

hondsbndje, honsbndje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hondebandje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej en hndsbndje m (RL'48) - met een boord om (in de Hasselt was een witte boord geen alledaags verschijnsel)

 

hondsgezk, honsgezk

zelfstandig naamwoord

hondsgezeik, urine van of het urineren door een hond

- WTT 2022 - voor de letterlijke betekenis zijn geen bewijsplaatsen vastgesteld; alle voorbeelden betreffen een figuurlijk gebruik, namelijk 'ieder wissewasje' en dergelijke.

- Cees Robben; Prent van de Week - Vur alle honsgezeike mot ik er op uit (19671006)

- Cees Robben; Prent van de Week - [zieke vrouw:] Vur alle hondsgezke moet ik de pot op... (19831216)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hij is allegedurige ziek en blft vur elk hondsgezk thuis (19870320)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ieder hndsgezk stin diejen hond te zke - om de haverklap

- WBD III.4.4:131 'hondsgezeik' = ogenblikje

- WBD III.4.4:284 'hondsgezeik' = iets onbelangrijks

- Stadsnieuws (rubriek): Ge moet mn nie vur lk hndsgezk van men wrk afhaole (140908)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'hondsgezeik' zelfstandig naamwoord - futiliteit, kleinigheid

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HON(D)S- GEZEIKEN zelfstandig naamwoord, onzijdig, meervoud: alle hon(d)s- gezeiken, alle oogenblikken, gedurig. Hij is alle hondsgezeiken ziek.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) Honsgezke, in de uitdrukking 'alle honsgezke', alle gedurigte, zo dikwijls als een hond urineert, om de haverklap, met hinderlijke frequentie.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - hns.k, zelfstandig naamwoord m. 'hondszeik': 't Is mr lierelw (bv.koffie), t is krk of et honszaek is.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1958 - zelfstandig naamwoord onzijdig, 'hondsgezeik' (in de veelgebruikte zegswijze: 'Ds alle honsgezaek te doewn' - Dat is ieder ogenblik te doen, om de haverklap.

 

Frangula alnus/ wegedoorn

 

hondsknbbenhout, honsknbbenhout

zelfstandig naamwoord

- WNT hondsknopperenhout (in N-Brabant): hondsboom

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): femielie van hndsknbbenhout zn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - rood haar en zomersproeten hebben (Hondsknobben = vuilboom of sporkehout, Frangula alnus)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'honsknbbe' zelfstandig naamwoord - vuilboom, sporkehout (Frangula alnus)

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - 'hndsknoppehout' zelfstandig naamwoord - vuilboom

 -Informant Toine Raaijmakers; bep. soort riet met zwarte bast en witte spikkels, dat werd gespleten en ineengevlochten, daarna met leem besmeerd (in de primitieve bouw)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'honsknbbe' - vuilboom, sporkehout (Frangula alnus)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

 

hondsmrt, honsmrt

zelfstandig naamwoord

hondenmarkt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): dan hdde aaltij hndsmrt vur de deur (Kn'50) - als er jonge meisjes in het gezin zijn, is er veel aanloop van jongens

 

hondsneus, honsneus

zelfstandig naamwoord

hondenneus

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): hndsneuzen n kattepoten n gebraajde/gebraoje (?) friekandlle ('84) - antwoord op de vraag 'Wat eten we vandaag?'

 

hong

werkwoord, persoonsvorm

hing

oude verleden tijd van 'hange'

- Cees Robben; Prent van de Week - En boven deze soeppot hong (...) Mistal n locht van smr (19701016)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HING, HINK, HONG, HONK : 2e hoofdvorm van 'hangen'

 

honger

zelfstandig naamwoord

honger

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ge meut wl p en aander hnger krge, as ge ts mar komt eete. (= Je mag best naar een vreemd meisje kijken, maar verder...)

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Et is nie rg as ge nderweg honger krgt, agge mar ts it.

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): hnger hbben as en heimouwerik (Nieuwe Tilburgsche Courant '59) - erge honger hebben.

 

hongeraagtig

bijvoeglijk naamwoord

hongerachtig, honger hebbend

- WBD III.2.3 - Honger hebbend. Waardering voor Tilburg: zeldzaam.

 

honsblaos

zelfstandig naamwoord

nagelbedontsteking; fijt; nagelriemontsteking

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .op dere vinger f dere dm hasse zogezeej zon honsblaos derop staon nt asse zinne.ik zal es en stukske ruggestrngmrg meejbrngen en uur ndderaand wast oopegebrooke. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels)

Klik hier voor audiofragment

- WTT 2013 - deze benaming voor fijt is voor Tilburg niet opgetekend in het - WBD maar dus - zie audio Bertens - wel zeker in gebruik geweest. Voor een dergelijke ontsteking noteerde het WBD voor Tilburg wel: hondsblein en blein (WBD III.1.2 lemma nagelbedontsteking) Dit pijnlijke ongemak is vooral bekend als een kwaal van honden.

 

Afbeelding: Thom

 

honsros

zelfstandig naamwoord

Rosa canina (egelantier) - wilde bottelroos

- WBD III.4.3 :153 honsros - wilderoos, hondsroos, egelantier ook genoemd: stuikroos of wilde roos of wild roosje

 

hntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van haon

haantje

verkleinwoord van 'haon', met vocaalkrimping

- WBD hntje - mannelijk kuiken

- WBD III.3.3:77 hntje - haantje, torenhaan

 

hog, hogger, hogst

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

- WBD hoge - langbenig (gezegd van een paard), ook genoemd 'klippel' (Hasselt) 'klpper'

- Cees Robben; Prent van de Week - Van hg toe lg (19651224)

- WBD hoge ketting (II:1010) - dicht, gezegd van een ketting

- WBD hoger hange (II:1010) - de weefkam hoger hangen

- WBD III.1.4:167 'hoog' = deftig

 

Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

 

hoogaatie

zelfstandig naamwoord, mannelijk.

samentrekking uit 'hoog gaat hij'.

volksnaam voor een reuzenrad op de kermis.

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaa ene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- n toen in den hooggaatie... (Henritte Vunderink; 'Krmes'; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Stadsnieuws (rubriek): Booven in den hooggaatie kunde de mskes gemak zat kusse - (090510) - boven in het reuzenrad laten de meisjes zich gewillig zoenen.

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -


 

Uitspraak en spelling

- WTT, Ed Schilders (2019) - Aangetroffen in diverse spellingen: hooggaatie, hoog-gaat-ie, hoog-gaatie, hoogatie. De spelling 'hoogaatie' lijkt de beste aangezien er slechts n g wordt uitgesproken. In de spelling met een dubbele g ligt de klemtoon bovendien op 'hoog', en dat is in de uitspraak van de volksnaam niet het geval; dan ligt de klemtoon op 'gaat': 'Gaode meej in den hoogaatie?'

Geschiedenis

- WTT, Ed Schilders (2019) - 'Hoogaatie' is nog steeds een algemene aanduiding voor 'reuzenrad' door Tilburgers. Waarschijnlijk verscheen deze kermisattractie in 1926 voor het eerst op de Tilburgse kermis, getuige een advertentie

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, 1 september 1926. Bron: Delpher.

 

'Hoogaatie' is dan blijkbaar een begrip dat algemeen bekend is. Mogelijk hebben er al eerder hoogaaties op de Tilburgse kermis gestaan maar daarvan heb ik geen gedrukte bronnen gevonden. Toch bleek de volksnaam nog ouder dan ik dacht, want de oudste bewijsplaats in de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek, Delpher, geeft bij de zoekterm 'hooggaatie' een bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 9 juli 1899. Het is dan kermis in... Goirle:

 

 

Daaruit blijkt dat de Goirlese kermis in 1898 een grote publiekstrekker was geworden door de aanwezigheid van onder andere '2 draaimolens' en 'een Hoog-gaat-ie, zoals men het hier noemt'. En daarmee is meteen de volkse komaf van het woord bewezen, want officieel was de naam van zo'n reuzenrad 'Deensche hoogvaart', een benaming die soms ook in de kranten gebruikt wordt maar die vooral voorkomt in de officile gemeentelijk berichten over de aanbestedingen van de kermisattracties.

 

Nieuwe Tilburgsche Courant". Tilburg, 30 augustus 1928.

 

Over de herkomst van 'Deense hoogvaart' ben ik niet zeker, maar het lijkt aannemelijk dat de naam gekozen is in het voetspoor van een topattractie in het pretpark Tivoli in Kopenhagen, geopend in 1844. Hoewel dit oudste reuzenrad zich nauwelijks kan meten met de spanwijdte en hoogte van moderne reuzenraderen was het in zijn tijd een sensatie en publiekstrekker.

 

Het 'reuzenrad' in Tivoli, Denemarken. Bron: Wikipedia.

 

Op de foto is te zien hoe de 19de-eeuwse tractatie het midden hield tussen gondels met zitplaatsen en luchtballonnen, tussen zee- en luchtvaart. Aan die verbeelding moeten we ook denken als we over hoogaaties lezen in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zie bijvoorbeeld deze vroege foto van een 'Deensche hoogvaart' uit het tijdschrift Het Leven (Bron: Delpher).

 

 

Hoe een Tilburgse hoogaatie er in 1957 uitzag is te zien in deze prent van Cees Robben, gepubliceerd in weekblad Rooms Leven:

Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie', een populair tentoonstellingsproject waarbij opmerkelijke gebeurtenissen (waar of niet waar?) uit de Tilburgse geschiedenis in kijkkasten worden uitgebeeld. In 2019 stond de expositie in het teken van de Tilburgse kermis. Afbeelding facebook.com/dejaozeetie, 2019.

 

hogbinder

zelfstandig naamwoord

- WBD koe met hoge poten, ook genoemd 'langbinder', 'lochte koej ' of ondiepe koe

 

hoge

zelfstandig naamwoord

groot persoon, lange gestalte

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006) - Bij het zien van een erg lange vrouw: ds nen hoge; dr moete inklimme!

Volledige bron: KLIK HIER

 

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

 

Hogendries

toponiem

'de Hoogendries' in het oosten van de stad; tegenwoordig nog alleen in gebruik als straatnaam; eertijds in de volksmond gebruikt voor de begraafplaats aldaar. Tegenwoordig is de naam daarvan Begraafplaats Sint-Jozef, naar de patroon van de parcochie Heuvel.

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - Dan slpen zoe karkasje nor den hoogen Dries...

- Pierre van Beek - nr den Hoogendries brnge - in ongewijde grond begraven (het kerkhof van de parochie Heuvel ligt op den Hogendries)

 

Hogevnsestraot

toponiem, straatnaam

Hoogvensestraat

- Audioregistratie 1978 - ik hb et gedaon vur Drikka Kools meej zon grote maand erop waor dan ppe in moese! Gienderwd nr Bartje Braans gebrcht, Bartje Braans, de Hogevnsestraot as ge die wit, meej de kreugel, dan waarde bkaaf as ge trugkwaamt! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

 

 

hogezije

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hogezje' - hogehoed, cilinderhoed

- WBD III.1.3:172 'hoge zijden' = hogehoed; ook 'hondekot' of 'kachelpp'

- WBD III.1.3:176 'hoge zijden' = hoge hoed; ook:'kachelbuis', 'hondenkooi'

- WBD III.1.3:185 'hoge zijden' = hoge pet met opstaand bovenstuk

- WBD III.2.2:99 'hoge zijden' = rouwhoed, hoge hoed

 

hooggaatie, hoog-gaat-ie

zelfstandig naamwoord

kermisattractie: het reuzenrad (uit: hoog gaat hij)

►Zie hoogaatie

 

hoghaaj

zelfstandig naamwoord

hoge heide

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): nor de Hoghaaj gaon en de schuup meeneemen om plagge te steeke (Si'72) - kaartterm

- WTT 2022 - De aantekening van Sterenborg 'hoge heide' lijkt niet de juiste verklaring, gezien de uitdrukking bij Mandos. 'Hoghaaj' lijkt hier veeleer een uitspraak van 'hoogheden', namelijk de 'hoge' kaarten in een spel. De uitspraak 'haaj' voor het meervoud' van '-heid' - dus '-heden' is in het Tilburgs dan wel niet gebruikelijk, maar het gezegde lijkt een woordspeling: hoge kaarten hebben, maar dan toch met de 'schuup' de rest van de benodigde slagen binnenhalen. Mogelijk is 'schuup' een woordspel met de kaartkoleur schoppen.

 

hoghllaans

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - bijvoeglijk naamwoord, : hooghollands

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - 'Hghollands ' zelfstandig naamwoord - Algemeen Beschaafd

 

Tilburgsche Courant 8-9-1879

 

J.J. Veyrassat - Het laden van de hooikar

 

hogkr

zelfstandig naamwoord

hoogkar

- Lowie van Dorrus Misters - De vaste voerlui op deze verschillende plaatsen kon men al in de verte herkennen. Het was wel wat men vroeger noemde een "hoogkar" als tegenstelling tegen de "aardkar", de gewone boerenkar met smalle bodem en schuin opstaande zijwanden en gewoonlijk achter zonder schot. Maar de voermanskar was gewoonlijk wel iets groter van bouw, dus met grotere bodemoppervlakte voor het beladen, iets grotere wielen voor het makkelijker rijden en dan meestal de huifrepen er op met de huif opgedraaid, vanaf de staarteinden tot aan de burries er overheen getrokken, zodat bij regen onderweg deze er over kon worden uitgespreid, men behoefde ze maar uit elkaar te draaien en opnieuw aan de burries vast te maken, zodat de voerman zelf en de goederen die hij had geladen droog konden worden gehouden. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; Nieuwe Tilburgsche Courant 4-2-1954)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hoge boerenkar op twee wielen voor vervoer van hooi en stro en ook in gebruik als huifkar

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - benaming voor een categorie uit de opstoet, vroeger 'grote wagens' genoemd (m.b.t. carnaval)

- Ed Schilders; W zeetie?, Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Mar et schonste van Karneval vn ik den opstoet. Meej al die hogkre, n die strpe.

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - 'hgkr' zelfstandig naamwoord - hoogkar

 

hogop

bijwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hoogstens, ten hoogste

 

hogtij

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - den hogtij - de liste mis - de hoogmis

- WBD III.4.4:191 'hoogwater' = vloed

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -  GOOGTIJD zelfstandig naamwoord, onzijdig en niet mannelijk - grote kerkelijke feestdag

 

hoohaawe, hoowhaawe

werkwoord, sterk

halt houden, stoppen met iets; van het commando van de koetsier aan het paard; hoo! = halt!

- Cees Robben; Prent van de Week - Z hield ie aaltij hoow... (19600219)

 

hoohaawer

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - rem

 

Schilderij van Desir Thomassin - 'Hooiers'

 

hoj

zelfstandig naamwoord

hooi

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: hoilaand; hoi en stroi (hooi, juister hoi)

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ast hoj nr de waoge kmt, zn de hojvrke goejekop.

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Hak hoj gegeete, dan hak trf gescheete.

- Pierre van Beek; "Hooi dorsen", is nutteloos werken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- WBD hojbrg - veldschuur (vrijstaande open bergplaats), ook 'hojmt'

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - geluk bij en ongeluk, zi den boer, mar et hoj is op (ok 'schlf' genoemd)

- WBD hojzlder - zolder in stal of schuur, ook genoemd 'balke', 'schoor'

 - Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): et hoj is ng gruun (korte u)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): as et hoj nr de waoge kmt, zn de hojvrke goejekop ('70) - gezegd van meisjes die jongens nalopen

 

 

Schilderij van Julien Dupr - 'Hooien'

 

hoje

werkwoord, zwak 

hooien

- Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959 - "Ge hoeft niet te gaan hooien", ge behoeft zo'n haast niet te maken (met weg gaan).

 

hojmt

zelfstandig naamwoord

hooimijt

- WBD veldschuur (vrijstaande, van alle zijden open bergplaats, met op en neer beweegbaar dak, bestemd voor overwegend hooi), ook 'schlf' of 'hojbrg' genoemd

 

hop, hupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoop, stapel

-Informant Toine Raaijmakers; Den duuvel scht aaltij p enen hop (m.b.t. mensen met veel geluk)

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930) - 'onder 'nen hoop erd'

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007) - Et wier un renie van alle nichten en nve, de grotste hop waar der.

- WBD III.4.4:255 'hoop' = menigte, troep;

- WBD III.4.4:259 'hoop' = boel

- WBD III.4.4:260 'hoop' = grote hoeveelheid;

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HOOP zelfstandig naamwoord mannelijk:-tas, stapel, menigte. Met den hoop - bij hoopen, overvloedig

- Jan Naaijkens;l D's Biks, 1992 - 'hp' zelfstandig naamwoord - hoop; honderd p 'nen hp

 

hoore

zelfstandig naamwoord

hoorn

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): veul p zen hoores hbbe ('56) - veel praats hebben

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Dr wr de horene dl van' - daar word je stapelgek van.

mannelijke duif

- Interview Jolen - 1978 - Ene dofferenen hoore, enen hoore zgge wijja (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER voor de audiobestanden van dit interview

 

hoorentje, hoorntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoorentje ofwel gehoorentje speule - verstoppertje spelen (de zoeker gaat op het gehoor af)

- Daamen Handschrift 1916: "horentje - kinderspel, een soort van verstoppertje"

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - doolhoven en idiale schuilplaotsen om hoorntje te doen.
- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - Irst dimme in bietje hoorntje.

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - n hoorentje din wij vruuger h, hoorentje doen. D was verstoppertje speule. Wij zin aaltij hoorentje doen, hi!?

- WBD III.3.2:47) hoorntje, hoorntje doen = verstoppertje spelen; ook genoemd: piepele, piepelenbrege of piepelenbrg, gehoorentje

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hoorntje, zelfstandig naamwoord - verstoppertje

 

hoovrreg

bijvoeglijk naamwoord

hovaardig

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hoovreg, hoovrdeg' - hovaardig

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HOOVRIG - hovaardig

 

hoow

uitroep, commando

- WBD (Hasselt) langzamer: (commando voor een paard)

 

hoowhaawe

werkwoord, sterk

► zie lemma hoohaawe

 

hopkont

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - iemand die blijft hopen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Hop mar toe, hopkont' = Blijf maar hopen, onnozele gans.

 

hr

zelfstandig naamwoord

hekel, tegenzin, afkeer

- Pierre van Beek; Ze kreeg 't hor aan. - Ze begon kwaad te worden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

- Cees Robben; Prent van de Week - Men vrouw die krgt t hor dan aon/ Bij t minste gaot-er-op (19650507)

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): et hr nkrge ('69) - kwaad worden

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Ge zo-t-ur ut hr van krge' - Je zou er een hekel aan krijgen.

 

hr

tussenwerpsel

hoor!

- Interview met de heer De Kok (1978) Schoenmaaker van beroep! Mar ik hb ng meer fakke gehad hr! (transcriptie Hans Hessels 2014;

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

Ook gehoord als 'hor'

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels (2015) - ..Twas ene goeje man hor, mar hij dronk veul!

 

hrnkele

werkwoord, zwak 

- WBD (Hasselt) - (van een paard) de enkels kwetsen door ze onder het stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd 'haorhinkele'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - kkt is nr men ketaaw, et hrnkelt zo - ... het slaat steeds over

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - overslaan, beentje lichten, tegen je(eigen) enkels schoppen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Kkt us n-me ketaaw, ut hrnkelt zo' - ... het slaat steeds over.

- WBD III.3.1:237 'haarenkelen' = bekvechten

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (8) 'Kektis nme ketaaw, ut hrenkelt zo!'

- WBD III.1.2:389 'haarenkelen' = haarenkelen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zwak werkwoord onovergankelijk 'haarenkelen', met een van de voeten tegen de enkel van de andere voet schoppen onder het gaan (v. mensen en paarden)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -  HAARENKELEN - bij 't gaan den eenen enkel tegen den anderen slaan of stooten (Kemp.)

 

hrgetg

zelfstandig naamwoord

haargetuig, gereedschappen om te haren, scherp te maken

- Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant, Typisch Tilburgs afl. XI, 10 januari 1958 - Een maaier heeft een zeis en als wetgereedschap een hamer, een vijl, een aambeeldje en een wetsteen. Dit wetgereedschap bij elkaar noemt men "het horgetuig".

► haore

 

hrke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van haor

haartje

- Kees & Bart; krantenrubriek ca. 1930 - gin hrke beter

 

hrke

werkwoord, zwak 

- Informant Piet Mutsaers; (af)luisteren

- WBD III.3.1:264 'horken' = afluisteren

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HORKEN (hrke) onov. werkwoord - luisteren, speciaal naar gesprekken waarmee men niets te maken heeft; akoestische tegenhanger van 'blieken'. Ook vooral in de samenstelling 'thrke' - door onbescheiden vragen iets te weten willen komen.

 

hrpl

zelfstandig naamwoord

haarpijl, haartje

- Stadsnieuws (rubriek): Et schouw mar enen hrpl of de penantie ha gezeete (271206)

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAARPIJL zelfstandig naamwoordo. - haartje, Fr. brin de cheveu.

 

hrre

tussenwerpsel; samengesteld uit hre en persoonlijk voornaamwoord je:

'hoor je?' of als uitroep: 'hoor je!'

- Audioregistratie 1978 - D waare buiteweevers, die hadde en groot huis n daor stond en hil ouw ketaaw in j, die, die, die naome d weet ik ammel zozeer niemer hrre! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

hrrelevoet

zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.2:384 'horrelevoet', 385 'horrelepoot ' = horrelvoet

 

hrsdrg

bijvoeglijk naamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week - de ekkers in de Vloed/ Liggen horsdrg in den gloed... (19570704)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HORS in de combinatie 'horsdreu:g zeer droog, breekbaar van droogte'.

 

hrspl

zelfstandig naamwoord

haarspeld

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - haarspeld

- Stadsnieuws (rubriek) - En kntje wier meej grote hrsplle op zen plts gehaawe - een haardot werd met grote haarspelden op zijn plaats gehouden. (280609)

 

hrst

zelfstandig naamwoord

- WBD hoogte in het (akker- of wei-)land (Hasseltse term); ook 'bult'

 

hrt

zelfstandig naamwoord

hort, horde

- WNT een uit met rijs omvlochten staken bestaand, plat vlechtwerk dat hetzij los en verplaatsbaar is, hetzij, gelijk bijvoorbeeld bij militaire versterkingen, ter plaatse om in den grond gestoken palen wordt gebreid. 2) Raamwerk dat over het land gesleept wordt om kluiten te breken of om modder en mest te slechten. 3) Ruit- of traliewerk tot het ziften van kleine aardappels, grind, sintels e.d.

- WBD III.4:131 'hortje' = poosje

Uitdrukking

- den hrt op gaon - de straat op gaan, er vandoor gaan/zijn, m.n. met een ander dan de eigen partner

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'hort' zelfstandig naamwoord - op stap, even.

- WBD III.3.1:43 'de hrt opgaan', op stap gaan, uitgaan, aan de zwier gaan, 'op sjanturnel gaan', zwalken, dweilen = uitgaan

- WNT HORT III - hurt - in de uitdrukking 'op de(n) hort' en 'de(n) hort op', weg, 'vort', aan de haal, of: er van door.

 

hrt, hurt

gebiedende wijs van 'hre'

hoort!

waarschijnlijk een verkorting van 'hoor het!'

- Cees Robben; Prent van de Week - Hrt d bist toch is te keer gaon... (19590905)
- Cees Robben; Prent van de Week - Hrt.. dn moor zingt al... (19870213)
 

hrtene

werkwoord, zwak 

de etymologie is niet verklaard

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - klonteren

 

hrtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

poosje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - vur en hrtje, nie te lang

- WNT HORT I,6,b: Poosje; Wat ben je 'en hort weg geweest! Opprel: Blijft nog en hortje, Ald. Eveneens bijvoorbeeld op Goeree (hortje) en te Deventer (hrtjen).

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hortje - poosje (diverse dialecten)

 

hrzak, hrzakke

zelfstandig naamwoord en zwak werkwoord

In veel bronnen is de verklaring: 'valsspeler, valsspelen'

In het Tilburgs lijkt de betekenis 'treiteraar' algemeen.

Etymologie

Over de etymologie lopen de meningen uiteen

- A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - haarzak, aassak - wie ruzie zoekt, vitterig iemand. Eerste deel is waarschijnlijk Hoogduits hader 'twist'.

- Informant Kristof Van Der Meiren; 2020 Een hrzak wordt hier - Sint-Lenaarts (Brecht/Belgi) neurrk genoemd: Hij is ne neurrk betekent dat iemand niet wil luisteren en altijd tegendraads doet, vervelend doet met de bedoeling iemand anders woedend te maken totdat deze persoon begint te springen van woede. De schamele ondergrond (vloer) van vroegere woningen begaf het dan soms, waardoor iemand een verdieping lager zakte. Bij boeren werd de mest van de dieren vaak opgestapeld en als de kinderen dan niet wilden meehelpen, werd de boer(in) stampend kwaad zodat hij/zij door de stront zakte. Een onstabiele, vuile, rotte ondergrond werd goor genoemd. Daar men eeuwen geleden de letter G vaak verwisselde met de letter H (of zelfs niet uitsprak) kwam men al snel tot: oorzakken. Dus: door het goor zakken, door het hoor zakken. Ik zal hem/haar eens in het goor (hoor/hor) laten zakken betekent: iemand moedwillig boos maken door niet te luisteren en tegendraads te zijn. Horzakken.

Betekenissen

- Pierre van Beek; - Schaaj tch is t meej d gehrzak (Tilburgse Taalplastiek 176)

- Stadsnieuws; anonieme dialectrubriek, 2010-04-28 - Schaaj toch es t meej d gehrzak - .. met dat vervelende gedoe.

- Facebook; - Enqute over Je favoriete Tilburgse woord, maart 2013 - 'Je bent een echte Tilburger als...'

 

 

- WBD III.3.2:32 - hrzak, judas, valsspeler

- WBD III.3.1:235 - 'haarzakken', 'kampen, krabben, meppen, schoppen, slaan, krakelen, bakkeleien' = ruzin

- WBD III.3.2:33 - hrzakkerij = vals spel

- WNT V:1462 - HAARZAKKEN, aarzakken, haarzaken - Van 'haarzak' - verschil zoeken; moeite maken, ook bedrog plegen, onheusch doen bij 't spel.
- WNT V:l462 - HAARZAK (II), aarzak - gewestelijke, althans niet overal bekende benaming voor een twistgierig, kijfachtig persoon, iemand die verschil, ruzie maakt over eene kleinigheid, inzonderheid om er zijn voordeel mede te doen.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hrzak - persoon die met iedereen overhoop ligt en ruzie maakt.
- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hrsak zelfstandig naamwoord mannelijk: 'horszak' - jongen/meisje die/dat spoedig boos wordt.
- Amaat Joos, Waas idioticon (ca. 1900) - haarzak - die zeurt of bedriegt in 't spel.

- L.L. de Bo; Westvlaamsch idioticon (1892) - HAARZAKER, haarzaak, haarzak - Haarkliever, vitter, fr. chicaneur iemand die, iets gekocht hebbende, moeilijkheden maakt ...
- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HAARZAKKEN - bedrog doen in 't spel, Fr. tricher. Gij ht gehaarzakt! Potische definitie

- Frans Hoppenbrouwers; uit: Kempische Karakters (CuBra 2012) -

Horzak
Een horzak kan ontzettend pesten,
hij treitert meestal heel gemeen
ook daarom staat hij vaak alleen:
jouw grenzen zal hij niet meer testen

hshaawe

zelfstandig naamwoord

huishouden

- Cees Robben; Prent van de Week - In elk pront Tilbrgs hshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627)

- Interview Hermans - 1978 - Want agge dan mskes ht, war, die en jaor f neege zn n ge ht en grot hshaawe, war, dan moese ze veul meejwrke. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

hske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

haasje

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen, 2000 - et hske = voetballer Hazendonk

 

Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

 

hske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hus

huisje, in het bijzonder een optrek buiten de woning om de behoefte te doen

 

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

 

1. huisje, daar waar men zijn behoefte deed; plee

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "hske - op 't hske zitten (op de WC)"

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 12 06 - Maar vannaacht begos de trubbel / Ik vlg 't huiske op en aaf / Ik moes van rmoei naor d'n dokter / Die me 'n remeedie gaaf.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 11 09 - Mar as ge op 't huiske zit / Ruukte allemol egaol.

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'a's Mieke lang op 't hske zit'.

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - As ge meteen nao oew eten naor t huske gaot, noemen wij d laojen en lossen (16-01-1975)

- Pierre van Beek; Wat "'t huske" of "de beste kamer" is, weet ge. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Cees Robben; Prent van de Week - [na het kerstdiner:] Gao irst dn hof is in../ Naor t hske... (19611221)

- Cees Robben; Prent van de Week - t Hske.. of wel t sekreet (19601104)

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik licht naa t hske... en rij meej de ton... (19570309) [Als de beerput onder het huisje vol was, werd die gelicht ofwel leeggeschept; de mest werd overgeheveld in een andere ton.]

- Cees Robben; Prent van de Week - En vur t hske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete.. (19870417)

- Et hske zin ze vruuger, war. Nou n d was aachter was en grot gat f veur. Irst de plangk eraaf! D was en grot gat [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- ...en hier op ut hske hoef ik alln mar nor mun ge gezk te lstere... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Piet van Beers; t Hske: Vruuger....bij ons ths/ hadde we ok 'n hske./ D wier nnigte keere per jaor/ dur unnen boer leeggehld./ Den boer kreeg dan aaltij/ geld van onze Vadder./ Wij kreege dan "staank vur daank" (Brabants Bont - 1; z.j., ca. 2005)

- Stadsnieuws (rubriek): wcht fkes, vur we gn moet ik nog op et hske - ... naar het toilet. (160510)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de plaanke vant hske schte.

- Lauran Toorians; Ik z ne sul; CuBra, 200? -

As de tillevisie zomar stopt

of t hske stevig durlpt,

liefst op zondag in de naacht,

dan zuke-ziemand die kan kome

en ast kan vur niks,

die d vlug en netjes oplost.

- Piet van Beers; www.CuBra -

De Poepdos
Vruuger han de rme meense
gin van allen n W.C.
Martoen zaate ze te kakke
op t Hske of de Plee.


Mistal wast n houte kietje
meej n plaanke hartjesdeur
Op t dak daor laage panne
n er hing unne strke geur.
 

Op de plts waor ge gingt zitte
was er middenin n gat.
Wgge daor dan poept of pieste
viel onmiddelek in n vat.
 

Aon de muur zaat unne spker
n ennen hele rits papier
van de kraant gescheurd in vllekes
die ge dan kost leeze hier.
 

As zon vat of ton dan vol was
wier d dur ennen boer geligt.
k Z daor wl es nr gan kke
Marik nep mn neus wl dicht.
 

Zeuventig jaor ist al geleeje
mar toch dnk ik er nog ot aon
ask de boere stront zie rije
die derre stal hbbe gedaon.

- WBD III.2.1:112) 'huiske' ,c.q. 'gemak' = wc: ook 'plee' genoemd; verkleinwoord van 'hs', met vocaalkrimping

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - 't hske - bistekaomer, plee, nummer 100

2. huisje, verkleinwoord van huis

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: D zn daor zn lege hskes dgge wl plat mt praote; aanders kunde nie binne.

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): hdde is en hske nr oewe zin, dan krpt er gaaw en aander in (Handschrift Daamen 1916:) - Als je het naar je zin begint te krijgen, ga je dood.

 

Onbekende tekenaar-dichter; circa 1970

 

Woorden in beeld - Het Huisje in de schilder- en prentkunst

 

huisjesloof - donderbaard - Sempervivum tectorum

 

hskeslof

zelfstandig naamwoord

huislook (Sempervivum tectorum)

vetplantje dat in de buurt of op het dak van een apart staande of tegen het huis gebouwde W.C. (hske) groeide, en een bekend geneesmiddel was tegen ontstekingen in de mond. De plant werd ook een bescherming geacht tegen de inslag van bliksem.

 

Sempervivum tectorum

 

- Cees Robben; Prent van de Week - [Vrouw tegen dokter:] Hl oe lzzen-meel en kalmoes/ saovieblad... kemille-thee/ hskes-lf en hoest-sjuup-sjuupkes../ Dingen... waor ie [de patint] niks aon hee... (19551217)

- Elie van Schilt - De irste plee men nog bekent, die stond buiten in dun hof, un vierkaant houten geval, un schuin dakske mee hollandse pannen, daorop mistal as sierplaant huiskeslk. Un deur mee un hartje eruit gestoken, waormee grte meessen konden kken hoe dun hof erbij stond. (uit: 'De plee', www.cubra, ca. 2002)

- WBD III.4.5:363 hskeslof (Sempervivum) - huislook

 

hskesmist, hskesmis

zelfstandig naamwoord

faeces, menselijke uitwerpselen als mest gebruikt

- A.J.A.C. van Delft - "We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur." "D witte, war?" (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Audioregistratie 1978 - Drrom ginge wij ok hskesmis haole, zimme vruuger, [uit] weejseejs haole int stad. Hskesmis om de weilande en alles te bemisse n as we gruun moese zaaje! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - zelfstandig naamwoord o. 'huiskensmest' - faecalin uit het huiske (geheim gemak)

 

hsse

werkwoord, zwak 

- WBD III.1.2:6 'hossen' = hotsen; ook: hutselen, hobbelen, kwakken, stolpen

 

hst

bijwoord

haast, bijna

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 10 - Host alle meense diege heurt...

- Ad van den Boom, uit: Unnen droom, circa 2005 - Host hilt verkeer d gong toen nog/ Doodgewoon mee prd en kr

 

hste

werkwoord, zwak 

haasten

- Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ge hoeft oe nie te hste: ge zit ginnen boer in zen vnster.

 

hsteg, hstig

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

haastig, gehaast

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945) - SJAREL. Ge bent wir te hostig, ge moet me laote uitpraote.

 

hstum hstum

bijwoordelijke uitdrukking

- Pierre van Beek - Wat hostum hostum geschiedt, gebeurt in grote haast

 

ht

tussenwerpsel

- A.J.A.C. van Delft - Een boer rijdt "zen prt mee een lent en haauwt bij het uitwijken hot (rechts) of aar (links) aon". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD naar rechts (commando voor een paard)

- WBD 'htm', 'htum (Hasselt:) huutewg' - naar rechts (idem)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'hot': hr is links, ht is rechts

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
 HOT bijwoord - bij voerlieden: roepwoord om paard naar rechts te doen draaien

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOT: rechts, ter rechterhand.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HOT, bijwoord (tegen een paard geroepen) naar rechts; ook: hotteweg, of, als er niet vlug genoeg gehoorzaamd werd: hotteweg, hoort.

 

htjsse

werkwoord, zwak 

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - swingen (Engels: hot jazz)

 

ht nr hr

uitdrukking

ongeveer heen en weer, zig-zag

- WBD 'ht naor hr' (lope) - gezegd van een paard: zwijmelen (lopen zonder vaste gang, her en der over de weg, van links naar rechts), ook genoemd 'bllie'

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ht n hr - Uitdrukking: een voerman gebruikte de woorden bij het sturen van het paard: 'ht' is naar links, 'hr' is naar rechts. Later sprak men van 'van ht nr hr' - van hier naar daar.

-Informant Toine Raaijmakers; - een voerman gebruikte de woorden bij het sturen van het paard; ht is naar links, hr is naar rechts

-Informant Toine Raaijmakers; van hier naar daar, op en neer.

 

httie

samentrekking van verleden tijd van hbbe met persoonlijk voornaamwoord hij

had hij

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoen huudje hottie op... (19600219)

 

houdoe, haawdoe

tussenwerpsel, afscheidsgroet

hou je, vaarwel (afscheidsgroet)

 

Tilburg, Nieuwbouw in wijk Jeruzalem, 2017. Foto: Margriet Bekkers

 

1836 - Hoeufft - ... Een bij het volk zeer gewone wensch is: 'houd u wel', d.i. het Latijnsche: cura, ut valeas.

1929 - A.J.A.C. van Delft - en bij het heengaan was het "Allah, kom hauwdoe, en det ge bedaankt zeit det witte. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

1930 - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Haaw doe' (passim)

1938 - ...Alla, kom-haaw-doe-war-saomen! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
1939 - ...en oome Teun zee: "Alla kom, haawdoe war, en d ge bedaankt bent d witte wel! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; t Briefke van duuzend; Nieuwe Tilburgsche Courant 5-10-1939)

1945 Maar allee kom-haauwdoe war (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

1945 KAREL. Haawdoe war. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

1958 - Cees Robben; Prent van de Week - Houdoe schaopkes... [bij het overlijden van pastoor Klein van parochie Westend] (19580215)

1958 - Cees Robben; Prent van de Week - Houdoe en vergit me niet... [bij het overlijden van pastoor Klein van parochie Westend] (19580215)

1972 - Jan Stroop, Sprekend een Westbrabander 1; Amsterdam 1979.. 2; Oudoe (blz.117)

1978 - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) HOUDOE telwoord hou je... 1. (bij afscheid) vaarwel; 2. (geroepen naar een paard...)

1988 - Hans Heestermans, Witte nog?; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994. I Oudoe (blz.14)

1992 - Jan Naaijkens, Ds - Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 - houdoe - hou je goed

2003 - A.- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek - HOUDOE afscheidsgroet (brab.) = nl. houd u (goed)

2007 - Karel de Beer - website Bijnamenboek Tilburg "h", zik, "Ha d mar irder gezeej. Bedankt n houdoe, Pirke!"

2007 - Lodewijk van den Bredevoort [=Jo van Tilborg] - Nou doet em dan mar de groeten, houdoe. (Uit: Kosset den bruine eegeluk wel trekken)

2007 - Lodewijk van den Bredevoort [=Jo van Tilborg] - Asse dan zonder fetsoenlek houdoe te zegge de deur t zn, vertel ik tegen Lia wtter gebeurd is. (Uit: Kosset den bruine eegeluk wel trekken)
2010 - Stadsnieuws (rubriek): Alleej kom houdoe war! - Nou vooruit tot ziens maar weer eens! (030310)

2013 - Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet - 'Houdoe nou, houdoe! Schrijf wat ik zei af/En zeg Jan, Piet en Klaas dat 'k herrees uit het graf/Ik vlieg van nature naar de hemelpoort toe/Het tocht op Calvarie - Houdoe, nou, houdoe!' Vertaling van: 'Goodbye, now, goodbye. Write down all I said/And teil Tom, Dick and Harry I rose from the dead,/Whats bred in the bone cannot fail me to fly/And Olivet's breezy - Goodbye, now, goodbye.' Uit: Ulixes, nieuwe vertaling van Ulysses, James Joyce. (Uit: Brabant spreekt woordje mee in de wereldliteratuur: houdoe!, Henri van der Steen; in: Brabants Dagblad, 21 maart 2013.)
 

 

T-shirt anno 2017; internet.

 

Steven Brunswijk, voorheen 'De Braboneger', cabaretier uit Tilburg, in de televisiereclame voor All Secur autoverzekeringen, december 2018. De actie van All Secur is opgezet onder de noemer 'Doei Doei-weken' waarin automobilisten worden uitgenodigd over te stappen naar All Secur. Iedereen in de commercial roept dus 'Doei Doei'... behalve Brunswijk. Bron: YouTube.

 

Speciaalbier. 2019. Foto: CuBra/WTT 2020

 

Embleem op uniform verpleegkundige in een Brabants ziekenhuis tijdens de Corona-crisis. Detail uit krantenfoto 2021.

 

► Dossier met afbeeldingen Houdoe

 

hout

zelfstandig naamwoord

hout

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): krm hout braandt eeve goed as rcht (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) ook mindere kwaliteit kan voldoen; men hoeft het niet steeds in hogere rang of stand te zoeken

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hout op hout zaogt nie (gezegd van kussende mannen)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'hawt' (vkw. 'haawtje')

 

houtere

bijvoeglijk naamwoord

houten, van hout

Stofnaam

- en houtere schaansmuur

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen houteren haomer

- Hedde dan nie in de kraant geleze detter in de Veldstraot n houteren poort is weggehold van drie meter breed en eenen meter hoog? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

- Interview Hermans - 1978 - vroeger ammel houtere walse eiken iepe (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om het interview te beluisteren

- Interview Jolen - 1978 - daor ene pin aon, hdie gingk in de grond n dan hadde d hoek en gat n d en gat n dan hadde ene beugel in hout, in plank, j, hoe zak die naa ttnoeme? Die was zo en bietje schefaon n onder dicht n zo diep n moeste meej die beugelblle, hadde houtere blle, schppe n nr die ringe goje (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- A.J.A.C. van Delft - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- ...mee innen zak houtere blokken; (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- We weeven goei goed op ons houter getouw... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Aaw weeverlieke, 1941)

- Cees Robben; Prent van de Week - Unne vent mee unne houteren pt (19740208)

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - die meej die houtere pothoe hiete die daor ok wir (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - De vaader van mn vaader, h, die zaat tuis meej en houtere ketaaw te weeve! Bij ons heej acht, achtien jaor en houtere ketaaw in huis gestaan!

Overdrachtelijk gebruik

houtere klaos - een onbeholpen stijf mens

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - nen houtere klaos - een onbeholpen stijf mens

houtere jas - doodskist

- Mar agge meej en honderdfftig/ de maacht over oe stuur verliest,/ hdde et gaasthuis niemir nodig/ dan krde rap en houtere kiest. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op staikes aon)

- en ...dan staode vort zoo onder den Burgelike Staand as znde vertrokke, mee den houteren jas aon. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Der komt vur ons alleml ene td dmme den houtere jas nkrge, fwl daor aachter et Zaand de pp t gaon. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

houtere ks

- Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009 - Ik hoefde nie lang nao te dnke oover mn schonste Tilburgse spreuk. Die gao zo: Kwok ham ha. Dan aat ik aajer meej ham. Ak aajer ha. Schon war? Mar ok n bietje zieleg hor. Dan moet ik dnke n die reme Tilburgers van vruuger, n dan schiet mn gemoed vol. Zo rum waare sommegte Tilburgers dsse gineens gin kiepe hadde n gin vreke. Gin aajke, gin ham, allenig honger. Witte wsse dan zinne? Dan zinne ze dsse unnen houtere ham op tffel han. f unne houtere ks.

houtere kp

- n 's aanderendaogs ha ik enen houtere kop, d wilde nie gelve. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

Houthem

toponiem, gebruikt om gierigheid aan te duiden

- "Oo-zoo! Hier krijgde niks, d spel ik oe op oew vesje, d's De Smet, 'nen rijken stinkert mar 'van Houthem'!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; 'Oome Teun op collecte'; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)

 

Ill.: Naumann - lullula arborea - houtleuwerik

 

houtleuwerik

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - boomleeuwerik (hawtleuwerik) (Lullula arborea)

Dossier Leeuwerik - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten

 

houtraoper

zelfstandig naamwoord

houtraper, iemand die hout steelt

- A.J.A.C. van Delft - "Vruuger zaten ze naacht en daag in de bosschen van onzen grutvadder." Dit is: Vroeger gingen ze dag op dag sprokkelen in de gemeentebosschen. Het sprokkelen en door de bosschen zwerven is voor sommige Tilburgers van behoeftigen komaf een soort levensbehoefte geweest. Vandaar mogelijk de geijkte Tilburgsche uitdrukking, die kort als parlementaire taal in de raadzaal gebezigd werd: "Hij liegt als een houtraper." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- Pierre van Beek - "Hij liegt as 'nen houtraper" zegt men van iemand, die er "ongegeneerd" op los liegt. Dus "liegt dat-ie zwart zie", zoals Lowie van Dorrus Misters zei. Waarom het nu juist de houtrapers waren, die om hun liegen berucht schenen, is ons niet duidelijk. Wl weten we, dat het houtrapen of houtsprokkelen door de arme bevolking in Tilburg vroeger mr beoefend werd dan thans. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

 

hugt

zelfstandig naamwoord

hoogte, heuveltje

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 & CuBra) - Hij [de boom] stao boven op n hugt, durom komt ie nog beter uit.

- WBD III.4.4:138 - 'hoogte' = heuvel

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'hucht' zelfstandig naamwoord - hoogte

 

huije

zelfstandig naamwoord, meervoud van hd

huiden

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens dan hadde ng teegenoover de prttestante krk in de Zoomerstraot.. daor wonde zogezeej ok en stl Jodjes n die stl Jodjes dinne niks as in huije n in bene n ze kchte zak zgge de gte die verkchte ze wir n zo. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

Klik hier voor audiofragment)

 

huiske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hs
huisje, in het bijzonder een wc-huisje op het erf of in de tuin
- Cees Robben; Prent van de Week - As t huiske wir is was gelicht... (19701016)
►hske
 

hukke

werkwoord, zwak

hurken

- Piet van Beers; De stinpst - Ik kan nie zitte, ik kan nie ligge/ ik kan nie "hukke", ik kan nie gaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

hukkele

werkwoord, zwak 

(gezellig) dicht bij elkaar gaan zitten; wiebelen

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941 - ...al hukkelend op z'n hakke.

- WBD III.1.2:383 'hukkelen' = manken [van hinken ?]

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - op je hakken lopen

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Moeder, hedde niet unne feftiger waant de taofel stao hil de td te hukkele en mn kumke stao k al te wiemele (rijksdaalder onder tafelpoot leggen) (mededeling aan Cees Robben, 13-07-1966)

- Cees Robben; Prent van de Week - De taofel stao hil de td te hukkele... (26-08-1966)

 

hukkes

zelfstandig naamwoord, meervoud (geen enkelvoud)

hurken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - 'op oe hukkes'

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930) - p men hukkes

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - (92) 'Vruit ammel op oe hukkes'

- Cees Robben; Prent van de Week - Hij zaat op zn hukkes (19551119)

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik ben niemer z kneukelvaast Willem... n glas bier gao nog, mar krom staon en op mn hukkes zitten desser niemer bij... (19670825)

- Cees Robben; Prent van de Week - Ons menneke (...) zit op zn hukkes vur de knollie-kooi... (19791109)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 09 14 - Vrdags zit ik op m'n hukkes / Al vruug te wochte op de kraant

- WBD III.1.2:167 'op zijn hukkes gaan zitten' = hurken

- WBD III.1.2:168 'op zijn hukken zitten'; 169 'op zijn hukkes zitten'

- WNT Huiken, zw.ww., onz.; verwant met 'hukken'. 1) Eig. Bene in een gedokene houding aannemen door de knieen te buigen; hukken, hurken

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - HUKKES mv. hurken: op z'n hukkes zitten.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hkkes zelfstandig naamwoord mv. hukken, hurken

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) -
HUKKEN zelfstandig naamwoordv.mrv. - hurken. Op zijn hukken zitten.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hukkes zelfstandig naamwoord, mv - hurken

 

hukkum

tussenwerpsel

de herkomst is niet duidelijk; hukkum wordt door Cees Robben gebruikt als een dooddoener in de zin van maar niet heus (19580315 & 19710409)

 

hul

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - door-de-weekse boerinnenmuts

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hul oover trul - hals over kop

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - hol, zelfstandig naamwoord vr., hul, daagse muts van een boerin, ook 'hulmuts' geheten.

 

hulleketeut

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - fantasievogel als boeman voor de kinderen

 

hullie, hullieje

bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord

hun, hen

Bezittelijk voornaamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - hullie bruur, hulliejen oopaa, hullie/hullieje paa - Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh hllien vadder men nie' ziet'

- Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Ja, die jongens van Flaneur waren rakkers, maar wat ze zeker nooit aan hulli pa" hebben durven vertellen is, dat ze gingen vuurke stooke" (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

- Daor hedde bevoorbeeld hulliejen oome Fons. Vruuger kwaamp ie langs de deur mee innen kreugel, kneukels, krabbe..., 't jukt nie! Uit: Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 09 16 - Hullie moeder die mopperde / Hullieje paa was kaod.

- Hulli pa waar in ieder geval wel veul van hs. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot; CuBra, ca 2005)

Persoonlijk voornaamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week - Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031)

- Hullie waren ok nie op school. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Hullie, [de ouders] of liever zij, [de moeder] maokte den dienst t. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

Hullie gullie

zelfstandig naamwoord, mannelijk

1 - kermisattractie, vernoemd naar een populaire dans, de 'hully gully'.

 

Foto: Wikicommons. Hully Gully in pretpark De Waarbeek te Hengelo (Ov).

 

- Wikipedia (2018) - De Hully Gully [...] is een ouderwets attractietype dat vroeger veelvuldig voorkwam op kermissen. De Hully Gully kan min of meer beschouwd worden als opvolger van de rupsbaan. Net zoals in de rupsbaan draaien gondels rond in een carrousel. Het verschil hier is echter, dat de gehele carrousel als de attractie eenmaal draait aan n zijde hydraulisch omhoog wordt getild. De carrousel met haar gondels komt zo schuin te staan. Bezoekers van de attractie draaien op deze manier niet alleen rond, maar maken ook hoogteverschillen doordat de middelbouw met de hydraulische cilinder ook ronddraait. [...] Toen de Hully Gully rond 1970 verscheen, was hij erg populair op kermissen. Dit kwam vooral omdat hij net weer wat heftiger was dan de al bestaande Rupsbaan en Muziek-express. Sommige Hully-Gully's rijden naast vooruit ook achteruit. [...] De naam is net zoals bij veel andere attractietypes ontleend aan een dans, in dit geval de gelijknamige Hully Gully-dans. De Hully Gully staat heden ten dage niet vaak meer op kermissen.[...] Enkele pretparken hebben nog wel een Hully Gully in hun park staan, waaronder Octopus in Walibi Belgium en Hully Gully in De Waarbeek te Hengelo (Ov). Op de Nederlandse kermissen reist er anno 2013/2014 nog maar n rond.

2 - Tilburgse sterke drank, vernoemd naar (1) de kermisattractie

 


 

hulte

zelfstandig naamwoord

waarschijnlijk dialectisch meervoud van 'hlte'

- Cees Robben; Prent van de Week - Niks dan hulten en bult (19590822)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - holte, gat, kuil

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Hulte n bulte' - Gaten en bobbels (in wegen)

 

hum, em ['m]

hem, zijn, hem zijn, van hem

Persoonlijk voornaamwoord

- Cees Robben; Prent van de Week - hum vn ik mar unne aorige... (19860328)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hurt hum - hoor hem eens

- Stadsnieuws (rubriek): Diejen hond is van hum; ik hb em dermeej zien lope (200606)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 19 - Hum nie gezien...

Bezittelijk voornaamwoord

zijn (met meer nadruk dan 'z'n')

- Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg; Kosset den brne eigeluk wel trekken?, Dl. 2, 2007 - Hum mske zo op donderdag op visite koome.

- Dialectenqute 1887 Willems; humme voogel - hum vogel ; hum knd - hum kind

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 02 15 - Ok hum febriek is naauw gesloten

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 04 08 - Wir verdween n bekend gezicht / Uit de Tilburgse straoten / En hij zal daor op hum menier / n Leegte aachter laoten. [Bij het overlijden van Fraanske t mosterdmenneke.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 06 28 - De Thijs, die ik daor over spraak / Hij is k zonne zwaore / Die wou me d op hum menier / Is duidelijk verklaoren.

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Op hum menier Op zijn manier

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'Toen gonge ze nr hum ts' - Toen gingen ze naar hem thuis.

- Hum kedoo waar der nog nie bij, hum plekske waar nog leeg. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

hummeke

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hommetje van de vis

 

Schilderij van Giacomo Ceruti

 

hundje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hondje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - (blz.50) hundje verkleinwoord van 'hnd', met umlaut

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): et hundje naam ne rmpscheut

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: 'n hundje en 'n ketje

- Cees Robben; Prent van de Week - llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich.. (19600122)

- Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - Bttie akkum aaj? Hdden hundje? Dan zuldem wl snappe. Vur wie gin Tilburgs hundje heej, zg ik -Informant Toine Raaijmakers; mar bij hoe d d in t Neederlaans gezeejd wrt: Bijt hij als ik hem aai? Meese, d klingt tch van gin kaante?! Wk wil zgge is dees: as t bske Tilburgs prt, dan verstao zunnen hond ok allenig mar Tilburgs. cht waor. D lstert hel naaw meej hundjes.

- WBD III.2.1:475) 'hondje' of 'does' = hond

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992): hundje zelfstandig naamwoord - hondje

 

hunkere

werkwoord, zwak 

- WBD hinneken (van een paard), ook genoemd 'hinneke', 'briense' of 'kwkke'

 

hunnepetrie

zelfstandig naamwoord

gerecht voor fijnproevers van de vroegste delen bij de varkensslacht

- Jef Paijmans; Herinneringen(CuBra) - Ome Herman en tante Bertha mestten elk jaar een varken en wij namen dan als het geslacht werd, een helft over. In het late najaar maakte moeder dan zult en balkenbrij, smolt het vet tot kaaikes en vader kreeg hunnepetrie. Dat waren de hersenen van het pas geslachte varken. Het werd gebraden in een ijzeren pannetje

Zie Dossier Varken Culinair

 

hupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hop

hoopje

- WBD (Hasselt) - mishupke - mesthoopje

- Kees & Bart; krantenrubriek ca. 1930 - en hupke

- Pierre van Beek: Hupke km bij - Hoe meer zielen hoe meer vreugd. (Tilburgse Taalplastiek 169)

.- WTT 2020 - zegsman H. van Boxtel - 'Meej 'n hupke kaorte'. Term uit het kaartspel waarbij met vier personen gespeeld moet worden (bijvoorbeeld het kaartspel Rikken) terwijl er slechts drie kaarters zijn. In dat geval krijgt de niet aanwezige kaarter de naam 'blinde'. Deze blinde krijgt dan 'een hupke', net als de drie andere spelers: 13 kaarten. Als de 'blinde' aan slag is, wordt de bovenste kaart van zijn 'hupke' op tafel gelegd.

 

huppe

werkwoord, zwak 

- WBD III.1.2 :164 - 'huppen' = hinken; ook: 'hippen, hopperen, hinkelen'

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

hupsvol

bijvoeglijk naamwoord

overvol, meer dan vol, vol met een hoop erbovenop

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hij heej tweej hupsvolle brde nr binne gespaojd

 

hur

tussenwerpsel

hoor

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - khb hum deur, hur! - ik heb hem door, hoor

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

hurre

tussenwerpsel

hoor!

►zie ook heure

- Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 5, 7 en 14-11-1929 - 't Is zund hurre, want daor hedde w gemist.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ds ginnen onbeschaaje meens, hurre.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - ge slot nie meej d zwiemke, hurre.

- Jan Naaijkens, D's Biks , 1992 - hurre tussenwerpsel - hoor je, versta je

 

hurt

werkwoord, persoonsvorm, gebiedende wijs van heure

hoort

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'Hurt em flte m ns hs'

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hurt hum - hoor hem eens

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - doublet 2/3 p.sing.'hurt/ hrt' (hoort) tegenwoordige tijd 2e + 3e persoon  enkelvoud van 'heure', met vocaalkrimping

 

husse

dooddoener, fantasiewoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - husse meej sinjoore - dat moet je maar afwachten (als antwoord op de vraag: wat eten we vandaag?)

- Zegsman Ed Schilders - husse meej oe neuzertusse (Tilburg, jaren '60)

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Je afvragend waar pa en ma die dag of avond naar toe moeten: - nr et tgepakt kke! of: -nr husse meej oew neus er tusse! of: -nr hdde, kierze plukke!

Volledige bron: KLIK HIER

 

David Teniers II - The hustle-cap (17de eeuw). Boeren spelen een dobbelspel. De dobbelsteen wordt in de hoed gehusseld (gehutseld).

 

hussele

werkwoord, zwak 

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - schudden (van bijvoorbeeld kaarten)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

- WBD III.1.2:6 'hutselen'= hotsen; ook: hossen, hobbelen, kwakken, stolpen

- WBD III.4.4:310 'verhusseld' = in de war

- WBD IIl.4.4:314 'husselen' = vermengen

- WNT HUTSELEN - schudden, dooreenroeren

- WNT onder HUTSEN: Hoe de steenen (dobbelsteenen) gehutst en geworpen moeten werden...

 

hutje goje 

spel: met centen gooien

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - 'huutje goje' = mitje steeke

 

huts

zelfstandig naamwoord

huts

- WNT Wsch. de stam van 'hutsen' als zelfstandig naamwoord gebruikt; vooral in Z-Nederl. in de uitdrukking 'Met den huts' - in overvloed, bij de vleet, voor 't opscheppen, en ook: geheel, niet bij deelen.

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - "huts - hij hee ze mar mit den huts (met den hoop, volop)"

 

huubrtsbrojke

zelfstandig naamwoord

ook: hvertsbrojkes, huupkes, hpkes, hverbolle, hvert, hpkes, huibertbollen, huibkesbrood, huiverbrood

hubertusbroodjes werden (en worden soms nog steeds in sommige plaatsen) door een priester gezegend op 3 november, de feestdag van Sint Hubertus; het eten van de broodjes werd beschouwd als een voorzorg tegen hondsdolheid.

 

- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 18 Oude gebruiken en de Beekse doornboom'; Nieuwe Tilburgsche Courant 5-12-1952

Onlangs vierden wij de feestdag van St. Hubertus. Dan wordt in alle kerken het Hubertusbrood gewijd. Dit brood is tegenwoordig ongedroogde beschuit. De bakkers nemen van tevoren bij hun klanten de bestellingen op. De broodjes worden dan direct na de wijding thuisbezorgd en direct genuttigd. Vroeger was dit een beetje anders. Bij de wijding waren niet alleen de bakkers met beschuitbollen, maar ook huismoeders of grotere kinderen en niet te vergeten leden van de boerengezinnen met een heel of half wittebrood of ook wel roggebrood aanwezig. Na de wijding werd hiervan wel iets gegeten, maar het overige ging in de kast om bewaard te worden. Ging men op reis, zoals wij boven, dan werd hiervan een gedeelte meegenomen om het zo nodig onderweg te kunnen eten. Wij hebben het echter nooit meegemaakt, dat er gebruik van moest worden gemaakt; die tijd dat het wel moest, lag echter toch niet zo ver achter ons. Wij hebben er oudere mensen, die het ondervonden hadden, meermalen over horen spreken. De boeren hadden steeds gewijd brood in huis om in tijd van nood hiervan ook aan het vee te kunnen geven. Op de door ons veelvuldig bezochte dorpen hoorden wij ook wel eens spreken over St. Hubertussleutels, die in sommige families van geslacht op geslacht overgingen. Hiermede werd het vee voor de kop gebrandmerkt, wanneer dolle of razende honden in de omtrek waren.

 

- Elie van Schilt - Daor wier toen wet afgebid. Tot dun heilige Jozuf vur unnen zaolige dd, dun heilige Antonius om iets trug te vnen, dun heilige Hubertus om nie hondsdol te worren, daor aten we ok ne keer per jaor ' Hubertusbrooikus ' veur. Ur wier ok gebeeen om kiendjes te krgen, mar ok om ur nie meer te krgen. (CuBra)

- Jan Naaijkens; Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 - Huubkesbrikes zelfstandig naamwoord Hubertusbroodjes. Kleine, vierkante broodjes die werden gebakken en gewijd op de feestdag van Sint Hubertus (3 nov.), de patroon van de jagers. Hij werd aangeroepen tegen de hondsdolheid. Wie zo'n gewijd brooike gegeten had, aldus het volksgeloof, liep weinig of geen risico deze ziekte op te lopen...
- WBD III.3.3:253) 'hubertusbroodjes', 'hubertusbrood', 'huibertbollen'.

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

huudje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoedje

- ...zoo zat as n huudje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krge ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze liever 'n huudje op. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

- [Vrouwe] besteeje d'r advies veul liever aon 't koope van schoon kleekes en leuke huudjes. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

- Alln et huudje, d waar toen al gin mode mir, han ze mar weggelaote. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: huke

- Cees Robben; Prent van de Week - Meej zn goeikp huudje op... (19600116)

- Cees Robben; Prent van de Week - Hoen huudje hottie op... (19600219)

- Cees Robben; Prent van de Week - Ik zie d huudje k z nooi (19831209)

- Cees Robben; Prent van de Week - Des n schn vre-huudje... (19860530)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 30 - Pepiere huudjes vur de lol.

- Henritte Vunderink; 'Huudjes periekele', uit: Tis de moejte wrd, 2011 - As ik op prinsjesdag teeveej gao zitte kke/ n in de Ridderzaol dan al die huudjes zie...

- WBD III.3.1:365 'onder n hoedje spelen' = idem: verkleinwoord van 'hoed', met umlaut

 

- Cees Robben - Prent van de week 30-05-1986

 

Ed Schilders over hoeden, huudjes en hoej bij Cees Robben

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 17-9-1932

 

huuhaawe

werkwoord, sterk

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 07 03 - Gonge we vruuger op de fiets / - zee Bart - naor Gl of Diesse / Dan hiel ik dikkels efkes huu / Mee 't smoesje: "ik mot piesse".

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - stoppen (= hoowhaawe)

 

huuj, hoej

zelfstandig naamwoord, meervoud van hoed

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hoeden

- Cursus in Tilburgs een krantenrubriek circa 1940 - 'Strooihuui ziede host nootniemir'

 

huuje

werkwoord, zwak 

hoeden, behoeden, bewaken

korte uu

- Nicolaas Daamen; Tilburgs dialect, handschrift 1916 - kaortspeulen is gin schaophuuje

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - huuje(n) zwak werkwoord overgankelijk en wederkerend - hoeden

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HU(D)EN - hoeden, frans garder.

 

huukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hoek

hoekje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg (1996) - huukske

- Cees Robben In n huukske.. meej n buukske (19601118) [Naar Thomas a Kempis]

- Miep Mandos-van de Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: As plddeke-vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

- WBD hoek, huukske - hoek bij de haard (bestemd voor brandhout e.d.)

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: huukske

 

huuptruug

tussenwerpsel, commando

- WBD achteruit! (voermansterm om een paard te doen achteruitgaan), ook als 'huuptruujg' uitgesproken, en (uitsl. in de Hasselt) 'truughuup': voor hetzelfde doel zijn 'truug' en 'truugp' in gebruik

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - huuptruug, bijwoord (voermanstaal) hup terug

 

huurboerderij

zelfstandig naamwoord

- WBD pachtboerderij

 

huutewg

tussenwerpsel, commando

- WBD (Hasselt) naar rechts (commando voor een paard), waarvoor ook gebruikt worden: 'ht', 'htm', en (elders) 'htum'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (2), 1962 - huutewg bijwoordelijke verbinding (voermanstaal), hetzelfde als 'hteweg': naar rechts.

- Cornelissen & Vervliet; Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HUTWEG telwoord = HUT = HOI; hut-hut = schuins rechts

 

huuzele

werkwoord, zwak

etymologie onzeker

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 (2019) druk doen en druk bezig zijn (van husselen?)

Voor de volledige lijst Klik hier

 

huuwelek

zelfstandig naamwoord

huwelijk

- Kernkamp; Dialectenqute 1879: huwelik

 


Naar het begin van de pagina
Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home