INHOUD WTT
HOME

De start van het Woordenboek van de Tilburgse Taal werd in 2013 mede mogelijk gemaakt door

 

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

 

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y


De letter Z

is voor het laatst aangepast en aangevuld op 16 september 2023. De redactie is nog niet voltooid.


A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P
R
S
T
U
V
W

Z

WTT

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tiburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van zaag tot zwrst

 

zaag, zaagt

verleden tijd enkelvoud van 'zien'

zag

ik

- Cees Robben - En witte wek zaag... (19590822)

- Cees Robben - Akkoe nie gezien h.../ Mar 'k zaag oe... (19610602)

- Cees Robben - Z zaakum te zitte (19590801)

jij, gij, ge

- Dialectenqute 1887 Willems - Ge zaagt me wl mar ge zit niks teege me

- Cees Robben - Ge zaagt er gin niemand (19590822)

- Cees Robben - Hier zaagde naa mannen van taggetig jaor (19571221)
- Cees Robben - Aanders zaagde nie.. (19721020)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 06 19 - Ge wiest nie wgge zaagt.

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Dochte gij dek d nie zaag, 'k z nie van gisteren (20-03-1968)

- Grot diktee van de Tilburgse taol 1994 - ge zaagt er niks mir van

hij, zij

- Cees Robben - Hij zaag de gedoentes, vervallen, keduuk (19551119)

- Cees Robben - Hij zaat op zn hukkes, en zaag hoe t laand/ mee huiskes bebouwd wier... (19551119)
- Cees Robben - Hij zaag dn baos en vroeg hl zg (19600701)
- Cees Robben - Hij zaag unne boer... verjaogd en op zuuk/ Naor laand ieveraans... (19551119)
- Cees Robben - Ziedet-naa... Hij zaaget-nie... (19560505)

- Tony Ansems - En ze zaag me goed te staon, maar ze zaag me nog nie hangen... (De dochter van Dorus de Boer; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

 

zaagder

samentrekking van de verledentijdsvorm van 'zien' + je + er

zag je er

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De een: Hk iets van oew aon? De ander: N, dan zaagder wl beeter t! Baas boven baas

 

 

zaaje

werkwoord, zwak

zaaien

- WBD (Hasselt:) 'zaaje' - kunstmest strooien, ook 'strooje' genoemd

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zoaien en moaie

- Dialectenqute 1887 Willems - 'kh hier graas gezaojd'

- Dialectenqute 1887 Willems - zaaje - zaajde - gezaajd

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis goed m wrtelzaod te zaaje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd bij plotselinge stilte in een gezelschap

- WBD I:1394 'zaaje'; I:1426 bieten zaaien: 'zaaje', 'lgge'

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Geen umlaut, volgens krt. 48 en blz. 91/92.

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zaaje ww - zaaien

 

zaajers

zelfstandig naamwoord, meervoud, zowel met als zonder de s

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - hom van de vis = zaajers

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zaajer - haring met kuit

- Cees Robben - aacht vorse bukkeme, liefst meej mlluk/ En gin zaaiers... (19680405)

- WBD III. 4.2:78 zaajers - kuit, ook genoemd: 'kuit' of 'zaad'

- WNT - ZAAIER - 6) vrouwelijke visch, inz. haring

 

zaajstuk

zelfstandig naamwoord

zijstuk

- WBD II:950 - zaajstuk, zijstuk (v. h. handweefgetouw)

 

- Cees Robben - Prent van de week - 28-11-1959

 

zaand

zelfstandig naamwoord

zand

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6, 21-11-1929 - Behalve de Twem was er toentertijd in Gool op den weg nor Poppel 'n klein twemmeke, d wil zeggen 'n fietsbaontje van zaand.

- W.v.M. (signatuur van Willem van Mook, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Zaand wil haost niemand meer. De meensen worren vort zoo grotsch d z'oe nog nie meer zien staon mee oe zaand. Er Is geen huisken zoo klein of daor lee vort van d lienekenolie (linoleum) in.

- Leo Heerkens, uit De kinkenduut (Piet Heerkens), Klaoske Vaok, 1940) - Klaoske Vaok is zaand aon 't strooie,/ grib, grab, grauw,/ 't wil oe in oe eugskes gooie,/ grib, grab, grauw.

- Cees Robben - We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer... (19540515)
- Cees Robben - Of z mar in t zaand... in n gaotje... (19570525)
- Cees Robben - Toet wit zaand toe... (19610519)

- WBD III.4.4:138 'zandhoop'= heuvel

- WBD III.4.4:139 'zandhoop'= duin; ook 'zandbult'

- WBD III.4.4:151 'klapzand' = stuifzand, ook 'vliegzand' of stof'

- WBD III.4.4:153 'scherp zand' = drijfzand

- WBD III.4.4:187 'zandplaat' = zandbank;

- WBD III.4.4:188 'zand' = slib

- WBD III.3.1:402 'zandpad' = pad

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zand zelfstandig naamwoord  - zand

Uitdrukkingen
- Cees Robben - Ge zult gin zaand mir afgaon... (19591107) [overdadig gegeten hebben]

- WNT XXVII:818 'daar zal je geen zand van afgaan'

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Zaand schuurt de maog Het geeft niks als je wat zand binnenkrijgt, het is goed (zogenaamd) voor de maag

Straatroep van een zandboer:

- W.v.M. (signatuur van Willem van Mook, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Za..., zaa, scho... schoon wit zaaaand / dubbeltje de maaaaaand!

zaandboer

 

Zaand, t
toponiem
Het Zand; Tilburgse wijk
- Cees Robben - Caf-Hotel Restauraant Boerke Mutsaers in t Zaand. (19540227)
- Cees Robben - Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224) De prent gaat over de verstedeling van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.

 

zaandboer

zelfstandig naamwoord

handelaar in wit zand; schoon wit zand werd bijvoorbeeld gebruikt om op de vloeren van cafs te strooien maar ook in het woonvertrek van de armeren.

- W.v.M. (signatuur van Willem van Mook, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Wij hebben hier Van Oeffeltje nog, mar in Tilburg wont geenen eenen zaandboer. [...] J nou, ik bedoel 'n witten zaandboer...

 

Tekening van Staf Rijckers in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930

 

Tekening van Staf Rijckers in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930

 

zaanderig
bijvoeglijk naamwoord
zanderig
- Cees Robben - Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad (19580222)
 

zaandjan

zelfstandig naamwoord

- WBD I:1448: 'zaantjanne' - zandjannen, bep. soort aardappels

 

zaandkl

zelfstandig naamwoord

zandkuil, namelijk het graf

- Jace Van de Ven, Tilburgs ABC - Z is ne zaandkl, daor ndigde in...

 

 

zaandlicht

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zandwinplaats

- WTT 2016 - Dus wsch. de plaats waar zand 'gelicht' wordt. Vergelijk: - WNT - ZAND - Zandlichter, bep. type zandschip.
 

Accipiter nisus

 

zaandvoogel

zelfstandig naamwoord

sperwer (Accipiter nisus)

- Dialectenqute 1887 Willems - As de kiepe ne zaandvoogel zien, dan wrre ze bang.

 

zaank

zelfstandig naamwoord

zang

- Pierre van Beek - rgeraans et zaank p hbbe - (vermoedelijk:) ergens naar verlangen en loeren op de gelegenheid het te krijgen.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - zank, o. in de uitdr. ' 't zank hebben' - neiging hebben om ruzie te maken, slecht gehumeurd zijn. Vgl. Duits 'Zank'

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  m., 'zank' - zang; zegsw. 'erges de zank op hebbe' resp. 'krege - in fig. zin: de smaak van iets te pakken hebben/krijgen (en daardoor) zich iets tot een gewoonte maken of gemaakt hebben.

- WNT - ZANG, zank

 

zaante

werkwoord, zwak

- Informant Toine Raaijmakers - de vloer met zand bestrooien (in een boerenwoning)

- WBD de vloer met zand bestrooien (ter versiering zandfiguren strooien op de geschuurde of geschrobde vloer van woonkamer of salon)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. tr. 'zanten' - zanden, met wit zand bestrooien

 

zaat, zaate

werkwoord, verleden tijd enkelvoud van 'zitte'

zat, zaten

- Cees Robben - Al zaate in munne broekzak te kaorte... (19830909)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - dr zaate zat zatte - daar zaten behoorlijk wat dronkaards

 

zabbere, zabbele

werkwoord, zwak

sabbelen

- Piet Heerkens, uit: De Kinkenduut, Kwaoie tong, 1941 - de tong die aaltij babbelt,/ en overal aan zabbelt,/ en iederendeen beknabbelt

- Cees Robben - Ze duimen nog... ze zabbele... (19580531)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 05 09 - 'n Zuurbol of 'ne kermissteel / D'r wordt mee zrg gekocht. / Zabberend gaon ze dan naor huis
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 09 05 - Toen ie zabberend op z'n pp / 's Aoves de kraant inkeek.

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - sabbelen

- Stadsnieuws -   Ons oopoe heej gin taande mir, ze moet op de kuukskes zabbere (100108)

- WBD III. 2. 3:10 'zabberen' = knabbelen

- WBD III. 2. 3:10 'sabbelen' = idem

- WNT - ZABBEREN, sabberen - 1) kwijlen

 

zachjes

bijwoord 

zachtjes, stilletjes

- WBD III. 4. 4:251 'zachtjes', 'zacht' = gedempt (van geluid)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1958 e.v. - bijw. - zachtjes; komp. 'zachjezer'

 

zaddoek

zelfstandig naamwoord

zakdoek

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), Groot Tilburg 1941- Hij [de pastoor] kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en z eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken...

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - hij heej zene sprspt in zene zaddoek zitte - zijn spaarcentjes

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zaddoek/zakdoek (krt. 110)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zaddoek' - zakdoek

- WNT - ZAKDOEK - in enkele bronnen, waarin men de spreektaal tracht te benaderen, wordt de geassimileerde vorm zaddoek aangetroffen

 

zak

zelfstandig naamwoord

zak

Uitdrukkingen

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et kan beeter van den zak as van den baand.

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et zit ng in wije zakke (Kn'50) - het is nog toekomstmuziek

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - twee zakken p de schrt hbbe (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek  ' 70) - zichzelf goed doen, inhalig zijn

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - der wrre wl meer zakke toegebonde die nie vol zn - je hoeft niet zoveel te eten als je maar kunt

- Hessels 2020 - Wanneer je ergens teleurgesteld afdruipt: - kp int zak! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - daor zulde ginne zak zout opeete - daar zul je niet lang blijven

Andere betekenissen

- WBD III. 1. 1:225 'zak' = balzak

- WBD III. 4. 4:145 'zak' = dal

- WBD III. 4. 4:295 'zak' = honderd pond (ook 'wicht')

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zak, zelfstandig naamwoord  mannelijk - zak: in z'ne zak schiejte - betalen

zkske

 

zakke

werkwoord, zwak

1. figuurlijk gebruikt: iemand zakken, d.w.z. in een zak doen, uit de weg ruimen

- Pierre  van Beek - Iemand kunne zakken n verkope - hem verre overtreffen in iets...

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ik kan oe zakke en verkpe (23-10-1963)

- Hessels 2020 - Als je je superieur voelt t.o.v. een ander: - ik kan em zakken n verkope! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

2. dalen, krimpen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zakken as brn bier (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1966) - snel minder worden

- WBD III. 4. 4:274 - 'zakken' = krimpen

 

zakneusdoek

zelfstandig naamwoord

zakdoek

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zakneusdoek - zakdoek"

- WNT - ZAKNEUSDOEK - 1) zakdoek (afgezien van ... slechts in Vl.-Belgische en N.-Brab. bronnen aangetroffen. 2) Halsdoek (verouderd)

 

zaksel

zelfstandig naamwoord

- WBD III. 2. 3:267 'zaksel' = droesem

 

zambak

zelfstandig naamwoord

zandbak

uit 'zaand' (met klinkerverkorting) + d-syncope + assimil. n+b

 

zangert

zelfstandig naamwoord

zanger

- Daor waar 'n optreje van John Ray, de beroemde karakokozangert.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

zangfraater

zelfstandig naamwoord

frater die zangles geeft aan leerlingen

- Interview Jolen - 1978 - Fraater Klazianus, d was ene goeje, en hille goeje, mar die was nie goeddie was te goed! En dan hadde fraater Kobius, fraater Jacobius, d was er ene van en mindere klas! En dan hadde fraater Wilhelmo, d was ene zangfraater!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

zanpad

zelfstandig naamwoord

zandpad

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - uit cluster ntp wordt de t verzwegen, met klinkerverkorting uit zaand

 

zaod, zaojke, zdje

zelfstandig naamwoord en verkleinvormen

zaad

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Moeder tegen haar kind bij de weeklijkse bad-beurt) Gij mot nie onder t vogelkooike gaon staon want as er n zaoike in oew oor valt, begient t te schiete (27-12-1968)

- Cees Robben - [Vader tegen ongehuwde zoon:] Ge ht nogal geaffeseerd om oew hfke in t zaod te krge... (19810710)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zit den hf al in et zaod? ('87) - is de vrouw al in verwachting? (informatie door de pastoor)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - p zaod staon (Alg. Brabants) - gelijk staan met de inzet bij spelen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zaod int bkske hbbe (JM'50) - geld bezitten

- WBD 'zoot' (I:1427) ; suikerbietzaad: 'zaot' (Hasselt) ; 'peezaot' (I:1429) ; knolraapzaad (I:1429) ; 'raopzaot'; stoppelknolzaad (I:1431) : 'gruunzaot'

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ze heej der bddeke wir int zaod - ze is weer zwanger

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et zaod nffe de voor goje - vreemdgaan

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hij was ng nie n zen zaod

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zaod zelfstandig naamwoord  - zaad

- WBD III. 4. 2:77 'zaad' - kuit, ook genoemd:'zaaiers'

- WBD III. 1. 1:226 'zaad' = sperma

- WBD III. 2. 3:73 'zaad' = haringkuit

- WBD III. 2. 3:73 'zaad' = haringkuit

 

zaodballe

zelfstandig naamwoord meervoud

zaadballen, testikels van slachtvee

- Audio-opname 1978 - n dan wiere zogezeej die, die, j, die zaodballe danballekeshd waare dan zon, zon  dinge, die moese ammel bewaord blve! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

zaodg

zelfstandig naamwoord

zaad-eg

- WBD zaodg, (Hasselt.:) zaojeeg zaadeg (vroeger gebruikt om het (meestal met de hand) gezaaide graan in de aarde te werken;

 

zaodgoed

zelfstandig naamwoord

zaad

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zaadgoed' - zaad dat voor de voortplanting dient.

 

zaodstrng

zelfstandig naamwoord

- WBD teellid v. e. hengst, ook genoemd (Hasselt) 'koowker'

 

zaog, zgske

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

zaag

- Piet Heerkens, uit: Brabant, De zaog van Sint Joozep, 1941 - De timmerlui ha'n zoo-mar kwaoi gereedschap in die daoge:/ w haomers, beitels, jao, mar eigenlijk nog geen zaoge!

- WBD (II:2370) 'spanzaoch' - spanzaag

- WBD (II:2705) 'hantsaoch' - handzaag

 

Schilderij van Herbert Lathangue

 

zaoge

werkwoord, zwak, geen vocaalkrimping

zagen

- Dialectenqute 1887 Willems - zaoge - zaogde - gezaogd/gezaoge

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Figuurzaogen waar veur ons un fltje van enne cent en zaogskes inzetten gin probleem. Hle kerststallen hebben we tgezaoge

 

 

Gravure - Kraanzagers aan het werk. De knecht stond onder de te zagen balk omdat daar het zaagmeel neerdwarrelde.

 

zaogeml

zelfstandig naamwoord

zaagmeel, zaagsel

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zaogeml

- WBD II:2394 ' zaochml' - zaagmeel, zaagsel

- WBD II:2395 ''zaogeml' - zaagsel, zaagmeel

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZAGEML zelfstandig naamwoord  o. - hetzelfde als zaagmeel

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ZAAGMEEL heb ik meer dan eens voor 'zaagsel' horen gebruiken.

 

zaogsel

zelfstandig naamwoord

zaagsel

- WBD - 'zaochsel' - zaagsel (II:2394)

 

zaogsele

werkwoord, zwak

zaagselen

- WBD - zaogsele - zaagselen, zaagsel met een zeker vochtgehalte over het vel / leer strooien, dat te droog of te hard is na het looien (II 652)

 

Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

 

zaojbak

zelfstandig naamwoord

zaaibak

- WBD I:1432 - 'zaojbak'

 

zaojkrf

zelfstandig naamwoord

zaaikorf

- WBD I:1434 - 'zaojkrf'

 

zaojsel

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zaaisel

 

zaok, zkske

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

zaak, zaakje

- Kernkamp,- Bezorging Dialectenqute 1879 - haard wrreke is z'n zoak nie - hard werken is zijn zaak niet

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - op slt van zaoke - per slot van rekening

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - op stuk van zaoke - per slot van rekening

 

zaol, zltje

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

zaal, zaaltje

zadel, zadeltje

Teegen et zltje stnd en fiets meej en nuuw zltje.

zadel

- WBD zaol - karzadel (zadel v. e. voor de kar gespannen paard)

- Cees Robben - Hij zit mistal al op t prd vurdet t zaol dr op leej... (19810724) [iemand die voor zijn beurt spreekt]

- Cees Robben - Moet ik op d zaoltje..? (19731116)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 06 07 - Ik gaaf sekuur de richting aon / D dee'k op ieder huukske / En schoof op 't zaol mar hers en geens / Ochrm w leej mn bruukske.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 03 31 - Zaol-pnt
zaal

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - der waare zoale vol zaole - er waren zalen vol zadels

- Hessels 2020 - Bij het opmerken van een man met een forse, dikke vrouw: - die spult gren in en grote zaol! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk en o. 'zaal' - zadel

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - ZAAL - zelfstandig naamwoord  m., verkleinwoord zlke, samenst. dans-, feest-, zaalmaker

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZAAL zelfstandig naamwoord  m + v, niet o. - zadel, Frans selle

- WNT - ZADEL, zaal

 

zaoleg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord 

zalig

- Cees Robben - de kffie spuulde de zaolege nsmaok wg; zaoleg nuujaor; [knipsel van onbekende datum]

- Cees Robben - ist nie vur oew zaoleghh, dan ist vur oew straf; [knipsel van onbekende datum]

- Cees Robben - enen zaolege krsemes; [knipsel van onbekende datum]

- WBD (III. 3. 3:339) zaolege = heilige

 

zaoleghd

zelfstandig naamwoord

zaligheid

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - De euwege zaoleghd

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZALIGHEID zelfstandig naamwoord  v. - D'acht Zaligheden, naam eener buurt van acht werkmanswoningen te Sint-Lenaards. Ook in 't N-O der Kempen bekend als benaming voor acht dorpen in de Noordbrab. Meierij: Bladel, Duizel, Eersel, Hulsel, Knegsel, Netersel, Reusel en Steensel.

 

zaolrug

zelfstandig naamwoord

- WBD paard met doorgezakte rug (zadelrug), (Hasselt) : 'zlrug'

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zaalrug' - een in het midden doorgebogen rug zoals men die bij paarden en doorgezakte daken van boerenhuizen aantreft.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZAALRUG zelfstandig naamwoord  mannelijk - ingezakte rug v. e. peerd

 

zaon

zelfstandig naamwoord

het dik van de melk

- WBD room (het vette deel van de ongekookte melk, dat boven komt drijven als men de melk rustig laat staan)

- WBD III. 2. 3:133 'zaan' = melkvel: ook 'vlies'

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zo'n, zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zoo'n' - zaan, room van melk

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZAAN zelfstandig naamwoord  m., niet v. - room van melk

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zaon zelfstandig naamwoord  - zaan, room v. d. melk

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zaan - room

- WNT - ZAAN, zane - 1) melkroom

 

zaoneke

werkwoord, zwak

- WBD III. 3. 1:258 'zaniken' = zeuren

- WBD III. 3. 1:293 'zaniken' = zaniken

- WBD III. 1. 4:53 'zaniken' = aarzelen

- WBD III. 1. 4:253 'zaniken' = drenzen

- WBD III. 1. 4:256 'zaniken' = kreunen

 

zaoterdag

zelfstandig naamwoord

zaterdag

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Zoaterdaag - zaterdag

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zaoterdaggenaacht - zaterdagnacht

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Op ene zaoterdaggemiddag hak ze toch bij dere slip.

 

zat

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 

genoeg, dronken

etymologie

- WTT 2023 - Als zelfstandig naamwoord is 'het zat' reeds lang verouderd. Voor het Tilburgs van dit zelfstandig gebruik zijn tot nu toe geen bewijsplaatsen gevonden. Niettemin wordt dit gebruik hier vemeld omdat het licht werpt op de twee belangrijkste gebruiksvormen van 'zat', namelijk 'dronken' en 'genoeg'. Beide betekenissen zijn voortzettingen van het zelfstandig naamwoord. Het WNT geeft in lemma Zat II de volgende verklaringen van het zelfstandig naamwoord: 'Punt waarop, toestand waarbij men genoeg gedronken en gegeten heeft; verzadiging, soms m. betr. t. sterken drank: punt waarop men dronken is.' En 'Hetgeen iem. bevrediging geeft (soms ook abstract: het bevredigen), inz. hetgeen iem. genoegen verschaft omdat er wordt toegegeven aan zijn verlangen, begeerte. In lemma Zat I, het bijvoeglijk naamwoord en bijwoord, luidt het: 'Genoeg hebbend van drank en spijzen, doordat men er voldoende of te veel van genuttigd heeft' en 'door voortdurend ondervonden last, moeite genoeg en meer dan genoeg van iets of iem. hebbend, ter uitdrukking dat men ergens zijn bekomst van heeft, dat men het moe, beu is.'
- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Agge mar zat zpt, wrde wl zat.

bijvoeglijk naamwoord: altijd 'dronken'

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - en nuchter kalf n ene zatte meens stote derge nie gemak

bijwoord, dronken

- Pierre van Beek - Wie des avonds "z zat as 'n kanon" is, loopt veel gevaar des morgens "z ziek as 'n krab" te zijn, beweert men in Tilburg al is het ons niet duidelijk waarom hier nu juist die "krab" en dat "kanon" bij te pas moeten komen. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zat zn f onderweege - altijd onder invloed

bijwoord, er genoeg van hebben

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - t Is genog, 'k hgget zat (feb. 1962)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zatopgenog - uitdr. : meer dan genoeg

- WBD III. 1. 4:403 'het zat worden' = iets vervelend vinden

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 - zat, bw, bijvoeglijk naamwoord  - genoeg, dronken

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zat, bijvoeglijk naamwoord  en bijw. - zat: 1) dronken; 2) genoeg, voldoende

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZAT - dronken

 

zatlap

zelfstandig naamwoord

dronkaard

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - goej vlk, goej zatlappe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - verontschuldigend voor mensen die veel drinken maar voor niemand onaangenaam zijn

- WBD III. 2.3:260 'zatlap' = dronkaard

- WNT - ZATLAP - 1) hij die dronken is; dronken man of vrouw

 

zatsel

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - voor dronkenschap toereikende hoeveelheid sterke drank (Tilburgse Taalplastiek 176)

- WBD III. 2. 3:4 - 'zatsel' = drank

- WNT - ZATSEL - (Vl. -Belgi en Brab.) wat dronkenschap tot gevolg heeft; het zich bedrinken, zuippartij, zatladderij; hoeveelheid drank waaraan men zich bezat.

- Hessels 2020 - Op een feestje bij mensen die niet zo royaal zijn met de drank: - daor zulde gin zatsel haole! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: klik hier

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZATSEL o. - quantum drank waarvan iemand zat kan worden.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zatsel, zelfstandig naamwoord  o. 'zatsel' - hoeveelheid bier waaraan iemand zijn genoegen kan drinken.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZATSEL zelfstandig naamwoord  o. - de hoeveelheid die men drinkt om eens dronken te zijn.

 

zattekul

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dronkemanspraat

- Stadsnieuws -   Prt tch nie zonne zattekul; strak hdder wir spt van. (160806)

- WNT - ZATTEKUIL, ZATTEKUL (Vl. -Belgi) hetzelfde als zatlap

 

zattepraot

zelfstandig naamwoord

dronkemanspraat

- Cees Robben - t Is enkelt mar w zattepraot... (19610106)

- Opmerking van systeemkaart Wil Sterenborg - Woordverkorting? (zattemanspraat)

 

'ze, 'zen'

verkorte vorm van 'onze', uitsluitend bij mannelijke woorden

in deze vorm alleen opgetekend bij Lechim

de invoeging van de n vindt plaats ter verbinding met de volgende klinker

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 01 22 - W z 'ze Sjarel toch verdiene?
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 10 13 ze Kolenboer maauwt hil dn dag...
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 10 05 - 'zen Opa kos veul krbols maoke.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 12 30 - Z zaat zen aauwen me Peer / Te lrke aon z'n pp / En zee: "'t Is teegesworrig toch / Niemir as vruugertd."
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 03 24 - z prs / As de neus van 'zen opaa.
►Voor dergelijke verkorte vormen zie ook lemma 's en lemma 'we

 

z, zij

persoonlijk voornaamwoord  

zij, ze (enkelvoud)

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Zo z zo zn? - Zou zij zo zijn?

 

z

werkwoord, persoonsvorm

1e pers. enk. tegenwoordige tijd c. q. imper. enk. van 'zn': ik ben

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - hier zk zik; d ziek zeej

- Cees Robben - k Z ziek-zeej... (19570824)
- Cees Robben - Ge ziet toch dekker z... (19720911)
 

zee
werkwoordsvormen van zgge; 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd, en 1ste en 3de persoon enkelvoud van de verleden tijd
- Cees Robben - k Zee vraokoewiets of zekkoewiets... (19550716)
- Cees Robben - Ieder die zn asse-krske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastr n pekske.../ zee meneer den kapelaon..... (19550226)
- Cees Robben - Vur Paose is t paase zee Snijers... (19550402)
- Cees Robben - Unne vliegende schotel...! / Zee Jaanse ontdaon... (19540925)
- Cees Robben - Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw.../ en affeseert n bietje... (19550716)
- Cees Robben - W zee-tie... (19720901)
 

zeebraand

zelfstandig naamwoord

- Van Dale - zeebrand = weerlicht zonder donder

- WBD III. 4. 4: 85 'zeebrand' = weerlicht

 

Taeniopygia guttata

 

zeebravink

zelfstandig naamwoord

zebravink - Taeniopygia guttata

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - voogeltjes hk ok aatij gehad, knrrievoogeltjes, zeebravinkskes n zo..

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

zde

werkwoord, persoonsvorm; samentrekking van 'ben' en 'je'

ben je, bent u

2e pers. tegenwoordige tijd van 'zn', regelmatig

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Zde belaojtffeld! = ben je belazerd;  

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - kk, zde gt! - kijk, ben jij het

van het werkwoord 'zeggen'

zeg jij
- Robben gebruikt de oude vervoeging tegenwoordige tijd, van zgge: zegde, waardoor schijnbaar een verdubbeling ontstaat.
- Cees Robben - En d zde gij... [En dat zeg jij] (19691121)
 

zeef

zelfstandig naamwoord

betekenis onduidelijk

- A.J.A.C. van Delft - Hij die onbegrepen speelt, "spult een aander van 't zeef" of "laidt [licht] een aander van zijnen nest".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WTT 2016 - Het gezegde lijkt afkomstig uit de kaatsbalsport. Zie:

- WNT - lemma Zeef I, b - Kaatsspel - Racket met drie voeten en een bodem als een zeef, dat men op den grond zet en waarop men den bal doet opspringen om hem vr het opslaan op een bepaalde hoogte te krijgen. Zijn zeef keeren of aarzelen, van gedachte veranderen; zijn woord intrekken. Gewest. in W.-Vl.

 

zeeg (1)

zelfstandig naamwoord

- WBD melkzeef, ook genoemd: 'zeef', zgschootel' of 'filter'

- WBD zeegdoek, zeegdoekske - filter in de melkzeef

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZIJG (zg) v. melkfilter

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZIJG zelfstandig naamwoord  v. - melkzeef, melkteems

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   'zg' zelfstandig naamwoord  - melkzeef

 

zeeg (2)

bijvoeglijk naamwoord 

tam (van dieren), braaf (van mensen)

uit 'zedig' door d-syncope en klankverlies achtervoegsel (= suffix)

- WBD zeeg, 'zch', (Hasselt) 'zeejch' - mak, gezegd v. e. paard

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zeeg - 't is een zeeg beestje (tam)"

- Cees Robben - Tam en zeeg... n bietje bang (19571207)
- Cees Robben - Hij zaag dn baos en vroeg hl zg (19600701)

- WBD III. 4. 2:36 'zeeg' - tam, niet wild

- WNT - ZEDIG, ZEEG - 4) bedaard, rustig, kalm; ook: beheerscht, beheerscht handelend, gedisciplineerd optredend. Verouderd.

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zeejg - bijvoeglijk naamwoord  - mak, tam

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  ' zeeg ' - mak, gedwee

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZEEG bijvoeglijk naamwoord  - zedig: gebruikt in de bet. : tam, gehoorzaam en op mensen gesteld; gezegd van huisdieren: 'n zeeg ktje. Ook van brave, hanteerbare mensen: 'n zeeg mnneke.

 

zegene
werkwoord, zwak
zegenen; ook in de betekenis regenen
- Cees Robben - t Rgent t zgent, t zeevert op de stad... (19540724)
 

zeeget

samentrekking van werkwoordsvorm van 'zgge' + lidwoord; 'zei het' in de derde persoon enkelvoud van de verleden tijd: 'zeej' + 'et', met ingevoegde g voor de uitspraak

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Hij zeeget t zen ge = Hij zegt het uit vrije wil, ongedwongen

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ZEGET voor 'zegt het'

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 'hij zeiget' resp. 'zeeget' en 'zeget'

 

zget

samentrekking van werkwoordsvorm van 'zijn' + lidwoord; 'bent het' in de tweede persoon enkelvoud (gij) en tweede persoon meervoud (gullie) van de verleden tijd: 'z' + 'et', met ingevoegde g voor de uitspraak

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - Ge zget zlf; gullie zget zeeker vergeete.

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ge zget ges w ge zeet - je bent het zelf, wat je zei

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZIJGET - samentr. van 'zijt het': Gij zijget.

 

zeej  

werkwoord, samentrekking van 'zei' en 'hij', voor zover het persoonlijk voornaamwoord niet wordt genoemd maar door de toegevoegde j in de uitspraak bekend wordt.

- Cees Robben - Hier zk-zik... D ziek-zeej... W ziek-zik... k Z ziek-zeej... (19570824)
- Cees Robben - Hier zk.. zik.. (...) meej zaand... zik... meej zaand zeej..? (19620112)
- Cees Robben - Gift dan mar limmenade zeej...! (19661021)

- Dialectenqute 1887 Willems - den brouwer zeej dt ng te duur is om te bouwe

- Hessels 2020 - Als je iedereen vraagt even stil te zijn: - der zeej niemand iets as gij! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: klik hier

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Jao, zeej!? Gezegd wanneer je de ander niet helemaal gelooft of het gezegde een sterk verhaal vindt.

 

zeejig
bijwoord
zedig
- Cees Robben - deugskes zeejig naor beneej... (19550827)
 

zek

werkwoord, verleden tijd van zke', zeiken

zeek

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - meej ze zaat zek ze...

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEEK - 2e hoofdvorm van 'zeiken'

 

zk
samentrekking
ben ik
- Cees Robben - Hier zk-zik... D ziek-zeej... W ziek-zik... k Z ziek-zeej... (19570824)
- Cees Robben - En zelf zk k niks werd en alles... (19570907)
- Cees Robben - Hier zk.. zik.. (...) meej zaand... zik... meej zaand zeej..? (19620112)
 

zk

zelfstandig naamwoord

urine, gier; flauwekul

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - uitdr. zk p ene riek - flauwekul, onzin

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ds gin zinnige praot, ds geleuter (nog platter zou men in Tilburg zeggen) Des zk op unne riek (13-07-1966)

- Audioregistratie 1978 - Daor ging dieje zk in, zumme zgge, want wij zin zk, aanders zon we gier zgge (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et trkt erp as zk p ene riek ('47) - het lijkt nergens op

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zk hbben as nen s

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ge mkt mnne zk nie lauw - mij maak je niets wijs

- Ammol han zun krkske bedder/Waor ze durre zk in moese doen Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

 

Ferry van de Zaande-sticker -2013

 

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

- WBD III.1.1. lemma urine frequent in Tilburg

- WBD zeek (sic) - urine (van een dier)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z. k, zelfstandig naamwoord  mannelijk - zeik; 'zaek op ene riejk' - iets v. weinig/geen waarde.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIK zelfstandig naamwoord  mannelijk - bij landb. : vloeibare uitwerpselen der dieren, mestgier

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zeik zelfstandig naamwoord  urine

 

Sticker op voetgangersstoplicht Willem II-straat. Bij rood laat het licht een kruikenzeiker zien, bij groen loopt hij met zijn kruip over. Het stoplicht is een kunstobject van Marieke Vromans en Irene Vermeulen. Het speelt in op het gegeven dat Tilburgse textielarbeiders in vroeger eeuwen hun urine in een kruik opvingen en voor een paar centen verkochten aan textielfabrikanten. Die gebruikten de zk om wol te reinigen en te vollen. De slogan is: Nie zke mar kke. Foto: CuBra 2019.

 

zke

werkwoord, sterk

zeiken, zeuren

zke - zek - gezeeke; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij zkt

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Et rgent dt zkt

- A.J.A.C. van Delft - Een stelletje vroolijke biljarters kwam bij een misstoot tot den uitroep: "'t Is mis, zee Koert en hij z-k naar de maan." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ieder hondsgezk stin diejen hond te zke - om de haverklap...

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verl. tijd: zek, maar: zikte gij?

- WBD III. 4. 2:38 'zeiken', ook: 'pissen', 'plassen', 'leuteren'

- WBD III.1.1. lemma urineren  - frequent Tilburgs: vooral noordelijk

- WBD III. 1. 4:271 'zeiken' = aanhoudend klagen

- WBD III. 4. 4:68 'regenen dat het zeikt' hard regenen

- WBD III. 4. 4:73 'doorlopend zeiken' = aanhoudend regenen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z. ke(n), zw. ww. intr. 'zeiken' - zeiken, pissen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEZEKEN: 3e hoofdvorm van 'zeiken'; daarnaast: gezeikt

ZEIKEN - wateren, sprekend van dieren; in gemeene taal ook v. menschen

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zke ww - zeuren

 

zeekere

zelfstandig naamwoord

een zekere, iemand die zeker is van zichzelf

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ds tch znne zeekere!

- Dien Toon d was innen filosoof, zonnen zekeren. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - 'ene zeekere' - in alle opzichten secuur persoon

- WBD 'zeker' = idem

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZEKER bijvoeglijk naamwoord  - secuur, enigszins pietluttig en angstvallig: 't is toch zunne zekere.
-
Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zeejker bw - zeker

 

zkerd

zelfstandig naamwoord

lett. zeikerd; scheldwoord: flauwerik, zanikerd

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -  z.kert, zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zeikerd' - 1) manlijk schaamdeel; 2) hij die de filosoof uithangt; 3) zanikkous, zeurig iemand

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIKER zelfstandig naamwoord  mannelijk - iem. die zeikt; gevaarlijk peerd; heimelijke persoon

 

zkereg

bijvoeglijk naamwoord 

- WBD III. 1. 4:226 'zeikerig' = gemelijk

 

zkgat

zelfstandig naamwoord

- WBD gierkuil in de achterstal, waarin de aal of gier samenvloeit

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIKKUIL zelfstandig naamwoord  mannelijk - bij landb. : zeikput

 

zkmie

zelfstandig naamwoord, met de naam Mie voor een vrouw

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - trut

- Stadsnieuws -   ch, die zkmie heej aatij wl w te maawe (111006)

 

zkmjer

zelfstandig naamwoord

mier

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zaikmyers - mieren" zie ook: "moierzaik", moejzker

- WBD III. 4. 2:213 'zeikmoier' (Lasius niger), ook genoemd: 'moierzeik',

'moerzeiker', 'moerzeik', 'muurzeiker', 'mierzeiker', 'mierzeik' of gewoon 'mier'

- WNT - ZEIKMIER - daarnaast vele nevenvormen in de zndl. dial., bijvoorbeeld ZEIKMOEIER

 

zknat

bijvoeglijk naamwoord 

kletsnat

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben -  (2 jongens knoeien in n plas water) - Zk nat?- Jao, zknat! (20-03-1968)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (bij regenweer gehoord: ) bij deez weer zk zknat (11-02-1965)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIKNAT - druipnat

 

zkput

zelfstandig naamwoord

- WBD gierkelder, ook 'gierput', 'gierklder' of 'beerput' genoemd

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIKPUT zelfstandig naamwoord  mannelijk - bij landb. : gemetselde put, waar men zeik in bewaart.

 

zkstrltje

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit zeik + straaltje

- 2019 dun straaltje (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. 

Voor de volledige lijst klik hier

 

zkstuk

zelfstandig naamwoord

- WBD gierton (langwerpige, ronde ton of vat, te plaatsen op een Kar, om gier naar het land te brengen, ook genoemd (Hasselt:) 'g??rtn'

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - flauw stuk

 

zl, zltje

zelfstandig naamwoord

zeil van een boot

- Cees Robben - Ge het n gezicht as n opgezet zl (19831125) [je hebt te veel gedronken]

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zl ( = Frans mme)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - meej en opgezet zl tskoome

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zl

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z.l, zelfstandig naamwoord  o. - zeil

zeil (als vloerbedekking)
- Cees Robben - Ik gao dr niemer uit... zeej Jan,/ t zl is vuls te koud (19670428)

 

zeeltje
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van zeel
- WNT - lemma ZEEL I.1 - Streng, reep, band, touw, meestal van hennep of leder, maar ook uit andere soepele grondstoffen, naar den vorm vooral hetzij een dik rond touw, hetzij een breede platte reep, op uiteenloopende wijzen gebruikt als werktuig; vaak hetz. als: touw, en in dien zin soms ook als stofnaam.
- Cees Robben - t zeeltje om zn ruige snuit/ d vringt m host zn taanden uit ((19590509) [over een varken dat met een zeel om de snuit naar de wagen van de slachter wordt getrokken.]
 

zle

werkwoord, zwak

zeilen; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: zlt

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zeilen

 

zloore

zelfstandig naamwoord, meervoud 

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - grote oren

 

zem, zemlap

zelfstandig naamwoord

zeem

- WBD III. 2. 1:323 'zeem' = idem; 321 'zemen' = ramen lappen

 

zeemelappeg

bijvoeglijk naamwoord 

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zenuwachtig

zeemelchteg

zeenuuwchteg

 

zeemele

werkwoord, zwak

sukkelen, treuzelen

- WBD III. 3. 1:58 'zemelen', 'afbiejen' = trekken en talmen

- WBD III. 3. 1:292 'zemelen' = traag praten

- WBD III. 3. 1:294 'zemelen' = zaniken

 

zeemelchteg

bijvoeglijk naamwoord

zenuwachtig

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938 -  En ze waren er ammaol effen zemelechtig van...

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), ''n Staandbild in Baozel', feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939 - ...de appetekersvrouw, die erg zemelechtig is, liet d'ren boek vallen en gong er bij zitte...

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zenuwachtig

- WNT - ZEMELACHTIG (II) - verbastering van 'zenuwachtig'

zeemelappeg

zeenuuwchteg

 

zeemelr

zelfstandig naamwoord

- Informant Toine Raaijmakers - zeveraar, treuzelaar, sauwelmieke

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zemelair - sukkelaar"

- WBD III. 3. 1:294 'zemelzeiken' = zaniken

 

zn, zn

werkwoord, onregelmatig

zijn

zn - waar/was - gewist

tegenwoordige tijd: ik z - gij zt - hij is; gebiedende wijs: z

vocaalkrimping in vormen als: zmme, zn (naast zn)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - De gebiedende wijs is: bnt / z

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik z blij dk nie meej hullie z meegegaon

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge meut er nie zn, vurd wij er zn.

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - we zn op de jaacht gewist ( = die in gte - geiten)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et kan zn, zi Witlox, mar dan gelfden ie et nie ('65) - gezegd als men ergens niets van geloofd

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ek z ziek zik, d ziek zi-j - ik ben ziek zei ik, dat zie ik zei hij

- Hessels 2020 - Wanneer je hem of haar voor iets uitscheldt: - wilde gij et zn? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: klik hier

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Wr tis wilt zn Gezegd van een plek waar veel volk is

- WBD III. 4. 4:197 'er zijn', 'daar zijn' = aanwezigheid

 

et zn
zelfstandig naamwoord
het zijne
- Cees Robben - Hij docht t zn... (19590912)
 

zeenuuwchteg

bijvoeglijk naamwoord 

zenuwachtig

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ' zenuwechtig'

zeemelappeg

► zeemelchteg

 

zep

zelfstandig naamwoord

zeep

- Den opwaas z aanders te groot worre en w dochte gij van de zp, die d ging kosten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Kee zep = mej. Zeebregts (blz. 85)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Toon zep = Toon Seebregts (blz. 71)

 

zepe

werkwoord, zwak

zepen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Mekaare meej sneuw inzepe

- zepe - zipte - gezipt (met vocaalkrimping)

 

zeer

bijvoeglijk naamwoord 

- WBD III. 3. 3:47 'zere stoelen' = idem (in de kerk)

 

zrk

zelfstandig naamwoord

zerk

- WBD III. 5. 3:99 'zerk', 'grafzerk' = idem

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord  mannelijk - zerk

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZERK (uitspr. zrrek, te - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - zerrek), zelfstandig naamwoord  mannelijk niet v. - grafsteen.

 

zs, zske

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zeis

 

zt

werkwoord, persoonsvorm

bent, zijn

2e persoon enkelvoud en 2e persoon meervoud tegenwoordige tijd van 'zn'

- Dezelfde vorm dient voor het meervoud. - Witte we ge zt? Zwetvoete hedde, de zde... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

zever

zelfstandig naamwoord

speeksel, kwijl; kletspraat

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zever p ene riek ('75) - gezwets, opschepperij

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ds ginne zever - dat is geen kletspraat

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek, 2000 - Jaanske zever = voorbidster in de Hasseltse kapel (blz. 89)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek, 2000 - de gezevers = gezusters Evers (blz. 39)

- WBD III. 1. 1:187 'zever' = kwijl

- WBD III. 4. 4: 46 'zeverig weer' = druilerig weer

- WBD III. 4. 4: 69 'zever' = motregen

- WNT - ZEEVER (I) - 1) speksel; 2) vochtige substantie; 3) onzin, kletspraat; 4) fijne regen, motregen; ZEEVER (II) - 1) persoon die onzin, mallen praat vertelt; 2) weer waarbij het aanhoudend regent, miezert; 3) persoon die kwijlt

 

zevere

werkwoord, zwak

kwijlen, kletsen, zachtjes regenen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - W zeverde de pestoor toch wir. - wat kletste de pastoor toch weer.

- N. Daamen (handschrift 1916) -  "zeeveren - kwijlen; onbenullige kletserij"; "motregen"

- A.J.A.C. van Delft - Een straatventer "kwkt"; een kind "seevert"; een meisje "semmelt" en een arbeider "smoort" een gulden. Dat smoren is een volkskwaal. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Zelfs as t ppesteele regent kunne ze nog blaoier vol zveren om te beschrve hoe de druppels dur innen kletsnatten boom huppelen (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - t Rgent t zgent, t zeevert op de stad... (19540724)

- Cees Robben - Zveren... d doeget naa.. (19580315)

- Elie van Schilt - As iemand blef zeveren over iets, dan wier ur gauw gezee Gao deur verekte zkert, mee oe geuwhoer. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

- Elie van Schilt - we begonnen nie in September al over Sinteklaos te zveren. (Uit: Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was; CuBra ca. 2000)

- WBD III. 3. 1:292 'zeveren' = traag praten; 294 'zeveren' = zaniken

- WBD III. 1. 2:95 'zeveren' = morsen, knoeien

- WBD III. 1:1:183 'zeveren' = kwijlen

- WBD III. 1. 4:271 'zeveren' = aanhoudend klagen

- WBD III. 4. 4:65 'zeveren' = lichtjes regenen;

- WBD III. 4. 4:70 'zeveren' = motregenen

- WBD III. 4. 4:71 'zeveren' = regenen met tussenpozen

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zeveren - lijmerig praten, zaniken

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zvere ww - zeveren, motregenen

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - ZEEVEREN - wkw (rg.) kwijlen, flauw praten

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZEVEREN (zee:vere) onov. ww - 1) kwijlen; 2) leuteren, kletsen; 3) onpers. : 't zeevert - het regent zachtjes.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. intr. 'zeveren' 1) kwijlen, 2) lijmerig praten, wauwelen zaniken; 3) motregenen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEEVEREN - flauwen praat vertellen; motregenen

 

zeverr

zelfstandig naamwoord

kletsmajoor

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - ZEEVERAAR zevererse

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEEVERKLOOT zelfstandig naamwoord  mannelijk - zeeveraar, hij die vervelend praat; ZEEVERKONT zelfstandig naamwoord  v. - ZEEVER, vrouw die gedurig zeevert, vervelend praat.

 

zeverkiep

zelfstandig naamwoord

zeveraar

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Ge zt n zeeverkiep en ge lpt op n kiepedrefke; den grtste braand is er wel aaf. (04-07-1969)

 

zeverlap, -zak

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - kletsmajoor

- WBD III. 2. 2:25 'zeverlap (je) ' = slabbetje

- Stadsnieuws -   zeverzal / zeverlap = kletsmajoor, iemand die altijd speeksel aan zijn lip heeft hangen. (140506)

- WNT - ZEEVERLAP - 1) persoon die zeevert, kwijlt; 2) slab, slabbetje, zeeverdoek; 3) wauwelaar, zeurkous

 

zeverpraot
zelfstandig naamwoord
zeverpraat; onzin
- Cees Robben - Des zverpraot... (19700213)
 

zgge

werkwoord, sterk

zeggen

zgge - zi - gezee (d) B: gezee zeggen

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - die hee gezeed

- Dialectenqute 1887 Willems - er is niks p em te zgge - er valt niet op hem te zeggen; hij heej gezee

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zgge - zee/zi - gezee/gezeed

- W zo den baos dan gezeet hebbe? Die ha gezee (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- Dialectenqute 1887 Willems - Hij zin et teege ons viere - Hij zei het tegen ons vieren.

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'd wordt gezee'; 'zee-n-ie' (= zei hij)

- Dialectenqute 1887 Willems - verleden tijd : ik zi (n), wij ze (n), gij zi (n) t

- Pierre van Beek - Hij zeeter ginnen ene / hij zeeter nie veul - hij is zwijgzaam, gesloten

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZEGGEN ov. ww - kinderlijke term voor: verklikken, aanbrengen, gecombineerd met 'het' en 'van': d zak van jou wel 's zegge.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Part. : in West NBr. 'gezeet', in Oost-NBr. 'gezee'.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. (verl. tijd ' zei', 'zeen; vd. 'gezeid') - zeggen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEZEED (zachte e) : 3e hoofdvorm v. 'zeggen'; in Z. Kemp: gezd

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zgge ww - zeggen; ds te zgge - dat wil zeggen (gallicisme)

 

zgget

samentrekking; werkwoord, persoonsvorm + het

zegt het (na ik/gij/ge/hij/zij)

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ge zgget teege gin man!

- Het fonetisch hiaat tussen 'zg' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'

 

zksel

zelfstandig naamwoord

zeiksel,  urine

- Zegsman Piet Mutsaers, onbekende datum - volledige plas, hetgeen men in n keer urineert

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - kleine hoeveelheid

- WBD III. 4. 4:262 'zeiksel' = scheut

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIKSEL zelfstandig naamwoord  o. - hoeveelheid water, die in eens geloosd wordt.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZEIKSEL (zksel) o - hoeveelheid urine die in een keer geloosd wordt; vage aanduiding v. e. daarmee corresponderende hoeveelheid drank of andere vloeistof.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  o. 'zeiksel' - hoeveelheid urine die in een keer geloosd wordt.

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - ZEIKSEL, zoiksel

- WNT - ZEIKSEL - 1) urine of hoeveelheid urine die een mensch of dier in n keer loost

 

zkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'zak'

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) -  'zekske'

- Cees Robben - Meej t zekske langs de benkskes (19580426) [collectant in de kerk]

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - In hoen zeksken hj ze? (20-07-1962)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 01 10 - De lnzkskes van deze td / Waor zn die van gemaokt / Omd iedern diesse zie / 'r Z van streek deur raokt? (...) Die lnzkskes worre gemaokt / Van rauwe juineschellen.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 16 - Schiet drom asset efkes kan / Diep in oew visjeszkske.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 04 17 - n zkske frut

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - 'Hier z-k meej mun zkske n-t piske zit urin'

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 -   'zkske blauw' - Reckits bleekmiddel in een katoenen zakje

- Elie van Schilt, uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000 - ... ge had wel hier en daor un frietwinkeltje, maar die moesen ut 's zondags verdienen, want dur de week zaagde er gin kiep, terwl ge toen al vur un dubbeltje un zekske friet had.

- WBD (III. 2. 1:130) 'zakje' = papieren zakje

- WBD (III. 3. 3:137) zkske, kollktezkske, sntenbl = collectezakje

 

zkt

werkwoord, persoonsvorm

zeikt

't rgent dt zkt - Het regent hard.

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - et zkt de kaajen t de grnd - het regent heel hard

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'zke', met vocaalkrimping

 

zktl

zelfstandig naamwoord

nachtspiegel, waterpot

N. Daamen (handschrift 1916) -  "zektail - waterpot"

- WNT - ZEIKTEIL - zeikpot (sinds lang verouderd; 2) kind dat veel pist, piskous; 3) minachtende benaming voor een kind v. h. vrouwelijke geslacht; piskous. Ook: zeurderig, pietluttig vrouwmensch

 

zlfbner

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - snelbinder

 

zltje

zelfstandig naamwoord

zeiltje

verkleinwoord van 'zl', met vocaalkrimping

 

zlvers, zllevers

voornaamwoord

zelf

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Wij doen et zlvers.

- Rolf Jansen, We hebben gezongen en niks gehad - Heeroodes de koning kwaam zlvers veur [uit een liedje op Driekoningenavond]

- Cees Robben - Herodus die kwam zellevers veur. [Herodus deed zelf de deur open. Prent over driekoningenzingen. De tekst is ontleend aan een in die tijd bekend driekoningenliedje. (19540109)]

- Piet Heerkens, uit: De Mus, Driekooningen in Brabant, 1939 - Eerst klopten we aan Herodes z'n deur / en Koning Herodes kwam zellevers veur.

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in: Groot Tilburg 1941 - Hij [de pastoor] kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en z eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken...

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZELVER (uitspr. zellever) vrnw., door sommigen gebezigd voor 'zelf'

- WNT - ZELF, zelve, zelfs(t), zelven(s), zelver(s).

 

zmme

samentrekking van 'zijn' en 'we'

zijn we

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Daor zmme meej gekuld. Daar zijn we door gedupeerd.

- Cees Robben - W zemmer toch wir mee gedallaast... (19730519)

 

zmmer

samentrekking

zijn we er

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 03 28 -  "Hoera, naa zmmer / 'k Gao naor de Bikse Brge toe / 'k Heb wrk als leuwetemmer."
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 04 04 - Mee duuzende zmmer naor toe gegaon
 

zn, zn, zen, z'n

bezittelijk voornaamwoord.

zijn, z'n

- Cees Robben - hij heej zene riek hard nodeg; hij prt in zene slaop (data ombekend)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zen besnut krge - zijn part krijgen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - bezittelijk voornaamwoord  'zen' (ongeaccentueerd)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'hum zen' c. q. 'hum' (geaccentueerd)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - '(hum) zen lieke was krt mar goed' (zin 90, blz. 99)

- Drrem zongde zen bist de Marialiekes meej, n ok et Tantemrgoo. D waar wdaanders as ons taante Sjaan. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZIJN bvw., te St-Antonius ook ZEN (heldere e) : Ik kan op zennen naam nie' komen.

 

znde

tegenwoordig deelwoord van zn, zijn

zijnde

- Grot diktee van de Tilburgse taol 2006 - ge zt er es t as vrouw znde

 

zenge

voornaamwoord

ge

derge

zijn eigen; zichzelf, zich; mannelijk

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - hij doeget t zenge - hij doet het vanzelf (uit zichzelf)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zenge moeje - zich bemoeien

- WBD III. 1. 2:228 'van zijn eigen af vallen', 'van zijn eigen af gaan', 'van zijn eigen gaan' - flauwvallen

- WBD III. 1. 2:231 'van zijn eigen', 'van zijn eigen af' = bewusteloos

- WBD III. 1. 4:442 'zijn eigen generen' = zich schamen

- Dialectenqute 1887 Willems - toe zenge koome - tot zichzelf komen

- Pierre van Beek - van zenge valle - bewusteloos worden

- Cees Robben - Ieder vur zich, zi de pestoor... n hij zeegende zenge et irst

- Cees Robben - doeget mar in oewen geste

- Cees Robben - en stukske grond n zenge

- Informant Ad Vinken; van zengen afvalle - flauwvallen

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zenge tekrtdoen - zichzelf vergeten

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - gre op zenge

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ZIJN (heur, hun) EIGEN - zich; op zijn eigen zijn - geerne alleen zijn. Op zijn (mijn uw) eigen - onafhankelijk

zske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zeisje

 

zssie
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van zs
zeisje
- Cees Robben - Hij [Pietje de Dood] zwaait zn zessie keer op keer... (19550709)
 

ztdraod

zelfstandig naamwoord

vislijn

- WBD (III. 3. 2:217) ztdraod, snoer, lijn = vislijn

 

ztrepel

zelfstandig naamwoord, meervoud 

ztte

 

ztte, ztrepel, ztter

werkwoord, zwak, en afleidingen

zetten

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - teej ztte, kffie ztte

- WBD zuurdeg ztte - zuurdeeg maken

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dernder gezt wrre (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - gevangengezet worden (men denke aan een gevangenis onder het raadhuis)

van aardappelen

- WBD I:1439 (Hasselt) aardappels poten: 'ztte'

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - pootaardappelen

- Stadsnieuws -   Tis rmoej agge oe ztrepel moet opeete - Het betekent armoede als je gedwongen bent je pootaardappelen op te eten (080209)

- A.J.A.C. van Delft - "As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters", zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WNT lemma zetter 9 - uitgezochte aardappel van middelmatige grootte, die in het voorjaar gezet of gepoot wordt

 

ztter

zelfstandig naamwoord

aardappel

►ztte

 

zge

werkwoord, sterk

zuigen

- WBD III. 2. 2: 22 'zuigen' = gezoogd worden

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zge - zog - gezooge

- Dialectenqute 1887 Willems - zge - zog - gezooge

- in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. intr. zuigen 1) v. d. lucht gezegd, even voor een hagelslag; 2) van mensen gezegd die naar adem hijgen.

 

zger

zelfstandig naamwoord

zuiger

- WBD windzuiger (paard dat lucht in de mond zuigt en daardoor oploopt), ook genoemd 'wndzger', 'wndhapper', 'kribbenbter' of 'krib- bter'

 

zgtaand

zelfstandig naamwoord, meervoud 

- WBD III. 1. 1:105 'zuigtanden' = melktanden

 

zgveule

zelfstandig naamwoord

- WTT 2013 - zuigveulen; veulen dat nog niet gespeend is, niet wil zuigen aan de spenen van de merrie, en dus met de fles grootgebracht moet worden. Zie - WBD I,4 lemma Het niet gespeende jong van een paard.

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Jan (Akkermans) die keek nie zo naaw, Jan die vatte wttie krge kos n wt goejekopste was. J dan kchtie in Den Bosch kchtie zogezeej en stuk of zs van die zgveules n dan kwaampief aachtn nvvenaant wttie kos krge (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

► Klik hier voor audiofragment

 

zeu

zelfstandig naamwoord

zode, zoo, zooi (een zoo vis)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'n schon zeu visch gevange

 

zke

werkwoord, zwak

- WBD III. 2. 3:11 'zuiken' = zuigen

 

zm, zumke

zelfstandig naamwoord

zoom

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Ik zal mrge teegen ons Treeske zegge dsse dieje zm van oewe jas der instikt, hij hangt der naa half t.

- WBD 'zm' (II:1187) zoom  

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z. m, zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zeum' = zoom

 

zme

werkwoord, zwak

zemen

zme - zumde - gezumd (ook in de tegewoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij zumt

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Schaai naa is t mee d zeumen, leg liever de zeum in oewen rok (09-07-1967)

- Cees Robben - Swels gij zwabbert zal ik zeume... (19780519)
- Cees Robben - En vur de rest zeume en waase.. (19750124) [gezegd door een kale man die bij de kapper zijn baard laat bijkippen]

- Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990 - Zumme saome zeume of wilde gij sewle dwle?

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - op zme nao n en kln lpke (HM'70) - bijna klaar

zomen

- WBD II:1185 - 'zme' - zomen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z. me (n), zw. ww. tr. 'zeumen' - zomen

 

zneg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord 

zuinig

- WBD III. 4. 4:276 'zuinig' = schaars

 

zneghd

zelfstandig naamwoord

zuinigheid

 

zpe

werkwoord, sterk

zuipen

zpe - zop - gezoope

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping : gij/hij zpt

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge moet et zpen m en aaj nie bedrve (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - waarschuwing tegen verkeerde zuinigheid (Zuipen was vroeger een mengsel van brandewijn, eieren, melk enz., dat tot een half jaar na de geboorte van een kind als traktatie diende voor mannen en vrouwen.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zpe (krt. 30) 

 

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

 

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st. ww. tr. - zuipen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUIPEN zie wdbb. ; zn, o. - warme drank v. bier of wijn met eieren en suiker

 

zperd

zelfstandig naamwoord

drinker

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zplap

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Tooke zp = vrouw op Koningshoeven (blz. 96)

- WBD III. 2. 3:260 'zuiperd' = dronkaard

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 'zuiperd' - de daad van zuipen: 'Hij zette-n et op ene zperd', begon uit alle macht te zuipen.

 

zplap

zelfstandig naamwoord

- WBD III. 2. 3:260 'zuiplap' = dronkaard

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 34; zplap (zonder vocaalreductie)

 

zpschrf

zelfstandig naamwoord

zuiplap, drinkebroer

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zuipschairf - zuiplap"

- WTT 2016 - mogelijk samengesteld uit 'zuip' en 'scherve' zoals in - WNT - lemma Scherve 3: 3. Pot of pan, van steen of aardewerk; hd. topf. (...) vgl. lat. testa en hd. scherben, pot, vaas.

 

zpscht

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - dronkelap

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zipschit zelfstandig naamwoord  - zuiplap

 

zeuve

telwoord

zeven

zeuvende = zevende

- Cees Robben - Zeuve daoge banjerheer...!! (19540814)
- Cees Robben - Naa hedde al zeuve kiendjes (19720128)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - in zeuve doage

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zeuven n meej de maaj aacht (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) -je kunt me nog meer vertellen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de zeuve znde knne (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - weten waar de schoen wringt

Nuuwe ronde nuuwe kaanse. Meese, ge zult wl snappe dk hel fret z dk wir meej maag doen, zg mar zo fret azzenen hond meej zeuve lulle. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
telw. 'zuiven', 'zeuven' - zeven

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEVEN, in 't N. en W. der Kemp. ZEUVEN, telw.

- WNT - ZEVEN, zeuven

 

zver

zelfstandig naamwoord

zuivel

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ffere vurt spk nt zver - financieel 'afkopen' dat men op bepaalde dagen tegen de wens v. d. kerk wel vlees resp. zuivel genuttigd heeft.

 

zver

bijvoeglijk naamwoord 

schoon

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie zver zn n zene strt (HM'50) - gezegd van iets dat 'gezuiverd' moet worden (!)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z zver as en og vl matrrie (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - zo schoon (?) als een oog vol etter: niet zuiver [N. B. volgens - WNT - is 'materie' een eufemisme voor 'ziektestof, etter']

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - en zver duukske - een schoon doekje

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dan hddem zver Dan heb je hem goed te pakken

- WBD zver lnne (II:868) - heellinnen

- WBD III. 3. 1:362 'niet zuiver' = verdacht (onbetrouwbaar, onguur)

- WBD III. 2. 1:281 Onder 'rein' wordt voor Tilburg wel 'schoon' vermeld maar niet 'zuiver'

- WBD III. 2. 2:31 ' (nog) niet zuiver' = nog niet zindelijk (kind)

- WBD III. 4. 4:235 'zuiver' = helder

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  en bijw. 'zuiver' - 1) schoon: 'ene zveren handdoek'; 2) mak, goedaardig, pluis; 3) eerlijk, rechtvaardig

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUIVER bvw. - zonder uitgang voor vrouwelijk en meervoud : 'n zuiver flesch, zuiver handen. Toch zegt men: 'de zuivere waarheid'

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   ziver bijvoeglijk naamwoord, bw schoon, zuiver

 

zeuvetien

telwoord

zeventien

- Dialectenqute 1887 Willems - zeuvetien

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zeuvetien

 

zi

werkwoord, persoonsvormen verleden tijd van 'zegge'

zei, zeiden

ik zi, gij zit, hij/zij zin, wij zin, gullie zit, zij/zullie zin

hiernaast komen ook voor de vormen met 'zee' - ik zee, gij zeet, hij / zij zeej, wij zeeje, gullie zeet, zij / zullie zeeje

- Voorbeeld systeemklaart Sterenborg - Ze zin dsset nie din. - Ze zeiden dat ze het niet deden.

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'Hij zin mar niks'

- Dialectenqute 1887 Willems - ge zaagt me wl mar ge zit niks teege me

- Dialectenqute 1887 Willems - de md zi dttie gelk ha

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ek zit em es goed - ik zei hem eens de waarheid

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik zi, gj zit - hj zi - wj zin - gulie zit - zulie zin

 

Gravure bij de bijbelpassage waar Jezus de zonen van Zebedeus (links) ontmoet.

 

zibbedeeuske

zelfstandig naamwoord, verkleind

- Van Dale - een zebedeus - een weerloze tobber, (gew.) sul

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "Zebedeeuske (simpel, onnoozel meisje) 't is zoo'n Zebedeeuske van een meske"

- "Mar Hanna, w bende toch 'n zebedeezeke! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ook: 'zibbediske'

- WBD (III. 3. 3:197) 'sibbedees', 'dutseltje' = kwezel

- WBD (III. 1. 4:37) 'zebedeus' = ezelachtig persoon

- WNT - ZEBEDES - 3) Onnoozel, sullig persoon; onnoozele hals, sul, sukkel ook wel: bedeesd, schuchter persoon

- Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers uit 'Kempische karakters' (CuBra 2012):

Zibbeds

Een zibbeds is doorgaans vroom,

de voorgrond is niet haar terrein

want zij wil graag de minste zijn:

een zedig streven vol van schroom.

zidde

samentrekking van 'zei' en 'je'

zei je

- W zidde gij? W zidde gullie?

 

ziebeliene
zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

zibeline

- Henk van Rijswijk  - Zibeline: Strijkgaren of kamgaren mantelstof met in n richting gestreken glanzend lang vezeldek. Extra glans kan worden verkregen door bijmenging van mohair. Gebruikt voor winter overkleding. De belangrijkste nabewerkingen zijn vollen, ruwen en strijken. Geweven in inslagsatijnbinding.


(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954)

http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Zabel. Ook Zibeline. Marterachtige diersoort in veel variaties. Betere soorten hebben zacht bruine tot zwarte haren.
- WNT lemma Zibeline (1994) - zelfstandig naamwoord vr., g. mv. Uit Frans zibeline, zelf uit it. zibellino, dat weer is terug te voeren op slav. sobol sabel. Vgl. ook SABEL (I). 1. Ben. voor een soort van marter (Mustela zibellina); sabel. Zibeline. Siberische en Japansche sabelmarter met zeer fijn haar, BAALE [1913]. 2. Bont afkomstig van het bij 1) genoemde dier. BAALE [1913]. 3. Soort van wollen stof; Zibeline, zachte keperbindige japonstof van crossbred garen (glanzende, halflange wol) in sterk sprekende kleuren soms effen, meest gestreept of geruit. Eenigszins geruwd, naar n richting gestreken haren. De wol in het garen is gemengd met langere haren als mohair, rameh, kunstzijde, die niet meeverven...

 

ziede
samentrekking
zie je
- Cees Robben - Ziede niks aon me..? (19661104)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 -  'vl vaorze zied (h)ier nie veul


ziedet
samentrekking van tegenwoordige tijd van zien met persoonlijk voornaamwoord je en voornaamwoord het
zie je het
- Cees Robben - Ziedet-naa... Hij zaaget-nie... (19560505)


zieget
samentrekking
zie het

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Hij zieget vort slcht = Hij begint slecht te zien.
- Cees Robben - Ziedet-naa... Hij zaaget-nie... Ssssssst Lewie.... Ik zieget... (19560505)
- Cees Robben - Ik zieget al (19870313)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZIEGET - samentr. van 'ziet het'


ziek
samentrekking
zie ik
- Cees Robben - Hier zk-zik... D ziek-zeej... W ziek-zik... k Z ziek-zeej... (19570824)
- Cees Robben - Ge het n schn vrouw opgezet/ Kees.. En dr is z nogal w afval aon k ziek... (19640221)
- Cees Robben - Want mee dezen bril ziek niks... (19801212)


ziem
samentrekking van zie en hem
zie hem
- Cees Robben - 'k ziem alle dag (19590516)


zietjer
samentrekking
ziet hij er
- Cees Robben - W zietjer toch goed uit, Merie... (19720121)
 

zieje

werkwoord, sterk

zieden

- Dialectenqute 1887 Willems - zieje - zj - gezje

korte ie

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st,ww. (verl. dw. 'gezooie(n); tr. en intr. - zieden, koken

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - GEZODEN is hier veel gemeener, dan elders voor 'gekookt'

 

ziek

bijwoord

ziek

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ziek van de luie piek (uit Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - niet echt ziek

 

ziel

zelfstandig naamwoord

ziel

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik smr men ziel meej en spkzwaord, zi Door, dan schft ze den duuvel dur zen haande (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zen ziel rijdt p ene kreugel (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - het gaat hem voor de wind

- WBD III. 1. 4:185 'ziel' = gemoed

- WBD III. 1. 4:258 'zielepoot' = ongelukkige

 

zielemnt

zelfstandig naamwoord

ziel

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Et gao dur men zielemnt heen Het gaat door mijn ziel heen

 

zien

werkwoord, sterk

zien; er uitzien

zien - zaag - gezien

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - kk! - zie!; hij ziet - hij ziet

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 69) ik laot sem zien - ik laat ze hem zien; ik laot senet zien - ik laat ze het zien

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te veul Kngtel gezien hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1966) - te diep in het glaasje gekeken hebben (wijnhandel Knegtel voerde een eigen merk)

- k'z ziek zee. Je d ziek zee... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - naa ek er zei, zieket - nu ik er ben, zie ik het

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - we meuge mekaare niemir zien van onze paa, zi de vrijer; dan doe mar gaaw de lamp t, zi et mdje.

 

zifke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van zeef

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zeefje

 

zift

zelfstandig naamwoord

zeef

- WBD (III. 2. 1:174) 'zift' = zeef

 

zigget

samentrekking in verleden tijd van 'zgge'

zei het (na gij/hij/zij/et /gullie)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - gj zi-get

 

zije

zelfstandig naamwoord 

zijden; alleen in: hoge zije - hogehoed (cilindermodel)

- WBD III. 2. 2:99 'hoge zijden' = rouwhoed, hoge hoed

 

zijeg

bijvoeglijk naamwoord 

halfzacht

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - : zjeg

 

zik
samentrekking
zei ik
- Cees Robben - Hier zk-zik... D ziek-zeej... W ziek-zik... k Z ziek-zeej... (19570824)
- Cees Robben - Hier zk.. zik.. (...) meej zaand... zik... meej zaand zeej..? (19620112)
- Cees Robben - Hier hedde limmenade zik... (19661021)
 

zil

zelfstandig naamwoord, oude oppervlaktemaat

- WBD III. 4. 4:291 'zil' = kwart bunder

 


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

zilgetg

zelfstandig naamwoord

- WBD zeelgetuig (samengesteld uit de beide strengen en de buikriem van een paard) (Hasselts woord)

 

zilte
zelfstandig naamwoord
het zilte, het zeezoute (van vis)
- Cees Robben - Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis..... (19540306)

 

zilver
stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, verkorting van zilveren
- Cees Robben - k vier mn zilver fist... (19600701)
 

zimke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kleine zeem (lap)

 

zimmeztje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

van Frans 'chemisette' = halfhemd

- Pierre van Beek - een "zimmezetje" is een slabbetje, dat de wevers als zwart zondags sieraad droegen;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Cees Robben - En hij riep dan k meteen.../ t zn inscripsies... pree-histories/ En hij spelde kazjeneej - .../ - zimmezetje -.. de pertienes/ - Staon op t gutje... bij de pleej... (19570119)

- WBD III. 1. 3:98 'chemisette-tje' = borstrok

- WBD III. 1. 3:143 'chemisette-tje' = bef

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  o. - chemisette, onderlijfje (gehoord v. e. oud-pensionaire).

 

zinnuweziek

bijwoord

zenuwziek

- Wier d menneke, ocherme, bekaant zinnuwe-ziek! Uit Kraaien-moraal door J.A., Nieuwe Tilburgsche Courant 14-04-1938.

 

zis

telwoord: zes
- Cees Robben - Aon de tel? D wel.. Al zis maond op scheut.. (19861017)
- Cees Robben - Hij bekwekt mee gemak vf, zis ekkers ver.. (19870717)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zis hoej hj - zes hoeden had hij

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 20) zis
samentreking: ze is
- Cees Robben - Zis zis zisse... (19731123)
 

zisdes

telwoord

zesde

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg -gij zt zisdes

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 89) zesde, zisde

 

zisse
samentrekking
zei ze
- Cees Robben - Spulle hasse zisse... (19781027)
- Cees Robben - Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504)
 

zistien

telwoord

zestien

- Dialectenqute 1887 Willems - zistien

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 88) zestien (minder gangbaar: zistien)

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan kwaame ze zogezeej gewoon ls, teminste ls, gewoon n de haand binne eej n dan hadde wij zogezeej liere ligge, han zistien liere n dan gojde ze der zistien, zistien stuks veej teege de grond aon in ene keer!! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

► Klik hier voor audiofragment

 

zitte

werkwoord, sterk

zitten

zitte - zaat - gezeete

- Gezegde: ern zitte - financieel mogelijk zijn: 't zit er ngal aon!

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Zwtsen n in de broek schte d kunde zittende.
- A.J.A.C. van Delft - Blijf nog wat, "ge zit geen boer in z'n venster", wordt gezegd met de bedoeling: we zijn je niet moe. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Moeder tegen onrustige kinderen op De Beekse Bergen: )Blve zitte waor ge zet gezeete (24-02-1966)

- Cees Robben - Ik z wl nffen oe wille gaon zitte, mar d stao nie.

- Cees Robben - ... dk ts aacht knder hb zitte;

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - hij zit, zittie - hij zit, zei hij

- WBD III. 4. 1:54 'zitten' - wonen (van vogels); ook 'nestelen'

- WBD III. 1. 3:9 'goed zitten' = passen (van kleding)

- WBD III. 2. 2:82 'iemand laten zitten' = een blauwtje lopen

 

zitter
samentrekking
zei er
- Cees Robben - Mar [hij] zitter ginne eene... (19661021)
- Cees Robben - Ze zitter ginne eene bij die gelegendigheid... (19680920)
 

zittie
samentrekking
zeggen, verleden tijd: zei hij
- Cees Robben - ... zittie meen hg-ri tiesje... (19600916)
zitten, gezeten zijn, tegenwoordige tijd: zit hij
- Cees Robben - Zittie me daor (...) zunne kanis vol te stouwe... (19840224)
 

zjm

zelfstandig naamwoord

jam

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - ...wij zin ok aaltij zjam w zjm moes zn, we liepen w d betrof wel un bietje aachter.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Ik kreg ene leege zjmpot in men haand gedouwd meej et bevel: Doe hier maar even je plasje in.

 

zjeu, sjeu

zelfstandig naamwoord

van het Franse jeu, spel, plezier, en vandaar: het leven
- Cees Robben - Mar den zjeuj die was er uit...! (19560107)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - levenslust

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zjeu zelfstandig naamwoord  - fut, levenslust

 

zjiep
zelfstandig naamwoord, de ie is kort
uit het Engels: jeep; automobiel
- Cees Robben - n Zjiepke z oe welkom zn [namelijk een jeep voor een missionaris] (19650326)
- Cees Robben - Was ik hier (...) t biste aaf meej unne zjiep... (19660916) [missionaris in een brief aan zijn bisschop]
 

zjoebelteene

zelfstandig naamwoord, meervoud

jubeltenen

- Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990 - Zweethiele en zjoebeltne heetie!

 

zo, zon

werkwoordsvorm verlden tijd van zullen

zou(den)

- Dialectenqute 1887 Willems - we zn dieje put in en uur kunne vldoen

- Dialectenqute 1887 Willems - Ge zot iemes bang maoke.

 

zo, zo

bijwoord 

zo, zoals

- Voorbeeld van systeekaart Sterenborg - Hij zo zo zon ding kunne maoken. - Hij zou in korte tijd zo'n ding kunnen maken

- Cees Robben - Z w van mn eigen, bekaant de sigaar.... Bijna flauwgevallen, bijna dood. (19540403)

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zoj zi, zaj zuuke - zoals hij zei, zal hij zoeken

 

zoddis
samentrekking
zou je eens
- Cees Robben - Zddis nie aon trouwen denken... (19600506)
 

zdje, zaojke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'zaod', met en zonder vocaalkrimping

zaadje

 

zoej

zelfstandig naamwoord

- WBD - aalt, gier

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZOEI v. - goot achter de koeien, waarlangs de urine wordt afgevoerd naar de gierput. Ook: groep.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zui, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'zoei' - greppel achter het huis, waardoor het pomp- en spoelwater wegloopt; 2) greppel of gat in de potstal achter de koeien, waarin vloeibare mest werd opgevangen.

- WNT - ZOEI 5) (N. -Brab.) vloeibare mest van koeien; gier, mestvocht, aalt

 

zoel

bijvoeglijk naamwoord, nevenvorm van zwoel 

- WBD III. 4. 4:31 'zoel, zwoel weer' = benauwd weer

- WBD III. 4. 4:33 zoel weer = lauw weer, ook zacht, voos'

 

zoer, zuur

bijvoeglijk naamwoord 

lange oe

zuur

- ...al keek ze zoo zoer as ze mar kos. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
- ...'n lange maogere taante mee 'n zoer gezicht. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
- Ik bijt nie in zoere appels, d vergim ik! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939)

- Cees Robben - ...zoer weer Wouters... (19571116)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 05 15 - 't Blft alle daoge zoere wnd / Mee rge en mee kaauw / Ge vraogt oew ge wel is aaf: / "Waor blft t vurjaor naauw?"
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 04 23 - Al blf 't weer k zoer en koud / Mee alle daoge rge / 't Is toch plezierig dmme strak / Veurjaorsvekaansie krge.
- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - 'zr prd' - ondeugend paard

- WBD zoerdeg - zuurdeeg (door gisting verzuurd deeg), ook 'zuurdeg' genoemd

- WBD III. 4. 4:36 'zuur weer' = fris weer, ook kil, lucht, voos weer'

- WBD III. 4. 4:50 'zuur weer' = koud, mistig weer:

- WBD III. 4. 4:60 'zure mist'= koude mist

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zoer (kaartje blz. 12)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zu:r, bijvoeglijk naamwoord  'zoer' - zuur

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZOER - zuur, Frans aigre

 

zoerendonk

zelfstandig naamwoord

waarschijnlijk uit 'zuur' en 'dunk'

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zoerendonk - zwartkijker, zuurpruim"

 

zoerseg

bijvoeglijk naamwoord 

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zurig

- WBD III. 4. 4:50 'zurig weer' = koud mistig weer

 

zoethoutere

bijvoeglijk naamwoord

van zoethout; dus: van slecht, zwak hout

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in: Groot Tilburg 1941 - ..verder is t nie zonne "zoethouteren" Lendenboom, mar innen stoeren eekelenboom.

 

zft

bijvoeglijk naamwoord 

zacht

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zoft - zacht"

- Piet Heerkens, uit: De Mus, Drp, 1939 -  ...den alderlesten toon,

zoft en zuiver, diep en schoon.

- ...'n glaoske drinken van dien goeien, zoften wijn... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)
- ...de vredes-aria mee een schoone zofte fluitbegeleiding... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1938)

- Cees Robben - ...Ds un zoft Gls brieske... (19570631)

- Pierre van Beek - z zft as flewel

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Hardi', zi De Waal, en hij scheet zft (uit Nicolaas Daamen Handschrift Tilburgs 1916 - kaartterm [F. N. de Waal was een fabrikant in Den Bosch. Het staat niet vast waaraan hij zijn spreekwoordelijke bekendheid dankt.] Variant: ... n zen gat was kaal (gezegd bij het kaarten kopen) '50

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - zoft bijvoeglijk naamwoord, zacht, gebruikt naast 'zaacht', maar meer in materile zin: 'ne zoften appel.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  'zoft' - zacht: 'n zofte peer', 'zofte steen'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZOCHT - zacht, Frans mou, tendre, Eng. soft

 

zg

zelfstandig naamwoord

'zeug', 'zuig', 'vrken',

- WBD vrouwelijk varken, ook 'zg' genoemd; 'vreke' of 'kuus'

- WBD vrouwelijk varken dat heeft gejongd

- WBD zg (Hasselt) melkgift van de zeug

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zg (krt. 49) 

 

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

 

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'zog'

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zg zelfstandig naamwoord  - zeug

 

zogezeed

bijwoord 

zogezegd, zogenaamd

- Cees Robben, ongedateerd knipsel - 'Z gezeej de wrrend zgge'; daor hak zgezeej ng gin gedaacht p gehad;

 

zogget

samentrekking

- Grot diktee van de Tilburgse taol 07 - Ge zogget nie hbbe moete perbeere

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Gij zgget zeeker p de zulder zuuke.

- Cees Robben - Ik zgget oe nie kunne zgge. [ongedateerd knipsel]

 

zgske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'zaog'

zaagje

 

zokkoe
samentrekking
zou ik je/u
- Cees Robben - Mar toch zokkoe wille raoje... (19591003)
 

zokkum
samentrekking
zou ik hem
- Cees Robben - zkkum op n voetstuk zetten (19590613)
 

zkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van zaok

zaakje

 

zolang

bijwoord 

zolang

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Waor zde zlang gewist?

 

zolder - zulder

zelfstandig naamwoord

Zolder

- Bove mn labbertorium hebbe wij ons keuken en nog in kaomerke, en daor neffe is nog in zulderke. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - de schaol [met warm eten] was al leeg vurd den daamp n de zlder was.

- WBD mlzlder - opslagruimte voor het meel

- WBD mlzlder - zolder boven de oven

- WBD hoojzlder - zolder in stal of schuur, ook genoemd 'schlft', 'balke' of 'schor'

- WBD (III. 2. 1:75) zolder, c. q. verdiep = verdieping

Uitdrukking

- Voorbeeld van systeekaart Sterenborg - iemand op zijn achterste zolder jagen.

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882:  Hil den td blif ie dicht bij Driek en Truikes en verzon aalles wt ie kon om Drieke mar op zunnen aaftersten zolder te jaoge. - daar geannoteerd met: Op ....jaoge, iemand op zijnen achtersten zolder jagen = iemand in de laatste verschansing terugdrijven = iemand dwingen tot aanvallen.

- N. Daamen (handschrift 1916) - "op z'nen aachteste zolder joagen (sterk vrees aanjagen)"

Broekzolder

- N. Daamen (handschrift 1916) - "zolder - van een broek als deze aan het zitvlak heel wijd is."

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Nao iedere kermis mot ik 'ne nuuwe zolder in munne broek (1965)

Achterwerk

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940): En hij trok mee z'n eene haand 'nen stok uit den mutserdhoop en gaaf 'm van jetje op Arnold z'ne zulder.

Afjacht

- Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - p zlder aachter de putklp (= onmogelijke plaats)

Uitdrukkingen

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - ene grote zlder, mar en kln kuntje - veel geweld voor weinig geld

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - te veul nr de zlder gekeeke hbbe - te veel borreltjes op hebben

- Stadsnieuws -   Te veul nr de zlder gekeeken hbbe. (150206)

 

zllie, zullie

persoonlijk voornaamwoord

zij (meervoud), gebaseerd op oude vorm 'zij-lieden'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZIJLIE, ZIJLE(N), ZELLIE, ZELLE(N), ZLLIE, ZLLE(N), voornaamwoord  - zij

 

zoltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van zool of zol

zooltje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zoltje

 

zltje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord

zadeltje; zaaltje

- Cees Robben, onbekende datum - Moet ik p d zltje?

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - teegen et zltje stin en fiets meej en nuuw zltje

 

zomme

samentrekking van zouden en we

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 01 09 - Zomme nog gin sneuw gaon krge?

 

zommeden(e), summedene

bijwoord 

zo meteen, aanstonds

- Gao zitte, meensch, de meester komt zommedeene... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)

- Piet Heerkens, uit: De Kinkenduut, Goeie raod, 1941 - "Bruur, ik kan oe zoo med-eene / drie-vierhonderd gulde leene

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Zomedne mendet (feb. 1962)

- Cees Robben - Zumme zmedene is ruile...? (19560114)
- Cees Robben - ...zmedeene (19841019)
- Cees Robben - Die praot van subiet in plaots van zommedeene.. (19680823)

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 - 'zmmedne' bw - zo meteen, aanstonds

 

zon

aanwijzend voornaamwoord

zo'n

- Cees Robben - Van de zuk of van de zon? [Zulke of zulke?] (19840921)
- Cees Robben - Van de zon of van de zuk.. (19630614)
- WTT 2023 - de combinatie 'zon' en zuk' drukt uit dat het eigenlijk geen verschil maakt
- Cees Robben - [Vrouw tegen dokter:] Niks gedaon ist mee oe pillen/ Van de zuk of van de zon... (19551217)
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'zon meense heure hier nie' - zulke mensen horen hier niet zon, zonne; alleen flexie-n in mannelijk enkelvoud

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   'zn' zelfstandig naamwoord  - zon

 

zon
zouden, eerste persoon meervoud verleden tijd van 'zulle'
- Cees Robben - Wij zon er iets van krijgen... (19570706)
 

zondag

zelfstandig naamwoord

zondag

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Kekt diejen meens ns chagrnig kke, die komt zeker de Zondaag afzegge (16-01-1975)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Sondaag - zondag

- Cees Robben - Komde den zondag afzegge..? (19770325) [De precieze betekenis van de uitdrukking is niet helder; mogelijk: slecht nieuws brengen]

- ...mistal op enne zondagmrge... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Gewoon op enne zondaggemrge... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Un lof [wordt] mistal gehaawe op zondaggemiddag. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- WBD III. 1. 3:4 ''s zondagse kleren', 'zondagse kleren' = zondagse kleren

- WBD III. 1. 3:5 'zondags pak' idem

 

zonk

zelfstandig naamwoord

1 - laagte

- WBD laagte in akker- of weiland (Hasseltse term)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZONK (in 't Z. + W. zoenk) zelfstandig naamwoord  v. - diepte of laagte, inzakking op 'n veld

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'zink' - laagte in de grond

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZONK m - lager gelegen deel v. e. akker of landschap.

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ZONK. Heb ik nu en dan door metselaars en timmerlieden hooren gebruiken voor eene diepte, eene zakking in den grond, in eene vloering. Z. a.

- WNT - lemma Zonk - 1. Laagte, vooral in de Vl.-Belgische dial.
a. In het alg.: lage plek; verzakking; kuil in wegdek, dak, vloer enz.
2 - schepgat van een put.

- WNT - lemma Zonk d - Slechts in een brab. dial.

- WBD 1.1.163 a [1967].
- WTT 2016 - waarschijnlijk dus het onderdeel van een afvoerput waarmee wordt voorkomen dat grof vuil in de put zinkt en dat aldus verstopping tegengaat. En daardoor de benoeming voor dat vuil.
- Cees Robben - Ik moet den zonk nog uit t putje haole (19650917)

- FIGUURLIJK: Pierre van Beek - boove znk koome - 'boven water komen', b.v. na lang slapen

3 - diverse andere betekenissen

- WBD III. 1. 2:69 'zonk' = bluts; ook: 'buts, deuk, duts'

- WBD III. 4. 4:145 'zonk' = dal; 'zonk' = oerbank (grondsoort)

- WBD III. 4. 4:165 'zonk' = zwarte, ondoordringbare aardlaag

 

zonne

zelfstandig naamwoord

de zon; hier: de zonsopgang.

- Een roestpraatje, in Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882): Um kort te gaon, ik weet waor 't schaait; vr zonne zuloe vaore [op weg gaan].

 

zonsten

zelfstandig naamwoord

zonsteen, niet gebakken maar in de zon gedroogde steen

- Informant Toine Raaijmakers - ongebakken steen, gebruikt voor binnenmuurtjes in boerderijen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk  naamwoord  'zonstenen' - van zonsteen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zonsteen' - steen die niet gebakken, alleen hard gedroogd is; hij wordt voor binnenmuren en schouwen gebruikt.

 

zont
samentrekking
zouden het
- Cees Robben - [Ze] zont nie eete... asse wiesse wesse aate... (19750606)


zo, zo

bijwoord 

zo; gauw, meteen;

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - W stoa de doar zoo te schreuwe? - Wat staat gij daar zoo te schreien?

eufemisme voor in verwachting
- Cees Robben - Twee platte kender... en naa wir z... (19680322)
- Cees Robben - Ik hoef er mar meej mn pet naor te zwaaie en t is wir z, dokter... (19700612)
- Cees Robben - Z, ist mee oew meske al z ver... (19810710)

 

zog

zoog

verleden tijd van zge

   

zogenmd

bijvoeglijk naamwoord 

zogenaamd

- Grot diktee van de Tilburgse taol 08 - die zogenmde tgediende

 

zogezeej

tussenwerpsel

zogezegd

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan kwaame ze zogezeej gewoon ls, teminste ls, gewoon n de haand binne eej n dan hadde wij zogezeej liere ligge, han zistien liere n dan gojde ze der zistien, zistien stuks veej teege de grond aon in ene keer!! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

► Klik hier voor audiofragment

 

zoj

zelfstandig naamwoord

zootje

- WTT 2016 - Komt in zeer uiteenlopende maar altijd negatieve of pejoratieve  betekenissen voor. Tegenwoordig meestal 'zootje', zoals in 'zootje ongeregeld' of 'het was er een zootje', en 'het hele zootje'. De etymologie is niet volkomen opgehelderd, maar zie: - WNT - lemma Zoo, I, III, 9a; zie ook Zeuj, hierboven.

- Zonne wedstrijd in zinge, kos soms wel un paor uur duure want wij kende der un zooi. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Ze han vur et gemak der wel w stene nir kunne legge, want et waar der mar ene slkzooj. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- WBD (III. 2.1:361) zoj, c.q. kook, kooksel, gekookte = kooksel

- WBD (III. 3.1:94) 'rotzooi' = onbruikbare voorraad

- WBD (III. 4.4:169) 'zooi' = modder, slijk

- WBD (III. 4.4:256) 'zooi' = aantal bijeenstaande voorwerpen

- WBD (III. 4.4:259) 'zooi' = boel; 'zooike'

- WBD (III. 4.4:260) 'zooi' = grote hoeveelheid

- WBD (III. 4.4:312) 'rommelzooi' = warboel, ook 'zooi' of 'rotzooi'

 

zol

zelfstandig naamwoord

zool

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - meervoud: zoole

- WBD III. 4.4:162 'zool' = oerband (grondsoort)

 

zoomaa

zelfstandig naamwoord, samentrekking van 'ons oma' (metanalyse: de s van 'ons' wordt aan 'oomaa' gekoppeld); vergelijk ►zoopoe

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

zoomer

zelfstandig naamwoord

zomer

van de zoomer, hil de zoomer, soomers

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - 'nen dreugen zommer

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mannelijk - zomer

 

zoomerdag

zelfstandig naamwoord

de zomer

- Audio-opname 1978 - daor hbbek in en bangktbakkerij gestaon, j, ge wit wl, as plaotepoetser n invtte n zo n toen kwaam er de zoomerdag aon n daor hadde ze en ijskoowfebriek bij (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren

 

zoon

zelfstandig naamwoord

zoon

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zons en dochters, z'nen klnzon

- Cees Robben, Prentebuukske 10 - "n spie tot aon de soons toe' / een decollet tot aan haar navel (ongeveer de plaats waar bij het kruisteken 'de zoon' wordt gezegd.

- WBD III. 2. 3:71 'zoon' = idem; 74 'stiefzoon' = idem; ook 'voorzoon'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'zu:n', naast 'zon' = zon; (blz. 53) meervoud  zoons

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - de koning zene zon is ok soldaot gewist

 

zop

werkwoord, persoonsvorm

zoop

verleden tijd van 'zpe'

 

zoopoe

zelfstandig naamwoord, samentrekking van 'ons opoe' (metanalyse: de s van 'ons' wordt aan 'oopoe' gekoppeld); vergelijk ►zoomaa

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

zoow

bijwoord 

zowat

- Kees en Bart, krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935 - 'zoow' (passim)

 

zpt

werkwoord, persoonsvorm

zuipt

3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'zpe', met vocaalkrimping

- Voorbeeld van systee,kaart Sterenborg - Hij zpt vusteveul.

 

zrg

zelfstandig naamwoord

zorg, aandacht; armleuningstoel

- Voorbeeld van systeekaart Sterenborg - Hij zaat in de zrg (dubbele betekenis)

- Wit, as ge zit in zurg verlegen,/ da God oe zelf verzurgen zal. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Erm schooierke, 1932)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zurg (met doffe u; vgl. mulder en putje = potje)

- WBD (III. 2. 1:87) 'zorg' c. q. 'luie stoel' = leunstoel; ook: 'Grote stoel' 'zorgstoel'

- WBD (III. 1. 4:280) 'zorg hebben' = bezorgd zijn;

- WBD (III. 1. 4:279) 'zorgelijk' = kommervol

- WBD (III. 1. 4:293) 'zorg = angst

- WBD (III. 1. 4:142) 'zorg' = ijver

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zrg zelfstandig naamwoord  - grote stoel, leunstoel; ook 'grtestoel'

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZORG (zrg) m - 1) kommer; 2) grote stoel.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'zurg' - zorg; mannelijk zorgstoel, leun(ing) stoel

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZORG (uitspr, zrrech) zelfstandig naamwoord  m., niet v. armstoel, leunstoel

 

zrge

werkwoord, zwak

zorgen

- WBD III. 1. 4:335 'zorgen', 'zorg hebben' = iets in acht nemen

- Cees Robben  -t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose... (19550312)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. intr. -'zurgen' - zorgen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - zrgen - zorgen

 

zosse
samentrekking
zou ze
- Cees Robben - [over een trouwerij:] Zosse in t wit zn... God-wit... (19800208)
 

zot

samentrekking

zou het

samentrekking van 'zo et'

- WTT 2023 - Zot zo zuut zat zn?

 

zt

bijvoeglijk naamwoord 

gek, dwaas, zot

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - z zt as ene jn - hartstikke gek

- Cees Robben - mar nt doen f ge zt zt; bnde zt [onbekende data van publicatie)

- Pierre van Beek - z zt as tien kp jn (Tilburgse Taalplastiek 176)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van enen aorege zt geschoore zn (HM'70) - door een zot gek verklaard zijn

- Hessels 2020 - Als je iemand vraagt iets tegen hem te mogen zeggen: - gij nt zt Jooke meugen alles teege mn zgge! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

Bijnamen

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - et zt Wimke = W. Druyts (blz. 36)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de ztten Engel = Wim Engel (blz. 37)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - et zt Jooke = Joseph Hollander (blz. 43)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de ztte Cas = Caspar Houben (blz. 44)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - zt Tontje = Toon Vereut, bloemenverkoper (blz. 80)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de zt = frater Erminius (blz. 101)

Aanvullende bronnen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zot' - dwaas, gek

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZOT - gek, zinneloos

- WBD III. 1. 4:42 'zot' = gek

 

zotter
samentrekking
zou er
- Cees Robben - Den hond zotter nog gin brd van lussen... (19840210)
 

zout

zelfstandig naamwoord

zout

- soms mannelijk volgens voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - aan tafel; gift de zout is aon.

- A.J.A.C. van Delft - "Die dienstmeid zal daar geen zak zout opeten" zegt men om aan te duiden, dat zij er wel niet lang in dienst zal blijven. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zout haole bij Brnsgist (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - antwoord op 'Waar is hij?'

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ng w zout vur den houthakker (HM'47) - gezegd als men aan tafel zout bij het eten wil doen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - saome zout gehld hbbe bij de daames Brnsgist (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - elkaar al heel lang kennen

 

zovelste

telwoord

zoveelste

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - hoe meer vlk veur, zovelste langer et duurt - hoe meer volk vr in de kerk, des te langer duurt de plechtigheid

 

zoveul

onbepaald telwoord, bijvoeglijk naamwoord 

zoveel

- Pierre van Beek - z veul as - zoveel als, zogezegd

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij ha zveul as ge meej bei oew haande in oew gat kunt goje (Nicolaas Daamen - Handschrift Tilburgs, 1916) hij had niets (de kunstgreep is namelijk onmogelijk)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZO VEEL ALS (zo veul s) bijwoord  uitdr., een gesproken aanhalingsteken; zogenaamd, zullen we maar zeggen (zie blz. 49-52)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZOOVEUL bw - zooveel

 

zowwiets

bijwoord

- Zowwiets is allemol heel mooi uit te rekene (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

- Ik vur mn vn aatij leuk ak zowwiets in de kraant lees. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

- Snapte gij naa zowwiets? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

 

zucht
zelfstandig naamwoord
aanduiding voor ziekteverschijnselen denk aan geelzucht en gezwellen in het bijzonder
- Cees Robben - Onze Jaon (...) hee gin zucht of terring... fieteldaans.. bof.. of keliek... (19551217)
 

zuig

zelfstandig naamwoord

- WBD vrouwelijk varken, ook genoemd 'zeug', 'zch', 'zch', 'vrken', 'vreke' of 'kuus'

 

zuije

zelfstandig naamwoord

het zuiden

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'het Zuijen'

Salut, lieve nesjes, adjuus, ad!

- Piet Heerkens, uit: De Kinkenduut, Zwaolleme, 1941 - naor et Zuien toe zulleme vliege!

- Piet Heerkens, uit: De Kinkenduut, Rood-Wit-Blauw, 1941 - zingt in 't donkere Zuie, / Vaderland, et roomse Zuien / zal oe stil z'n trouw beduien; / Brabants volk en Brabants gouw / wappert dapper rood-wit-blauw.

 

zuk, zukke, zukkes

voornaamwoord

zulke

- Dialectenqute 1887 Willems - zukken (m.) - zulk een

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - zukke gaaste

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Op de markt) Motte van znne hebbe of hedde liever van zukke? (20-03-1968)

- Cees Robben - Van de zuk of van de zon.? [Zulke of zulke?] (19840921)
- Cees Robben - Van de zon of van de zuk.. (19630614) - de combinatie drukt uit dat het eigenlijk geen verschil maakt
- Cees Robben - [Vrouw tegen dokter:] Niks gedaon ist mee oe pillen/ Van de zuk of van de zon... (19551217)
- Cees Robben - Zukkes weer is baomis-weer... (19701009)

- Hessels 2020 - Als je bepaalde uiterlijke kenmerken bij iemand opmerkt: - zukke zn amml zo! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUKKEN, ZOKKEN, ZOEKEN bvw. - zulk een, zulke: zukkene man, zokken moeder

 

zulder

zelfstandig naamwoord

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZOLDER (zulder) m. 1) bovenverdieping; 2) kruis v. e. broek.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zolder, zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zulder' - zolder- 1) bovenste ruimte in een huis; 2) zitvlak in een broek

1. zolderverdieping van een huis; zoldering

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Vruuger sliepe veul meensen p zulder

- Cees Robben - Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217) [Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen]

- Ons Stien die zeej: Et wort es td,/ de zulder schon te maoke/ Wk daor ammol nie teege kwaam.../ om tureluurs te raoke. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

- Pierre van Beek -gezegde  Hij heej te veul nr de zulder gekeeke (te veel borrels gedronken)

2. kom van een broek

Krak-krak zee de zulder van mn broek (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

- Cees Robben - Mao iedere kermis moet-ie unne nuuwe zulder in zn broek hebbe... (19660701)

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zulder zelfstandig naamwoord  - zitvlak v. e. mannenbroek

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - al mot ek er de bene vur onder mene zulder tlope

- WBD III. 1. 3:121 'zolder' = zitvlak v. e. broek; ook: 'kruis', 'kont', 'zuur'

3. plaats voor opslag, bijvoorbeeld hooi of leder

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - p zolder aachter de putkp (= onmogelijke plaats)

- WBD hoojzolder - zolder in stal of schuur, ook genoemd 'schlft', 'balke' of 'schor'

- WBD drgzulder - droogzolder, voor het leer (II 643)

4. dragend vlak

- Cees Robben - popeliere zulderke: "De bodem (van den blauwen spuul) was drassig, maar als de zomerzon de bovenlaag had drooggestoomd, was het een op-en-neer gaand 'populiere zulderke', waar ge alleen vlug-voetig veilig overheen kwaamt, zonder door de zolder in de blubber te schieten."

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en popeliere zulderke (N. Daamen (handschrift 1916) - gezegd als iets waarop men loopt, doorbuigt

 

zulle

werkwoord, sterk

zullen

Dit lemma wordt binnenkort nog uitgebreid met vervoegingen, samentrekkingen en koppelingen.

- Dialectenqute 1887 Willems - za'k - zal ik?

- Dialectenqute 1887 Willems - zulle - z (n) - ik zal, gij/hij zult

- Cees Robben - ... zak mar zgge; ge zult er gin maogpnt van krge; w zat zn?

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zulle - zaaw/z; we zon / zoue ... (zin 101, blz. 99)

- Dt zo vlug zu gaon, d hattie nie gedocht. (Henritte Vunderink, Straffe roker, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Oude verleden tijd [?] - zou = zom

- Den eene zom dees en den aander zom d, mar 't za naa niemir noodig zn. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Samentrekking zudde = zou je

Daor zudde nog 'n aorig centje van kunne maoke. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Samentrekking zugget = zou het

SJAREL. Ge zugget wel zegge. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Samentrekking zusse = zou ze

Of zusse mee zn, denkte gij? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

Samentrekking zuj = zou hij

In Nederlaand zuj er nie mee klaor kome! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

 

zullie, zllie, zllie

persoonlijk voornaamwoord

zij (meervoud)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'd doen zellie nie'

- Cees Robben - Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031)

- Dialectenqute 1887 Willems - eete zullie k gre ks?

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zllie verdiene meer op llie, as gllie op hllie

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zullie verdiene meer n jullie as gullie n hullie

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zullie, persoonlijk voornaamwoord  - zij (meerv.)

 

Niet met name bekende monogrammist - 17de eeuw - collectie Rijksmuseum

 

zult

zelfstandig naamwoord

1. hoofdkaas

- WBD III. 2.3:67 'zult' = hoofdkaas

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zolt, zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zult' - hoofdkaas

► Dossier Zult

- Zegsman aan WTT Ton van den Hout - handschrift uit familie-archief -

 

- Cees Robben - W zult is, mevrouw?.. D is n vreke w gelk in de frut zit. Mar wel lekker... (19841207)

- Cees Robben - opschrift in de prent van 19860801 -

 

 

- Cees Robben - Hij heej munne botteram in t waoter gegooid... Z-z.. En meej opzet.. N meneer, meej zult... (19710319)

 

Cees Robben, Prent van de week (detail) 7 december 1984

 

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 10 14 -

t Wordt wir koud, mee wnd en rgen

We gaon de td zuutjesaon krgen

Van zuurkle mee werme zult

En dtter wir kaort wordt gespuld.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 10 - Mee gegemaokte zult

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 09 - Mar rap w waoter bij de soep / En bij de zult w kaoikes,

Die waare wel nie himmol vors /Mar ge zaagt nog gin maoikes.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 12 16 - "Mar Sjarel, ik zet toch m'n ge /Vur n goei maol nie in de schuld, / 't ls toch alln mar vur ons baaikes / Ik kook peejestaamp, mee zult."

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 16 - Hij gaaf ze spek mee moffelbne / Boerebrd mee 'n schf zult / Mar ze ha'n liever kwattastrooisel / Goei eete was 'r aon verspuld

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 06 30 - Aacht brooikes dik mee zult en ks

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 07 03 - 'n Osterwkse koffietaofel / Mee boeremik en zult en ham.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 09 10  - Boerezult, mee ham, mee aaier / Uit 't vls daor kossie nie uit ws

- Wil van Pelt - Brabant's knipoog uit het verleden (2001) - Wij zullen onderweg aanleggen bij Geertjes omdat ze daar altijd goeie zult hebben. (...) Ik zie dat mijne compagnon dat ook al begrepen heeft, zijn aandacht is gericht op het brd met zult dat gebracht is door Marieke. (...) De mik en de zult hoeven we niet af te rekenen, 'da zal wel goed komen', zegt Thijs.

- Jodocus (pseudoniem van Jacques Stroucken), Toemet-hooi (1993) -

'As ut aon mn laag'

W'k w h'k nog nojt nie gekrege,

En w'k kreeg h'k mar zelde gewuld.

As't ojt meeviel, dan viel 't al nie tege;

w 'k ojt biefstuk, dan waar ut mist zult.

- Piet van Beers (CuBra) -

'Krpt es in de hd van: n vrke'

Mn leedemaote vnde dan

bij de slaagers in de schappe.

Rollaode, bloedworst, spk en zult

bij ham n schouwerlappe.

 

Op dieet

Soms lig ik naachtelang te drome

van BLOEDWORST BALKENBREI n ZULT.

Mar... DIE-EETE d is NIE-EETE

zeej "Ons Kee"...n dan zde tgeluld.

 

Bodschappe doen

n Fls (nie als te duure) wn

n Rlleke mle moppe.

'n Bkske zult, n ons sesies.

t Is dees week Zneg soppe.

 

Van t vrreke - 58 jaor terug

't Vrreke was nt geslacht, n

zullie han zlf tch eete zat,

dus wij mochte koome haole

wsse in oovrentie had.

 

n Stuk ribstuk, n hil pan worst n

ok tweej komme vol meej zult!

Balkenbrij, vier flsse braoivlees,

himmel tot de raand gevuld!

 

Ok tweej flinke bkskes spkvt,

(meej de kaoikes in papier)

n n hieltje voor den rtsoep

n en al gebakke nier.

(...)

Ieder jaor rond Allerzielen

komt d toch wir bij mn op:

Dieje kuus van taante Frieda,

n dieje zult van de vrekeskop!

 

Wtter in vfteg jaor veraanderde

 Boer of brger, rm f rk,

n tffel waare ze ooveral gelk.

Ik zal er mar nie nr laote raoje:

t Was n schfke zult,

spk n tgebraoje kaoje.

 

Wtter veraanderde (2)

n dan aate ze in de wnter ok nog gegemkte zuurkole t et vat.

n sondags de rst; kundet raoje ?

En stukske zult, spek n tgebraoje kaoje

- Lodewijk van den Bredevoort (2006) - Kosset den brne eigeluk wel trekken? Jeugdherinneringen van een gewone volksjongen - Soms waar un vrke pas geslacht, waar der zult en bloedworst en kaoikes zat, ge mocht et nie hebben.

- Tony Ansems - Zwarte Pietje gespuld (2007) - Der wier gesmuld van de vrrekeszult

- Elie van Schilt - Alles is aanders (CuBra, ca. 2002) - Mar soms hadden wij ok un buurtfist. Dan wieren bij de slager un paor verkuskoppen gekocht (Kop mee afval ) noemde ze ut toen. Ut afval was ut snijsel waor de slager gin worst van kon maoken ) Unne grote wasketel wier schongemokt en daorin wieren die koppen gekokt tot ut vls zo van de botten afviel. Daor wier nog ut n en aander bij gegooid zoas, zout en peper, nootmuskaat, azn en augurken, dan ging ut dur de vlsmeulen en al de buren die hadden mee betaold aon de koppen die kwamen mee scholtjes en bakken, as ut un paor uur laoter was stf geworren dan hadden we zult zoas ge het nou niemir kopt bij de slager. Er waren gin koelkaasten, dus we aten un week lang zult, tot ut uit oe oren uit kwaam.

2. drempel

- WBD koedrempel (op de grens tussen voorstal en koestand)

- WBD nderzult - koedrempel, ook 'zult' genoemd

- WBD boovezult - bovenzul (horizontale balk waaraan de stalpalen met het boveneinde bevestigd zijn)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZULT v. - stene verhoging waarin de stalhouten aangebracht zijn.

 

zultbommerl

zelfstandig naamwoord

scheldwoord: dikkop, eigenwijzerik

- Cees Robben - Zultbommerel... des kop... (19600219)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - zultbmmerl - iemand met een dikke kop (99)

- WBD III. 1. 1:39 'zultbommerel' = hoofd

- WTT 2016 - 'bommerl' is mogelijk afgeleid uit 'bomberen' (Frans: 'bomber', 1701 [Rey]) in de betekenis 'bollen, iets bol maken'.

- WNT  geeft in die zin onder lemma Bombeeren b: 'van het voorhoofd, zich welven'. In dat geval zou het woord dus oorspronkelijk '(zult)bomberl' zijn geweest.

 

zultnrrcht

zelfstandig naamwoord

zultaanrecht

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - aanrecht van de kwaliteit en met het uiterlijk van de zultvloer

 

 

zultvloer

zelfstandig naamwoord

terrazzovloer (overwegend wit)

Paul Spapens e.a.; Goedgetld, Diksjenr van de Tilburgse Taol, 2004 - Wie het gerecht 'zult' kent, zal begrijpen dat zultnrregt
en zultvloer zeldzaam rake typeringen zijn. Terrazzowerk is een typisch Italiaanse specialiteit. Het zijn dan ook Italiaanse terrazzowerkers geweest die deze vloeren in Tilburg vroeger zijn komen maken. De eersten kwamen eind negentiende eeuw. In het begin werkten ze voor fabrikanten die graag iets exclusiefs hadden, en ze werkten vooral ook in de kerk. De terrazzowerkers worden gerekend tot de eerste 'gastarbeiders' in Tilburg.

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 5-2-1920
 

zumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

zoompje, zeempje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zm - zumke

- verkleinwoord van 'zm', met vocaalkrimping

 

Zumme knnes maoke? Bedrukt Tshirt op marktkraam Tilburg Noord. Foto: CuBra/- WTT 2021

 

Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging De Raawdaawers. Foto CuBra 2020.

 

zumme

samentrekking

zullen we

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - W zumme naa hbbe!

- Cees Robben - Zumme zmedene is ruile...? (19560114)

- Cees Robben - Zummummis opkieze...? (19681018)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 08 15 - W zumme naauw toch krge?
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 09 17 - D zumme strak wel merke
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 01 25 - "W zumme mrge wir is eete?"
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 07 12 - W zumme'r van geniete.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 07 31 - W zumme daor naauw mee gaon doen?
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 05 05 - Wanneer zumme naauw vurjaor krge?
- Interview met de heer De Kok (1978) Jao, ok enen bond, h. J, d kan ik nou zo presies nie Ja, de Gildenbond, zumme mar zeggen, h. De Gildenbond, h! (transcriptie Hans Hessels 2014

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

zumt

werkwoord, persoonsvorm

zeemt; zoomt

tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'zme' (zemen, zomen)

- Cees Robben - Swls d gij dieje zak zumt, zeum ik de raome;

 

zund, zunde

zelfstandig naamwoord, bijwoord

zonde, jammer

sund, sunde

zelfstandig naamwoord

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939 - Hij [de pastoor] ha zelfs gezeed: "Zwemmen en baoje is nog gin zunde!"

bijwoord

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg -tis tch wel zund van oew cnte

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-193 - )...w-d-is et zund, d de tijd zoo bliksemsvlug veurbijgao!
- 't Is zund, d taante Drieka nie mir leeft! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; Nieuwe Tilburgsche Courant 10-12-1938)
- ...en d waar zund en schaand. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
- 't Is dubbel zund... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

- 't Is zund hurre, want daor hedde w gemist. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

- Cees Robben - Ds zunde war... (19571123)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 29 - Mar ikke wel en k vn t zund / Dt vruuger nie gebeurde / Toen was alln mar "slibbere" / Al wgge 's wnters heurde.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 02 19 - "Och jao, 't is de rchter hier / Netuurluk wel gegund / Mar agge't efkes goed bekkt / Is 't erges k wel zund."
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 05 08 - Z onverdoens m'n centen kwt / D vn ik toch mar zund.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 07 26 - W is 't toch zund
- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Onze Co vond d zund

 

zunne

samentrekking

zo een, zo'n

- Hoe komt zunne sinjeur naa nog aon 'n wefke? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Tijs Dorenbosch - Vignet uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

 

zunneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

zonnetje

- Cees Robben - t Zunneke schnt... (19580315)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zunneke - verkleinwoord van 'zn', met umlaut

 

zurkel

zelfstandig naamwoord

- WBD III. 4. 3:265 zurkel - zuring (Rumex)

- WBD III. 4. 3:262 kleeverzurkel - witte klaverzuring

- WBD III. 4. 3:266 zurkel - paardezuring

- WBD III. 2. 3:90 'zurkel' = zuring

 

zus

zelfstandig naamwoord, eigennaam; in een gezin dat reeds jongens telde, kreeg het eerste meisje vaak de voornaam 'Zus'.

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zus zelfstandig naamwoord  - Als na het eerste kind (een jongen) een meisje geboren werd, werd dat dikwijls zusje of zus genoemd.

 

zuuke

werkwoord, sterk

zoeken

- zuuke - zcht - gezcht - korte uu

- A.J.A.C. van Delft - "Hij zuukt 't, waor tie 't nie verloren hee" zegt men voor een albedillende zoeker. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- A.J.A.C. van Delft - Als iemand iets goeds of een goede betrekking verwaarloost, zegt men om z'n verontwaardiging uit te drukken: "Hij zal het nog mee 'n kerske (of: 'n lanterntje) gaon zuuken." Ook hoort men: "Hij zal er z'n vingers nog ooit naor afbijten." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Dialectenqute 1887 Willems - Ze zuukt derge mooi te maoke - Zij zoekt zich op te tooien.

- Dialectenqute 1887 Willems - Et knd zuukt zen ge te verschoone. - Het kind tracht zich te versch.

- Cees Robben - hij zuukt et geluk; hij gng ze zuuke;

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - "De buurvrouw hee me k gevraoge / Zuukt is naor 'n goei kesjet

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - naa ziek wk zuuk - nu zie ik wat ik zoek

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - goed zuuke zi-j, d zak zik

- Pierre van Beek - voejer zuuke vur aandermans gt;

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zuke - zoeken

- Dialectenqute 1887 Willems - zuukt is nr menen hoed; ik weet nie waor ik em zuuke moet

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - srt zuukt srt, zi den duuvel teege de schrstenveeger ('84)

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ZUEKEN, voor zoeken, doch slechts onder het gemeen. Ook bij oude lexicographi zoo wel zuecken als verzuecken.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z. ke (n), zw. ww. tr. ' zuken' - zoeken

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUKEN - zoeken

 

zuuker
zelfstandig naamwoord
iemand die de natuur goed opneemt om ervan te genieten
- Cees Robben - Peer van Dun was unne dwaoler/ Unne zuuker, die de haai in den blende kos belpe (19570119)
 

zuukerd

zelfstandig naamwoord

achterdochtig iemand die overal iets achter zoekt, speciaal gezegd van een politie-agent die uit is op een verbaal

- Anoniem Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie -

Nillus ha de klosse over laote loope
en daor haddet gatverjuw,
Dieje zuukert, de meulesteller,
stond bezije de contenu.

► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm
- Stadsnieuws -   Tis nie zo hndeg agge meej ene zuukerd getrouwd zt - ... met een achterdochtig persoon ... (300108)

 

zuukpltje

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zoekplaatje

 

zuur, zoer

bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

zuur

- WBD zuur nat (van akkerland)

- Pierre van Beek - en zuur prd - ondeugend onbetrouwbaar paard

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - 'nen zuren aap'el

- comp. zuurder, superl. zuurst

- Dialectenqute 1887 Willems - die mlk is dun en zuur

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z zuur as ene krhngst (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) [ 'zuur' betekent hier agressief, onhandelbaar, zoals een hengst voor een gespan, lange uu, echter korte in de comp.]

- WBD III. 3. 1:219 'zuur', 'moeilijk, stroef, nors' = stroef (in de omgang)

- WBD III. 1. 2:252 'het zuur hebben', 'het zuur krijgen' = maagzuur oprispen

- WBD III. 1. 3:122 'zuur' = zitvlak v.e. broek

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Zuur in oew broek hbbe Er is veel loze ruimte achter in de broek (vergelijk: een pond broek n en ons kont)
►Kont
- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zoer (krt. blz. 12)

- WBD III. 2. 3:96 'zure bom' = augurk

 

zuurbl

zelfstandig naamwoord

korte uu

- Informant Ad Vinken; wijnbal (snoepgoed)

 

zuurdeg

zelfstandig naamwoord

zuurdeeg

lange uu

- Audioregistratie 1978 - n dan vatte ons moeder en stuk zwart brod () D weet ik ng goed zuur brod, j, meej zuurdeg gebakke nt as den Dtser dieje kuch doen, h!  (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- WBD zuurdeeg (door gisting verzuurd deeg), ook 'zoerdeg' genoemd

- WBD zuurdeg ztte - zuurdeeg maken

 

zuure

werkwoord, zwak

zuren

- lange uu wegens eropvolgende r

- WBD zuure - zuren, huiden ter voorbereiding op de looiing behandelen met azijn- of mierezuur

 

 

zuurke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van een zuur

- WTT 2019 - Ook met de korte u

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zuurtje

 

zuurkesnat

zelfstandig naamwoord

- WTT 2019 - Drank (nat) met een zoete smaak.

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - slap aftreksel, slappe limonade

 

 

Foto: CuBra 2019

 

zuurkolkaaj

zelfstandig naamwoord; korte uu

zuurkoolkei; kei ter afsluiting van zuurkoolpot

- A.J.A.C. van Delft - Om aan te duiden, dat het in een huishouden een kale boel was, zei [Dusee] hij: "Ge vindt er niks als een opgedirkte dochter en 'n zuurkoolkaai."  (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

- Pierre van Beek - Om aan te geven, dat het er in een huishouden een kale boel was, zei hij: "Ge vindt er niks as een opgedirkte dochter en 'nen zuurkoolkaai"... Voorheen maakten de mensen vaak zelf hun zuurkool in. Daarvoor gebruikte men een Keulse pot. Op de zuurkool kwam een plank te liggen en daarop, voor de druk, een straatkei. Het eten van zelfingemaakte zuurkool wees niet direct op weelde. (Tilburgse Taalplastiek 24-6-1964)
- Jan Schellekens, uit: Herinneringen aan de Hoogvensestraat, CuBra circa 2003 - Wat je nodig had was een grote keulse pot, een rond plankje, een linnen doek en een gewicht. In de pot kwam gesneden witte kool. Daar werd pekel bij gegoten (ik vermoed gewoon water met zout), de linnen doek er overheen met daarop het plankje. Maar dan het gewicht. Wie heeft er een gewicht van zo'n kilo of vijf-zes in huis. Het toeval wil nu dat net in die tijd bij ons in de straat de kinderkopkes vervangen gingen worden door klinkers.

► Voor de website van Jan Schellekens in CuBra: Klik hier

 

 

zuurkolstaamp

zelfstandig naamwoord; korte uu

zuurkoolstamp

- Ik zie liever 'nen dampenden berg zuurkoolstaamp mee 'nen kwartmeter verkensworst erbij. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

- Piet van Beers Vrmde kst: Gif mn mar wk hier gewnd z,/ ene goeje vtte pt./ Zuurkolstamp f brne bone.../ n 'n nutje toe...  tt slt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

zuurseg

bijvoeglijk naamwoord 

waarschijnlijk korte uu

- WBD III. 2. 3:31 'zuursig' = rins, ook 'ranzig'

 

zuursteel

zelfstandig naamwoord

- Informant Ad Vinken; zuurstok (bep. snoepgoed) korte uu

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

zuut, zuuter, zuutst

bijvoeglijk naamwoord en trappen van vergelijking

zoet, braaf (van b.v. een kind)

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) -  en zuut winsje - een behoorlijke winst

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) -  zuutjes aon - kalmpjes aan; zuutjesaon

- Piet Heerkens, uit: Dn rgel, Iemker-lieke, 1938 - haol honing, biekes, lekker zuut, /gezond en fijn...

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939 - Toen wier d'r zuutjes op de deur geklopt, en Mientje kwaam mee 'n heel zuut gezichtje binnen...

- Cees Robben - Komdom daaier zuute kiendjes..? (19540417

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 -  zuut - zoet

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 -  zooj zi zn zamml zuut - naar hij zei, zijn ze allemaal zoet

- Stadsnieuws -   Zudde naa zuut zn n zachjes doen op zulder? (230809)

- Stadsnieuws -  zt zuut zat zn? - Zou het zo zoet genoeg zijn? (050206)

- WBD III. 4. 4:325 'zuutjes' = langzaam

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - z.t, bijvoeglijk naamwoord  'zuut' - zoet

- J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ZUET, voor zoet. De aan het Hoogd. komende uitspraak.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - ZUET voor zoet. Deze uitspraak, in de Stad en meierije alg. in gebruik, vind men bij Kiliaen -  en Plant. aangetekend.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zuut (krt. 48), met umlaut

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUUT - zoet

- Ed Schilders; Zot zo zuut zat zn, uit de Tilburgse revue Meej de meziek mee, 2003 -

 

Joris Donders en Maud van de Luijtgaarden als Nelleke en Flipke. Nelleke zingt:

Ik waar nog mar 'n hel  kln kiendje

Toen ons moeder zeej: d knd

Lust gin ham, gin ks meej pitjes

Dddis tch wel 'n bietje vrmd.

 

Ze wordt zo maoger as 'n rietje

W'k ok op d'r brooike pr

Mar toen kocht ons moeder Flipke

En die ging 'r in as smr.

 

En toen zeej ons moeder:

Is't zo zuut zat m'n knd?

Zt z zuut zat zn, kiendje?

En ons moeder mar smre

Die heej me verwend.

Tilburgsche Courant 28-2-1915

 

zuutbrod

zelfstandig naamwoord

korte uu

zoetbrood

tarwebrood dat tegenwoordig half-om-half heet

voor 1940 een van de standaardsoorten brood met door de overheid bepaalde prijs

- Jan Naaijkens - Ome Gust was bakker en herbergier tegelijk. Een deel van het caf was afgescheiden door een glazen wand waarachter zich de winkel bevond waar ge voor een dubbeltje een mik, een zoetbrood of een roggebrood kont kopen, veel meer keus was er niet. (Het Dorp van onze jeugd; 1999)
- WBD III. 2. 3:188 'zoet brood' = tarwebrood

- WBD III. 2. 3:189 'zoet brood' = half en half (Brood van tarwemeel met roggemeel vermengd.)

- [Voor Tilburg geeft het - WBD voor deze mengvorm ook ►hartjesbrood

 

zuuteghd

zelfstandig naamwoord

datgene wat zoet is, speciaal. snoepgoed

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZOETIGHEID (zuutight) v. - alles wat zoet is (zie blz. 63)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'zutigheid' - zoetigheid (snoeperij)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZUTIGHEID zelfstandig naamwoord  v. - zoetheid, zoetigheid

 

zuutekrp

zelfstandig naamwoord

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zuutekrep noemde men vroeger het bloederige vleesch rondom de steekwonde bij het varkens slachten"

- N. Daamen (handschrift 1916) - "zuutekrep - hij is nor z'n zuutekrep (naar zijn liefje) "

- WTT 2012 - Het bloed heeft mogelijk een zoete smaak aan het vlees gegeven. Door de aanwezigheid van bloed in het weefsel kon het vlees van de steek niet geconserveerd worden, en moest het kort na de slacht verorberd worden.En Daamen zat er ook beslist niet naast toen hij in1916 in zijn schrift optekende dat zuutekrep ook gebruikt werd voor liefje.

►Zie Dossier Varken Culinair

 

zuuthaawe

werkwoord, sterk

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zoethouden, zwijgen over

 

zuuthout

zelfstandig naamwoord

zoethout; snoepgoed

- Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepl in n n rozehuuke bidde vurdmme vur en of twee cnte snuupkes mochte kope. En ik moet zgge, dan smkte-n-et ok beeter. Et joodevt, de stroopseldtjes, de drpveeters, t zuuthout, toverblle. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

zuutjes, zuutjesaon

bijwoord 

zoetjes, langzaam

- mar 'k wier et zuutjes beu... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Mijn irste broek, 1941)

- Mar d gonk toch ok nie op den duur, en zo zk heel zuutjes aon gewend. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - Zuutjes kuieren, luikes luieren (19540612)
- Cees Robben - En de wend die fraozelt zuutjes,/ liefdesliekes in mun oor.. (19540612)
- Cees Robben - ...bedeesd en zuutjes (19571207)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 22 - Naauw is er van die aauwe glorie / Zuutjesaon niks mir te zien.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 11 03 - Ge moest 'm mar is zuutjesaon / Mee unne schoen op z'n harses slaon. [Verwijzing naar Chroetsjov die in de vergadering van de Verenigde Naties met zijn schoen op tafel sloeg.]
- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - lop tch nie zo zuutjes - loop toch niet zo langzaam

 

zwaaje

werkwoord, zwak

zwaaien

- WBD zwaoje - onder het stappen de hoeven naar buiten bewegen, ook genoemd 'maaje'

 

zwabberdoes
zelfstandig naamwoord
feestvierder
- Is 't dan zoo'nen zwabberdoes? Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.
 

zwabbere

werkwoord, zwak

- WBD III. 1. 2:123 'zwabberen' = slenteren, ronddolen; ook: rakken, bollin

 

Zwallem, de

toponiem

De Zwaluw

- Audioregistratie 1978 - Wij hadde giender in, achter in de Zwallem, Zwallem n de Wlwijksebaon, daor han we tweej, drie akkers. Die hbbe we ndderaand verkcht, omd we, de jonges zchte gin boerewrek te doen. (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

zwans

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - penis

- WBD III. 1. 4:241 'zwanzen' = spotten

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zwans zelfstandig naamwoord  - mannelijk geslachtsdeel

- WNT - ZWANS - 1) staart (v. e. dier) ; 2) mannelijk lid (nog bewaard in volkstaal 3) als scheldwoord

 

zwaoger

zelfstandig naamwoord

zwager

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zwager

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - onze / jullie(je) / hullie zwaoger

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - verkleinwoord zwaogertje, ook zwaogerke

 

zwaogerin

zelfstandig naamwoord

schoonzuster

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - zwaogerin (krt-103)

 

zwaon

zelfstandig naamwoord

zwaan

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vrouwelijk - zwaan

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWAAN zelfstandig naamwoord  v. niet mannelijk - zwaan

 

zwaor, zwrder, zwrst, zwaore

zwaar, zwaarder, zwaarst, een zware

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwaor - zwrder -zwrst /zwaorst

1 zelfstandig naamwoord

zwaore

van gewicht

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 06 28 - De Thijs [...] is k zonne zwaore...

- WBD - zwaore - zwaar paard, ook 'bnk' genoemd of (Hasselt) 'bls'

van karakter

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980, 2019 iemand die wat licht in het hoofd is.

tabak

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 06 15 - "Segaare of 'n pekske sjek / Hle of halve zwaore

Voor de volledige lijst klik hier

2 bijvoeglijk naamwoord

- Dialectenqute 1887 Willems - spaoje is zwaor wrek

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 07 02 - 'k Kan timmere en metsele / Vur zwaor wrk z'k nie bang / Mar ik weet wel gre vuraaf / W'k vur m'n sjouwe vang.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 01 12 - Mee afgelaoje zwaore tasse

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 27 - Hij sjouwde mee 'n zwaore kr / Dur 't hartje van de stad / Hij was z kln, de kr z grt / D'k meelij mee 'm had.

- WBD - zwaor koej - stukkig (forsgebouwd), ook 'stugge' of 'grffe' koej genoemd

- WBD zwaor - compact of stug (gezegd van bakkersbloem)

- WBD zwaor II:914, gezegd van weefsel

- WBD III. 1.1:16 'zwaar' = grofgebouwd

- WBD III. 1.4:357 'zwaar' = lastig

- WBD III. 2.3:33 'zwaar' = stevig (voedsel)

- WBD III. 4.4:82 'zwaar weer' = onweer

3 bijwoord

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 12 11 - Hij hagget blkbaor zwaor te stellen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 08 30 - D'r tassen waren vol en zwaor

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 10 06 - "Want zdde 'n bietje zwaor van lf / Dan hdde al gaauw laast / Om dgge mee oe dikke braoi / Nie in zo'n stuultje paast.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 02 19 - Sjeraar zaat zwaor te prakkezeere...

4 vergrotende trap

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwrder, naast zwder

5 overtreffende trap

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwaorst / zwrst, maar met flexie-e: zwrste

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945 - KAREL. Wet zworste is d mot ok t zworste wege.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 08 30 - 't Zwaorst is dieje rje kl / Hij is haost nie te draogen
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 07 24 - De liste likes zn 't zwaorst

 

zwaore

zelfstandig naamwoord

zwaor

 

zwaovele

werkwoord, zwak

zwavelen

- WBD zwaovele - kalken van huiden bestemd voor tuig- of overleer

- WBD II:603, ook 'kalke' genoemd

 

zwart

bijvoeglijk naamwoord 

zwart

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwart + st = zwarst (superlatief)

- A.J.A.C. van Delft - "Een zwarte hond wasch je nooit blank." Dit is: Van kwaadsprekerij blijft altijd iets hangen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- Pierre van Beek - "Zwart als een krei (kraai)", "Zwart als een moor", "Zwart als een neger", "zwart als de duvel".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- Stadsnieuws -   Et zaag er zwart vant vlk; drie fraaters n ene koolenboer. (020406)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zwarte sneuw gegeeten hbbe ('77) - armoede gekend hebben

- WBD III. 3.1:32 'een zwarte' = neger

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zwart bijvoeglijk naamwoord  - zwart; ook gebruikt in de zin van 'vuil'

 

zweg, zwegt, zwege

verleden tijd van ►zwge

 

zwge

werkwoord, sterk

zwijgen

- Dialectenqute 1887 Willems - zwge - zweg - gezweege

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 01 03 - We hebben ieder t ons gezee / Dus verder naauw mar zwgen.

63 12 13 - En over unne meens die drinkt, / Zumme gewoon mar zwgen.

tegenwoordige tijd

geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

- Cees Robben - Och, lt ik er mar oover zwge [onbekende datum]

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - Ik moet zwge want ik hb en winkeltje neutrale opstelling v. kleine middenstander.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier,

verleden tijd

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 12 22 - Mar hullie moeder zwg.

gebiedende wijs

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - zwg stil! - hou je mond

tegenwoordig deelwoord

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 04 05 - Ze zegge triestig: "Onzen bt / Lee zwgend vur de kust"

 

zweel

zelfstandig naamwoord

- WBD III. 1. 2:350 'zweel' = eelt (knobbel)

 

zwn, zwntje

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

zwijn, zwijntje

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - toevalstreffer bij het biljarten

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWIJN - fig. overdadige en beestachtige mensch

 

zwep, zwipke

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

zweep, zweeepje

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWEEP (scherpl. e) zelfstandig naamwoord  v. - verkleinwoord zweepke(n), zwepke(n),zwippeke(n)

 

zwr

zelfstandig naamwoord

zweer, verzwering

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - Hoe komt d vraogt hil Enschot naauw / Dmme gin volk mir zien / Mar j, d'r zn gin zwre mir / D doe de pensjelien.

- WBD III. 1. 2:263 'zweer' = gezwel

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWR zelfstandig naamwoord  m, niet v. - Frans ulcre. Ik heb 'ne zwr aan m'n been.

 

zwrd

zelfstandig naamwoord

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWEERD zelfstandig naamwoord  o. zwaard

 

zwre

werkwoord, sterk

zweren (van een wond)

zwre - zwoor - gezwoore

- Dialectenqute 1887 Willems - zwre - zwrde - gezwoore

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (zwere - zwor - gezwore)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben -  (Echt gebeurd: ) Pastoor: Zedde gij gevormd, Jan? Jan: Jao Pastoor, in menne bovenrrum en t hee gezwoore k (17-10-1972)

- Cees Robben - n et heej ng gezwooren ok;

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007) - Nao drie of vier daogen, ik weet d niemer percies, moeste dan terugkome, dan keke ze of et al waar gaon zwre.

 

zwreve

werkwoord, sterk

zwerven

- Dialectenqute 1887 Willems - zwreve - zwurf - gezwrve

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwreve - zwieref - gezwreve

 

zwrevers
zelfstandig naamwoord
zwervers
- Cees Robben - De zwrevers knielden bij t kribbeke neer... (19600102)
 

zwet

zelfstandig naamwoord

zweet

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Lui zwet is gaa gered.

- WBD 'zweetbant' (II:l386) - zweetband (in een pet)

- WBD III. 1. 4:393 'kaal zweet' = kouwe drukte

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zwt zelfstandig naamwoord  zweet; Luij zwt is gaaw gerd.

 

zwete

werkwoord, zwak

zweten

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij zwit

- Dialectenqute 1887 Willems - zweete (zonder naglijder), zwitte - gezwit

- De Wijs  - Daanste gij nie Sjaan? N, waant as ik daans, dan zwt ik en als ik zwt dan stink ik. (15-06-1963)

- Piet van Beers Griepepidemie: Ze heej al lieters thee gedronke/ n ze zwit den hillen td. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ZWEETEN - zweten: Zweeten gelijk e prd; iemand doen zweeten - hem hard doen werken; vochtig worden, uitslaan

Oude verleden tijd

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 06 07 - Sodeju w is 't toch wrm / Ons Sjaan die zwiet k al, ochrm.

 

zwethiele

zelfstandig naamwoord, meervoud 

zweeethielen

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - tuinbonen

 

zwetvoete

zelfstandig naamwoord, meervoud 

zweetvoeten

- Cees Robben - mn zwetvoeten n jouw kaaw haande

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mv. - zweetvoeten, sterk transpirerende voeten

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWEETVOET zelfstandig naamwoord  mannelijk - zweetvoet

 

zwetvs

zelfstandig naamwoord

- WBD benaming voor de zgn. koffievos met 'koffiekleur' als een type zonder nadere kleuraanduiding

 

zweve

werkwoord, zwak

- Dialectenqute 1887 Willems - zweve - zwifde - gezwifd

in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij zwift

zweven

 

zweevel

zelfstandig naamwoord

zwavel

- Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - zwvel zwavel

- WNT - ZWAVEL. zwevel, zwegel

 

zwlle

werkwoord, sterk

zwellen

zwlle - zwol - gezwolle

 

zwmme

werkwoord, sterk

zwemmen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwmme - zwm - gezwmme

 

zwntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'zwn'

zwijntje, met vocaalkrimping

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - zwntje

 

zwrderij, zwrderij
zelfstandig naamwoord
aandoening met zweren; door Robben gebruikt in verband met de bedevaart naar Sint Job in Enschot; Job is geneesheilige inzake zweren.
- Cees Robben - [Sint Job] bewaor ons vur de zwerderij... (19600520)
 

zwtsklot

zelfstandig naamwoord

kletskop

- Ge zt enne zwetsklot en d zde, namen aandere meense et vur onze vadder op. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

zwiemke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Pierre van Beek - dun, zwiepend takje, dat 'doorslaat' als men het gebruikt

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - ge slaot nie meej d zwiemke, hurre - je slaat niet met dat zweepje, hoor

- WBD III. 4. 3:78 zwiemke - lange dunne tak; ook genoemd: zwiep, gard, sliert

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - zwiemke, zelfstandig naamwoord  o. - jong zwiepend takje, waarmee gemene klappen gegeven kunnen worden; ze moese jou op oe kont slaon mee 'n zwiemke waor zeuve jaor de nachtegaal op hee zitte zinge.

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zwiemke zelfstandig naamwoord - twijgje

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zwiemke - veerkrachtige twijg (hilv.)

- WNT - ZWIEM - buigzame, zwiepende tak of twijg

 

zwiep

zelfstandig naamwoord

- WBD III. 4. 3:78 zwiep - lange dunne tak, ook genoemd: gard, sliert, zwiemke

 

zwiers

zelfstandig naamwoord

- WBD afgeroomde melk, ook 'ndermlk' genoemd

- korte ie

- Cees Robben - [de stier spreekt] Ik (...) snoepte van dn  zwiers en t gras/ Dn klver en dn rme... (19600415)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZWIERS (kort uitgesproken) v. - taptemelk, symbool v. mager drinken.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwirts, waarnaast soms 'zwirs', zelfstandig naamwoord  m 'zwierts' - ondermelk, taptemelk

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   zwiers zelfstandig naamwoord  - ondermelk

- WNT - ZWIERS - (gewestelijk) dunne, afgeroomde melk met waterachtigen schijn

 

zwiet, swiet

zelfstandig naamwoord

air, hooghartigheid, bluf, lef, opschepperij

- Informant Toine Raaijmakers - Zullie meej hil dere zwiet. - Zij met al hun air.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - ZWIET v. - opschepperij, deftigheid; (Fr. suite: gevolg; Lat. pompa?) 'hoge zwiet'.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zwit, zelfstandig naamwoord  mannelijk 'zwiet' - groot vertoon, kale drukte

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZWIET zelfstandig naamwoord  mannelijk - groot vertoon, pracht, praalvertoon

- WNT - ZWIET. swiet, swijte - 1) stoet, groote groep, troep, menigte; 2) al te groot vertoon, pralerij, groote sier, grootdoenerij, inz. op het vlak van kleedij en voorkomen of handelwijze.

 

zwietslaon

werkwoord, sterk

- Pierre van Beek - "zwietslaon" is zich deftig voordoen;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

zwikke

werkwoord, zwak

- WBD overhalen: het overleer op de leest om de rand v.d. binnenzool slaan en met een tang glad trekken (II:745)

 

zwingel

zelfstandig naamwoord

- WBD zwengel van de windas (boven de put), in de Hasselt ook genoemd: 'zwngel' of 'draajer'

 

zwipke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

zweepje

verkleinwoord van 'zwep', met vocaalkrimping

- Cees Robben - [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke... (19800418)

- WBD III. 4. 4:107 'zweepje' = zacht windje; ook 'zoefje'

 

zwirke   

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van zweer

- WBD III. 1. 2:334 'zweertje' = zweer

 

zwit  

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'zwete', met vocaalkrimping

- Cees Robben - Dn boer die zwit.. (19590509)

 

zwitte
verleden tijd van zwete
zweette
- Cees Robben - Ik zwitte kruis en munt bij mekare. (19680913)

 

zwoertjes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van zwoerd
zwoerdjes
- Cees Robben - (19611221)
 

zwlleke

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zwalken, zwerven

 

zwlm, zwllem, zwluuw, zwaolem

zelfstandig naamwoord

zwaluw

 

Ill. Naumann

 

Luister naar het geluid van de boerenzwaluw

 

- Pierre van Beek - 'as de zwollem weg is'

- Dialectenqute 1887 Willems - de zwleme zulle vrt gaaw trugkoome

...alleen de merel zong ieveraans in 'n buske en de zwaolleme vlogen hoog deur de locht. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)

- Piet Heerkens uit: De Kinkenduut, De zwaolleme, 1941 - De zwaolleme zitten al klaor op den draod / in lange rechte rije, / ze draaien d'r kpkes naor hier, naor daor, / ze aaien d'r rkskes en kammen d'r haor, / ze kijken, ze reiken naor 't wije.

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej vrienden ist nt as meej zwlme: ge ziet ze allenig meej schon weer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - uiting van een gedesillisioneerd mens

- Cees Robben - ...schrverkes en zwollemen (19600708)

- WBD III. 4. 1:110 'zwolm', 'boerezwolm' - zwaluw (Hirundo rustica)

- WBD III. 4. 1:112 'zwolm' huiszwaluw;

- WBD III. 4. 1:116 'zwolm' - gierzwaluw

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - ZWALUW - zwolem, zelfstandig naamwoord  mannelijk

- Jan Naaijkens, D's Biks, 1992 -   'zwolleme' zelfstandig naamwoord  - zwaluwen

- WNT - ZWALUW, zwaalf, zwalk, zwalm, zwavel, enz. - Hirundo Rustica L.

 

Ill. Thom - zwlmstrt - sagittaria sagittifolia

 

zwlmstrt

zelfstandig naamwoord

zwaluwstaart

- WBD (II:2498) 'zwollemstart' (en/of '-stert'?) 'mee nen zwolmstert'

- WBD III. 4. 3:409 zwlmstrt - pijlkruid (Sagittaria sagittifolia; ook plkrd genoemd

 

zwluuw

zelfstandig naamwoord

zwaluw

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - zwaoluw

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - de zwluuwe zulle vlug t(e)rugkoome

 

zwrder

vergrotende trap van 'zwaor'

zwaarder

zwaor

 

zwrdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Henk van Rijen, Mn Tilbrgs Wordeboek, 1988 - zwoerdje, zwaardje

 

zwrst

overtreffende trap van 'zwaor'

zwaarst

zwaor


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home