INHOUD WTT

HOME

De start van het Woordenboek van de Tilburgse Taal werd mede mogelijk gemaakt door

 

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tòt zaandkèùl) werd geschreven door Jace van de Ven.

 

Klik hier voor de letters die niet tot de officiële spelling behoren:

C

Q

X

Y


De letter S

is voor het laatst aangepast en aangevuld op 7 september 2023. De redactie is nog niet voltooid.


A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

 

WTT

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tilburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van saanderendags tot swirskaante

's

verkorte vorm van 'ons'

in deze vorm alleen opgetekend bij Lechim

vooral bekend van de samentrekking 'smoeder', 'ons / onze moeder'

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 11 02 - Toch valle die blaoikes / D'r èèn vur èèn aaf / Zò vat 'sLieven Hèèrke / Alles t'rug wèttie gaaf.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 08 26 - En die doen daorbij kleere aon / Uit 's opoe durre tèd

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 07 10 - "En onder ons gezee: Ik hoop 't, / Dèt waor is wè 's moeder vertelt

►Voor deze verkorte vormen zie ook lemma 'we en 'ze, 'zen

 

saanderendags, saanderendaogs

bijwoord (samentrekking)

des anderen dags, de volgende dag

de eerste s is dus eigenlijk hetzelfde als bijvoorbeeld de 's in 's maandags, 's avonds, 's zomers

- A.J.A.C. van Delft - Is iemand niet thuis, dan "is ie krèk weg", "komt seffens thuis" of wij "komen saanderdags" of "van 't naagtemiddag mar weer is aon". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Cees Robben - ’s aanderendag toen Sjef zun vrienden/ zien liet wettie zôal kon... (19540717)
- Cees Robben - En saanderen dags schreven ze.. Niks mir aon te doen.. (19730316)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 04 04 - Waren ze 't 's aanderedaags kome maoke

- Audioregistratie 1978 - Èn saanderendagsmèèreges meej ene volle waoge kaf hil de wèg vol gestrôojd! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Henriëtte Vunderink - Èn saanderendags kwaam zer wir aon. (Et möske, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

- Èn 's aanderendaogs ha ik enen houtere kop, dè wilde nie gelèùve. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sanderendaogs, bijw. verb. - 's anderen daags, de volgende dag

 

saansele

werkwoord, zwak

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - langzaam lopen in de zin van treuzelen

- Stadsnieuws - Hij saanselde wè vurdèttie bè zenen baos nòr binne gong - Hij treuzelde een beetje voordat hij bij zijn chef naar binnen ging (191008)

- WNT - SANKELEN, sjankelen. Wellicht onder invloed van Frans: chanceler = wankelen, strompelen. Gewestelijk in Zuid-Nederland.

 

saatemiddags

bijwoord (samentrekking)

na de middag

mogelijk is de eerste s dezelfde verkorting van 'des' zoals in saanderendags (hierboven), samengetrokken met 'na de middag'.

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Komde daor nog wellis? - Jaowel, ’s Zaoterdags saate-middags (11-02-1965)

 

saawel, saawelpraot

zelfstandig naamwoord

kletspraat

- Cees Robben - Dès sauwel... (19600408)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - saawel op ene riek - louter kletspraat

- Stadsnieuws - Wènne saawel, daor gelêûf ik gin flèùt van. (040608)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1899 - SAVEE - (zachte, beklemtoonde e) zelfstandig naamwoord mannelijk - flauwe praat, zoutelooze redenen. Ik kan met dieë savee niet goed om.

- WNT - SAUWEL - luie of praatzieke vrouw.

 

saawele

werkwoord, zwak

kletsen, zwammen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Der wòrdt teegesworreg veul gesaaweld.

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "Saauwelen - kletsen"

- Sommige kraanten saawelen dè Jantje [Pijnenburg] in Brussel mee rijdt in den zisdaogschen, mar Artskes kraant hee gezee, dè-t-er vurloopig nog niks van waor is. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

- KAREL. Och Sjarel, saawel naa toch nie. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

- Toen wier er verder nie mir over gesaaweld… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- Hij [Jezus] waar nog en end wiste waandele meej de Emmausgangers mar die sufferds han ôk niks in de gaote gehad, die han toch lekker lôope te saawele meej em. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Dan kwaam zij ok nòr bèùte èn dan kosse we goed zôo en uur òf tweej gòn stòn saawele. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

- Stadsnieuws - Ge mot nie zo saawele, daor krèede mar dikke bêene van. (020408)

- WBD III.3.1:278 'sauwelen', 'wauwelen' = praten, kletsen

- WNT - SAUWELEN - 1) talmen, treuzelen; 2) kieskauwen; 3) beuzelachtige praat houden, kletsen (o.a. in de Meijerij)

- Jan Naaijkens - Dès Biks, 1992 - saawele ww - sauwelen, beuzelpraat verkopen, kletsen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sa.wələ(n) zw.ww. intr. 'saauwelen' - sauwelen, beuzelachtige praat houden.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - SAUWELEN - ergens over veel en lang praten, zonder iets te zeggen.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhout), 1978 - SAUWELEN (saawele) onov. ww - wauwelen, sjouwelen, onsamenhangend kletsen, vooral over onverstandig gekozen onderwerpen.

 

saawelèèr

zelfstandig naamwoord

kletser, wauwelaar

- Cees Robben - M’n saauwelèrke dè ge zèèt... (19581220)

- Pierre van Beek - Iemand, die praat, dat 't nergens op lijkt, is een "saauwelèr". Van die dialectische uitdrukkingen zijn er vele. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Jao, mar dès ene saauwelèèr/ om ons zo af te poeiere... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gedaon meej et goej lèève)

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns; Et Buukske - Wè en hoe in de Tilburgse Taol, 2008 - saawelèèr - kletsmajoor; ook wel: tonpraoter

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- WTT 2019 - Naam van een kruidenbitter, variant op schrobbelèèr

 

Foto: CuBra 2019

 

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster, 1968) - SAUWEL - ene die veel praat zonder iets te zeggen.

SAUWELAAR - een praatvaar, die veel praat zonder iets te zeggen.

 

saaweljaans

zelfstandig naamwoord

samentrekking van saawele en de vrouwennaam Jans

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kletswijf

 

saawelpraot

zelfstandig naamwoord

kletspraat

- Cees Robben - As ik teut ben... zeej ons Fonske.. / En des ginne sauwelpraot/ Dan kan ik gedichte maoken/ Waor gij van te kèèke staot... (19620504)
- Cees Robben - saauwelpraot op hoog niveau... (19860704)

 

saaws

zelfstandig naamwoord

saus

- Pierre van Beek - Gezeten aan de boskant, in de zon of in de schaduw - al naargelang het hun die dag belieft - roken ze er hun pijpje, praten over vroeger en vertellen er hun sterke verhalen... Zoals dat van de legendarisch geworden Duitsers, die eens met stoommachines "De Utrecht" geploegd hebben en waarvan de herinnering voortleeft door
hun liefde voor de Nederlandse jenever: "Ze goten hem als saus over de aardappels!"... (Het Nieuwsblad van het Zuiden - vrijdag 30 augustus 1968; Hoe "Luther" terecht kwam in een stil grensdorpje)
- Lodewijk van den Bredevoort - Èèrpel mee botersaus en un aai, un héél aai, hoe was et meugeluk. Gebakken èèrpel kwaam ôk wel ens veur, asse pas nuuw waren of soms allèèn mar èèrpel meej jèùnsaus, nèè op dieje vaaste en onthoudingsdag waar menne honger nie grôot, dè hè’k aaltij goed onthaawe. Daor waar et dan ôok enne onthoudingsdag veur. (Jo van Tilborg - Kosset den breune eiqeluk wel trekken 11; 2006)
- Lodewijk van den Bredevoort - Ik heb menige keer men èèrpel mee spekvet, dunne saus genoemd en nie te vreten, dan meej lange taande, zitten te nuttigen onder zon (Jo van Tilborg - Kosset den breune eiqeluk wel trekken 11; 2006)
- Lodewijk van den Bredevoort - Aate wij vruuger op vrijdag nog wel ens vis of mossele, ‘vuls te duur’, wierter gezeej. Un aai meej botersaus, of allêen èèrpel meej jèùnsaus. (Jo van Tilborg - Kosset den breune eiqeluk wel trekken 11; 2007)
 

sabbere

werkwoord, zwak

sabbelen, kluivend zuigen

- WBD III.2.3:9 'zabberen' = knabbelen 10 'sabbelen' = likken

- WNT - ZABBEREN, sabberen - 1) kwijlen (verouderd); 2) (tong)zoenen (sinds lang verouderd; 9) v. vloeistoffen: druipen, sijpelen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZABBEREN - zachtjes en aanhoudend aan iets zuigen.

- J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - 'Sabberen' voor 'zeveren';

 

sagrèèn

zelfstandig naamwoord

chagrijn

uit Frans: chagrin, verdriet

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in Groot Tilburg 1941 - ... degge oe eige veul sagrijn kunt bespaore...

 

sakkerdaniel

tussenwerpsel, bastaardvloek

de uitspraak is niet helder. Het eerste lid is een verbastering van het Franse 'sacré', geheiligd, heilig; mogelijk is het tweede lid gebaseerd op de naam Daniël, de schrijver van het gelijknamige boek in het Oude Testament. Ook in het Frans heeft 'sacré' in de volkstaal de betekenis van 'vervloekt', 'maudit'.

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "sakkerdaniel - n'uitroep"

- WNT - SAKKER ontleend aan Frans: sacré, als eerste lid in merendeels verouderde bastaardvloeken

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerdekont

bastaardvloek, fantasievloek

- Tony Ansems - En as ge nao 't examen/ De post op bent gaon haole/ Dan vende uit, sakkerdekont/ Ge zeit al weer gezakt. (uit ‘Vursorteren’ (1971), van de cd ‘Gatvermiedenhoed’, 2010)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerdoome

tussenwerpsel, krachtterm

waarschijnlijk een samentrekking uit het Franse 'sacré', geheiligd, heilig, met 'doome' in plaats van het religeuze 'dominus', Heer. Ook in het Frans heeft 'sacré' in de volkstaal de betekenis van 'vervloekt', 'maudit'.

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "sakkerdoome! - 'n uitroep"

- WNT - SAKKER van Frans: sacré: in meerendeels verouderde bastaardvloeken

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkere

werkwoord, zwak

- Kubke Kladder (Pierre van Beek) - Hij was zô kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme wè sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren! (uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilburgsche Courant 1929)

- Piet Heerkens - Die heidenen in et bos/ wie zou d'r nie op sakkere,/ sakkere,/ die heidenen in et bos/ ze jakkeren over et mos. (uit: ‘In et bos’, in De kinkenduut, 1940)

- Jan Jaansen (Piet Heerkens) - Er wier gevloekt en gesakkerd en gegild en de kender begosse van louter plezier kopje te duikelen over de natte waai. (uit ‘De nuuwe dokter’, Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - foeteren, vloeken

- WBD III.3.1:273 'sakkeren' = vloeken

- WNT - SAKKEREN - vloeken, foeteren

- Jan Naaijkens - Dès Biks, 1992 - sakkere ww - vloeken, foeteren

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAKKEREN - vloeken  

 

sakkerjèn, sakkerjèns

tussenwerpsel, bastaardvloek, ook als bijvoeglijk naamwoord

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'sakkerjen'

- Van Dale - noemt bij 'sacre-dieu' ook 'sakkerjen' als verbastering van deze Franse vloek.

- WTT - De verklaring van Van Dale lijkt niet juist; aannemelijker lijkt dat 'jen' een verbastering is van Jean, namelijk Sint Johannes de Doper; ►sakkertjèns

- Cees Robben - Wè ligde’r toch wir sakkertjèns bij... Alleej.. Schuif op keemel... (19691128) [Sint Jan, ofwel Johannes de Doper, droeg tijdens zijn verblijf als kluizenaar in de woestijn een kleed van kamelenhaar]
- Cees Robben - Kwaanselt toch nie zô... sakkertjense semmelèèr... (19770422)

- Willem van Mook - Verdomme jammerde hij, dieje sakkerjense duvel is er wir mee z'n herrie. (Nieuwe Brabantse novellen; ca. 1970)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerjuu, sakkerjuus

tussenwerpsel, bastaardvloek, ook als bijvoeglijk naamwoord

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'sakkerju'

- Cees Robben - Sakkerjuus sekreet degge daor staot .. sebiet zakkoewis onder oew sakkerment schuppe. (Prent v.d.week, 870828)

- Willem van Mook - 't Is de duvel die-t-er mee spult, sakkerju. (Nieuwe Brabantse novellen; ca. 1970)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerkiske

bastaardvloek

dit lijkt een persoonlijke vartiant van de auteur waarbij de naam in het tweede lid (meestal die van God of Jan) vervangen is door de verkleinde vorm van Kees: Kiske

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), Brieven van 'n oud Tilburger; in Groot Tilburg, 1940 - Sakkerkiske, 'k zèr nog muug van…

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkermènt

zelfstandig naamwoord (onzijdig)

sacrament; figuurlijk: achterwerk, kont

- Cees Robben - Sebiet zakkoewis onder oew sakkerment schuppe... (19870828)

Ed Schilders op CuBra over namen voor het achterwerk

 

sakkers

bijwoord

verkorting van krachttermen en bastaardvloeken waarvan het eerste lif 'sakker' is, uit het Franse sacré. Ook in het Frans heeft 'sacré' in de volkstaal de betekenis van 'vervloekt', 'maudit'.

- Wim van Boxtel, uit ‘Blaoikes waaien’, in Brabants Bont, 1979 - Mar gin rust is hun vergeven,/ zolang diejen wend zo sakkers waait./ Kek 'ns daor, hoetie bij d'n toren,/ gulzig dur de blaoikes graait.

 

sakkertjèns
bastaardvloek
verbastering uit Frans ‘sacré’ (heilig) en ‘Sint Jan’

► sakkerjèns

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

Leerling aan de selfactor - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

 

salfak, sallafak

zelfstandig naamwoord

automatische fijnspinmachine; selfactor, van Engels 'self acting'
- Cees Robben - Op ’t sôôrtemènt gemaolen/ gaot ie [de wol] naor de sallafak... (19560630)

- WBD salfak (II:939) - selfactor

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 19-1-1929


sallemander

zelfstandig naamwoord

1. salamander (diersoort)

- WNT - Ontleend aan Grieks-Latijns salamandra. Naam van de tweeslachtige dieren, die de familie der salamandrinae vormen en in uiterlijk veel op hagedissen gelijken.

- WTT 2013 - Het Woordenboek van de Brabantse dialecten (III.4.2:106, lemma Hazelworm) geeft 'salamander' als Tilburgse benaming voor de hazelworm (Anguis fragilis), een hagedis uit de familie hazelwormen (anguidae). Hier is, blijkbaar, sprake van verwarring op grond van de door het WNT (hierboven) gesignaleerde gelijkenis. 'Salamander' voor 'hazelworm' werd door het - WBD ook opgetekend voor Etten, Vessem, Wijbosch, en Wernhout. In het lemma Salamander heeft het - WBD (III.4.2.118) voor Tilburg geen aparte opgave, zodat we mogen veronderstellen dat de benaming in Tilburg 'sallemander' was en valt onder de mededeling daarover: 'frequent in Noord-Brabant'. Voor Berkel-Enschot is er voor salamander wèl een aparte opgave: 'hagedis'. Voor 'hagedis' in Tilburg ►haajslangeske

 

Herinneringen

-Urias Nooteboom - De jongens lagen met hun neus boven den donkeren waterspiegel van een slootje, dat in den Verzonken Poel
uitmondde, zij gluurden met heldere ogen over den zandigen bodem naar het schichtige voorbij schieten van stekelbaarsjes, die in grote troepen voorbijdreven, naar het luie spartelen van een goud-met-zwartestippen-gebuikten salamander en de grote donkere watertorren die rondduikelden met de vlugge krieuweling van hun poten. (Jeugd in een fabrieksstad; 1944)


-Jan Naaijkens - Een bolscheut verder stroomde de Wouwer, Hessels Wouwer, ter onderscheiding van de waterloop in, jawel, de Wouwerstraat. Het was een glashelder stroompje waarin kleurige salamanders zwommen, die me zo boeiden, dat ik te diep naar het watervlak boog, er voorover induikelde en ik zou verdronken zijn, als mijn jongere broer Ran me er niet koelbloedig aan mijn schortebanden had uitgetrokken. (Het dorp van onze jeugd, 1999)

 

-Ed in 't Ven - 's Woensdagsmiddags als de school uit was, gingen we meestal naar de bossen. Wij woonden op de Reeshof dus we hadden volop keus. Het gemeentebos, Het wandelpark, en de Oude warande. Daarnaast hadden we nog de grote bossen van de fabrikanten aan de Bredaseweg en de privéperceeltjes rond de Zwartvenseweg en de Langendijk. De Oude warande was het verste, dus ook het beste.
Naast het kapelleke in de Oude warande was een brandkuil, die in oude tijden aangeplant was met rododendrons. Die brandkuil was helemaal overgroeid, maar wij jongens hadden hem gevonden en er zaten volop salamanders en watervlooien in. (Herinneringen - 'St.-Antonius bij de nonnekes in de ziekenboeg', CuBra, 2001)

 

-Sjef Paijmans - Herineringen (Oisterwijk) - Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. (CuBra; circa 2003)

 

-H. van Boxtel - Er is een moment gekomen dat ik het salamanderbos vergeten ben. Vergeten, en nooit meer aan gedacht.
Ik kwam er al niet meer. Ik zat inmiddels op een andere school, met andere vrienden, en een hoop huiswerk.
Ik had de werklui wel zien komen, ik zag ze overal. Houten wagens en bouwketen, bomen die verdwenen, met bossen tegelijk. Het gele zand dat voortdurend gebracht werd, en overal in dikke lagen onder moest. Rioolpijpen van twee meter doorsnee die de grond in moesten. Malende betonwagens, kranen, bulldozers, asfalteermachines en walsen, als stadse landbouwmachines, die de dag van morgen voorbereidden. Dat ze toen ook aan het salamanderbos gezeten hebben, heb ik niet geweten.
Alles wat er was, werd begraven, onder dikke pakken zand. Ze hebben het opgespoten. Er moest zand op, veel zand erop. Alles moest effen, en strak. Huizen, flats, winkelcentrum, straten, lantaarnpalen, zebrapaden en garageboxen erop. Het werd daar een buurt. ('Hoflaan', in de rubriek 'Geschreven Stad', Brabants Dagblad, 2000)


opsallemander

 

links: salamander - rechts: hazelworm - bron: Wikipedia

 

2. type kachel

sallemanderke

 

sallemanderke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van salamander / sallemander

- salamandertje, verkleinwoord voor een kachel van het Franse merk La Salamandre; later voor ieder type van dit soort potkachels. De naamgeving is gebaseerd op de mythische eigenschappen die in de oudheid en middeleeuwen werden toegedacht aan de vuursalamander (zie hieronder).

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ommanteld potkacheltje

- T. Wiel - 't Was 6 januari, een drukte van belang met de vele groepen driekoningenzangers. Naast ons woonde de smid. Met hem stond ik deze gebeurtenis eens te bekijken in zijn winkel vol ijzerwaren, kachels en aanverwante artikelen. De grote Salamander-kachel stond roodgloeiend. Telkens als een groep kinderen in zijn winkel binnenkwam om een lied te zingen, stonden wij belangstellend te luisteren. (‘Op een Driekoningenavond’- in: Men tilburg, 1979)

- Wim van Gestel - salamanderkacheltje, onzijdig, cilinder-kacheltje, soms omgeven door een opengewerkte mantel in siergietwerk. Allesbrander. Ook te gebruiken als runstoofje of als kolenslikbrander. Speciaal voor (bij)verwarming. (Woordenlijst van de streektaal van Gilze en Rijen, 1996)
- Va
n Dale - SALAMANDER 7) afkorting van 'salamanderkachel' - apparaat dat gerechten van bovenaf verwarmt

- Wikipedia 2013 - Een salamanderkachel is een klein kacheltype dat oorspronkelijk werd vervaardigd door het Franse bedrijf Chaboche onder de merknaam La Salamandre. De salamanderkachel was een allesbrander waarmee hout, turf, steenkool, cokes en briketten konden worden gestookt. Binnenin was een vuurvaste bekleding aangebracht. Samen met het gietijzeren omhulsel zorgde dit voor een grote warmtecapaciteit. De verbranding verliep langzaam en efficiënt. De kachel bleef continu branden en hoefde slechts eens in de 24 uur te worden voorzien van nieuwe brandstof. Het vuur was zichtbaar dankzij mica ruitjes.
- WTT 2013 - De salamanderkachel, en vooral het principe daarvan met betrekking tot verwarming en de duur van verwarming werd na circa 1890 de meest voorkomende toepassing bij de vervaardiging van (pot)kachels en haarden. Zie Wikipedia, hierboven.

- Potkachel. Een hoge, ranke kachel met slechts een enkele kookplaat:

 

Afbeelding: website archief Eemland

 

Reclame-affiches circa 1890 voor de verplaatsbare Chaboche-haard - bron: www.Gallica

 

Advertenties voor salamanderkachels uit Tilburgse kranten

 

Advertentie in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 24 september 1893 voor kachels - o.a. 'Salamanderhaarden van den ingenieur Chaboche te Parijs'

 

Nieuwe Tilburgsche Courant - 1910

 

De vuursalamander

Vuursalamander - bron: Wikipedia

 

- WTT 2013 - De merknaam La salamandre werd door de uitvinder en producent Chaboche gekozen op grond van de eigenschappen die in de Oudheid en Middeleeuwen werden toegedacht aan de vuursalamander, tegenwoordig ook wel gevlekte landsalamander of goudsalamander (Salamandra salamandra) genoemd, een landbewonende salamander die behoort tot de familie echte salamanders (Salamandridae). Het waren niet de minste geleerden die een bijzondere maar in werkelijkheid nietbestaande eigenschap van deze salamander geboekstaafd hebben: zijn immuniteit voor vuur. "De vuursalamander dankt zijn wetenschappelijke naam Salamandra salamandra aan het Perzische woord 'samandar'; 'sām' betekent vuur en 'andarūn' betekent binnenin. Vroeger dacht men dat de vuursalamander vuurbestendig zou zijn wat achterhaald is; door de zeer dunne huid kan de salamander net als alle amfibieën juist zeer slecht tegen hitte. Een verklaring is het feit dat in het haardvuur geworpen houtblokken soms schuilende vuursalamanders bevatten waarna deze het vuur uit vluchten en het lijkt of de salamander 'uit het vuur wordt geboren'." (Wikipedia)
- Jacob van Maerlant, Het boek der natuur; vertaald door Peter Burger, 1995 - De salamandra blijft leven in vuur en doet de vlammen zelfs uitdoven. Volgens Plinius, Jacobus van Vitry, Adelinus, Aristoteles en Solinus lijkt hij op een hagedis. Isidorus van Sevilla noemt de salamander de gevaarlijkste van alle giftige dieren. Hij wordt zelden gezien, zegt Plinius, tenzij het hard regent. Zijn speeksel is buitengewoon kwaadaardig: wanneer een mens ermee in aanraking komt, valt al zijn haar uit. De salamander klimt in appelbomen en vergiftigt de vruchten. Wie daarna in een appel bijt, valt ter plekke dood neer. Als een salamander in het water is gevallen, doodt zijn gif iedereen die ervan drinkt. Er bestaat een soort salamander die in vuur leeft en bedekt is met een soort wol of haar waar onbrandbare gordels en kledingstukken van worden gemaakt. Van paus Alexander III wordt verteld dat hij een mantel bezat van salamanderwol, die men als hij vuil was in het vuur gooide, waar hij vervolgens weer schoon en helder van kleur uitkwam. Albertus Magnus verklaart dat hij met eigen ogen een gordel van dit materiaal in het vuur heeft zien liggen. Toen de gordel begon te gloeien, nam men hem er volledig ongeschonden weer uit.


Vuursalamander - Middeleeuwse afbeeldingen

Salamander in het vuur - miniatuur uit een handschrift van Van Maerlants Het Boek der Natuur; collectie Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

 

Salamander met vuurhaard - miniatuur uit een handschrift (1429) in de Bibliothèque Nationale de France, Parijs.

 

Salamander met staart in het vuur - Miniatuur uit een handschrift in de Kongelige Bibliothek van Denemarken, Kopenhagen.

 

salluu, saluut, saluutjes, saluu

uitroep

gegroet! (afscheidsgroet)

- Cees Robben - Nou salluu... (19590912)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - saluu - gegroet: Alleej, haawdoe èn saluu war!

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - salü, resp. selü, zelfstandig naamwoord o. 'saluut'

- Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - saluu! tussenw. - gegroet, houdoe!

- WNT - SALUUT 2) thans als afscheidsgroet buiten zinsverband, zonder dat de beteekenis 'heil' nog gevoeld wordt.

 

samen
tussenwerpsel
'Amen', in de formule van het kruisteken
kindertaal
- Cees Robben - Svaa-soons-seis-samen... kruisteken in kindertaal [In de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, Amen] (19780804)

 

sammiak

zelfstandig naamwoord

salmiak(poeder)

snoepgoed

snuf
 

santeboetiek

zelfstandig naamwoord

santenkraam, de hele verzameling van santen = heiligen; vandaar figuurlijk: met alles erop en eraan

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5, Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1938 - ...mee koren en dubbelkoren en solo's en heel den santeboetiek d'r bij!

 

santroene

zelfstandig naamwoord, meervoud

citroenen

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in Groot Tilburg 1941 - ...’t laand waor de santroene groeie, de olijven, de palme, de olienutjes en alles.

 

saoke

werkwoord, zwak

'saoke' is de verkorting van 'verzaken', met name tijdens het kaartspel als een speler zich niet aan de regel houdt dat 'bekennen' verplicht is, dat wil zeggen dat spelers, indien zij dezelfde 'kleur' onder hun kaarten hebben als die welke als eerste kaart wordt uitgespeeld, die kleur moeten bijspelen.

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Ge meut nie saoke - Je moet bekennen.

- Dialectenquête 1887 Willems - 'verzaken'.

- WBD III.1.49 'verzaken' = zich onthouden van

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - versaken zw.ww.tr. (kaartspelersterm) verzaken, opzettelijk nalaten om troef ofwel een andere kaart bij te spelen

- Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - 'sokke' - verzaken

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - saoke - niet bekennen bij kaartspel (Tilb.)

 

saom, saome

bijwoord

samen

- Voorbeeld op systeemkaart Sterenborg - Saome waandele meej de kènder.

- Cees Robben - ...saom op stap... (19540814)

- Pierre van Beek - We hèbbe saomen in dezèlfde waaj gelôope.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAMEN - samen; men zegt 'te samen' en niet 'te zamen'

 

saoterdags

bijwoord

op zaterdag

- Ik wèrk dur de week veur eete, èn dè doe ik meej plezier/ mar saoterdags ist aanders, want dan wèrk ik vur men bier. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘De Tòdkrèèmer‘)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zaterdags

 

saoves

bijwoord

’s avonds

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Saoves wier et rôozenhuuke gebid.

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 's aoves

- Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Toen waarder himmòl meej genaajd, toen moeste vort saoves wòchte toedè die rijers trugwaare, dè was toen saoves en uur òf èllef, half twaalf” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

► Klik hier voor audiofragment)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn toen kosseme saoves òf tweej keer in de week bij Toon van ’t Hof op de Bredòssewèg in die kefeej daor vruuger de Haos gezeeten heej…”

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) – “As ge dan saoves nòr de kèrmes waart gewist dan moeste enen bèùl olliebòlle meejneeme òf et was nie goed, hè, dan hoefde nie tös te koome!”

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Ge ziet ’r veul veugeltjes, èn saoves hurde nòg wel ’s unne kinkenduut. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- Henriëtte Vunderink - Saoves kwaam ons moeder meej der pan òngedraoge. ('haovermoutepap', uit: Tis de moejte wèrd; 2011) 

- Hessels 2020 - Bij het opmerken van een man met een forse, dikke vrouw: - die zok saoves wèl es ötgepakt wille zien! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

 

Ill: Thomé: salie

 

saovie

zelfstandig naamwoord

salie (Salvia)

- Cees Robben - [Vrouw tegen dokter:] Hêêl oe lèzzen-meel en kalmoes/ saovieblad... kemille-thee/ höskes-lôôf en hoest-sjuup-sjuupkes../ Dingen... waor ie [de patiënt] niks aon hee... (19551217)

- WBD III.4.3:321 saovie - salie (Salvia officinalis), ook 'selvia)

- WBD III.2.3:130 'savie' = salie; ook 'salvia'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAVIE zelfstandig naamwoord mannelijk - salie, Frans: sauge

- J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - SAVIE - salie; saviemelk - saliemelk.

 

 

Sarreleeja

zelfstandig naamwoord

motorfiets van het Belgische merk Saroléa

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Ene Sarreleeja (Saroléa), ene zwaore Saroléa, honderdaachteseufeteg kieloow!”

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

sas

zelfstandig naamwoord

- WBD III.3.1:419 'sas' = sluis

 

sasse

werkwoord, zwak

plassen, wateren

- WBD III.1.1. lemma urineren - Tilburg

- Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts) - SASSEN onov. ww - een plas doen. Enigszins jolig gezegd en waarschijnlijk een ontleend woord.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SASSEN - in de dok laten varen langs de sasdeuren.

- Jan Naaijkens, Dès Biks, 1992 - sasse ww - urineren

 

satèèn

zelfstandig naamwoord

satijn

- WBD satèèn (II:886) - satijn

- WBD inslagsatèèn (II:868) - inslagsatijn

- WBD kèttingsatèèn, kèttingsetèèn (II:873) - kettingsatijn

- WBD satèènbinding (II:1046) - satijnbinding

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SATIJN - mannelijk en niet o.

- WBD II.4. p. 886 – - Van Dale zegt bij „satijn" (1): „Glanszijde, atlas, een oorspronkelijk alleen zijden, later ook halfzijden (katoen en zijde) gekeperde stof, zeer glad geweven (nl. zo dat de bindingsknopen zoveel mogelijk over de oppervlakte verspreid liggen), met hoge glans."
- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) verwijst bij „satijn" naar „crêpe-satijn". Daar zegt hij: „Zijden of kunstzijden weefsel in (ketting-) satijnbinding. Normaal gedraaide ketting. Inslag afwisselend 2 rechts en 2 links overdraaid."

- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij „satijnbinding of atlasbinding": „Bindwijze, waarbij de bindingspunten in het weefsel min of meer regelmatig verspreid liggen. De eene kant van het weefsel geeft een eenigszins losliggend dradenstelsel te zien, hetgeen aan het weefsel een glad aanzien geeft."

sattienèt - saatienèt
zelfstandig naamwoord onzijdig

ontleend aan Frans satinet

- WBD II.4. p. 886 - Van Dale zegt bij „satinet" (uit het Frans): "Katoenen, geglansd satijn weefsel; ook half wol, half katoen."
- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij "satinet": „Katoenen satijnweefsel; door kalanderen (schreineren) geglansd in effen kleuren gebruikt voor voering, schorten e.d. Bedrukt: dekenovertrek, meubelstof, decoratiestof en schorten." Van Breugel zegt op p. 191: „Satinet is een weefsel, meestal vervaardigd van katoen, dat door bepaalde bewerkingen een satijnachtige glans verkreeg."
- WNT -  lemma Satinet – 1920 - Katoenen satijnweefsel, katoenen stof met een satijnachtige glans. Het oudste glanzige katoenprodukt is het satinet, een katoenen satijnweefsel, dat zoowel voor voering als voor blouses, japonnen enz. … gebruikt wordt.

 

sausdèùme

zelfstandig naamwoord, meervoud

sausduimen, vingers, 'poten'

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Blèèft er meej oew sausdèùmen aaf!

- WBD III.1.1:148 'sausduimen' = handen; Blijf er met je poten af

- Hessels 2020 - Als je ergens aanzit: - blèft er es venaaf meej oew sausdèùme! (of…klontjesvingers) (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: Klik hier

 

sauskum(me)ke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

sauskom(metje)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Gehoord van een Tilburger die uitgenodigd was naar iemands vijver te komen kijken) “Ge mot is naor menne viskûîl koome kèke, daor is de jouwe nog mar ’n sauskummeke bij…” (17-10-1966)

 

schaaj

zelfstandig naamwoord

scheiding

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Man met kaal hoofd zegt tegen z’n vrouw) - Wè ziede aon me? (Geen antwoord Kèk naa is goed of ge niks aan me ziet! (Geen antwoord) - Ik heb m’n schaai aon den aanderen kaant gelee. (17-10-1966)

- Cees Robben - Ik heb m’n schaai aon d’n aandere kaant geleej... (19661104)

- WBD akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook 'scheiing' of 'afschaajing' genoemd

- WBD schaajkaaj - grenssteen

- WBD schaajvoor - scheidingsgreppel (tussen twee percelen)

- WBD schaaj (Hasselt) - ploegschei (voorste houten verbinding tussen ploegbalk en ploegzool)

- WBD schaajvoor (Hasselt) - scheidingsvoor (tussen afzonderlijke akkers)

- WBD schaaj (II:953) - schei, spanplank van een handweefgetouw

- WBD schaaj (II:953) - schei, kamhout van een handweefgetouw

- WBD (II:2789) 'schaaje' (mv.) - dwarsscheien tussen draagbomen van een kar (II:2790) 'schaaje' - verbindingsscheien tussen de berries

- WBD (II:2791) 'trékschaaj' - trekschei van een kar (III.1.3:270) 'schei' = haarscheiding

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEE (scherpe e) zelfstandig naamwoord o. - scheiding, scheilijn, grenslijn

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schaei' -schei, scheiding (in het haar) 

- WNT - SCHEID - grensscheiding, grens; afscheiding, afpaling; enz.

- WBD III.4.4:202 'schei', 'scheiden' = scheiding

- WBD III.4.4:221 'schaaj' = schaduw

 

schaaje

werkwoord, zwak

scheiden

- Dialectenquête 1887 Willems - schaaje - schaajde - geschaaje

in onzekerheid verkeren

- A.J.A.C. van Delft - "Hij wit nie, waor het schaait" wil zeggen: Hij weet niet hoe de vork aan de steel zit; hij weet niet hoe de zaak in elkaar zit; hij is in de war. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - Dan wit er gin man mir waor 't schaait

- ‘De Noord-Brabantsche Tongval’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Vervelend is 't altijd voor iemand, wanneer hij niet weet "waor 't schaait", omdat men dan niet weet hoe de vork aan den steel steekt.

- Pierre van Beek – Wanneer men zich hoort toevoegen: "Ge wit nie waor 't schaait" wil dat zeggen, dat men niet weet hoe de vork aan de steel zit. Breder genomen houdt het ook wel in, dat men in de war is. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

- Cees Robben - Hoe schaait dè naa... (19640515)

- Cees Robben - Hoe schaait dè hier... (19690502)

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Vraogt em is hoe et schaajt. Vraag hem eens hoe het erbij staat.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 10 11 - Zeg Drik, hoe schaai 't 'r naauw mee?

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 06 08 - "Peer - vroeg Ketrien de vleeje week - / Hoe schaai 't onderhaand? / Wanneer wordt hier 't gras gemaaid, / D'n hof lee'ter vur schaand."

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

beslissen

- zegsman Rolf Janssen - Bij een moeilijk probleem: Dè kan allêen God èn de mölder schaaje.

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Lot dè God èn de mölder mar schaaje.

scheiden - echtscheiding

- Ik riep: «Gij brèngt et nòg zo wèèd/ dèk van zon knaolie schaai» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Amaai, wènne maai...)

scheiden van partners

- Ok un un héél grôot gesticht waar der ôot gebouwd. Daor stopten
ze de aaw meense in, die niemer veur der èège kosse zörge. Agge de
pech hadt degge as man en vrouw nog meej tweejen waart, nao un lang en gelukkig huwelijk, wierde daor geschaaje. Ouw mennekes apart op un zaol en ouw vrouwkes van etzelfde. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

scheiden van geslachten

Op de grôte school waren de jongens en de mèskes geschaaje… (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

verschil maken

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wittet optal al, waor et schaajt - weet je het aantal al dat er mankeert

zelfstandig naamwoord - het scheiden

- Cees Robben - op ’t schaaien van de mert (19570615)

 

schaajkaaj

zelfstandig naamwoord

grenssteen; van ‘scheiden’ en ‘kei’; steen waarmee de begrenzing van grond werd aangegeven
- Cees Robben - Dès menne schaaikaai... (19570119)

- WBD grenssteen (Hasselts)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - steen als landafbakening

- WNT - SCHEIDSTEEN - grenssteen (verouderd)

 

schaajvoor

zelfstandig naamwoord

- WBD (Hasselt) scheidingsgreppel (tussen twee percelen)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEEVOOR zelfstandig naamwoord v. - voor die tot grensscheiding dient.

- WNT - SCHEIVOOR (scheevoor) - voor die tot afscheiding dient

 

schaampe

werkwoord, zwak

schampen

- Dialectenquête 1887 Willems - schaampe - schaampte - geschaampt

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAMPEN - schimpen, smalen, zijdelingse verwijten doen.

- WNT - SCHAMPEN - dicht langs iets strijken; II. schimpen, smalen (in Zuidelijke dialecten).

 

schaand

zelfstandig naamwoord

schande

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Tis schaand vur de buurt. - Het is schande voor de buren.

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand. De schilder moet de fouten van de timmerman bedekken

'k Zie oe toorens aon den ender:

zo'n schoon monumente zijn d'r

nergens zóveul as in 't laand,

dè nog "donker" hiet! - 't is schaand !

(Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Brabant’, 1938)

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - Hij heeter gin schaand van

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh noem ik niks gin schaand'

- Cees Robben - Mèèn boerinnekes die blèèven/ Van d’n aauwverwetsen staand... / En die draogen nog gin spiekes/ Net as gij juffrouw... ’t is schaand..! (19600116)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - der schaand van praote

- Toen hadde die Hannie moete heure: ‘Schaand, schaand, mêer dan schaand’. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - 'schand' - 1) schande; 2) schaamte

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAND (Kemp. schaand) - schande

 

schaans

zelfstandig naamwoord

schans

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - in de schaans zitte (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - in de strafkolonie te Ommerschans

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - teege de schaans omhôoggroeje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd van een snel groeiend kind (schaans = schansmuur, scheidingsmuur tussen erven)

schutting

- Stadsnieuws - Ons moeder hò en pròtje oover de schaans meej de buurvrouw (110710)

- WBD (III.2.1:471) 'schans' of 'schrans' - schutting van steen; ook genoemd: muur, schaansmuur, schutting of schot

toponiem

De Schans (Tilburg Noord, De Heikant)

- Audioregistratie 1978 - Van de Schaans klòpt ok al niks! Dè was, dè was veur bij de Vèfhèùze bij et ouwe mèrtje (?) dòr Pirke Vromans wont! Dè was et Schaanske èn de Kalverstraot dè was Pirke Dondersstraot! Mar waor Keej Klijse gewond heej, dè was ok nòg Schaans, die was ok Schaans genoemd! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

schaansmuur

zelfstandig naamwoord

schansmuur, scheidingsmuur, schutting

- WBD (III.2.1:471) schaansmuur = schutting van steen, ook genoemd: muur, 'schans' of 'schrans', schutting of schot

- WBD (III.3.3:96) 'schansmuur', 'tuin', 'heg', muur, 'kerkhofmuur' = omheining van het kerkhof

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - “...èn agge oover die schaansmuur zôo es en stintje ooverheene gôojde èn hij, hij zaag dè, dan moeste binnekoome in de klas.” (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'schans' - lage stenen muur (om een speelplaats o.a.) zelfstandig naamwoord mannelijk 'schansmuur', hetzelfde als 'schans'

 

schaar

zelfstandig naamwoord

kerf of breuk in het scherp van een mes

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAR zelfstandig naamwoord v.- breuk of kerf in de snede van een mes of ' ander snijtuig.

- WNT - SCHAAR (VIII = SCHAARDE 2) Kerf in het scherp van een snijdend gereedschap of werktuig.

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

schaaw

zeldtandig naamwoord

schouw, schoorsteen

de huiselijke haard

- Lowie van Dorrus Misters, rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 ‘Rond de boerenhaard 1’, Nieuwe Tilburgsche Courant 27-6-1952 - Op hoogte van de volle breedte waren diverse ijzeren stangen ingemetseld voor het ophangen van ham en spek om dit te roken. Nog steeds is het de gewoonte om deze varkensproducten boven een houtvuur te roken. Om meer rook te ontwikkelen wordt thans ook wel houtzaagsel gebruikt. Aan de stang in het midden werd de haal bevestigd. Dit was een instrument van ijzer, waarvan het bovenste vastzat. Het onderste gedeelte droeg een haak en een kant met tanden en was door middel van een hendel beweegbaar. Dit diende om de aangehaakte ketel op goede hoogte boven het haardvuur te brengen. De diepte der schouw, d.i. van de huiskamervloer tot de zijgevel, zal ongeveer 80 à 90 cm zijn geweest.

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in: Groot Tilburg 1941 - Den bisten aord hèk nog bij innen boer onder de schaauw mee in open vuur, waor ge zoo fèn in de vlamme kunt staore...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 12 15 - Hij vuult z'n ège zò gebonde / Aon zunnen hèrd en aon z’n schaauw
- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - as et roet stinkt in de schouw, komt er rèège

- WBD schouw (overwegend de hoge en wijde, van onder naar boven zich vernauwende overdekking van de stookplaats) Der honge vèèf hammen in de schaaw.

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ge moet ze zuuke, waor et schaawke vruug rokt (JM'50) - raad aan de jonge boer die wil gaan trouwen

schoorsteen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 10 18 - De schaauwkes ròòken overal

- WBD (III.2.1:63) 'schouw, schoorsteen, schouwpijp' = schoorsteen

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schaauw - haard, schoorsteen, ook 'herd'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOUW Wordt overal gebruikt voor 'schoorsteen'

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHOUW - zelfstandig naamwoord vrouwelijk schoorsteen, Frans: cheminée

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOUW voor schoorsteen: algemeen.

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOUW - schoorsteen.

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schouw - gemetselde rookvang, schoorsteen (div. dial.)

schoorsteenmantel

- Ed Schilders, Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus, 2009 - Èn op de schaaw ston en bild van Sintantooniejes onder ene stölp.

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schaaw zelfstandig naamwoord - schouw, schoorsteenmantel

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schaauw' - schouw, dat gedeelte v. d. schoorsteen dat van buiten niet zichtbaar is.

rookkanaal in n een smederij

- Piet Heerkens, uit ‘Vertesselkes, ‘Den eersten aop’, 1944 - Elooi viet et wijfken en staak et in 't vuur / van z'n gloeiïge smis wel 'n hallef uur / en trok aon den blaosbalg en stookte en pookte / toe 't vuurke goed gloeide en 't schaawke smookt...

fabrieksschoorsteen

- Leo Heerkens, in De knaorrie (Piet Heerkens), ‘Aon Helmond’, 1949 - oew rookende, smookende, rijzige schaawe, / ik haaw van oe, Helmond, m'n roetige stad.

- Cees Robben - De schaauw van ’t febriek (19771111)

- Cees Robben - [Lucht] Dur schauwen uitgespouwd.. (19701016)

- Hòst alle wèèvers zonder wèèrk/ bekaant gin schaaw mir èn gin kèèrk... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg ok...holadiee)

samenstellingen

- WBD schaawplaot - schouwplaat (haardplaat, gegoten ijzeren plaat met reliëfbeeldwerk, in de muur van de schouw bevestigd om het uitbranden der stenen te beletten)

- WBD schaawbalk - schouwbalk (horizontale draagbalk, waaraan de haal direct of indirect is opgehangen)

6 citaten over schaaw

 

De schaaw van de Tongerlose Hoef in Tilburg, circa 1900. Achter de stookplaats is de schaawplaot te zien; de waterketel hangt met een haol aan de schaawbalk.

 

Ill. uit Kroniek van de Kempen

 

schaaw

bijvoeglijk naamwoord

schuw

- WBD schrikachtig, gezegd van een paard; ook 'schouw' genoemd

- Ze [de kippen] waren himmel nie schouw... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Piet Heerkens, uit: D’n örgel, ‘Tilburg’, 1938 - 'k Zie zo geeren al die toorens, / mee d'r kruise fier in top, / 't blauw deurboore naost de schaawe / mee d'r pluimen om d're kop.

- Dan gaode nòg es wijer kèèke/ èn ge vènd daor aachter in de hèg/ midde tusse de jonge blaoikes/ ene schaauwe mèèrel òn de lèg. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vurjaor‘)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 02 07 - Mar was toch niemir schaauw.

- WBD III.1.4:137 'schouw' = bang

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOUW hetz. als 'schuw', Frans: farouche, sauvage, timide 

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schaaw - schuw

- WNT - SCHOUW - gewestelijke vorm naast SCHUW - 1) geneigd te vluchten; 3) bang, bevreesd, angstig

 

schaawe

werkwoord, zwak

- WBD schouwen van een ei, om na te gaan of het geschikt is voor consumptie

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHOUWEN (schaawe) ov.ww - kokend water over een geslacht varken gieten om de haren beter af te kunnen krabben.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'schaauwen' - 1. met kokend water begieten van pasgeslachte varkens om de borstels los te weken, 2. idem mais, resp. meel opdat ze/het zou opzwellen; II) schouwen, inspecteren.

- WNT - SCHOUWEN (I) 3) in oogenschouw nemen, inspecteeren

 

schaawer

zelfstandig naamwoord

schouder ; schouwheer

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hèdde ok zon pènt in oew schaawerblaoj?

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - De schaawer kwaam schaawe - De schouwheer kwam de zaak opnemen.

- WBD III.1.1:127 'schouder' = schouderblad

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schaauwer', schouwer, schouder

 

schab, schabbe

zelfstandig naamwoord en meervoudsvorm

- Informant Toine Raaijmakers - plank met één ronde kant, die resteerde bij het tot planken zagen van bomen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schab' de eerste, resp. laatste plank die van een boom afgezaagd wordt.

- Dialectenquête 1887 Willems - zelfstandig naamwoord o.-hetz. als schap, plank tegen den muur of in eene kas om iets op te leggen of op te zetten.

- WNT - SCHAB, andere vorm naast SCHAF - plank in een kast of langs een wand, tot bergplaats bestemd.

 

schabbe

werkwoord, zwak

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schabben - is er niks te schabben? (mee te nemen, te krijgen)"

 

schabbelier

zelfstandig naamwoord

scapulier, schapulier

- WNT - SCAPULIER, ontleend aan Frans: scapulaire, latijns scapulare. Twee lapjes gewijde stof door linten verbonden...

- WTT - Uit Latijns scapulare, afgeleid van scapula, ‘schouder’. Vandaar de oorspronkelijke betekenis 'schouderkleed'.Later in gebruik voor een kleine medaillon met de beeltenis van Maria, met een speld te dragen op hemd of borstrok.

als schouderkleed

- Elie van Schilt, uit: ‘As ge katteliek geboren wierd, CuBra ca. 2000 - Mar op de bewaarschool mochte ok vur ut irst aon 'De Kindsheid' meedoen, dan gingde mee un vrouw uit de buurt, mistal ok un vrouw die ginne vent had, vur ut irst naor de kerk, dan kreegde un schapulier om, det waren un paor lepkes die on un lint zaten en zó om oeë nek wieren gehangen, un paor lepkus veur op oe borst en un paor aachter op oeë rug. Die lepkes waren geweeïe en ok nog verschillend van kleur, die kleuren betéékende ok wir iets, ik weet allèèn nog, ut blauw lepke had iets mee Maria te maoken. As ut afgelóópen was in de kerk dan mòògde mee die vrouw wir naor heur huys en dan kreegde ranja en un snuupke.

als medaillon

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg) Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Hil vruuger waar et gewôonte gewist vur kattelieke dan, dèsse un schabbelier droege. Dè waare stukskes stof, drie stukskes op elkaar òn de vurkaant en van etzelfde op de rug. Die waare verbonde dur un lint. Ik heb der zat gedraoge. Et stelde et habijt, un klôosterklêed veur. Dur zôiets te draoge koste laote zien dègge ok hil èèrg gelêûvig waart. Dègge ok wel bij un klôosterorde wilde heure mar dègge vondt dègge in de wèreld beter wèèrk kost doen. Ge kost naa inmòl nie ammòl in et klôoster gaon. Omdè die lèpkes stof netuurlek vèùl wiere, elk lèpke ha un aandere kleur en et waar van dieje groffe stof, moese die ok meej ötgewaase wòrre. Omdè alles nogal gaaw kepot gong, dur dè draoge en waase, han ze der iets aanders op gevonde. De medòllie van onze lieve vrouw van Maria, moes die stukskes stof vervange. Un stukske metaol, ovaal van vörm en iets grôoter dan un kwartje meej bovenaon un ringske daor ge un slèùtspeld dur kost steeke. Et bild van Maria han ze’r ingeperst en aachter op stond ‘ora pro nobis’, wè zoveul betêekende as bid voor ons. Ge kost die medòllie meej die slèùtspeld òn hoe hemd vaastmaoke. Et liefst òn oewe linkse kaant boven oew hart. De fraters op school han mirmaole verteld van seldaote die in den oorlog nie gesneuveld waaren omdè de kogel die aanders dur hullie hart waar gegaon op die medòllie teruggeketst waar.

 

Schilderij van Ferdinand Georg Waldmueller - Voedselverstrekking door kloosterlingen. 1859

 

schabberdebonk, schobberdebonk

uitdrukking

op andermans kosten, klaplopen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Den dieje gao aaltij op schabberdebonk meej.

- Informant Toine Raaijmakers - op de schòbberdebonk / schabberdebonk lôope - klaplopen

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'op schoeber-de-bonk'

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "op schabberdebonk loopen (klaploopen)"

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ek rôok op de schabberdebonk

- Cees Robben - Ze hee aaltij geere gelimmeneerd en op schabberdebonk gelôôpe... (19570223)
- Cees Robben - ’t Schabberdebonk-menu’ [Titel van de prent van 19570921 over zwervers die gratis maaltijden verstrekt krijgen in Tilburgse kloosters.]

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHABBERDEBOK zelfstandig naamwoord mannelijk, 'Op schabberdebok loopen' - op schaaf loopen, op den schoefel loopen; tafelschuimen, rondloopen om eten te krijgen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord 'schabberdiebonk' resp. 'schobberdiebon, d.i. schobberdebonk, in de zegsw. 'op schobberdiebonk leupe' - klaplopen

- WNT - schabberdebonk zie schobberdebonk (schaverdebonk) Van een buiten deze afl. niet aangetroffen 'de bonk schobberen' (in een gebruik in de zin van 'haastig naar zich toehalen' of 'haastig oppeuzelen'. In de verbinden: op (de) schobberdebonk loopen = klaploopen.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978 - SCHABBERDEBON in de zegswijze 'op de schabberdebon' - op de bonnefooi, klaplopend.

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - 'schobberdebònk', op schobberdebònk gaon = klaplopen

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 = klaploperij

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) op schobberdebonk - klaplopend

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

schabbernak

zelfstandig naamwoord

verwaarloosd of lelijk huis; ook toegepast op andere voorwerpen en op mensen

- Pierre van Beek - 'n Oud krot van 'n woning noemt men in Tilburg 'n schabbernak. (Denk aan schobbejak.) "Zo'n schabbernak van 'n kast zou ik niet willen hebben." (Schabberig of schabbig verklaart Van Dale met: armoedig, kaal, versleten, bv. een schabberige jas, er schabberig uitzien, een schabberige bedelaar. Schabullig is armoedig, kaal, versleten, bv. schabullige kleren.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

Brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - Bron: archief erven Pierre van Beek

 

- Cees Robben - Gij schabbernak van unne kop ... (19590912)
- Cees Robben - ’n Klinkklaor schabbernak... (19600826)
- Cees Robben - Rouwe grauwe schabbernakke... (19701106)

- Frans Verbunt, Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - lelijk voorwerp, prul

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 -onooglijk iets

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 10 07 - We hèbbe en modèrn stasjon/ ötgekiend, hêel presies,/ mar réècht daor teegenover stao/ et aaw schabbernak van 'Swies' [ Bedoeld wordt het hotel-restaurant Suisse]

- Piet van Beers:

Van hierèùt op weg nor den Efteling
Komde langs dè schabbernak.
Dè draaiend hèüs van Körmeling.
Nao ènnigte weeke waare de Tilbörgers
Daor al hillemol op ötgekeeke.
(Spoeje doemmeniemer; 2009)

- WBD III.4.4:284 'schabbernak' = iets onbelangrijks

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHABBERNAK - zelfstandig naamwoord o. - iemand die aardig aangetakeld is of wiens kleederen wonderlijk of slordig om het lijf hangen.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHABBERNAK - in: iem. met zijn -- pakken.

- WNT - SCHABBERNAK, SCHAVERNAK, ontl. aan Hd. Schabernack, verwant met schaven en nek. 1) Wonderlijk of onooglijk kleedingstuk; 2) iem.die er wonderlijk of onooglijk uitziet; 3) rakker, kwajongen; 4) lichtzinnige; 5) oude magere koe; 6) bouwvallig huis, cavalje, barak; 7) door verwisseling met 'schabrak': zadelkleed; 8) In de uitdr. 'op schabernak gaan' - op de schobberdebonk loopen, klaploopen.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schabbernak' - bouwvallig huis (schuur of schop).

 

schaft

zelfstandig naamwoord

schacht van een weefgetouw

- WBD schafte (II:967) - kamlatten; ook 'kamlatte'

- WBD schaft meej staole heejvels (II:966) - stalen weefkam

- WBD schaft meej taowheejvels (II:966) - touwtjeskam

- WBD 4.4:130 'schaft', 'schof(t)' = schoft (deel van de werkdag)

 

schandaol, -dòltje

zelfstandig naamwoord

schandaal

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - vèùl schandaol dègge zèèt!

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - schandaol

- Ak dè òn onze paavertel komde un maond niemer bèùte, schandaol van de vismèrt. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. - schandaal, "persoon die zeer in opspraak is, die tot groote ergernis aanleiding geeft, waarvan de aanwezigheid tot schande strekt"

- WNT - schande, schandvlek.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHANDAAL zelfstandig naamwoord o. - iem. die zich schandelijk, eerloos gedraagt.

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schandaol, zelfstandig naamwoord - schandaal

 

schandaoleg

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

- Dialectenquête 1887 Willems - schandalig

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHANDALIG - schandig, eerloos, ergerlijk. Schandalige liekes zingen.

 

schaof

zelfstandig naamwoord

schaaf

- WBD schaofmesjien - schaafmachine (in de leerindustrie) II 614 

- WBD II:2723 'blòkschaof' - blokschaaf

- WBD II:2724 'hòlschaof' - toogschaaf met bolle zool

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord 'schaof' - schaaf; zegsw.'op de schaof leupe' - klaplopen, op schobberdebonk lopen.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAF zelfstandig naamwoord mannelijk op schaaf loopen - tafelschuimen, rondloopen om ergens aan 't eten te geraken. (zie: schabberdebonk)

 

schaoj

zelfstandig naamwoord

1. schade

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schaoi'

- A.J.A.C. van Delft - "Wanneer komde oew schaoi ies terughaolen?" vraagt de eene buurvrouw aan de andere, bij wie ze op visite geweest is, om aan te duiden, dat zij de andere terugverwacht op de koffie of op bezoek. Antwoord: "Naa nie, mèr mèrege." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Pierre van Beek – Als een Tilburger ergens goed gegeten of gefuifd heeft (of buurvrouwen bij elkaar "op 't half elfke" geweest zijn), zegt hij soms tot de gastvrouw: "Ge moet de schaoi mar 'ns komen terughaolen." Dit houdt de uitnodiging in op zijn beurt maar eens bij de gast te komen eten of fuiven. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

- De störm bròcht nèffe grôote schaoi/ trubbel èn overlaast. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den êene zenen dôod... )

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - oew schaoj inhaole - je schade (achterstand) inhalen

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 oew schaoj gòn terughaole

- ‘Goed, Klazien bedankt veur de gastvrijheid en komt de schaoi mar ens terughaole’. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 wès de schaoj - wat is het gelag? 

- ‘Ik zo nie weete wè vur schaoi ik zo hebben aongericht’, zi onze pa. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - schaoj - schade! nadeel, kosten, gelag wès de schao? - Wat moet ik betalen?

- WBD III.1.4:342 'scha' = nadeel

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schaoi' - schade, nadeel

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAI zelfstandig naamwoord v. - schade

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schaoj zelfstandig naamwoord - schade

2.schaduw

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - die ónder de schaoj van den toore woone, die zèn me te fèèn (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - schaoi - schade, schaduw, lommer; in de schoai leupe

- WNT - SCHADE (II), scha, schaai zelfstandig naamwoord vr., mnl. schade + schaduw, thans alleen in zuidelijke dialecten

 

schaoje

werkwoord, zwak

schaden

- Dialectenquête 1887 Willems - schaoje - schaojde- geschaojd geen vocaalkrimping

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw. ww. intr. 'schaoien'

 

schaojelek

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

- Dialectenquête 1887 Willems - schadelijk, overdadig, te royaal

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - schaojlek laage - overdreven lachen

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - schaojlek

- Des in ieder geval nie zo schaoiluk. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Gehoord bij ’n dode: ) - ’t is mar te vruug, zô jong og en zôveul kender, ‘t is ’n schaojlek lèk (13-07-1966)

- Cees Robben - En ’n schaoielek lèèk... (19780616) [een overledene die de verzekering veel geld kost]

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schaojlek'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHADELIJK (schaoilijk) bijvoeglijk naamwoord - 1) onvoordelig, duur; 2) gul, hard, in: 'schaoilijk lage' - hard en uitbundig lachen en daarmee energie verspillen; 3) in de uitdr. 'n schaoilijk léék' – een gestorvene die eigenlijk niet gemist kon worden.

 

schaojvergoejing

zelfstandig naamwoord

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - schadevergoeding, schadeloosstelling

 

schaoke

werkwoord, zwak

schaken

- Dialectenquête 1887 Willems - schaoke - schòkte - geschòkt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schòkt

 

schaol, schòltje

zelfstandig naamwoord

schaal; harde huid van een noot, ook bast, baast, schölp of bolster genoemd

- WBD schaol - schaal van een ei

- WBD weegschaol - weegschaal, weegtoestel

- WBD (III.3.3 139) oope schaol, sèntenbòrd = collecteschaal

- WBD (III 2 3 80) 'schaal' = idem (van peulvruchten)

- WBD (III 2 3 184) 'schaal' = bolster van een noot

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schaol' - schaal

 

schaome

werkwoord, zwak

schamen

- WBD III.1.4:443 'zijn eigen schamen'? 'schamen' = zich schamen

- Dialectenquête 1887 Willems - schaome - schòmde - geschòmd - ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij schòmt

 

schaomel

bijvoeglijk naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schamel, armoedig

 

Ill: Rolf Janssen

 

schaop, schaope, schòpke, schòpkes

zelfstandig naamwoord

schaap

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schoape - schapen

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ge mot de schaope schèère nòvenaant ze wol hèbbe

...et valt vur Zwartkruis [trainer Nederlands elftal] ok nie mee/ en schaop te leere daanse. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: We wòchte mar aaf)

- WBD schaop - vrouwelijk schaap, ook 'gèrm' genoemd of 'ôoj'

- Cees Robben - D’n stal mee de herders en schaopen... (19561222)
- WBD schaopehèùd, schaopevèl - schapehuid, schapevel

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. 'schaop' - schaap; mv. 'schaop'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAP In de Kempen geen meervoud uitgang.

schaapjes in de betekenis van gelovigen van een pastoor of parochie
- Cees Robben - ’t Was unne goeie herder [pastoor], hij schèèrde z’n schaope (...) mar hij vilde ze nie (19850614)

- Cees Robben - Houdoe schaopkes... [laatste woorden van pastoor Klein van parochie Westend] (19580215)
- Cees Robben - ...zun “schaopkes”; namelijk de ‘schaapjes’ van een kapelaan. (19550129)
samenstelling

- WBD schaopestal, schaopekooj - schapenstal

lokroep e.d.

- WBD schaop, kom jonge - lokroepen voor een schaap

- WBD schaopje, 'lam', 'beee' - lok-/roepwoorden voor een lam

- WBD schaopke - vleiwoord voor schaap of lam (zie: schòpke)

 

schaopebloed
zelfstandig naamwoord
schapenbloed; kenmerk van geduldigheid
- Cees Robben - Om meej d’n dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe... (19641106)
[De uitdrukking ‘schapenbloed hebben’ is niet elders vastgesteld. Robben bedoelt duidelijk: enorm veel geduld hebben, veel door de vingers kunnen zien]
 

Schaopsdèèk – Schaapsdijk
toponiem
oudste bewijsplaats: 1865
1912 - Aanranding - Gisterenmorgen omstreeks 9 uur ging de dienstbode van den landbouwer R. wonende Schaapsdijk naar den akker om te gaan werken toen zij een onbekenden jongen tegen kwam, die haar met geen goede bedoelingen aansprak en vastgreep. Het meisje, dat tegen haar aanrander opgewassen bleek, pakte hem eveneens vast en gaf hem zulk een flink pak slaag, dat hij, zoodra hij daartoe de kans zag, met achterlaten van zijn pet op de vlucht ging. De dienstbode deed van het geval aangifte bij de politie, die hedenmorgen als vermoedelijke dader arresteerde den 17 jarigen H. v. B. die bij een onderzoek een volledige bekentenis aflegde. (Nieuwe Tilburgsche Courant – 24-5-1912)

 

Nieuwe Tilburgsche Courant – 24-5-1912

 

Weekblad van Tilburg 30-12-1865

 

schaors

bijvoeglijk naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schaars, zeldzaam

zelfstandig naamwoord

scheermes

- Met z'n “schaors" bedoelt de oude Tilburger z’n scheermes. ‘De Noord-Brabantsche Tongval’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

- "De boeren maaien aanders op tijd, en as ik oe mee 'n schaors kan helpen, de mijn is zoo scherp as 'n zeissie!" Oome Teun haolde z'n scheermes van d'opkaomer en streek er mee over z'n turksleeren boks... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; ’’t Spook’; Nieuwe Tilburgsche Courant 3-1-1940)

- Cees Robben - Waor leej m’n schaors, troeleke..? (19580118)

- WBD III.1.3:269 'schaars' = scheermes; ook 'krabber'

- WNT - SCHAARS (I) - scheers, op niet duidelijke wijze gevormd van 'scheren' of van 'schaar' - scheermes.

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schars, schaars, scheers - scheermes

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAARS zelfstandig naamwoord o. - scheermes

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHARS - scheermes.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHAARS (schaors) v - scheermes

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. en vrouwelijk 'schars, schaars' - scheermes

 

schaove

werkwoord, zwak

schaven

- WBD drêûgschaove - droogschaven, van huiden, d. w. z. ze aan de vleeskant uitdunnen c.q. op gelijke dikte brengen (II 615)

- WBD natschaove - natschaven, het leer na het vetten aan de vleeskant uitdunnen, c. q. op gelijke dikte brengen (II 655)

- Dialectenquête 1887 Willems - schaove - schaofde - geschaofd geen vocaalkrimping

 

schap, schab, schabbe

zelfstandig naamwoord

verkorting van ►schapraaj

plankenkast; plank in een kast of langs een wand

- Dialectenquête 1887 Willems - o - dikke plank, aan één kant ongezaagd en rond

- Dialectenquête 1887 Willems - plank tegen den muur of in eene kast. - A.J.A.C. van Delft - "Hij mag er op 't schap kijken." Hij is bij die familie of dat gezin 'n zeer vertrouwd huisvriend. - "Hij zal er niet veel tin van op zijn schap zetten" of: "Hij zal er niet veel zij bij spinnen". Hij zal er niet rijk van worden. (Tinnen borden waren bij de boeren vroeger reeds een zeker teeken van welstand; zij werden op de schapraai gezet.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ènkelt vur de schap koome (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - komen als er ergens wat gratis verkrijgbaar is (schap = schabberdebonk)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHA, SCHAP - 1) diepe muurkast, voorraadkast; 2) décolleté, spie; genoemd naar 1) waarin ook de kumkes op de plank staan?

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHAP - zelfstandig naamwoord o. - plank om iets op te zetten; dim.

décolleté, spie

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - schap - ze staak èt in d'r schap (in haren boezem)

- WBD III.1.1:117 'schap' = borsten van een vrouw;

- WBD III.1.1:119 'schap' = boezem

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schap zelfstandig naamwoord - décolleté

 

schappen
werkwoord, zwak

verbasterde vorm van schrappen in de betekenis schrapen; in de uitdrukking ‘iemand de tong schrapen’
- Cees Robben - Mar ik docht kom mar is over de brug, ge zult mèèn tungske nie schappen.. (19650402)

- WNT - lemma Schrapen - Iemand de tong schrapen, hem aan het praten brengen, hem uithooren.
- WNT - lemma Schrappen - Als of ghy Die (een naam) selver niet en wist soeckt ghy mijn tongh te schrappen En leght maer toe of ghy my ergens kost betrappen, WESTERBAEN, Ged. 2, 471 [1663].
 

schapraai, schapraaj

zelfstandig naamwoord

- Van Dale - schapraai - (gew.) kast met borden, bep. etenskast, provisiekast

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schapraai - zie schap"

- Cees Robben - Van ’t schapraaike naor d’n herd... (19590307)

- WNT - SCHAPRAAI - 1) plankenkast, kast; 2) bepaaldelijk: provisiekast, etenskast, broodkast

- Noord en Zuid, jrg. 4, 1881, p. 21 – schapraai = kast, broodkast.

- Noord en Zuid, jrg. 16, 1893, p. 221 – Zij zit al (of: Zij blijft nog) in St. Anna’s schapraai: van eene bejaarde maagd , die weinig kans meer heeft om nog te trouwen en kinderen te krijgen. Zij is gegrond op het verhaal aangaande Sinte Anna, de huisvrouw van Joachim en de moeder van Maria, die eerst op gevorderden leeftijd hare dochter ter wereld bracht. De spreekwijze is vooral in Brabant en België in zwang, waar schapraai voor “etenskast", hier in den meer algemeenen zin van “huishouden" genomen, eene gewone uitdrukking is.

- Noord en Zuid, jrg. 22, 1899, p. 241 – hoekschapraai. Schapraai wordt in Vlaanderen algemeen gebruikt voor etenskast; in Brabant ook voor andere kasten , kisten of koffers, waarin men iets bewaart: melk-, brood-, vleesch-, hoekschapraai, hoekkastje.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAPRAAI zelfstandig naamwoord v. - eetkas (Frans gardemanger)

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHAPRADE of schapraai = niet alleen bij de boeren maar zelfs bij niet onaanzienlijke dorpelingen in de Baronie nog veel in gebruik voor 'atenskas', zoo wel als het verkleinwoord ' schapraaiken'. SCHAP = armarium, Eng. shop, ons schop, enz.; RADE beteekent 'gereedschap'.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHAPRAAI - zelfstandig naamwoord vrouwelijk Frans: armoire, en meer bep. garde-manger

 

schar, scharre

zelfstandig naamwoord en meervoudsvorm

schar, Limanda limanda, vis uit de familie van schollen (Pleuronectidae), orde van platvissen (Pleuronectiformes).

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 09 - We ginge te voet dur de Baon / 'n Schòòne waandeling / En mee t'rug-komst hamme 'ne stok / Die vol mee scharre hing.

- WTT 2023 - Lechim duidt op de traditie om circa 8 mei van Tilburg te voet naar Enschot te lopen alwaar dan de heilige Job herdacht en vereerd werd (en wordt). Aldaar bevonden zich dan ook een of meer viskramen alwaar gedroogde scharren werden aangeboden. Deze scharren werden dan niet ter plaatse verorberd maar aan een stok gebonden (een soort pelgrimsstaf) en aldus mee naar huis gedragen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 17 - Toen ik ze teege 't lèf liep / Aon 't scharrekraomke bij St. Job."

Sint-Job

 

scharbos

zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.3:94 scharbos - bos van kreupelhout, ook genoemd: scharhout, sprokkelhout

 

scharhout

zelfstandig naamwoord

- Zegsman Piet Mutsaers - hout dat gekapt wordt, o. a. voor mutserds

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'scharhaawt' - scharrelhout, brandhout, mutserd

- WBD III.4.3:94 scharhout - bos van kreupelhout; ook genoemd: scharbos, sprokkelhout

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHAARHOUT (scharhout) o - hout dat gekapt wordt om staken en mutserd van te maken.

- WNT - SCHAARHOUT zelfstandig naamwoord. Hout dat van tijd tot tijd gekapt wordt, hakhout.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. 'schaarhout' - hakhout, hout dat van tijd tot tijd gekapt wordt

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAARHOUT zelfstandig naamwoord o. - hakhout, hout dat v. tijd tot tijd gekapt wordt.

 

scharminkel

zelfstandig naamwoord

betiteling van een lang, mager mens

- WBD III.4.3:48 scharminkel - lange, dunne boom; ook: zwieper, zwieperd, sliert, spar of schieter

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHARMINKEL, SCHERMINKEL zelfstandig naamwoord o. - oud en mager wijfken

- WNT - 3CHARMINKEL - 1) Aap (verouderd); 2) duivel, booze geest; 3) geraamte; 4) zeer mager persoon

 

scheede

zelfstandig naamwoord

schede; vrouwelijk geslachtsdeel

- WBD III.1.1. lemma schede – schede, verspreid in Tilburg

 

schêef

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

scheef

- WNT Lemma Jufferen - Een beetje scheef, dat juffert wel. Eigenlijk een ironische zegswijze om bij eene juffer, eene dame, scheefheid van lijf of leden te vergoelijken: wat scheef van leden staat een juffer niet kwaad, maakt wel een goede juffer. Vandaar, bij uitbreiding (de gewone toepassing): het hindert niet —, het doet er niet toe of iets wat scheef is, het kan daarom toch zijn dienst heel wel doen; het kan wel bruikbaar - en b.v. van schrift, wel leesbaar - zijn.

- Cees Robben - Scheef juffert goed... (19751128) [ter vergoelijking van iets (bijvoorbeeld kleding) dat niet precies correct of symmetrisch is]

- WBD schêef (II:1248) - ongelijk, gezegd van een zoom

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schêeve kuntjes piesen ôok

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEEF Frans: oblique. Vergl.: zoo scheef as 'en krab', gestoord, dwars, misnoegd; een scheef gezicht trekken.

 

Sticker van een carnavalsvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

schêefaon

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

scheef aflopend

- Interview Jolen - 1978 - “…daor ene pin aon, hè…die gingk in de grond èn dan hadde dè hoek en gat èn dè en gat èn dan hadde ene beugel in hout, in plank, jè, hoe zak die naa öt…ötnoeme? Die was zo en bietje schêefaon èn onder dicht èn zo diep èn moeste meej die beugelbòlle, hadde houtere bòlle, schèppe èn nòr die ringe gôoje…” (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► Klik hier voor het audiobestanden van dit interview

 

schèèf, schèfke, schèève

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord, meervoud

schijf, plak

- Hij gaaf ze spèk meej moffelbôone/ boerebrôod meej en schèèf zult/ mar ze han liever kwattastrooisel/ goei eete was er òn verspuld. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Gift ze mar zuut‘)

- Piet van Beers – ‘De stinpöst’: Vier onsvèrse worst èn peeje../ doet er mar wè jèùne bij./ 'n Bèkske zult 'n half pond kaoje/ èn tweej schèève balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de schèèf = Schijfstraat en omgeving (blz. 132)

- WBD III.2.3:124 ' schijfeltje' = dun schijfje

samenstellingen

- WBD karnschijf (cirkelvormige, van openingen voorziene plank onder aan de karnstaf), ook genoemd 'schèfke'

- WBD booterschèèf - deksel van de karnton

- WBD kouterschèèf - schijfkouter (kouter met de vorm van een platte metalen, draaiende schijf, dat vooral gebruikt werd bij het scheuren van grasland), ook genoemd (Hasselt: ) 'schèèf'

- WBD schèèfèg, (Hasselt) schèèfeeg (gebruikt voor het scheuren v. grasland)

- WBD kèttingbôomschèèf, gaorenbôomschèèf, bôomschèève (II:1007) - resp. kettingboomschijf, garenboomschijf en boomschijven

- WBD gaoreschèève, schèjve, schèève (II:1007) - garenschijven, schijven

 

schèèl

zelfstandig naamwoord

1. deksel

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "scheel (schail) - deksel van een pot of pan"

- WBD (III.2.1:139) 'scheel' = deksel

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHEEL voor deksel, zeer algemeen; zamentrekking van 'schedel', afkomstig v. h. Oud-Duitsche 'scheelen' = bedekken.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHEEL (schéél) m - deksel van een pan (verwant met schedel).

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEEL (zachte e) zelfstandig naamwoord o. - deksel Frans: couvercle

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schèèl zelfstandig naamwoord - deksel van potten en pannen

- WNT - SCHEEL (III) - deksel (nog in zuidelijke dialecten)

2. het deksel van een kachel waarop gekookt wordt, soms bestaande uit meerdere ringen, zodat de opening kan worden aangepast aan de pan

- Cees Robben - Prent van de week 26-05-1967 - ’t schèèl van ’t twidde gat.

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

schèèl

zelfstandig naamwoord, onzijdig

et scheel, het scheelkijken; in het bijzonder in de uitdrukking ‘et schèèl afdrinken’; bij de geboorte van een kind een borrel nemen
- Cees Robben - ’t kekt wel schèèl.. (...) mar 'k gao d’r toch op klinken, (...) om ’t schèèl d’r af te drinken... (19600422)

- Marc de Coster, Woordenboek van Populair Taalgebruik, www.Ensie - het scheel eraf drinken (1974) - op de geboorte van een kind drinken. Een uitdrukking die men vroeger wel eens op het platteland gebruikte. Volgens sommigen voorkwam je daarmee dat het kind later ging loensen.
b
ijvoeglijk naamwoord

scheef, scheel

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - As ge alles wilt, kèkte schèèl op oew neus (Si'66) - Waarschuwing! Wees niet te veeleisend.

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 zo schèèl kèèke dègge et zwêet krèùslings oover oewe rug ziet lôope

- WBD III.1.1:243 'scheelzien, scheelkijken' = scheelzien, 244 'schele' = (een) schele (zijn)

scheldwoord, zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schèèle' - scheldwoord voor brildragende of scheelogige

scheldwoord, bijvoeglijk gebruik

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - schèèle Piet = Piet Verhagen (blz. 81)

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene schèèle wiewauw - een scheel persoon

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij hee ‘ne kop as ‘ne veurhaomer, hij is zô schèèl as 'n otter en hij is driekwart idioot, mar veur de rest gaoget wel (16-01-1975)

- WBD III.4.2:92 'schele jood' - pos, ook genoemd: 'koolbaars', 'baarske', 'pos'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈÈL bvw - Frans: louche. Vergelijk zoo schèèl als 'en krab, als 'nen otter;

- Jan Naaijkens - Dès Biks, 1992 - schèèle juut: scheldwoord voor 'n schele [juut = scheldwoord voor politieagent]

- WBD III.4 4:226 'scheel' = scheef, ook 'scheluw', 'schouw' - fig. schèèl dientje - kleine baarsachtige van 15 cm (Gymnocephalus cernua), ook schèèle jood genoemd.

 

Sticker van de Tilburgse carnavalsvereniging D'n Schëèldrinkers. In de meervoudsvorm dient 'd'n' eigenlijk 'de' te zijn. Foto CuBra 2020.

 

schèèlewip

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vogel op schietboom

 

schèèmel

zelfstandig naamwoord

schemel, voetplank van een weefgetouw

- WBD schèèmels (II:976) - schemels: treden, de stevige latten onder aan het getouw

- WBD scheèmel (II:1069) - schemel, grote trede v. jacquardmachine

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schêemel - voetlatten om de schachten van een weefgetouw te bedienen

- WNT - SCHEMEL II, 2 - voetplank van een weefgetouw.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEMEL zelfstandig naamwoord v. - bij wevers: een der beide treeplanken of hefboomen die, met den voet in beweging gebracht, de draden der schering aanhalen en van elkaar doen wijken, zoodat de spoel ertusschen door geworpen kan worden

- WNT - SCHEMEL - voetplank van een weefgetouw

 

schèèmelkèùl

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - schemelkuil, gat onder de voetplank van een weefgetouw, dat de wever in staat moest stellen, voor de benodigde 'sprong', de latten diep genoeg te kunnen intrappen. (Tilburgse Taalplastiek 119) 

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - van bangeghèd in zene schèèmelkèùl krèùpe (vB - Tilburgse Taalplastiek 197l) - van angst onder de voetplank van het weefgetouw kruipen.

- WBD scheèmelsköjl (II:976) - schemelskuil: de rechhoekige kuil onder het handweefgetouw

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zo bang as ene schèèmelkööl - zo bang als iem. die getrapt wordt

 

schèèmsel

zelfstandig naamwoord

schemer

- 1974 (ca.) – “Schemen” (ABN). hier moet altijd duisternis bij worden gedacht. “Schèèmsel” = tussen licht en donker = 's morgens heel vroeg. “'t Irste schèèmsel was er nog mar aaf”. “Schèèmsel” is afkomstig van het middelnederl: Scheme, scheem en schemel. (Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek)

 

Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek

 

schêen

werkwoordsvorm in de verleden tijd van schèène

scheen, schold

 

scheen

zelfstandig naamwoord

scheenbeen

- In de uitdrukking ‘een blauwe scheen lopen’: een blauwtje lopen.

- J.M. Van der Donck, ‘Mooi Truike’, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: 'nen schaatrêken boerejongen uit ur durp, die vruuger bij Truikes 'n blouwe schin hà geloope.

- WTT 2023 - waarschijnlijk is de zegswijze gebaseerd op het beeld waarbij de jongeman door een meisje wordt afgewezen (met name bij een huwelijksaanzoek), namelijk alsof zij hem tegen het scheenbeen schopt. Vergelijk het wat minder hardhandige 'een blauwtje lopen'.

 

schèène

werkwoord, sterk

schèène - scheen - gescheene

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schènt

1. schelden

Eigenlijk 'schenden'

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Nie schèène, schôojer!

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schaine - schelden"

- Het hee z'n goeie en kwaoie zije,/ En er op schènen maag ik nie… - Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.

- A.J.A.C. van Delft - "Die mèèden van de Jut schènen mekaare uit veur al wè lilluk is." Die meisjes der jutespinnerij schelden op elkaar in bewoordingen, waarin al wat leelijk is tot uiting komt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schènpartij' - scheldpartij

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'Dè schend mekare de huid vol'

- Naa nie om van Tilburg te schène hoor... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- KAREL. Jè, en soms begiene ze nog te schène óók! SJAREL. Och, Karel, daor kunne me ok beter mee laage dan schreuwe. Ge mokt naaw eemel van meensche gin Trappiste… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - schène doe gin zeer en schuppe heddet hart nie (23-10-1963)

- Cees Robben - Wè zal oew moeder toch schèènen..! (19561222)
- Cees Robben - [over een vrouw:] Ze lekt net de ster van betteljem.. Jè, alleenig blinkt ze nie... schèène doese wel. (19800105)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 09 03 - Ik zaat goed lui in mènnen hof / 't Lève schòòn te vène / Toen de buurvrouw ('n echte kwèk) / Wir is begos te schène.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 04 03 - Hoe was 't mee Paose, òòme Jaon / Hèdde òk zò gescheene? / Drie daoge vrij, mar mee zò'n weer / Koste nog nerges heene.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 05 05 - Ons Drieka schent op tillevisie / Omdè ik ied'ren aovend kèk.
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Schèène doe nie zeer èn schuppe hè de-t hart nie'

- Stadsnieuws - Schèène doe nie zeer èn schuppe hèddet hart nie! (201206)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHENDEN (schèène) onov. ww - schelden: schèène doe nie zeer en schuppe hedde 't hart nie; de samenst. 'ötschèène' betekent ook wel: noemen, maar met ontleende woorden (zie blz. 50)

2. schijnen (licht uitstralen)

- Cees Robben - èn de zon èn de maon èn de stèrre die schèène dan niemer...

- Hêel hôog daorboove stond en stèr/ mar niemand zaag ze schèène. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: : Wè hemme toch gegeete)

- Piet van Beers – ‘As ge me zuukt’: Tusse Carneval èn Paose,/ as de zon es schèène wil/ Gao ik in menne tèùn ònt spitte./ Want... dè moet vur êen April. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers – ‘As ge me zuukt’: as de zon es schèène wil./ Gao ik in munne tèùn ònt spitte.

- Mar ondanks alles schêen de zon... (Henriëtte Vunderink, Kampeere, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

 

Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 03 09

't Schènt gelèk te schène
"Wè's Tilburgs toch 'n rèke taol"
Zee list nog onze klène
't Is nie allèènig schòòne schèn
Mar alles kan hier schène.

Ons moeder hee'get aaltij druk
Zò gaauw de zon gao schène
Dan zee'se: "Ik maok nòòt echt schòòn,
Mar 'k waas wél m'n gerdène."

Dè duurt dan unne gaansen dag
't Motte nuuwe schène
Mar gij kunt vur zò'n oope raom
Nòòt oewen draai goed vène.

As iederèèn naor binne gaopt
Raokt oew meegaondhei tène
Dè vènd ze gek, omdè gij dan
Gaot foetere en schène.
 

 

Overige bronnen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
(n) zw.ww. (verl. dw. 'geschänt'), tr. 'schaennen' d. i. 'scheinnen' - scheinden, schenden.

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schaene - schelden

- WNT - SCHENDEN, schennen 7) met iemands eer of naam tot voorwerp: daaraan afbreuk doen; enz.

- WBD III.3.1:300 'schenden','uitschenden' = uitschelden

- WBD III.3.1:301 'schenden' = schimpen

- WBD III.1.4:237 'schelden' = razen en tieren

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHENDEN, SCHENNEN, met een zaak als voorwerp: beschadigen, leelijk maken, bederven.

 

schèènhèlleg

schijnheilig(e), hypocriet

- WBD III.1.4:87 'een schijnheilige' = een huichelaar

- Stadsnieuws - Zo schèènhèlleg as enen duuvel die zen èèrepel in wijwaoter kokt (300507)

 

scheepe

werkwoord, zwak

schepen, inschepen, in de betekenis van in het huwelijk treden; vergelijk: huwelijksbootje

- Hij is gescheept en moet nu varen. - Hij is getrouwd en moet nu zien de kost te winnen. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)

 

scheepel

zelfstandig naamwoord

- WBD - inhoudsmaat voor droge waar, = 37, 6 liter 8 scheepel = 1 mud (301 liter )

in Tilburg in gebruik voor de invoering v. h. Ned. Metriek Stelsel, 1820) zie: Verhoeff

- WBD III.4.4:300 'schepel' = hectoliter, ook 'mud' of 'spint'

- WNT - SCHEPEL (van 'scheppen') 2) een maat voor droge waren: het vierde deel van een mud en dus naar gelang der mudden verschillend. Het tiende deel van een hectoliter.

 

schilderij van F. Brissot de Warville: 'Schaapherder op de heide' (19e eeuw)

 

scheeper

zelfstandig naamwoord

schaapherder

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz.23) 'schêeper' - schaapherder

- H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘’t Is aovent’, 1932 - De scheper schalt meej schellen klaank/ van gunderwijd den louwerzaank,/ 't is aovent, 't is aovent.

 

schèèr, schèère, schèrke

zelfstandig naamwoord, meervoudsvorm, verkleinwoord

schaar, scharen, schaartje

knipschaar

- Pierre van Beek - Bij het gezegde "Ziezo, zeej de Fraansman en hij bedoelde 'n schèr (schaar)" hebben we te doen met een aardig gevonden woordspeling door gelijkheid van klank. Men moet namelijk weten, dat het Franse woord voor schaar luidt: "ciseaux", dat als "siezo" wordt uitgesproken. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950)

- Pierre van Beek – …van de kleermaker kon men wel horen, dat hij goed "dur het oog van de schèr (schaar)" haalde, waarmede hij dan beschuldigd werd van het achterhouden van overgeschoten stof, waaruit hij in opdracht een costuum gemaakt had. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950)

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - schèèr (krt.2l)

- WBD 'schèèr' (II:1111) - schaar; ook 'schijr', of 'knip' (kindertaal) andere betekenissen

- WBD kapgebint: twee schuine balken die elkaar in de nok ontmoeten

- WBD schèèrbêen - keper v.h. kapgebint (elk van de twee schuinstaande, elkaar in het nokpunt v.h. dak ontmoetende balken van het kapgebint)

- WBD schèère - de beide beenderen van de onderkaak v.e. paard

- WBD vurschèèr, (Hasselt:)'vurschaor' - voorschaar (van een ploeg)

- WBD 'schéér' (II:1044), ' schérk?' - weversschaar

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'scheer' - 1) schaar; 2) de beide beenderen v.h.kinnebakken; 3) grote mond. II (weverst.) schering. III - scheergebint.

 

schèère

werkwoord, zwak

schrapen, bij elkaar zien te krijgen

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "bij mekaare schairen (schrapen); moeder maak de pan uitschairen?"

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHAREN voor 'schrapen' van een gierigaard. Bij Kiliaen - = congregare.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHARREN (schèère) ov.ww - krabben, schrappen, bv. restjes uit een pan; ook: vrekkig verzamelen, krampachtig verwerven.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈREN - afmaaien, afpikken, doch alleen in de zegswijze: de velden geschoren, de winter geboren

- WBD schèère (II:988) - scheren: van de door spoelen verkregen scheerklossen met kettinggaren er zoveel bij elkaar brengen op het 'scheerrek' als men voor de te weven stof nodig heeft ... 

- WBD schèère (II:1056) - scheren (nabewerking van weefsel)

- WNT - SCHARREN 5) op hebzuchtige wijze geld bij kleine beetjes verzamelen

werkwoord, sterk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 22) schèère naast scheere

- Dialectenquête 1887 Willems - schèère - schoer - geschoore 

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - schèère - schoor - geschoore

 

Tekening van Louis Leopold Boilly, 19de eeuw

 

scheren (van beharing)

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'knippen en scheiren'; 'z'n eigen schèren'

- KAREL. Zo Hitler naa z'n kneveltje nie af moete schère? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

figuurlijk

- Cees Robben - [Bij de belastingdienst] Hier schèère z’oe zonder zêêp... (19711008)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - van enen aorige zòt geschoore zèèn (HM ' 70) - door een zot gek verklaard zijn

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - schèèren èn piepen as ene kafmeule (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - spreekwoordelijke vergelijking: gezegd van een herstellende zieke die nog moeite heeft met de lichaamsfuncties

 

schèèrèèchteg

bijvoeglijk naamwoord

schaarachtig, schraperig, inhalig, hebberig

 

Tekening van Frans Mandos Tz - 1945

 

Tijs Dorenbosch - Vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

 

schèèresliep, schèèreslieper

 

zelfstandig naamwoord

scharenslijper

Hinkelepink, de scheresliep,

kruide z'n kreugeltje, pieperdepiep,

en z'n lange strooien haoren

woeien al wuuster deur mekaoren

en ie zong mar "scheresliep!

scheresliep! scheresliep!"

(Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Hinkelepink’, 1939)

 

Scheeresliep!

Missen en scheeresliep!

Heurde nie hoe mijn kreugeltje piept (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Scheeresliep’, 1938)

- Cees Robben - ...Luijen doerak... Schèèresliep... (19580719)

- Timmermans - Mar veul spannender was et as dieje schèèresliep langs kwaam, meej ene woonwaoge waorop ie ene slèpstêen had staon dietie meej zene voet liet draaie. Dè waare echte zigeunerlui, vrouwe èn kènder derbij èn as ze in de straot waare deej iederêen de aachterdeur op de knip, want et gebeurde wel es dè as ge on de vurdeur stond te kèèke dèsse intusse aachterom binne kwaame. Dieje meens zelf had ene rauwe haorbos èn ene zwarten baord , en assie dan mèsse on et slèèpe was zaat ie steeds op dieje stêen te spierse. Ik vond et aaltij spannend omdè et praotje rondging dè die zigeuners wèl es kiendjes meej name. (Nel Timmermans; Wètter ammòl òn de deur komt; CuBra; 200?)

- Elie van Schilt - Vurral nie te vergeten de schéérenslieper, de lappenboer en menne ome die ree mee un kerke mee kuukskes en snoep (Uit: ‘Alles is aanders’; CuBra ca. 2000)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'scherenslieper' - scharenslijper

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈRESLIEP zelfstandig naamwoord mannelijk - schaarslijper

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schèèresliep zelfstandig naamwoord - scharenslijper

 

Scharenslijper - houtgravure, 19de eeuw

 

schèèresliep - volksliedjes over de scharenslijper op CuBra, verzameld door Ben Hartman

Dossier Schèèresliep

 

schèèrkiendje

zelfstandig naamwoord

nakomertje; jongste kind dat in leeftijd nogal met het voorlaatste verschilt

►schèèrkuukske

 

schèèrkuukske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van schèèrkoek

koekje van het laatste deeg

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - schèrkuukske ('87) -koekje van het laatst bij elkaar geschraapte deeg

- Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - "schairkuukske - het laatste kindje in een gezin"

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (’n rij kinderen uit een gezin met nog ’n nakomertje) “ ’t schèr kuukske” (Dit moet afkomstig zijn van de bakker die z’n bank bijkrabt en nog ’n koekje bij elkaar vergaart) (11-02-1965)

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - scharkuukske, schaarkuukske - jongste in gezin

- WNT - SCHARKOEK - de laatste pannekoek van een baksel, ook in toepassing op het laatste kind uit een huwelijk (gewest.in Z.-Nederl.)

 

schèèrp

scherp

zelfstandig naamwoord

het scherp

- WBD (et) schèèrp ienhèbbe, schèèrp gegeeten hèbbe - gezegd van een koe die met het gras ook een scherp voorwerp (bijvoorbeeld stukje ijzerdraad) heeft ingeslikt

- Stadsnieuws - De koej van boer Van Roessel heej et schèèrp; as de veearts der nie bij gehòld wòrt, gao ze dôod.(240906)

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'meej z'n schèrp staol'

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zo schèèrp as en gat (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916 - spreekwoordelijke vergelijking

- WBD III.3. 1:298 'scherp' = vinnig

- WBD III.4.4:153 'scherp zand' = drijfzand

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHERP (uitspr. schärrəp) - scherp; glad (van ijs), grof (van zand)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schèèrp bijvoeglijk naamwoord - scherp

 

schèèrp zaand

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schelpzand, zeezand

scherp zand?

 

schèèrraom, schèrraom

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - (textiel) scheerraam, kettinghaspel

- WNT - SCHEERRAAM - Raam waarop de ketting van een te weven laken geordend wordt.

- Audioregistratie 1978 - Bij ons stonde tweej houte ketaawe in hèùs, dè weet ik nòg goed èn wij han en, en schèèrraom èn wij han en lèèmmesjien ammel int hout, kompleet! Wij waare hillemòl as ene, ene tèkstielfabriekaant mar ammel int hout! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

schèèrtèùt

zelfstandig naamwoord

scheerklos

- WBD schèèrtèùte, schèrtèùte (of: schir- ?), tèùte (II:990) - scheerklossen

ook: pèèpe, schèèrklòsse, schèrklòsse (of: schir- ?) of krèùsklòsse genoemd

 

 

scheet

zelfstandig naamwoord

scheet

- Piet van Beers; Èn intusse lôop ik hier thèùs mar te hinke./ Tillevizie te kèèke èn koffie te drinke./ 'k laot nou èn dan, unnen boer èn 'n scheet./ Mar... strak gao'k wir terug nòr den ortopeet. (uit: Den Ortopeet; ca. 1995; CuBra)

- Piet van Beers; (datum onbekend - gepubliceerd op CuBra ca. 2005)

Oome Karel


Moeders jongste bruur ôme Karel,
was ene grapjas irste klas.
Hij hield iederêen voor ´t lèpke
èn dè zaagde laoter pas.


ôme Karel was bediende
in ´n grôote slaagerij.
Nao de school kwaame we altij
aon dè winkelpaand vurbij.


Hij vroeg dan èen van m'n vriende
"As je aon mene vinger trèkt
heurde ´t in Keulen dondere
´t is ´n pracht geluidsèffèct."


As m´ne vriend dan ha getrokke
liet m´n ôom ´n harde scheet.
As dan iedereen moes laage
mòkte dè de grap compleet.

- Piet van Beers; (datum onbekend - gepubliceerd op CuBra ca. 2005)

Heeter in Tilburg Wèst enen boer
´n flinke scheet gelaote
dan is dè wir ´n reeje om
oover de I.F.F. te praote.
Der wordt hier hil wè afgeluld
èn de I.F.F. die krèègt de schuld.

[IFF = producent van geurstoffen in Tilburg Noord, berucht om zijn luchtverontreiniging]

- WBD III.1.1. lemma Een wind laten – frequent Tilburg – een scheet laten

- WBD III.1.4:94 'verwende scheet' = bedorven persoon

- WBD III.1.4:138 'bangscheet' = bangerik

Uitdrukkingen

- om ene scheet (uitdr.) om een onbenulligheidje/ om de haverklap?

- Informant Toine Raaijmakers - Die laagt nòg nie as ie ne scheet/stront teege de muur omhoog zie krèùpe (m.b.t. een zuurpruim)

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge hèt niks vur niks as ene scheet in oewe slaop.

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Sprikt/ Pròt of lòt en scheet, dèk iets weet.

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en poolse scheet moete laote (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916 - heeft wsch. te maken met het 'polen' (= pellen) van peulvruchten. Bonen en erwten veroorzaken winden. Variant: Ieder bontje hee zen tontje, ieder èrtje zen consèrtje.

Aanvullende bronnen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEET zelfstandig naamwoord m + v. - Frans: pet; drek v. vliegen en vlooien; nietigheid, kleinigheid, Frans: bagatelle; flauwe, kinderachtige mensch. spr. 'n scheet geven - verkeerd, kwalijk eindigen. Ook: pronker, pronkster, pronkzieke persoon.

 

schêet

scheet, verleden tijd van 'schèète'

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - 'Hardi!', zi De Waal, èn hij schêet zoft (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916) - kaartterm (F-N. de Waal was een fabrikant in Den Bosch. Het staat niet vast waaraan hij zijn spreekwoordelijke bekendheid dankt.)

 

schèèt

zelfstandig naamwoord

ergens (het) schijt aan hebben

- Informant Toine Raaijmakers - Daor hèk (et) schèèt aon. - Daar heb ik lak, schijt, maling aan

- Informant Toine Raaijmakers - Daor hèk tòch zo et schèèt aon. - Daar heb ik toch zo het land aan.

- Lodewijk van den Bredevoort - Et waren nie allemol zon kiendjesmaokers, bij ons in de femilie. Zeker aon onze vadderskaant han de miste, ‘schèèt aon de pestoor en hil de kliek, die er om hene hing’ (pseudoniem van Jo van Tilborg - uit: 'Kosset den brèùne eigeluk wel trekke, deel 1, 2006)

- Piet van Beers; uit 'Dèùvepoep' - Ons Moeder liep wel es te schèène/ op dieje viezen dèùvepoep/dè die biste liete valle/ op der waas èn op derre stoep.// "Ik wil", zeej Tienus teege ons Moeder:/ "Vur gin goud men dèùve kwèèt.../ Èn al laote ze dan wè valle.../ Òn dieje poep...hèb ik "t Schèèt." (CuBra)

- WBD III.1.4:287 'er schijt aan hebben' = er zich niets van aantrekken - WBD III.1.4:288 'neuken', 'neuk aan hebben' = er zich niets van aantrekken

- WBD III.1.4:288 'verschillen', 289 'verrekken', 'verdommen' = idem

- WNT - SCHIJT hebben aan - er het land aan hebben, er op gebeten zijn.

diarree

- Cees Robben - vruug opstaon dè is gin profèèt, dè is vruug honger en vruug schèèt

- Lodewijk van den Bredevoort - Bij die gedaachte alleen al kreeg hij al ut schèèt. (pseudoniem van Jo van Tilborg - uit: 'Kosset den brèùne eigeluk wel trekke, deel 1, 2006)

- WBD et scheet/schèèt hèbbe, òn et schèèt zèèn - diarree hebben, ook genoemd: spèlle, et spèl hèbbe, on et spèl zèèn/staon

- WBD III.1.2:256 'schijt' = diarree;

- WBD III.1.2:258 'het schijt hebben'= diarree hebben

- WBD III.1.2:259 'aan de schijt zijn' = diarree hebben

schijt

- Cees Robben - Vruug opstaon dè is gin profèèt... Dè is vruug honger en vruug schèèt... (19821126) [Excuus om lang in bed te blijven liggen.]

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk - schijt, kak, stront. Zegsw.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIJT zelfstandig naamwoord m.: Spr. In de(n) schijt zitten - in nesten, in nood zitten van iet de(n) schijt geven - er den brui, den bras van geven; afgang; Frans: foire, diarrhée, gezeid v. dieren; het schijt krijgen - bang worden.

- WBD III.1.1. lemma uitwerpselen - Tilburg

 

schèètbosse

zelfstandig naamwoord, meervoud

- WBD schitbossen (bossen van welig opschietend gras in de weide op plaatsen waar koedrek ligt) (Hasseltse term)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk, 'schitbos' - bos gras in een wei, ontstaan op een koeschit; de koeien laten ze onaangeroerd.

 

Handgekleurde gravure - 16e eeuw

 

schèète

werkwoord, sterk

schijten

- schèète - schêet - gescheete

- In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schèt / gullie schèt

- vocaalkrimping ook in gebiedende wijs bij uitroepen als 'Och schèt!' of 'Schèt tòch gaaw!'

► schèt

Uitdrukkingen

- Informant H. van Boxtel - Over zijn grootvader, Jan van Ierland, die het gerommel van naderend onweer van commentaar voorzag met de uitspraak 'God allemachteg...', waarna hij pauzeerde en de donderslag afwachtte, waarna hij de geruststellende bezwering uitsprak: 'God schèt krachteg!' (Mededeling 2018.)

- Informant Toine Raaimakers - bè iemand in de pap kunne schèète - geen kwaad kunnen doen.

- Lodewijk van den Bredevoort - Enen aandere vrijer, Adrie van hullie Hannie, kosser in de pap schèète en mocht aaltij meeëten.(pseudoniem van Jo van Tilborg, uit: 'Kosset den brèùne eigeluk wel trekke, deel 2, 2007)

- Informant Toine Raaimakers - Hij schèt nie vur half èlf = Hij is een slechte betaler; Hij is niet goedgeefs.

- Informant Toine Raaimakers - Den duuvel schèt aaltij op êenen hôop (m.b.t. mensen met veel geluk (gezegd uit afgunst) of juist met veel pech (gezegd uit medeleven)).

- Miep Mandos-v.d.Pol, Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Had, had haaj gefreete, dan hadde törf gescheete.

- Miep Mandos-v.d.Pol, Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hak hooj gegeete, dan hak törf gescheete.

- Cees Robben - As ge haaj had gegeete, dan hadde naa törf gescheete. - Miep Mandos-v.d.Pol, Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -Zwetsen èn in de broek schèète, dè kunde zittende.

- Rolf Janssen - 'en ze fret nie en ze schet nie' [uit een populaire Tilburgse liedtekst over het uithangbord van een poelier in de vorm van een zwaan]

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Gehoord maar de betekenis is me ontgaan) Hij kan doen wettie-wil, ’t zal mèn aon m’n gat nie schèite (27-12-1968)
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Hij leeft boven zijn stand) Hij schet hôger dan z’n kont zit (27-12-1968)

- Cees Robben - der is gin hupke in Tilburg waor hij nie gescheeten heej.

- Cees Robben - Bèn mar blij dè ge nie bescheete zèèt tösgekoome [bescheete = aagerand of zwanger]

- Pierre van Beek - Hij heej al gescheeten as en aander zen broek nog öt moet doen

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - onder de kaast schèète (Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - rôokende nor de kèèrk is schèètend nòr de hèl (Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - 'ik dòcht dègge en pèrd gescheeten hadt èn dègge dòrop òn kwaamt rije (Kn'50) - plagerij tegen iemand die lang op de WC gezeten heeft

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - Gij in de pòt schèèten èn mèn laote stinke (Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916) - mij voor jouw wandaden laten opdraaien

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - langs den hofpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 schèt in bèd, dan ligde vèt

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 die nie waogt die nie wint, die nie schèt die nie stinkt

Omgeving Tilburg

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schèète ww - schijten

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - Dialekt van Kempenland - 1958 - e.v. - st. ww. tr. + intr. - schijten.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIJTEN Spr. schijten gelijk 'nen reiger - geweldigen afgang hebben, op iem. of iet schijten - er zich niet om bekreunen.

Tilburg - betekenissen voor 'schèète'

- WBD III.4.2:37 'schijten', ook kakken

- WBD III.1.2:259 'aan de schijterij zijn' = diarree hebben

- WBD III.1.1. lemma ontlasting hebben – frequent Tilburg

- WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – gaan schijten - Tilburg

- WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – Tilburg

- WBD III.1.1. lemma Een wind laten – Tilburg

 

schèètèkster

zelfstandig naamwoord

schijtekster, schijtlerd, bange schijterd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - bangerik

- Stadsnieuws - Tis zonne schèètèkster: asset derop ònkomt issie gevlooge.(080707)

 

schèèterd, schèètert

zelfstandig naamwoord

schijterd, bangerik, bange schèèterd

- Zônne bange schèètert waar ik. (Jos Naaijkens; ‘Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot’; CuBra, ca 2005)

- WBD III.l.4:138 'schijterd' = bangerik

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk - schijterd (in de zegsw. 'In z' ne scheterd zitte' – in de knijpers zitten)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIJTER - zelfstandig naamwoord mannelijk - laffe, nietsweerdige mensch

- WNT - SCHIJTER - 2) iemand die niet durft, lafaard

paard

- WBD mòndschèèter - paard dat last heeft van periodieke [maandelijkse] diarree (Hasselt)

vogel

- WBD III.4.1:64 'braamschijter - tuinfluiter' 'kwetje, braamkwet' 

- WBD III.4.1:65 'braamschijter' - braamsluiper; ook 'braamkwet' 

 

scheetevanger

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 as scheetevanger lôope - al chaperonnerend achter een paar aanlopen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schêetevanger'

 

schèèthak

zelfstandig naamwoord

- WBD schijthak (ongewoon ver achteruitstekend been van de koe), ook genoemd: 'scheethiele'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord m (gew. mv 'scheethakke(n)), schijthak - het achterwaarts uitstekende gewricht aan de achterpoten van een rund of paard.

► kakhiele

 

schèèthèùs

zelfstandig naamwoord

schijthuis, plee, W.C.; figuurlijk: bangerik

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Wè zèède tòch en schèèthèùs!
- Jo van Tilborg - Asser afgedrêûgd moes worre bij et omwaasse, zaat zij aaltij op et schèèthèùs want dan hasse aaltij zô mar ineens hôoge nôod. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- WBD (III.2.1:112) 'schijthuis', c.q. 'gemak', 'huiske' of 'plee 

- WBD (III.1.4:138) 'schijthuis' = bangerik

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord onzijdig: schijthuis, bestekamer, plee (gew. in de verkleinvorm) oorspronkelijk inderdaad een apart achter het woonhuis staand huisje.

- WNT - SCHIJTHUIS - 1) afz. gebouwtje ...; 2) scheldnaam voor een laf persoon; 3) scheldnaam voor een ontuchtige vrouw

► höske

 

scheethiele

zelfstandig naamwoord, meervoud

- WBD schijthakken (ongewoon ver achteruitstekende benen van de koe (ook 'schèèthak' genoemd)

► kakhiele

 

scheetlaoter

zelfstandig naamwoord

tuinboon die in sterke mate de ontlasting bevordert, gatverschuiver, blazer

- WBD III.3. 2:85 'scheetlater' = ontlastingsboontje

► zie dossier Tuinboon

 

Ill: Naumann - turdus viscivorus

 

schèètlèèster

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - grote lijster (Turdus viscivorus)

 

Ill.: Naumann - chlidonias niger

 

schèètzwòlm

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schèètzwòllem' - zwarte stern (Chlidonias niger)

 

schèève

zelfstandig naamwoord, meervoud van schèèf

schijven; hier foguurlijk: geld

- Cees Robben - Ik zit goed in de schèève... (19610922)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schijven, munten

 

schèfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van schèèf

schijfje, plakje

- WBD III.4.4:269 'schijfke' = sneetje

verkleinwoord van 'schèèf', met vocaalkrimping

 

schèl

zelfstandig naamwoord

1. schel (bel)

- WBD III.3. 3:l62 schèl = altaarbel

1.1 schel, figuurlijk

- gezegde, Pierre van Beek - de schel schudde - met veel lawaai de mond roeren (gezegd van een vrouw)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schel'; zegsw. 'Ze kan d'r schäl wa schudde!' - Ze kan wat luide en met veel drukte praten: (gezegd van praatzieke, schelsprekende vrouwen). zelfstandig naamwoord vr, 'schel' - schil

2. schil

- In et veurjaor maaide onze vadder enne kwak braandnetels en die wiere der bij gedaon saomen meej die schellen waar dè prima vreten veur de vèèrkes. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD III.4. 3:104 schèl, schors - schors van naaldbomen

- WBD III.4.4:148 'schel' = aardlaag

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEL zelfstandig naamwoord v. - schil, afgesneden pel v. aardappelen, peren enz.

3. onderdeel van fornuis of potachel

- zèt de môor mar op et schèl - zet de ketel maar op het fornuis (Tilburgse Taalplastiek 173)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - kacheldeksel: 'Zèt de môor mar op ut schèl' = Zet de waterketel maar op het fornuis.

 

Ill.: Thomé

 

schèlèrte

zelfstandig naamwoord, meervoud van schèlèrt

peultjes

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - doperwten in de peul 

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schelerten (peultjes)"

- WBD III.2.3:82 'schilerwt' = peulerwt

- Stadsnieuws - Van grôote peeje òf wènterpeeje mòkte peejstamp, mar klèèn peekes zitte bij de schèlèrtjes. (261106)

 

schèlf

zelfstandig naamwoord

- WBD III.4.4:233 'schelf' = scherf

 

schèlft

zelfstandig naamwoord

opslagplaats; diverse vormen

hooizolder

- WBD zolder in stal of schuur, ook genoemd 'balke', 'schôor', 'hoojzòlder'

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schelf, schelft bergplaats van hooi of stro boven een stal (zelfstandig naamwoord l.)

- WNT - SCHELF, SCHELFT - bergplaats voor hooi of stroo

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHELFT zelfstandig naamwoord mannelijk - zoldering gevormd door eenige houten sparren, boven stal

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHILFT: een hooizolder, die meestentijds boven den beestenstal is, en niet met planken maar met ruwe latten belegd.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk +vr. 'schelft' - zoldering gevormd door enige houten of sparren boven een stal of schuur en dienende tot bergplaats voor hooi of stro.

vrijstaande, open schuur

- WBD schèlf - veldschuur (vrijstaande, van alle zijden open bergplaats, met op en neer beweegbaar dak, overwegend voor hooi bestemd), ook 'hoojmèèt' of 'hoojbèèrg' genoemd.

- Cees Robben - Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is ’t bist zeej ’t kelfke.. en ’t kos rond den schelft... (19650910)

 

Detail uit een schilderij van Nicolaes Maes - 17de eeuw.

 

schèlle

werkwoord, zwak

schillen

Zie het dossier 'Schèlle' in de schilderkunst van de 17de eeuw

- Dialectenquête 1887 Willems - schelle - schelde - gescheld

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'errepuls gescheld'

- Ze snaawde: “Schèlt de èèrpel vast/ èn gao de raome waasse...“ (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Liever ònt wèèrk‘)
- Vur et schèlle van de èèrpels... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Moederdag‘)

- Sommigen van ons moese elke dag enne emmer èèrpel schellen en die schellen gingen dan weer naor de vèèrkes. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schèlle ww - schillen

afbikken

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - tis ginne geschèlde geevel (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd van mensen die dik doen en geen middelen hebben. (Schelle = oude stenen v. kalk ontdoen)

ploegen

- WBD ondiep ploegen

- WBD een stoppelveld ploegen

- WBD onderschèlle - ondiep onderploegen van mest

- WBD waaj schèlle (Hasselt) - het losploegen van een graslaag

 

schèlle

zelfstandig naamwoord, meervoud van schèl

schillen

 

schèlmis(ke)

zelfstandig naamwoord

schilmes(je)

 

schènke

werkwoord, sterk

schenken

- WBD III.4.4:218 'schenken', 'uitschenken', 'uitgieten'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - schènke - schonk - geschonke

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. praesens wordt in het cluster nkt de k verzwegen - schèngt

 

schènt

bijwoord

schijnbaar, naar het schijnt

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Hij heeter schènt nie veul zin in - hij heeft er blijkbaar niet veel zin in. [= schènt et, waaruit de persoonsuitgang verdwijnt: schèn't]

- Onze paa kos der schènt goed meej opschiete… (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

schèp

zelfstandig naamwoord, oude inhoudsmaat

- WBD III.4.4:298 'schep' = halve liter, ook 'pint'

 

schèplôon

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - loon in natura voor een molenaar

- WNT - SCHEPLOON - maalloon in graan of meel

 

schèppe

werkwoord, sterk

scheppen, oreeren

- Dialectenquête 1887 Willems - schèppe - schiep - geschaope

 

schèrke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schèèr'; met vocaalkrimping

schaartje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'moet ik oew scherke nie slèpen?'

 

schèrke sliep

zelfstandig naamwoord

kinderspel; uitvoering niet bekend

- Èn, èn bokkesprong èn, èn jè, hoe ist… Schèrke sliep! Hè, hè…! [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

schèrraom, schèèrraom

zelfstandig naamwoord

scheerraam, grote haspel voor ketting

- WBD schèrraom, schirraom (II:994) - scheerraam: grote haspel voor ketting; ook: schèèrmeule, haspelmeule of schèrkrôon genoemd

 

schèt

werkwoordsvorm van 'schèète'

schijt!

In gebiedende wijs

Informant Toine Raaimakers - Schèt tòch gaaw! - Verrek voor mijn part!

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 - schèt in bèd, dan ligde vèt

Als vervoeging van 'schèète'

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - dès ene vèùle vènt: die schèt onder de kaast (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs; 1916)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hij schèt nie vur half èlf, èn dan nòg mar dun - hij komt niet vlug over de brug, en dan nog maar magertjes

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg

 

Traditioneel Tilburgs Liedje - (Over het uithangbord van Hotel De Gouden Zwaan):

bij Hegeman op den Heuvel
daor stao' 'n gouwen zwaon
en ze fret nie' en ze schet nie'
en ze blèft daor euwig staon
en ze fret nie' en ze schet nie'
en ze blèft daor euwig staon

- Piet van Beers; Gelukkig schèt ie nie zoveul... as unnen Ooliefaant. (uit: Unne klèène grèèzen hond; www. CuBra, ca. 2005)

► schèète

 

schèùf

zelfstandig naamwoord

lade

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - lade, schuif, grendel

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - 'schuif' zelfstandig naamwoord - tafellade

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk schuif 1) tafellade, lade; 2) bovenste, losse gedeelte van een leest; 3) haveloos uitziend, slordig aangekleed persoon.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIF zelfstandig naamwoord v. - schuiflade, Frans: tiroir, layette; de onderste schuif.

grote hoeveelheid

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - '"n hil schuif - een groot aantal"

onbetrouwbaar persoon

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "O! 't is zo'n schuif (onbetrouwbare)"

andere betekenissen

- WBD (III.2.1:52) schuif - grendel

- WBD (III.3. 2:146) schèùf aaf = glijbaan

- WBD (III.2.1:52) 'schuif' = grendel

samenstelling met schèùf...

- WBD III.1.3:105 'schuifbroek' = directoire

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- WBD schuifleest, de houten leest met een los bovengedeelte, een zogenaamde schuif of kap (II:691)

- WBD schuifmaat, het houten instrumentje met twee opstaande latjes, waarvan één opklapbaar en verschuifbaar, om de lengte van de voet te meten (II:680.)

►schöfke, schuifje

 

schèùl

zelfstandig naamwoord

- WBD schuil, paardeziekte: gezwollen tandvlees

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. schuil, zekere ziekte.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIL zelfstandig naamwoord o. - witte blaasjes die men op de tong en in den mond krijgt; deze kwaal, in de wdbb. 'spruw' genaamd, is eigen aan kinderen en zeer kranke menschen.

 

schèùle

werkwoord, sterk

schuilen

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 94 onder den bôom kos ik nie mir schèùle

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - schèùle - schôol - geschoole

- Dialectenquête 1887 Willems - schèùle - schol - geschoole

vocaal krimping in tegenwoordige tijd gij/hij schölt

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. - schuilen

 

schèùm

zelfstandig naamwoord

schuim

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - nie veul vèt van schèùm (Kn'50) van de wal in de sloot

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 et schèùm van de negoosie is nòg aaltij beeter as et zwêet van et wèèrk

- WBD III.4. 2:223 'schuim' - schuimbeestje (Philaenus spumarius), ook wel 'broes' genoemd, of 'snot'

 

schèùme

werkwoord, zwak

schuimen; schooien

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - meepesaant ie zaat, zaat ie al rond te schööme - hij zat nog niet of hij schooide al

- Dialectenquête 1887 Willems - schèùme - schömde - geschömd - ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij schömt

 

schèùn

bijvoeglijk naamwoord

schuin, minder netjes

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - ene schèùnen bak - een schuine mop

- WBD III.1.4:210 'schuin' = boertig; ook 'schuins'

- WBD III.4.4:226 'schuin', 'schuins' = scheef, ook 'scheel', 'slim'

- schèùn - schönder - schönst

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 35) schèùnst/ schönst, maar met flexie-e: schèùnste

 

scheurmikske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ‘scheurmik’; ‘mik’= witbrood
- Cees Robben - ...aachter ’t scheurmikske... (19580118)
 

scheut

zelfstandig naamwoord

afstandsmaat

van ‘schot’; meestal als achtervoegsel
- Cees Robben - Van ’t Krèèvent naor ’t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504)
- Cees Robben - ’t Is toch mar unne bolscheut wîjd... (19550716)
- Cees Robben - Tiest Vermeeren naamp unne raomscheut... (19560428)

►ramscheut
inhoudsmaat

van vloeistof

verkleinde vorm = schutje
- Cees Robben - Wilde ’n schutje... [koffiemelk] Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms... (19691017)
- Cees Robben - Unne scheut of ’n schutje... Jè-mar-dè schilt unne kwak... (19730803)

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 05 e- n goej scheut rôome in oew tas kòffie

in figuurlijke zin gebruikt voor gevorderde zwangerschap
In de uitdrukking 'op scheut zijn'. Gebaseerd op ‘schieten’ in de zin van vrucht dragen: zwanger zijn
- Cees Robben - Elizabeth de nicht van Maria was reeds in haar zesde maand... Wat betekent dat (...) Desse al ’n vergimmes end op scheut was..! (19850628)
- Cees Robben - Aon de tel? Dè wel.. Al zis maond op scheut.. En ik heb nog niks aon de luurkörf gedaon.. (19861017)

- Informant Toine Raaijmakers - en ènd op scheut zèèn - een eind gevorderd zijn in de zwangerschap

- Piet van Beers – ‘Volkstèlling!’: 't Was 'n rèès mee hindernisse, want Maria liep "op 't list"/ As g' al zôo wèèd op scheut zèèt, is dè hillemòl gin fist. (‘t Èlfde buukske, 2010)

- Ed Schilders, Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - En vurlichting waar der toen nòg nie bij, dus veul vraauwe waare-n-er èllek jaor steevaast bij. Dan waare ze wir aon de tèl, èn asse ’n mònd of zis op scheut waare, dan werd de luurkörf wir klaor gezèt.

andere betekenissen

- Weijnen blauw(e) scheut - spataderen (in Ziektenamen, 65)

- WBD III.2.3:112 'erpelscheut' = aardappeluitwas

- WBD III.4.4:131 'scheut' = poosje

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - scheujt bw - op weg, onderweg; goed op scheujt

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEUT zelfstandig naamwoord m - hetz. als Holl. schot, Frans: coup; scheut van een geweer; de daad v. h. schieten, bij marberspel; tocht; een weinig vocht: scheut azijn.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord mannelijk 'schuit' - scheut 1) snelle, plotselinge, recht doorgaande beweging; 2) spruit, loot van een plant; 3) tocht, trek (open deur)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHEUT m - uitspruitsel, plotseling schok e. a. bett. als in v. Dale; ook gebruikt in de uitdr. 'wééd op scheut' of 'n hil ènd op scheut' - vergevorderd, bijna voltooid.

- WBD III.4.4:259 'scheut' = boel; 261 'scheut' = idem

- WBD III.4. 3:71 'scheut' = loot ontstaan uit een slapend oog

- WBD III.4.3:72 'waterscheut' = waterloot

- WBD III.4.3:76 'scheut' = twijg, jonge tak

 

schèùt, schötje

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

schuit, schuitje

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vischschuit (ui = eu in Frans: Meuse)

- Keesje Smulders zaat in etzelfde schötje assik. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Dialectenquête 1887 Willems - de Hasseltse schèùt - bijnaam voor mensen van de Hasselt

- WBD III.3.1:425 'schuit' = boot

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schuit' - geringschattende benaming v. bepaalde vrouwen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIT zelfstandig naamwoord v. - Frans: bateau

 

scheutelke, schuttelke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van schootel of schottel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schoteltje

 

scheutelwaoter

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schotelwater; slappe koffie of thee

 

scheuter

zelfstandig naamwoord

ovenpaal

- Dialectenquête 1887 Willems - de scheuter die stao bij den oove = de ovenpaal die staat bij de oven

 

schèùve

werkwoord, sterk

schuiven

- Dialectenquête 1887 Willems - schèùve - schôof - geschoove - geen vocaalkrimping

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - dertusse geschoove zèèn as Ponsieus Pielaatus int kreedoo (R'75)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ik smèèr men ziel meej en spèkzwaord, zi Door, dan schèùft ze denduuvel dur zen haande (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916)

- WBD III.1.2:14 'schuiven' = glijden; ook: 'slipperen'

- WBD III.1.1. lemma Geluidloos een wind laten – Tilburg [als enige plaats van opgave]

- WBD III.4.4:199 'opschuiven', 'inschuiven' = plaatsmaken

 

schèùver

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 zwerver

 

schiefel

zelfstandig naamwoord - schilfer

- Waast oewe knöst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

schiem

zelfstandig naamwoord

schim, waas

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "mee n'schiem - heel even, plotseling"

- Cees Robben - Ik zaag meej unne schiem... (19680920)

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 in ene schiem: in een flits

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schiem zelfstandig naamwoord - flits

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHIEM m - schim, schaduw; alleen in de uitdr. 'mee 'ne schiem' - iets zien, heel snel en vluchtig.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord 'schim/schiem'; vluchtig, onduidelijk.

- WNT - SCHIM gedaante die slechts vaag is waar te nemen. SCHIEM, gewestelijk naast SCHIM

 

schiemele

werkwoord, zwak

een onrustig beeld vertonen

- WNT - lemma Schemel I – 1922 - 1. Wemelend licht, schittering, flikkering. 2. Lichtende verschijning, schimachtige verschijning
- WTT 2013 – Het verband met ‘schemelen’ als ‘schemeren’ ligt voor de hand. Zie - WNT - hieronder over ‘schemelen’ en ‘schemeren’; in het Middelnederlands al ‘schimmeren’



Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek


- 1974 (ca.) - "Schiemelen" - Dialect - 't schiemelt voor m’n ogen. "Schèèmel" = glans, glim, schijn. "Daar ligt 'ne "schèèmel" op". “schiemelen” = blinken. - is afkomstig van het middelnederlandse "Scheemen" of "schiemen” = blinken, glanzen. ((Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek)
- WNT - lemma Schemelen – 1922 - 1. Schitteren, flikkeren, wemelen (van licht). Schemelen, schemeren. (...) 3. Van iemands oogen. Niet helder zien, eenigszins verblind zijn. - Gy hebt noch grooten vaeck, En dat ick leelyck schyn, ist dat u Oogen schemelen, OGIER, Seven Hoofts. 229 [1639]. - Als dooghe schemelt, wie sal dlichaem lichten? A. BIJNS 432.
- Dialectenquête 1887 Willems - lemma Schemeren - (sceemeren), zw. ww. intr. en trans. Mnd. ndd. schemeren; hd. schimmeren; 2. Glanzen, flikkeren, schitteren, een zekeren lichtglans van zich geven.
► schiemere

 

schiemer

zelfstandig naamwoord

schemer

- 1941 - Onze vadder keek um in de schiemer nao... (Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont, Brieven van 'n oud Tilburger.)
 

schiemere

werkwoord, zwak

een onrustig beeld vertonen

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'k zaag et schiemere vur men ôoge

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'dan schiemer-et-hem veur z'n oogen'

- Cees Robben - Ik kèèk schèèl van de koppent (...) en ’t schiemert vur m’n ôôgen... (19831118)

-Men ôoge die zèn rôod geraand./ Et schiemert vort ammòl. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ast ene sleur gao worre)

- Rolf Janssen - 'k zaag 't schiemeren vur m’n ogen/ toen 'k daor ston' in 't volle licht/ mar toen 'k weh begos te wennen/ zaag ik 'n bekend gezicht// 't waar potdorie paoter Heerkens/ die on 't verzen maoken gong/ en meej 'n stem a's van ’n ürgel/ 'n hil aaw Tilburgs lieke zong... (We hebben gezongen en niks gehad, 1984).

- WBD III. l. l:241 'schemeren' = schemeren v. d. ogen 'schemeren voor zijn ogen' = idem

- WBD III.4.4:239 'schemer', 'schemering' = schemering

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schiemere ww - schemeren

- WNT - geeft onder lemma SCHEMEREN B.3: Het schemert mij enz. voor de oogen, ik enz. kan (door schel licht, een onrustig tafereel, aandoening, vermoeidheid) niet duidelijk zien.- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHIEMEREN onov. ww, meestal onpers. gebruikt: 't schiemert vur m'n oo:ge' - ik krijg geen duidelijk beeld v. d. werkelijkheid, de verdeling v. licht en donker is ongewis, de kleuren zijn te fel, of: ik heb hoofdpijn. Verwant met: schemeren, schiem, schim, schimmeren.

 

schiemsmèèr

zelfstandig naamwoord

schoensmeer, schoenpoets

- Pierre van Beek - schoensmeer, 'blinksmèèr'

- WBD Onder 'schoensmeer' (II 795) is het Tilburgse woord niet vermeld.

 

schieps

bijvoeglijk naamwoord

- WBD III.4.4:226 'schieps' = scheef, ook 'scheel', 'slim', 'schriks' enz.

 

schier

bijvoeglijk naamwoord

- WBD mager, gezegd van een kalf, ook 'schraol' of 'maoger' - tof, aardig

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - en schier wèfke - een aardig vrouwtje (jongemannentaal)

- WNT - SCHIER (III) 3) Zindelijk, net, keurig, helder, schoon.

In Gron. + Overijs. 7) Niet zwaar, doch ook niet mager, rank, slank. Vooral van een koe (Opgegeven voor de Veluwe en Drenthe (18e eeuw) en Kampen

 

schierf

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - Het 'blèkke mieke', dat we hier in een vroeger artikeltje opvoerden, heeft nog een ander onderdeel van de vroegere fabriekstuit of garenklos tot leven gewekt. Dat is de 'schierf'. Hiermee werd door de Tilburgse jeugd de blikken ring aangeduid, die aan het breedste einde van de 'tuit' bevestigd was. De nog niet met duur speelgoed verwende jeugd gebruikte deze 'schierven' voor haar 'mitje steken', een spel dat door de groteren met centen werd gespeeld. (Tilburgse Taalplastiek 169)

 

schierve

werkwoord, zwak

- Pierre van Beek - met 'blèkke miekes' spelen

- Pierre van Beek - Het woord 'schierven' werd ook als ww gehanteerd. 'Ga je mee schierven' klonk de uitnodiging van de jeugd. (Tilburgse Taalplastiek 169) zie ook 'schierf'

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - meej dieje kietelkaaj kunde fèèn schierve - met die kiezelsteen kun je fijn keilen.

 

schiete

werkwoord, sterk

schieten; zeer uiteenlopende betekenissen

schiete - schôot - geschoote

1. begrijpen; iets geschoten hebben

- A.J.A.C. van Delft - "Da ha'k gaauw geschoten" beteekent: Dat had ik gauw begrepen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

2. schieten met een wapen

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Nie geschooten is aaltij mis.

3. aanduiding, ook figuurlijk, voor een verandering van plaats

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - den boeremik schôot öt zen vèl

- Cees Robben - As oew kènder em pooje, schiete z'in en gat

- Cees Robben - Nao et wèèrm eete moet ie aaltij èfkes zen ôoge ooverschiete. [d.w.z.: een dutje doen]

- Cees Robben - dèt rap vur oew gat schiet [d.w.z. dat je snel naar de wc moet, dat zal genezing van een kwaaltje bevorderen]

- Cees Robben - dèt wit van oew ôoge vur oew gat schiet;

- Slakke dès en deliekatès/ daor moete van geniete/ mar nie meej twintig per menuut/ naor binne laote schiete. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Slakke)

4. inslaan van een weefspoel

- WBD schiete (II:1038) schieten: inschieten v. d. weefspoel); ook: inschiete, inslaon, durslaon, slaon of gôoje

- WBD schietlaoj (II:979) - schietlade, gedeelte van een weefgetouw, waar de spoel over schiet

5. overlijden; het laten schieten

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'ut laote schiete' - doodgaan

6. vloeken en kiemen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIETEN term in het marmelspel; er eenen laten schieten - eenen vloek uitwerpen: kiemen: 'k zag dat 'et gaan geschoten was.

- WBD III.4.3 schieten = kiemen; ook: ötschiete, botte, opkoome, ötlôope

7. graven

- WBD II.1.2:72 'schieten' = graven; ook: 'spitten, uitdiepen'

 

schieterke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- WBD handschieter (plankje warmee het deegbrood op de ovenpaal gelegd wordt)

 

schietgebeeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van schietgebèd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schietgebedje

 

schietgewèèr

zelfstandig naamwoord

- WBD III.3.1:381 'schietgeweer' = geweer

 

Ill.: Naumann

 

schietindje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van schietind

schieteendje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schietintje' - waterhoen (Gallinula chloropus)

- WBD III.4. 1:233 'schieteendje' - waterhoen (Gallinula chloropus), ook: 'waterkipke', 'witgatje', 'witkontje' of 'markoot' genoemd

 

schietkien

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit schiet + kin

- 2019 – vooruitstekende kin (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier

 

schifte

werkwoord, zwak

- WBD splitten: het van elkaar snijden v. h. nerfleer en het splitleer, oftewel het snijden v. d. nerf en de croûte (II:727)

- WNT - SCHIFTEN - 5) vaneen of uiteen doen gaan, scheiden, scheuren

 

Detail uit de overlijdensadvertentie van Tilburger Piet Dingemans, Brabants Dagblad 1 augustus 2020.

 

schille

werkwoord, zwak

verschillen, mankeren

meestal in onpersoonlijk gebruik: het scheelt, het scheelde

oude verleden tijd: schol of schouwe

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - Wè schilt eraon?

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: ‘Noem 't folklore of historie, 't kan me niks schille…’

- Cees Robben - ’t Schilt mar amper haand of keer (19710129) [Het scheelt maar een klein beetje; haand en keer zijn waarschijnlijk commando’s die de voerman aan zijn paard geeft]

- Interview Hermans - 1978 - “…duurt dè hier nòg langer want aanders gòn wij nie staoke mar dan gòn wij es teege die meense praote, wanneer ze ons ouwe gèld dèmme aanders aatij hèbbe ötkeere dèt dan nie kan schille mar aanders gòn mèn manne ònt wèrreke… jè…”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► Klik hier om het interview te beluisteren

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et schilt mar en haonekrulleke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)- het scheelt maar weinig

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et kan mèn nie schille wie de mallemeule draajt, as ik der mar in zit

- Mar 't ha nie veul geschild. (Jos Naaijkens; ‘Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot’; CuBra, ca 2005)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schille ww – schelen

- WBD III.1.2:200 'schelen' = mankeren

- WBD III.1.4:285 'het kan mij niet schelen', 'het kan mij niks verschillen', 'het kan mij niks schelen' = het kan mij niet schelen

Oudere vervoeging

- Dialectenquête 1887 Willems - schille - schouw- geschouwe

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 03 08 - Dè schol me zò tenaostenbij / Wel aanderhalve piek...

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHILLEN, schol/schou, geschollen/geschouen/geschillen - verschillen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GESCHOLLEN: 3e hoofdvorm v. 'schillen' (schelen, verschillen) = GESCHOUEN

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOUW, eigenlijk schou, schoude, voor schot, schold, scheelde, den onvolmaakten tijd van 'schelen' (differre). Verwisseling der L, vgl. soudenier / soldenier.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. (verl. tijd 'schilde, schaauw (< scholde, schoouw) - verschillen, schelen; 2) schelen: 'Dä kam me nie schille'; 3) veel of weinig ergens aan ontbreken.

 

schimmel

zelfstandig naamwoord

- WNT, lemma Schimmel 1 - Paard welks haren ten deele geheel of aan de uiteinden wit zijn, waardoor een teekening ontstaat die aan schimmelgroei doet denken.

- WBD schimmel (wit paard)

- WBD appelschimmel - appelschimmel, ook genoemd (Hasselt) 'pommeleej', of 'geappeld', of (Hasselt) 'gepènningd'

- WBD vòsschimmel - gekleurde schimmel, ook genoemd 'rôodschimmel', 'blauwschimmel', of (Hasselts) 'blauwe', resp. 'brèùne'

 

schipsvolk

zelfstandig naamwoord

klankverandering in 'scheepsvolk'

- WBD III.3.1:428 'schipsvolk = bemanning van een schip

 

schit

zelfstandig naamwoord

schijt van koeien

- Van Dale - koeiedrek (gewestelijk)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schitte zelfstandig naamwoord - gedroogde koeiestront

- WNT - SCHIT 1) hoop koedrek, turfachtige brandstof; 2) lange of losse turf

figuurlijk

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "zo plat as 'n schit (dubbeltje)"

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ze hee schitten an d'r gat (ze heeft geld)"

 

schitje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van scheet

- WBD III.1.1. lemma Wind – frequent noordoostelijke omgeving van Tilburg

 

schobber

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 schooier

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 et zèn goej dieter wè bij doen, èn schobbers dieter wè af doen

- WBD III.1.4:78 'schobberd' = slechte mens

- WBD III.1.4:105 'schobberd' = schavuit

- WNT - SCHOBBER, schobberd - 1) iemand met een haveloos en verwaarloosd voorkomen, schooier, en vervolgens ook: boef, schavuit

 

schobberdebonk

zelfstandig naamwoord

uitdrukking 'op de schobberdebonk'

klaplopem

►schabberdebonk

 

schobbere

werkwoord, zwak

verbastering van schrobben

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schuren van de rug

- WBD III.1.2:102 'schobbelen' = krabben

 

schobberpaol

zelfstandig naamwoord

- WBD schuurpaal in een weide (geplaatst om het vee gelegenheid te geven zich tegen jeuk te schuren) (Hasseltse term)

 

schoeber, schobber

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hongerlijder, iemand die altijd op zoek is naar eten, stakker

 

schoefel

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schoffel

- WNT - SCHOEFEL - gewestelijke vorm naast: schoffel

 

schoefele

werkwoord, zwak

schoffelen

- WBD I:1458 (Hasselt) schoefele - onkruid bestrijden met de schoffel

- WBD III.1.2:154 'schoefelen' = sloffen

 

schoeft

zelfstandig naamwoord

kromme rug, bult

- WBD III.1.2:379 'schoft', 'schofje' = bochel

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schoeft' - schoft d. i. hoogste gedeelte v. d. rug van een groot viervoetig dier.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOEFT zelfstandig naamwoord v. - schoft, hooge schouder; scheldwoord; schoft, schurk

 

schoel

verleden tijd van 'schille'; ook: schaaw

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - scheelde, mankeerde

►schille

 

schoelie

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schorem, schoelje

- Van Dale - gewestelijk voor 'schoelje'

- WNT - SCHOELJE - ontl. aan Oudfrans 'escouillon' = ovendweil; in Z-Ndl. ook SCHOELIE. 2) iem. die aan lager wal is, of wel klaplooper; 3) gemeene kerel, gewetenlooze bedrieger

 

Rhaphanus sativus niger

 

schoemaokersham

zelfstandig naamwoord

rammenas (Rhaphanus sativus niger) - soort radijs

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schoenmakersham - ramenas"

- WTT 2023 - Vergelijk: L. Lievevrouw-Coopman, Gents woordenboek, 1951 – schoenmakersfricandon, m . Fr : fricandeau. Scherts, voor pens.

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 'schoenmaokersspèk' - uien

 

schoemaokerstram

zelfstandig naamwoord

te voet gaan

- Gezegde: Pierre van Beek - meej de schoenmaokerstram - te voet

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOENMAKERSKONVOOI, SCHOENMAKERSVAPEURKEN zelfstandig naamwoord o. Spr. Met 't schoenmakerskonvooi of 't schoenmakersvapeurken vertrekken, schertsend voor 'te voet gaan'; ook: SCHOENMAKERSTREIN

- WNT - Schoenmakerstrein

 

Aquarel van - Cees Robben - 1933 - particuliere collectie; foto CuBra

 

schoen, schuuntje

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

schoen, schoentje

- A.J.A.C. van Delft - "Hij kwam op 'ne schoen en 'ne slof binnengesukkeld en dertig jaor laoter was 't 'ne fabrikaant meej lef." Dit is: Als arme jonge handarbeider te Tilburg zich vestigend heeft hij zich tot fabrikant opgewerkt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

- Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘Trek aon’, 1941 - Páást oe 'n schuuntje, / wel, trek et dan aon! / 't is beter méé schuuntjes / as zónder te gaon!

- Cees Robben - Gooit die schoen op ’t schôôrke (19640306) [In de prent zijn duidelijk twee schoenen te zien.]

in het meervoud vaak schoen in plaats van schoene
- Cees Robben - Lig nie over oew schoen te maauwen... (19660415)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - naauwe schoene - nauwe schoenen

- Ik ha al langer nuuw schoen nôodig. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Alléén op zondag, droegen wij schoen. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - nie in vadders schoen lôope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - niet de aard naar zijn vader hebben

- WBD III.1.3:211 schoenen' = schoeisel; ook: 'voetgetuig' de pruralisuitgang vervalt dikwijls: nuuw schoen

 

schoep, schuup

zelfstandig naamwoord

schop, spade

 

David Teniers - 17de eeuw

 

- Zon schuup wil wel in zon paor koleschoepe van haande... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- WBD ovenschop (werktuig om kolen op het vuur te gooien)

- WBD schoeprad, schoeperad - scheprad (het grote wiel met schoepen bij een watermolen, dat de drijfkracht levert aan de molen)

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'd'eerste schoep in den grond'

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (Gehoord tegen verkwistende vrouw) ‘ ‘ik breng ’t mee de schoep binnen mar bij jou gaogeter mee de kèr uît! (23-10-1963)

- Cees Robben - ’t komt er meej de schoep binnen en ’t gaot er meej de kèèr uit. (19641106)
- Cees Robben - En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Schoep te gè die schoep, dan kunnen me schoepe' - Steel jij die schop, dan kunnen we spitten.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOEP zelfstandig naamwoord v. - holle houten schop met langen steel, voor graan e.d.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schoep' - brede ijzeren schop met omgebogen randen waarmee men rogge in het vat of in zakken schept. (oorspronkelijk van hout)

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHOEP zelfstandig naamwoord vrouwelijk - houten korenschop

- WNT - SCHOEP - 1) holle houten schop; 2) breede ijzeren schop; 3) platte schop; 4) lange smalle spade

 

schoepe

werkwoord, zwak

stelen, spitten, flikken, versieren

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Wie heej mene lózzie geschoept?

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Ze hèn mun fiets geschoept'- Ze hebben mijn fiets gestolen. - Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Dè schoepten ie um zööver' - Dat lapte hij hem mooi.

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Heur schoepte den irsten aovend nie' - Bij haar heb je de eerste avond nog geen kans.

- Cees Robben - 'Onze vadder schupte me onder m'n sevooi omdèk z'n schuup ha geschoept uit 't schop'

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Bij de deur zaat paa Rèène om de cent aon te neemen en te kèèke of ge niks meejschoepte.

 

schoer, skoer

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - onweersbui

- Pierre van Beek - mee ene schoer - plotseling

- WBD III.4.4:80 'schoer' = zware bui

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - schoer, m., alleen gehoord in de uitdr. 'mee unne schoer' - in een opwelling, met een plotselinge beweging (vgl. ramscheut).

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
niet vermeld!

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOER zelfstandig naamwoord v - schop, stamp

 

schöffel

zelfstandig naamwoord

- WBD schuifelbeen (beenwoekering aan de binnenvlakte van de pijp, bij een paard), ook genoemd (Hasselt) 'schöffeltjes'

 

schöfke

zelfstandig naamwoord, dim.

laatje; schuifje

uitdr. et schöfke krèège - als biechteling geen absolutie ontvangen kan (de priester sluit dan het luikje)

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "ze hee get schuifke gehad (bij het biechten geen absolutie gehad, over 8 of 14 dagen terug komen)"

- Die Kappesiene, dè waar iets hêel aparts. In hullie kèèrek koste pesjonkele, èn onze paa ging daor biechte, want daor kreede nie zo gaaw et schöfke. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WBD (III.3.3:35) schöfke = schuifje v. d. biechtstoel

- WBD (III.3.3:308) et schöfke krèège = het schuifje krijgen dim. van 'schèùf', met vocaalkrimping

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHUIF; het dim. wordt gebruikt voor een deur; ook in 'hij kreeg het schuifke' (in den biechtstoel)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIFKE(N) zelfstandig naamwoord o. - deurken dat verschoven wordt; Het schuifken krijgen - door den biechtvader zonder absolutie doorgezonden worden.

 

schoft, schofje

zelfstandig naamwoord

- WBD vlees- en spieraanzetting links en rechts op de borst van een paard, ook 'kusses' genoemd

- WBD III.1.2:379 'schoft', 'schofje' = bochel

- WBD III.1.1:126 'schoft' = schouders; 127 'schoft' = schouderblad

 

schòft

zelfstandig naamwoord

rust-, resp. etenstijd onder het werk

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn tusse de middag hadde dan en hallef uur òf drie kwertier schòft”.

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Cees Robben - ge komt ’n half schoft te laot (19660225)

Pierre van Beek - schóf - schafttijd

- Ze werkten mee hil wèènig schoft/ Durlôopend op dur wèèfketaaw… Uit: ‘Bè de wèèvers òn tòffel’, Ad van den Boom, circa 2005

DAN- Dialectenquête 1887 Willems - nò de schòft spanne me et pèèrt vur de nuuw kèèr

MTW 'schoft' (met ó!)

- WBD III.3. 1:214 'schof', 'schaft, het schaften' = schafttijd - WBD III.4.4:130 'schoft', 'schof', 'schaft' = schoft

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOF zelfstandig naamwoord o., geen mv - hetz. als'schoft' v., het vierde van een werkdag

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHOFT zelfstandig naamwoord vr - een vierde van een werkdag, van een dag werk

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. 'schoft'- het vierde van een werkdag

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHOF, v. Dale: 'rusttijd of werktijd tussen rusttijden'; 't leste schof' - werktijd na vier uur; ook vage tijdsaanduiding; 'n schof of anderhalf.

WNT: Schoft III 3) Zoodanig deel van een werkdag, dat niet door een rustpoos wordt onderbroken. 6) Door verwisseling met schaft: tijd gedurende het werk van arbeiders ten behoeve van een maaltijd wordt onderbroken.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie SCHOVEN

 

schòfte

werkwoord, zwak

schaften

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - daor wik niks meej te schòfte hèbbe -... mee te schaften hebben

- WBD III.1.2:2 'schaften' = rusten; ook: 'schoven', 'd'r vijf vatten'

- WBD III.1.4:370 'schoften' = even ophouden met werken

- WNT - SCHOFTEN - 1) tusschen het werk rusten, bepaaldelijk ten behoeve van een maaltijd, schaften;

 

schòkkele

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schokken, trillen

- WBD III.3. 1:588 'schokkelen'= hotsen (zachtjes schokken op een hobbelige weg)

- WNT - SCHOKKELEN - herhaaldelijk schokken; sjokkend voortgaan; schommelen

 

schòkkere

werkwoord, zwak

schokken van plezier

"Die is goed!" schokkerde'n-ie, "die is prima! Daor vatten we d'r eene op!"... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

 

schòkt(e)

schaakt(e)

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'schaoke', met vocaalkrimping

 

schòkwammes

zelfstandig naamwoord

PM met de heupen wiegende vrouw

WTT - 'wammes' is waarschijnlijk een verbastering van 'vrammes', vrouwmens

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schokwammes - slordig aangekleede vrouw"

- Cees Robben - Ben-de-daor... schokwammes... (19580802)
- Cees Robben - Wè hee dè schokwammes toch ’n batterij war... (19720225)

Stadsnieuws - As dè schòkwammes gao walse is de daansvloer te klèèn (171208)

schòlk

zelfstandig naamwoord

schort

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - geduureg vòlk ónder de schòlk hèbbe (R'75) - steeds in verwachting zijn

Variant: winkeltje haawe onder dere vurschot (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ene lusterse schòlk - een schort van glanzende stof

- WBD III.1.3:77 'scholk' = schort; ook: 'voorschoot'

- WBD III.1.3:85 'scholk = 'schort met borststuk

- WBD III.1.3:86 'scholk' = schort zonder borststuk

- WNT - SCHOLK - zeer verbreide samentrekking van 'schorteldoek', schort

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord mannelijk 'scholk' - schort samentrekking van 'schortedoek'

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOLK: een voorschoot, die in de meierije ook zeer veel door de mannen word gedragen. 2) Een vrouwen bovenrok.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHOLK m (ouderwets en 'uitheems') - schort.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 104 'schort' geeft voor onze streek: 'vurschot'? 'scholk' is oostbrabants.

 

schölleepel

zelfstandig naamwoord

schelp, hol voorstuk van een klomp

Onze vadder heej wè èèzerdraoikes over schölpen gemokt, as die der wir ens vur de zoveulste keer af lagen. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WNT - 14 f - Hol stuk hout dat een bolvormig afdekt. Op sommige schepen komt de boegspriet boven het opperdek uit, en wordt de plaats aldaar met een hol stuk hout of schulp bedekt, ten einde inwatering voor te komen, MOSSEL, Schip 232 [1859].
- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - de schölleepel van zen klompe lôope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - de schelpen van zijn klompen lopen - de benen onder zijn gat uit lopen

 

schòllek

zelfstandig naamwoord

scholk

- WNT lemma scholk (1923) - Zeer verbreide samentrekking van Schorteldoek (schort, voorschoot).

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 05 29 - De meens [man] mot mee 'ne schollek veur / De èrdappels gaon schelle.
 

schölp

zelfstandig naamwoord

schelp, schulp, bovenkant van de klomp

harde huid van een noot, ook schaol, bast, baast of bòlster genoemd

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - ze schupte hil de schölp van dere klomp aaf - de hele schulp...

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk schulp 1) bovenste gewelfde kap van een klomp:2; samenhangende laag dennenaalden.

 

scholt

zelfstandig naamwoord

- WBD ovenpaal (schoelde) (voorwerp waarmee het in broodvorm opgemaakte deeg in de oven geschoven wordt), ook genoemd 'skolt' of 'scheuter'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vrouwelijk houten schop om het brood in de oven te schieten en er weer uit te halen, ovenschotel, ovenpaal.

 

schòltje

zelfstandig naamwoord, dim.

schaaltje

dim. van 'schaol', met vocaalkrimping

 

scholtjematte

werkwoord, zwak

de school verzuimen, spijbelen

Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Intusschen, ééns had de rakker - m'n oudste - “schoolgemat", en den heelen middag was hij niet thuis gekomen. (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schoolmatten - stilletjes uit de school wegblijven"

- WBD III.3. 1:453 'schooltjematten' = spijbelen

Stadsnieuws - Kènder die dikkels scholtjematte, schuppen et nie wèèd. (140606)

OT 66:235 'schoolverzuim': diverse uitdrukkingen

 

 

schommaok, schonmaok

zelfstandig naamwoord

schoonmaak (de grote - )

- De schonmaok doede vur de Paose.

- Meej ene zaddoek om der haore/ rettereert ze hèrs èn geens./ Hil et hèùs ruukt nòr et sipsòp/ mar dè mèrkt ze nòg nie eens./ Ze heej naa kompleet de kòlder/ ze bezörgt me grèèze haor. / Èn dè alles om êen reeje:/ De schommaok moet vur Paose klaor. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vlak vur Paose‘)

- zis òn de schomaok begonne... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vurjaors-trubbel‘)

Piet van Beers – ‘Òn de schomaok’: ."Ons Toos is òn de schomaok toe/ hilt hèùs stao ooverhôop. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws - Meej de schomaok wier et hèùs van boove toe beneeje gekèèrd (260409) = Met de schoonmaak werd het huis van boven tot beneden op zijn kop gezet.

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 94 omdèt bild in de schonmaok is

- WBD III.2.1:324 'schomaak' = grote schoonmaak, ook 'voorjaarsschoonmaak'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 33) schomaok

 

schommaoke, schonmaoke

werkwoord, zwak

schoonmaken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 42) Ik hagget schon moete maoke - ik had het schoon moeten maken (samengesteld ww.) - Ik hagget schoon moete maoke - ... mooi moeten maken (bep. v. gesteldheid)

- WBD (III.2.1:279) schomaoke = schoonmaken, ook genoemd: poetse

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 42) schôon - schomaoke: kwalitatieve mutatie

schomaoke - mòkte schôon - schongemòkt

met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij mòkt schôon

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOONMAKEN - opschikken, versieren, tooien; zuiveren, reinigen, kuischen, gezegd van graan en zaad dat men van kaf e.d. zuivert.

Kil schoon maken - decorare, ornare, adornare, honestare

 

schömke

zelfstandig naamwoord, uitsluitend in verkleinde vorm

licht gekleurd snoepje van schuim, licht suikerkoekje, gebakje van schuim; schömke trèkke - bepaald hoestdrankje trekken van laurierdrop

schömketrèkke - een speciale rubriek op CuBra

 

Foto CuBra

 

schömketrèkke

werkwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - het schuim van dropwater opzuigen

sjèp

schömketrèkke - een speciale rubriek op CuBra

 

schompes

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - uit de naad, ongans

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'oewèègen ut schompes wèèreke', Je kapot werken.

 

schömspaon

zelfstandig naamwoord

schuimspaan

- WBD (III.2.1:66) 'schuimspaan'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. schuimspaan

 

schòmt, schòmde

persoonsvorm

schaamt, schaamde

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'schaome', met vocaalkrimping

 

schòmt

zelfstandig naamwoord

schaamte

 

schömt, schömde

persoonsvorm

schuimt, schuimde

tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'schèùme', met vocaalkrimping

 

schonder

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vergotende trap van schôon

mooier, schoner

schôon

 

schonmaoke, schommaoke

werkwoord, zwak

schoonmaken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - ik haget schón moete maoke - ik had het schoon moeten maken; ik haget schôon moete maoke - ik had het mooi moeten maken (blz. 42)

 

schonmoeder, schommoeder

zelfstandig naamwoord

schoonmoeder

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 33) 'schomoeder' (geen klinkerverkorting)

 

schöns

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

schuins; schuin

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schuinsche bakken'

- WBD III.1.4:210 'schuins' = boertig; ook 'schuin'

- WBD III.1.4:341 'schuins gaan' = geen succes hebben

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SCHUINS bw: hij woont schuins over mij

- WNT - SCHUINS - in een van de loodrechte of evenwijdige afwijkende richting; op een onvriendelijke, onplezierige wijze

 

schönsmesjeerder

zelfstandig naamwoord

iemand van onzekere levenswandel, schuinsmarcheerder

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schuinsmarcheerder - vreemdsoortig individu van twijfelachtig gedrag"

- Cees Robben - ene schönsmarsjeerder

- WNT - SCHUINSMARCHEERDER - iem. v. onzedelijken levenswandel

 

schonst, schonste

bijwoord , bijvoeglijk naamwoord en overtreffende trap

mooist(e)

schôon
 

schonzoon

zelfstandig naamwoord

schoonzoon

 

schoof

bijwoord

voorbij

in de uitdrukking: niks schoof laote gaon - overal van proberen te profiteren

- WNT lemma SCHAAF (II) - zelfstandig naamwoord van Schaven. Alleen in de uitdrukkingen 'schaaf loopen' en 'op schaaf loopen', klaploopen, op de schobberdebonk loo- pen. In zuidelijke dialecten.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHAAF: schaaf loopen, of op schaaf loopen = op den klap loopen. Herkomst onzeker.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAF zelfstandig naamwoord mannelijk - op schaaf loopen - op schabbedebok

 

schôof

schoof

verleden tijd van 'schèùve'

 

schôoje

werkwoord, zwak

schooien

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - as ge mee dè mundje gaot schôoje, zulde nie veul krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)gezegd tegen iemand die niet geschikt is om te bedelen.

- WBD (III.2.1:486) schôoje = opzitten van een hond, ook: opzitten, bidden, mooi zitten, schoon zitten

- WBD III.3. 1:258 'schooien' = zeuren; 263 'schooien' = smeken

 

schôojer

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schooier, bedelaar, landloper

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rèèke schôojster = Joh. de Werd (blz. 83)

- WBD III.3.1:194 'schooier' 'schooierin, trut, schooister, schooierswijf, wijf' = schooiersvrouw; ook 'schooi'

- WBD III.1.3:18 'schooierig' = in lompen gekleed

- WBD III.1.4:96 'schooier' = vagebond

 

school

zelfstandig naamwoord

school

ook uitgesproken als 'schoow'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 97) zen vaader heetum zes/zis jaor nor schol/schôol laote gaon

 

schôol

school, schuilde

verleden tijd van schèùle

 

schôon, schonder, schonst, schôone, schons

bijvoeglijk naamwoord en trappen van vergelijking, bijwoord, en zelfstandig gebruik

bijvoeglijk naamwoord stellende trap:  schôon

mooi, schoon

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, “Mar boer, wè hedde toch schôôn dochters.” - “Van m’n kèr aaf meej diejen vuilen praot.” (10-02-1963)

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - 'n schoon pêrd - een schoon paard

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - wè ge ònt doen zèèt, weet ek nie, mar tisser wèl schôon weer veur.

- WBD (III.1.4:162) 'schoon' = mooi

- WBD (III.1.4:163) 'schoon' = flatterend

- WBD (III.1.4:164) 'schoon' = pront

bijvoeglijk naamwoord vergotende trap: schonder

mooier, schoonder

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 35) schónder (met vocaalreductie en d-epenthesis)

- Piet Heerkens - hoe lomper en plomper, hoe schoonder! (uit Vertesselkes, ‘De boeren van Baokel’, 1944)

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Vènde dees prèùme nie schónder as de die? - Vind je deze pruimen niet mooier dan die?

- Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'schônder'

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - ''t kan nie schonder'

bijvoeglijk naamwoord overtreffende trap: schonst

mooist, schoonst

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - we hèbbe de schónste stad vant laand

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 35) schonst (van 'schôon' met vocaalreductie.)

- Cees Robben - In de schônste stad van ’t laand. [Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tôôntje van Zundert. ‘De schonste stad van et laand’ is de volksnaam voor Tilburg. (19540213)]

- Ed Schilders, Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus,  2009 - Ze zuuke de meens die et schonste Tilbörgs pròt.
- Ed Schilders, Wè zeetie?, Website Brabants Dagblad Tilburg Plus,  2009 - We hèbbe de schonste stad vant laand, meense, mar witte gullie wèddik et allerschonste van de schonste stad vèèn?

zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.4:198 'een schone' = een grapjas

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - dan ziede wè schons.

bijwoord

- Hessels 2020 - Bij het gaan vrijen buiten de regio: - ge rijdt er veul schôon vurbij! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

- WBD III.2.2:32 'schoon' = zindelijk; 31 'niet schoon' = nog niet zindelijk

uitdrukkingen

- Pierre van Beek - Een oud spreekwoord zegt: "Schoon op het straatje maar niet op het baadje". Iets zal er wel van waar geweest zijn, anders was de volksmond er niet vol van geweest. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- A.J.A.C. van Delft - "Het moet goed schoon zijn, dat eeuwig blinken zal." Dit is: Men moet een rein geweten hebben bij het sterven. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- WBD III.4.4:235 'schoon' = helder - De natuur is schôon, mar nie op iemes zen blauw pak - werd gezegd als het uitwerpsel van een vogeltje iemand op zijn kleding had geraakt.

 - Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - de schónste boove èn de lóchste van onder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974) - de mooiste bovenop en de lichtste van onder (gezegd door bakkers en groenteboeren)

 

schôor, schorke

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

half-open zolder

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schoor - zoldering, gewoonlijk boven den koestal"

- A.J.A.C. van Delft - "In 't schop op 't schoor leej de schup en de reif" wil zeggen: In het schuurtje (of in een bijgebouwtje) op de zoldering ligt een schop en een hark. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Pierre van Beek – Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)

- Cees Robben - ’t Schöpke meej ’t schôôr... (19601104)
- Cees Robben - Gooit die schoen op ’t schôôrke (19640306)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 09 11 - Hij laazert steevaast van de trap / Assie 't schòòr gao ruime.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 09 04 - Dè schilderij lee naa op ’t schoor...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 02 27 - Hèdde boove op 't schòòrke / Nog wè van 'n paor stuiver wèrd / Brengt dè dan 's zaoterdag-smèrges / Ok is naor de Kruikemèrt.

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - leeter ginne pulling op et schoor? - ligt er geen peluw op de vliering?

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg) , Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - De goei fiets zaat in onderdélen verstopt onder de maastappels op et schoorke. Hij gunde de Dötsers gin fiets, waor ie zelf veur krom ha moeten liggen.

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - De kènder slaopen ópt schôor.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHOOR o - bergplaats voor het hooi boven de stal, ver weg en moeilijk bereikbaar.

samenstellingen

- WBD schorbôom - schelfhout

- WBD schorvènster - schelfdeur

- WBD schórgat - hooiluik (op de hooizolder)

andere betekenissen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk + o. - 'schoor' - rijbruggetje over een smalle waterloop.

- Pierre van Beek - Er bestaan veldnamen als: Eerste schoor, Tweede schoor.

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOOR: een soort van klein bruggetie, over smalle waterlopen liggende, om over te kunnen rijden. SCHOOR - hooijzolder boven een schuur of stal, schilft. Dus zegt men voor 'schilfthouten' ook 'schoorhouten'.

 

schôot

persoonsvorm, verleden tijd van schiete

schoot

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - den boeremik schôot öt zen vèl

 

schootel

zelfstandig naamwoord

schotel, schaal

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zie mar is dègge de schootels ónder den òrecht krèègt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om voort te maken met het werk

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schootel zelfstandig naamwoord - schotel

 

schooteldoek

zelfstandig naamwoord

vaatdoek

- WBD schooteldoek, schootelvòd, schootelslèt = vaatdoek (III.2.1:291)

- WBD (III.2.1:295) schooteldoek, theedoek, handdoek, afdrooghanddoek, keukenhanddoek, droogdoek, afdroogdoek, vaatdoek, enen doek om af te drogen = droogdoek

 

schootelduukske

zelfstandig naamwoord, verkleind

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - vaatdoekje

 

schootelwasserke
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm
schotelwassertje; kikkervisje, larve van kikker of pad; in Tilburg meestal ‘dikkòp’ of verkleind ‘dikköpke’ genoemd
- WBD III.4.2:115, lemma Kikkervisje – frequent in Tilburg als ‘dikkop’ en als ‘dikkopske’; zeldzaam in het zuiden van Tilburg: Paddenkopje
- Sjef Paijmans - Een schrijvertje was voor ons een schotelwasserke... ('Herinneringen; CuBra, ca. 2002)

►schrèèverke
 

schoove

werkwoord, zwak

- WBD III.1.2:2 'schoven' = rusten, ook: schaften ', 'd'r vijf vatten'

 

schòp

zelfstandig naamwoord

berghok, schuurtje

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schop - vertrek achter de werkmanswoning waarin kooi voor varken en geit"

- A.J.A.C. van Delft - "In 't schop op 't schoor leej de schup en de reif" wil zeggen: In het schuurtje (of in een bijgebouwtje) op de zoldering ligt een schop en een hark. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Pierre van Beek – Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)
- A.J.A.C. van Delft - "'n Schopping" is een schuurtje; een "zeisie" is een zeis; een "lózie" een horloge. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Den boemeljongen, erm, nog ermer as Man Job, / wier verkensherder ergens bij 'ne boer in 't schop. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Boemeljongen’, 1941)

- Lowie van Dorrus Misters - Als we dan achter komen, zien we eerst het schop of de stal, waarin het vee, de voerartikelen, het strouwsel (dit lijkt ons een samentrekking van strooisel en rouwsel, datgene wat in de dennenbossen en bij het schaarhout op de grond gevonden werd, spellen (dennennaalden), mos, varens, bladeren enz.), verder brandhout, geriefhout en de rommel, die in huis niet thuis hoorde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 ‘”Hygiëne” in vroeger dagen’; Nieuwe Tilburgsche Courant 28-4-1951)

- Pierre van Beek - schop of schopping is een achterbouwtje, bergplaats bij 'n arbeiderswoning. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Rijd den kreugel mar deur ’t deurgebint in’t schop (20-07-1962)

- Cees Robben - ...in ’t schop. (19670922)
- Cees Robben - En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)
- Cees Robben - ’t Schöpke meej ’t schôôr... (19601104)
- Cees Robben - Zet die schuup in ’t schop... (19640306)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 12 19 - Mar thuis stòòk al ’n maastetop [kerstboom] \ Hèèl frèèd omhòòg aachter ’t schop
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 12 11 - Op ’t plaotske zaat d’n buurman / Op ’n kiesje veur ’t schop / Hij hagge’t blèkbaor zwaor te stellen / Mee z’n haanden aon z’ne kop.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 12 24a - Klèn Tòòntje zaat aachter in ’t schop / En aaide mee z’n hèndje /Hèèl zuutjes over ’t köpke / Van z'n schòòn wit kenèntje.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 09 29 - Hil de zoomer hee'get tuinstel / Aachter in 't schop gestaon
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 05 18 - In 't schop stond van m'n aauwe fiets / De velling dur te roeste
- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hong et int schòp?

- Elie van Schilt - Kwaamde aachter in ut schop, dan rookte de konijnen, ut konijnenvoeier, de maastappels die er lagen as aanmaok vur de wenter. (Uit: ‘Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger’; Cubra, ca. 2000)

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schop - schuurtje (div. dial.)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - 'schop' zelfstandig naamwoord - schop, berghok

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOP, SCHO- Dialectenquête 1887 Willems - zelfstandig naamwoord v. - klein gebouwken, houten of leemen hok voor berging

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schop' overdekte open bergplaats

- WNT - SCHOB, SCHOP - wagenschuur, wagenhuis, overdekte bergplaats.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHOP v - half open schuur met varkenskot en bergplaats. (Het gelijknamige graafinstrument heet 'schuup' en een trap 'schup).

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOP = wagenkeet (bij de bouwlieden).

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOP: een dak waar onder men karren, wagens, ploeg en dergelijken zet. Zie Kiliaen -

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - schòp (krt. 40 en blz. 176)

- WBD schop (vaak primitief gebouwde, alleenstaande of aangebouwde bergruimte), ook 'lots' genoemd

 

schòpke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van schaop.

schaapje

- WBD 'schaopje', 'lam', 'beee' - roep-/lokwoorden voor een lam

- WBD 'sohaopke', 'wojke', 'woojke', 'ha jonge', 'ha mènneke' - vleiwoorden voor het schaap

- WBD 'schaopke', 'schòpke', 'lammeke' - vleiwoorden voor het lam

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - schòpke Jaanse =... Jansen (blz. 45)

- WBD III.1.1:49 'schaapje' = krulhaar

- WBD III.4.4:18 'schaapjes' = kleine wolkjes; ook: 'schapenwolkjes'

dim. van 'schaop', met vocaalkrimping

 

schörft

zelfstandig naamwoord

schurft

- Ik had enne afkeer, enne hille grôte hekel aon de vrijdag. Ik kan et nie goed zeggen, ik kan et bekaant nog nie in fetsoenlijk Tilburgs ötdrukken, hoene schörft ik aon de vrijdag ha. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD III.1.2:324 'schurft' = huiduitslag

- WBD schurft, schuirft, schörft - schurft

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÖRFT (uitspr. schörrəft) zelfstandig naamwoord o. -schurft

 

schörfteg

bijvoeglijk naamwoord

schurftig; schofterig

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - die nie schörfteg is, hoeft zich nie te klauwe (1781) - wie onschuldig is, hoeft niet bang te zijn

 

schorke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

zoldertje in een schuurtje (schòp)

Dim. van SCHÔOR

 

schörreke
werkwoord, zwak
schurken
- Cees Robben - Zit nie zôô in dieje stoel te schörreke... Ge spoldert d’r al de noppen aaf... (19710115)
 

schorstêen

zelfstandig naamwoord

schoorsteen

- Pierre van Beek - Men gaf door: "De beste koeien worden op stal verkocht" in de betekenis van: de degelijkste meisjes vinden haar man niet op straat of in de balzaal. Als pendant kwam hierop: "'t Is goed, als ge de schoorsteen kunt zien roken." 't Werd een jongeman toegevoegd, die een meisje uit eigen dorp (of streek) gekozen had. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Hessels 2020 - Ouders en kind of kinderen wonen (te) dicht bij elkaar: - ge meugt de schorstêen nie zien rôoke! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

- WBD schórstêenmaantel - schouwmantel (de gemetselde of althans stenen gedeelten van de schouw, vanaf de vloer tot de zoldering)

- WBD (III.2.1:63) schoorsteen, schouw

 

Schilderij - Johan Gerstenhauer Zimmerman - 1910

 

schorstêenveeger

zelfstandig naamwoord

schoorsteenveger

- Pierre van Beek - "Sôrt zuukt sôrt (soort), zeej den duvel tegen den schôrsteenveger" behoeft wel geen toelichting… (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - sórt zuukt sórt, zi den duuvel teege de schórstêenveeger ('84)

Schoorsteenveger - 19de eeuw

 

Schilderij van Aurelio Zingi -19de eeuw - Lunchtijd!

 

Ets van H. Bary - 17e eeuw

 

►Voor meer afbeeldingen zie het Dossier

►volksliedjes over de schoorsteenveger op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging op een stoplicht voor voetgangers. De drie torens van het stadswapen zijn vervangen door fabrieks-schoorstenen. Foto CuBra 2019.

 

schorstintje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van schorstêen
schoorsteentje

 

schòrtebont
zelfstandig naamwoord
weefsel dat geschikt is om schorten van te maken
- Cees Robben - [op de markt:] zuukend naor wè schortebont... (19620413)
 

schot

zelfstandig naamwoord

schoot

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Kóm mar óp mene schot.

- WBD III.1.1:135 'schoot' = schoot; ook: 'slip' of 'n kooike'

- WBD III.4.4:279 'schootvol' = hoeveelheid die men in een schort kan dragen ook: 'schortvol', 'slip'

 

schòt

zelfstandig naamwoord

nieuw uitgelopen twijgje, en veel uiteenlopende betekenissen

- WBD koe die eenmaal gekalfd heeft

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'schot' - jonge koe die eenmaal gekalfd en daarna een jaar overgelopen heeft.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOT zelfstandig naamwoord v. -bij landb.: vaars die voor de eerste maal gekalfd heeft

- WBD schòt (II:1038) - schot (elk v. d. inslagdraden) [in de weverij]

- Weijnen, 'Ziektenamen' 64: schot / schot in de lenden / lendeschot - ischias

- WBD III.1.2:310 'schot, schot in de rug' = spit; ook: 'krimperd'

- WBD III.4.3:33 schòt maoke - spruiten, uitbotten, uitschieten

- WBD III.4.3:31 schòt - kiem; ook genoemd: knòp

 

schötje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van schè.

klein schot (beschot, afsluiting) nieuw uitgelopen twijgje, schuitje (kleine boot)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'ze stapten öt et schötje'

- WBD 'schötje' (II:1235) - schootje (onderste deel van een voorpand)

- WBD (III.3.2:141) schötje of stuur = schommel - resp. dim. van 'schòt', met umlauten van 'scheut', met vocaalkrimping

 

 

schòts

zelfstandig naamwoord

schaats

- Audioregistratie 1978 - Wij zèn op de schòtse nòr Osterhout gewist, dan moeste mar tweej keere öt te stappe èn koste wir verder! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

 

 

schòtse

werkwoord, zwak

schaatsen, schaatsenrijden

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996  - gin èès èn tòch schòtse

- Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Raodselke II’, 1939 -

Kleine vuutjes

schaotse zuutjes

schotse nulle

scheeve krulle

- «Geleuf mar dè ik schòtse kan/ al ist wèl lang geleeje,/ och bruur, wè hèk in mènne tèd/ ene schèève schòts gereeje» (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Op glad èès‘)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn toen zèn wij op de schòtse, zèn wij nòg ôojt oover et kenaol gereeje gienderwèèd nòr den Biestenhoutakker toe…”

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Toch waren we nog wilder op èès, op schotsen. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ast in de wènter goed gevroore ha, dan ging hil de buurt daor schòtse. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- WBD (III.3. 2:161) schòtse, schòtse rije = schaatsen

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - 'schotse' ww - schaatsen

LECHIM

Op glad èès

 

«Paa, wörom gaode gij nôot mee

as ik nòr de èèsbaon gao,

of kunde gij nie schòtse paa?»

Paa zeej netuurluk : «Jao»

 

«Geleuf mar dè ik schòtse kan

al ist wèl lang geleeje,

och bruur, wè hèk in mènne tèd

ene schèève schòts gereeje»

 

«Schòtse, van dêen nòr daander toe,

kweet niemer waort begien is.

Mar wèk aaltij onthaawe zal :

Bijs moeder laag de fienish»

 

«Toen hèk men schòtse mar verkòcht,

dèst nôodlot van et lèève

want ge kunt as ene getrouwde meens

tóch nie ònt schòtse blèève»

 

zelfstandig gebruik

het schaatsen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 29 - Zeg Tiest, hèdde 'n zondag òòk / Naor 't schotse zitte kèke? / 't Was toch iets he, mee dieje Schenk / Ons Trees zaat host te kwèke.

 

Casper Luyken - 1696

 

Sticker van een carnavalsvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

waterwants; schaatsenrijder; Gerris lacustris

 

schòtserijer

zelfstandig naamwoord

waterwants

 - Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in Groot Tilburg 1941 - …dan gonken we vaoren, schotsenrijers vangen, steentje kletsen en spatten en poelieën

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 onberekenbaar persoon

- WBD III.4. 2:245 'schaatsenrijder'

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schòtserijer, zelfstandig naamwoord - schaatsenrijder, waterwants

 

schòtteslèt

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - "Schotteslet" zegt men tegen opgekookte melk; daar houdt de boer niet van. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- WNT - lemma Hottenslet - A. Eigenlijk. 1. Van (zoete) melk, waarin zich de vaste en de waterige deelen afscheiden. Scheiden, schiften.
- WBD - HOTSEL Het dikke van geschifte karnemelk. De variant hotsel stamt af van het werkwoord hotten wat 'schiften of
stremmen van melk' betekent. hotsel: alg. Peell., freq. Noordmei.,
verspr. Tilb. en Noorderkemp. hottel (ook ottel): Nieuwkuijk en
Oisterwijk.
 

schouw

werkwoord, persoonsvorm; verleden tijd van 'schille'

verschilde, mankeerde

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - Dè schouw doar nie veul (scheelde)"

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - et schaaw haand òf kèèr - het was op het kantje af

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schaaw', 'schoel'

- Cees Robben - ''t schou mar haand of keer'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOU - 2e hoofdvorm van 'schillen, ' naast 'schol'

 

schouw

bijvoeglijk naamwoord

schuw

- WBD schrikachtig, gezegd van een peerd, ook 'schaaw' genoemd

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schouw - schuw

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schouw weer - ruw weer"

- "Dus daorom hedde me aaltij zoo schauw aongekeken as ge me op et kerkplein zaagt?” (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 – 24-8-1940)

- WBD III.1.4:71 'schouw' = verlegen

- WBD III.4.4:44 'schouw weer = slecht weer

- WBD III.4.4:226 'schouw' = scheef, ook 'slim', 'scheel', 'schriks'

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord en bijw. 'schouw' - 1) beducht of bang, de nabijheid vrezende van, afkerig; 2) woest, onstuimig, ruw; 3) rommelig, wanordelijk; 4) onbeschaafd, ruw, ruw-grappig, koddig, lollig. - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOUW - schuw; schouw zijn van - bevreesd zijn; ook: koddig, vies, kluchtig: 't is en schouw ziel - een drollige kerel.

 

schouwe, schille

werkwoord, zwak

schelen, verschillen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Et schouwt mar haand of keer - Het scheelt nauwelijks iets, dus: op het nippertje

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - 'veul schouwet nie' (verleden tijd ?)

- Hillemaol nie, daocht mijnheer Fleskes, en et schouw nie veul, of hij ha 't hardop gedaocht! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; Nieuwe Tilburgsche Courant 26-11-1938)

...et schouw mar weinig of 'n stuk of drie lejen ha'n mekare in de haoren gezeten! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 – 18-2-1939)

- Gezegde: Pierre van Beek - Et ha mar haand òf keer geschouwd - het was op het nippertje (Tilburgse Taalplastiek 170)

zelfstandig naamwoord

schuw persoon

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ene schouwe – Schuw uitziend maar ook slordig gekleed persoon

 

schraanze

werkwoord, zwak

veel en gretig eten, schransen

- Cees Robben - 'dan kunde gij wir schraanze'

- WBD III.2.3:8 'schranzen' = schrokken

- Leo Heerkens - ik daanste en sjaanste,/ ik fuifde, ik schraanste... (uit 'Ik di't!, in De Mus, Piet Heerkens, 1939)
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 09 - Ze hebbe zitte schraanze meens / ‘t Lèèk niemir op eete / Mar 'saandrendaogs ziek op de plee / Hebbe ze’t wel geweete.
- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHRANZEN - hetz. als schransen, gretig eten, verslinden

- WNT - SCHRANSEN - 3) met welbehagen overvloedig eten

 

schrabben

werkwoord, zwak

schrabben

- Dialectenquête 1887 Willems - schrabbe - schrabde - geschrabt;

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'schrabben' - schrappen, afkrabben.

- WNT - SCHRABBEN - 1) met een scherp voorwerp bestrijken, gewoonlijk met de gedachte dat daardoor een dun laagje wordt weggenomen

 

schrabbers

zelfstandig naamwoord , meervoud

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 geld(stukken)

- Cees Robben - Wè schrabbers over legge... (19610922) [over leggen = sparen]

 

schraog, schrògske

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

schraag, losse tafel v. onbewerkte planken, op losse poten

- WBD schrògskes - bedsteepaardjes (schraagvormige ondersteuningen van de bedsteebodem)

 

schraol, schròlder, schròlst

bijvoeglijk naamwoord met trappen van vergelijking

schraal, schraler, schraalst

uiteenlopende betekenissen

- WBD (Hasselt) onvruchtbaar, slecht (van akkerland);

- WBD mager, gezegd van een kalf; ook 'maoger' of 'schier'

- WBD schraolen dêeg - uitgedroogd deeg

- Cees Robben - schraol èn schreepel as en lat; et staoter zôo mar schraol bij.

- ...veul schraol gekleede vrouwe... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de zon schènt...)

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 schraol appreteut - armoede

- WBD III.1.2:353 'schraal' = ruw v. d. huid

- WBD III.1.1:20 'schraal' = slank, tenger

- WBD III.1.1:22 'schraal' = mager

- WBD III.2.3:266 'schraal' = verschaald (bier), ook 'verschraald'

- WBD III.4.4:275 'schraal' = schaars

 

schraome

werkwoord, zwak

waarschijnlijk van 'schrammen', dat wil zeggen: beschadigen, te kort doen

...hij aaide niemand en schraomde niemand... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 – 18-4-1939)

 

schraope, schriepe

werkwoord, zwak

schrapen, afkrabben

- Cees Robben - den oopaa heeget bij mekaar geschròpt;

- Dialectenquête 1887 Willems - schraope - schròpte - geschròpt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schròpt

Assie ötgebloeid waar, de vette kuus, pakte de slachter zenne schraper en begos ie de haor van et vèèrke te schraope. Hij schrapte daor, waor onze vadder al vurgewèèkt ha, deur telkens un gedilte van dè vèèrkenslèèf meej dè kokend waoter te begieten. As ie hillemol schôon geschrapt waar, wier ie meej zen twee aachterpôote aon de bovenste sport van de leer vaastgebonden en in zen gehéél op de leer geleed. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WNT - SCHRAPEN - 5) door strijken (inzonderheid met een scherp voorwerp)bijeenbrengen. Inzonderheid in toepassing op het bij kleine beetjes en gewoonlijk uit hebzucht bijeenbrengen van bezit.

 

schrap

zelfstandig naamwoord

streep, lijn, wegmarkering

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - dègge nie oover de schrap rijdt

- WNT - SCHRAP - 3) kras, 4) streep

 

schrappe

werkwoord, zwak

schrapen

- Pierre van Beek - Ge zult mijn tungske (tongetje) niet schrappen. - Mij kunt ge niet uithoren. Ik zal mijn mond niet voorbijpraten. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

schrapstaol

zelfstandig naamwoord

- WBD (II:2740) 'schrapstaol' - schraapstaal

 

schrêef

schreef

verleden tijd van schrèève

 

schreepel, schrèèpel

bijvoeglijk naamwoord

mager, schraal, dun

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - en schreepel frammes - een magere vrouw

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schrepel - 't is mar nen schrepelen (mageren)"

- Cees Robben - Wè dist ’n schrepel maotje.. (19590905) [De prent gaat over Peerke Donders, die inderdaad zeer mager was.]
- Cees Robben - Des mar ’n schreepel frammes.. (19681004)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schrêepel' -armetierig, kwijnend, mager, schraal

- Nie dè ik iets teege der hèb, mar ik snap nie wè gij ziet in dè schrèèpel frommes meej der stalpôote.' (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III.1.1:22 'schrepel' = mager

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sre.pəl, bijvoeglijk naamwoord 'schrepel' - mager, schraal, dun

- WNT - SCHREPEL (II) zie SCHRAPEL 1) mager, dor, schraal. Van personen en lichaamsdelen; 2) schriel, kaal

 

schrèève

werkwoord, sterk

schrèève - schreef - geschreeve

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 66) imperatief: schrèft/ schrèèft / schrèèf èè steeds lang

schrijven

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schrêve (ê van Frans: tête)

- Cees Robben - èn saanderendags schrêeve ze...

- Piet van Beers; Wè mèn betrèft, dan maag de sic(retaoris)/ in ´t Hollaands opnoteere./ Want, Tilburgs schrèève is nie niks,/ daor moete vur gòn leere. (uit: ‘Tilburgs as voertaol...’; www.CuBra, ca. 2005)
- Lodewijk van de Bredevoort - Ineens ha’k et toch te pakken en kos ik de juffrouw alles vurlezen, wè ons moeder op et briefke ha geschreven, meej die haonepôte van der. Waor die schrèève ha geleerd! (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Lodewijk van de Bredevoort - Schrève daor vond ik niks aon, ge moest ôk zô dikkels etzelfde woordje, precies tussen twee lijntjes opschrève. Et allerirste woordje weet ik nog, dè waar oom. Ik geleuf dè we’t wel dertig keer tussen twee lijntjes moese schrèève. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Lodewijk van de Bredevoort - De week erop: ‘Lodewijk, 25 keer je weet wel’. Jao, ik wies et wel, mar schrèève deej ik niemir, ôk nôot mir gedaon. Ik heb ze et hille jaor bewaord, die vèfentwintig, die ik meej menne zotte kop ôot geschreven ha. Hij vergaat gewoon, wietie allemol strafregels liet schrèève, hij strooide er gewoon meej. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Henriëtte Vunderink - Mar jè, ik kan nie zingen òf spòrten op nievoo/ èn ok gin lieterèère wèèreke schrèèven as Gezelle. (uit: ‘As...’, in: kzal van oe blèève haawe, 2007)

- Hessels 2020 - Als je eens een moeilijk woord gebruikt: - kundet schrèèven ok? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

Uitdrukkingen

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Schrèèft et mar op oewen bèùk; dan kundet meej oewen hèmslip ötvèège.

zelfstandig naamwoord

- Radio Brabant (24-2-97), programma 'Ons Miet': 'en briefke schrèève... mar ik zèè nie zon schrèèf'

 

Naumann: emberiza citrinella

 

schrèèver

zelfstandig naamwoord

geelgors

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schraiver - vogeltje met eitjes waarop bloedlijntjes"

- A.J.A.C. van Delft - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz."(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD III.4. 1:174 'schrijver', 'schrijverke', 'bloedschrijver' - geelgors (Emberiza citrinella)

- WNT - SCHRIJVER - 6) benaming voor de geelgors (Emberiza citrinella L.) in Brabant en Antwerpen; SCHRIJVER - 8) benaming voor een soort van meikevers - te Turnhout (zie volgende)

 

 

schrijver - schrèèverke = watertor = gyrinus natator

 

schrèèverke

zelfstandig naamwoord

1. kever, watertor

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - watertor (Gyrinus natator) 

- WBD III 4,2:179 lemma Schrijvertje - Het schrijvertje of de draaikever (Gyrinus natator) meet 5-7 mm. Vroeger kwam het door Gezelle beroemd geworden zeer kleine schijverke nog algemeen voor, maar het heeft zeer onder de watervervuiling geleden. Het is een klein glanzend zwart roofkevertje dat kringen op het wateroppervlak maakt en bliksemsnel onderduikt bij gevaar.
schrijverke – frequent in Tilburg
watertor – Tilburg

- WNT - SCHRIJVER in den verkleinvorm 'schrijverke' - benaming voor de draaikevers van de soort Gyrinus natator L. in Z. -Nederl.

- Sjef Paijmans - Maar wij hadden voor die torren en torretjes onze eigen namen. Een schrijvertje was voor ons een schotelwasserke... (Herinneringen - CuBra circa 2002)

2. vogel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - geelgors (Emberiza citrinella) 

- Cees Robben - ...schrèèverkes en zwollemen (19600708)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schrèèverke zelfstandig naamwoord - geelgors, schrijvertje

3. schaatsenrijder

- WBD III.4.2:246 'schrijvertje' - schaatsenrijder (Gerris lacustris)

 

schrèp, schrap

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schrap, kras, streep

 

schreuwe

werkwoord, zwak

schreien, huilen, schreeuwen

In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schruwt

- 't wordt laachen en schreuwen; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - Ge kunt er beeter meej laagen as meej schreuwe.

- Den Zondag daorop was den nuuwen heer aon de beurt mee 't preeke. De vrouwkes hadden erop gerekend, detter geschreuwd zou moeten worren en waren veurzien van zakdoeken. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938)

- Ze viel mee d'r gezicht op d'r ermen en begos te schreuwe... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 – 18-4-1939)

- SJAREL. Och, ge kunt mee zo'n sort dinge aatij beter laache dan schreuwe… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

- KAREL. Jè, en soms begiene ze nog te schène óók! SJAREL. Och, Karel, daor kunne me ok beter mee laage dan schreuwe. Ge mokt naaw eemel van meensche gin Trappiste… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

- De toestand schreuwde gewoonweg nor den hemel om wraok. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 11 mei 1945)

- Cees Robben - Van schreuwe tot laage... (19570112)

- Schreuwe dèsse dinne. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

- WBD III.1.4:252 'schreien' = huilen; 254 'schreeuwen' = luid schreien

- Pierre van Beek - snòt èn kwèl schreuwe (Tilburgse Taalplastiek 175)

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wè stoa de doar zoo te schreuwe? - wat staat gij daar zoo te scheien?

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schreuwe'

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schreuwe ww - huilen

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. schreeuwen 1) schreien, wenen, huilen; 2) Klagend schreien van een haas als-ie in een strik loopt.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHREEUWEN voor schrijen, vroeger kriten, krijten, waarvan 'kreet'.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SCHREEUWEN (schreuwe) onov. ww - schreien; vriendelijk, gevoelig woord daor hoefde nie um te schreuwe.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHREEUWEN Frans: crier; krijten, schreien, luidkeels klagen; weenen, stille tranen storten.

 

schreuwer

zelfstandig naamwoord

een van de bidders bij sterfgevallen

- Lowie van Dorrus Misters - Hierboven [zie lemma ‘bidde’] spraken wij van één bidder. Dat was wel het meest voorkomende geval. Degenen, die beter bij kas waren, namen er twee en de hogere standen hadden er veelal vijf. Deze koos de familie echter niet zelf. In de meeste gevallen - zeker in het zuidelijk stadsgedeelte - was de heer Koos van der Wee de man die voor alles te zorgen had en dat was hem toevertrouwd. Hij nam zijn medehelpers en met hun vijven gingen zij hun werk doen. De bidders gingen dan twee aan twee links en rechts van de straat deur voor deur de dood aanzeggen of ter begrafenis uitnodigen (bidden), de vijfde, de "schreuwer" liep in het midden van de straat. In afwijking met de bidders, welke de gewone doodbidderssteek, een hoed in vorm gelijkend op een generaalshoed, op het hoofd hadden, droeg de "schreuwer" de hoed met de zijranden neergeslagen. Dus met een brede platte rand en in handen hield hij op de borst een witte doek, tips gedragen, zodat de tegenoverliggende tip laag afhing. Hij lette er op of niemand door de bidders werd overgeslagen en maakte zo nodig hen daarop opmerkzaam. Maar al noemde de volksmond hem "schreuwer", schreeuwen (wenen) deed hij toch juist nog niet. Wel zette hij een allerdroevigst gezicht. Zijn gelaat de uitdrukking geven, welke bij de omstandigheden paste, kon hij wel. Daarin was hij specialist en hierin kon de beste toneelspeler hem niet verbeteren. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 ‘Doden-cultus van eertijds’; Nieuwe Tilburgsche Courant – 16-11-1950)

We wiesse dan gelèèk ôok òf et en rèèk lèèk waar, want dan liep er midden oover de kaaje zonne schreuwer meej ene witten doek vur zen snèùt. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

 

schreuwereg

bijwoord

die ötgesprooke Tilbörgs platte taol,/ die soms zo schreuwereg klinkt, meej veul kebaol... (Henriëtte Vunderink, Tilbörgs tòltje, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

 

schriepe, schraope

werkwoord, zwak

schrapen, inhalig zijn

- Cees Robben - te schrokke.. te schraope.. te schriepe (19590822)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schrapen, inhalig zijn

- WNT - SCHRAPEN - 5) door strijken (inz. met een scherp voorwerp) bijeenbrengen... inz. in toepassing op het bij kleine beetjes en gewoonlijk uit hebzucht bijeenbrengen van bezit.

schrikke

werkwoord, sterk

schrikken

- WBD III.1.4:293 'schrikken' = idem

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - schrikke - schrók - geschrókke

ook: 'verschrikken', 'verschieten'

 

schrikkelek

verschrikkelijk

bijwoord

Piet Heerkens - Och, kos ik eiges mar gaon, want gij,/ ge bent zoo'nen dommen Hannes,/ zo schrikkelijk dom, zooas er hier/ in Baokel geenen eene man is! (uit: ‘Hannes Kaokel, van baokel’, in: Vertesselkes, 1941)

bijvoeglijk naamwoord

Jan Jaansen - Oome Teun liep hals over kop naor den Heikant om 't schrikkelijk nuuws te vertellen... (uit: De nuuwe dokter, Vertelselke uit de mobilisatietijd van 1914; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940)

 

Schrobbelaar in de 18e eeuw

 

De schrobbelmolen ofwel het assortiment - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

 

schrobbelèèr

zelfstandig naamwoord

1. Textielindustrie - degene wiens taak het is wol grof te kaarden

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - (textiel) bediener van het 'assòrtiemènt';

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) schrobbelèèr - schrobbelaar, textielarbeider, bediener van een assortiment waarop de wolvezels werden ontward en parallel gelegd. Een schrobbelaar had niet het beste baantje in een textielfabriek.

- Toen ging et nòg beeter meej de stad, èn meej de tèkstiel. Der kwaame mesjienes, en toen er mesjienes waare, kwaame der duuvelèèrs en schrobbelèèrs. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Anoniem – 1959 –
Vèftien jaore was ie schrobbelèr,
waor dè komter nie op aon,
Nillus was ginnen semmelèr,
wies z'n menneke wel te staon.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

2. Sterke (kruiden)drank, vernoemd naar 1

- Informant Ad Vinken; ca. 1980 op de markt gebrachte speciale alcoholhoudende drank

Tilburgse kruidenjenever (vkw. schrobbelèrke)

Schrobbelèèr


Vruuger, in tèkstielfebrieke,
daor wèèrkten ok de schrobbelèèr.
Die hòlde daor meej en mesjien
wolveezels öt de wèèr.
tWaar kaajhard sjouwen èn et wier bepòld
nòvvenaant nie ötbetòld.

Nou kèn ik nòg en drank,
en sort liekeur, ok schrobbelèèr.
En agge daor te veul van drinkt,
dan ròkte in de wèèr.
kWil liever in de wèèr geraoke,
dan wèèreke dè men naoje kraoke!
(Henriëtte Vunderink, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
 

Foto: WTT

 

schrògske

zelfstandig naamwoord, dim.

schraagje

- WBD schrògskes - bedsteepaardjes ( schraagvormige ondersteuningen van de bedsteebodem)

verkleinwoord van 'schraog', met vocaalkrimping

 

schròlder

bijvoeglijk naamwoord

schraler

comparatief van 'schraoler', met d-epenthesis

 

schroote

werkwoord, zwak

- WBD schroden ('malen' van mout in de brouwerij)

- WBD schrootmeule - moutmolen

 

schrootmeule

zelfstandig naamwoord

- WBD moutmolen (molen waarmee het mout wordt fijngemaakt, in de brouwerij)

 

schrophoere

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - de grond omwoelen

 

schròpt(e)

werkwoordsvorm

schraapt(e)

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'schraope' met vocaalkrimping

 

schruwer

zelfstandig naamwoord

huiler

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "schreeuwer - doodbidder, aanspreker"

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'schreuwer'

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene schreuwer = meeloper met de kraaj (blz. 95)

 

schruwt, schruwde

werkwoordsvorm

schreit, schreide

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'schreuwe', met vocaalkrimping

 

schuddekul

zelfstandig naamwoord

schuddekul
- WTT 2013 – Van oorsprong mogelijk voor slechtsmakende drank, met name koffie; vandaar als metafoor voor ‘slecht, minderwaardig volk’; waarbij ‘kul’ (vergelijk ‘flauwekul’) het minderwaardige aspect verwoordt, en ‘schudde’ mogelijk het Middelnederlandse ‘schudde’ is in de betekenis van ‘dwarshout van de galg’ (zie Van Beek hieronder). Het MNW kent daarvan een overdrachtelijk gebruik voor ‘leegloper’ etc. – zie MNW hieronder.
- 1974 (ca.) - schuddekul - moet een Tilburgse uitdrukking zijn voor minderwaardig volk, soepie van volk,schorremorrie; “schudde” (middelned.) was de dwarsboom van een galg waar de strop aan hing. (Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek)



Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek


- 1973 - Wie bij - Van Dale op zoek gaat naar "schuddekul", stuit daar op: "Slappe koffie". Men meldt ons dat in Tilburg een jong meisje, dat zich losbandig gedraagt, de kwalificatie "schuddekul" krijgt. "Schudde" heette bij een galg de dwarsbalk, waaraan het galgekoord hing, maar het heeft ook de betekenis van schavuit en landloper. Het houdt verband met de gemeenzame uitdrukkingen: "voor schut staan" of "iemand voor schut zetten". Hier heeft dat de betekenis van "schande" of "schandaal". (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 165, 18-01-1973)

- WTT 2013 – Een etymologisch verband tussen ‘schudde’ en ‘voor schut staan’ is zeer onwaarschijnlijk; ‘voor schut staan’ wordt algemeen afgeleid van ‘verschutten’. Conform P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), - Van Dale Etymologisch woordenboek: lemma Schut 3 - in de uitdrukking voor schut staan [voor gek staan] {1808} komt van verschut [gevangen], in verschut gaan [gearresteerd worden], vgl. rotwelsch verschüttgehen [gearresteerd worden], middelnederlands verschutten [beletten, eig.: achter een schotje plaatsen].
- MNW – lemma Schudde - Gaffel, op te vatten in den zin van “de palen met het dwarshout, waaraan het galgekoord gehangen wordt, het juk” (vgl. lat. “furculae Caudinae”). Kil. schudde. vetus j. gaffel, furca. Voc. Cop. scudde, gaffele, furca (quia olim in furcis arborum fures suspendebantur, unde pro patibulo poni potest, quia in eo fures cillentur i. e. moventur).
- MNW – lemma Schudde - Misschien heeft het woord ook de beteekenis gehad van een leeglooper, die voor allerlei werk, ook vuil werk, te vinden was. Zie Invent. v. Br. Gloss. 355 aangeh.: “eenen scudde van der vischmaerct”,
- WNT -  lemma Kul – 1909 - schuddekul, bij DE BO [1873] en SCHUERM. [1865-1870]: slechten drank, bij SCHOTEL, OudHoll. Huisg. 443, bepaaldelijk voor: tweede aftreksel van koffie (”Dat is maar schuddekul van wijn”, DE BO [1873]; ”Schuddekul van kaffi”, DE BO [1873]);
- WNT -  lemma Schudden – 1925 - Schuddekul, slappe koffie. Nog in Z.-Ndl. Arme lieden … goten op het afgetrokken vocht … op nieuw water en dronken dan ”schuddekul”, SCHOTEL, Oud-Holl. Huis- Gezegde: 443. - Gij hèt schuddekul opgeschonken. Ik drink geene' schuddekul, CORN.-VERVL. . (zie ook DE BO [1873] en SCHUERM. [1865-1870])
- Stadsnieuws - Ik hèb allêeneg nòg mar en pènneke schuddekul vur oe (= restjes c.q. waardeloze troep (081109))

- WBD III.2.3:276 'schuddekul' = opgewarmde koffie

- WNT - SCHUDDEKUL - slappe koffie. Nog in Z-Ned.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - SCHUDDEKUL (verouderd) cikorei, peekoffie

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUDDEKUL -zelfstandig naamwoord mannelijk - slappe koffie (ook in Brabant)

 

schup, schuppes

zelfstandig naamwoord en meervoudsvorm

schop, trap

- naa krèègt ie vur al zen wèèrek/ ene schup onder zen kont. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Schòkkend geschaok)

- WBD (III.2.1:409) schup, schop, spaai = spade

- WBD (III.1.2:171) schup = schop

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUP I zelfstandig naamwoord mannelijk - schop

meervoud

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Hij krêeg veul schuppes. Hij werd vaak geschopt.

spade, schop

In deze betekenis is het meervoud, hoewel ongebruikelijk, 'schuppe' of 'schuupe'

► schoep

► schuup

 

schuppe

werkwoord, zwak

schoppen als fysieke daad

- Cees Robben - [Hij] schupte ’t sèèref van m’n scheen... (19661021)
- Cees Robben - ..En naa ik oew staandpunt ken zakkoew kraomke wel is omschuppe... (19641002)
- Cees Robben - En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)

- WBD (III.3. 2:232) schuppe of trappe = schoppen tegen een bal

- Dialectenquête 1887 Willems - schuppe - schupte - geschupt

- WBD III.1.2:170 'schuppen' = schoppen

- WBD III.1.4:199 'lol schoppen' = plezier maken; 201 idem = gekheid maken 'herrie schuppen' = drukte maken

- WBD III.3. 1:235 'schoppen' = ruziën

- Stadsnieuws - Hij schupte den bòl nòr et aander ènd van et vèld (070606)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'schuppen' - schoppen, met de voet een schop geven.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUPPEN - schoppen: hij hee ' mij geslagen en geschupt

schoppen als bedelen

- Pierre van Beek - "Vruuger ging ze schuppen, nou is 't 'n kakmadam." Hierbij duidt het "schuppen" of schoppen op de vroegere gewoonte van bedelvrouwen om op bepaalde dagen bij bepaalde huizen te bedelen en dan ter aankondiging met de klompen tegen de deur te schoppen. Zij was dus van bedelkomaf. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Pierre van Beek - Nog zo'n schimp was: "Ons Moeder hêe nooit gon schuppen, lek de jullië". Er waren toentertijd namelijk vrouwen, die wekelijks op 'n vastgestelde dag van deur tot deur gingen schooien (bedelen). Zij kondigden zich aan door met de klomp tegen de deur te schuppen (schoppen-kloppen). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

 

schuppemieje

werkwoord, zwak

bepaald kaartspel, waarbij diegene verliest die de slag ophaalt waarin schoppenvrouw zit

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. (kaartspelersterm) mieën: als bij het rikken alle spelers passen, wordt, opdat de kaarten niet vergeefs gegeven zouden zijn, soms gespeeld om de miej, in dit geval klaveren- en schoppenvrouw.

 

schuppes

zelfstandig naamwoord

schoppen, kaarten van de kleur scoppen

- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, (bij kaarten gehoord: betekenis is mij ontgaan!) “Schuppe stront is te Mechelen goed.” (15-06-1963)

- Cees Robben - [Vrouw tegen man:] Ik heb goed in de gaote degge op schuppes loert... (19671027) [Dat je ergens op uit bent]

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - op schuppes loere - op zijn voordeel uit zijn

- WBD (III.3. 2:173) schuppes = schoppen (van een kaartspel)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUPPEN, SCHUPPENEN, SCHUPPENS bvw. Bij kaartspel hetz. als Schoppen.

 

schupstoel

zelfstandig naamwoord

schopstoel

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - op ene schupstoel zitte - een onvaste baan hebben

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - zelfstandig naamwoord m.: op nen - zitten - in de onzekerheid verkeeren.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUPSTOEL zelfstandig naamwoord mannelijk -Spr. Op 'ne(n) schupstoel zitten - in de onzekerheid zijn of men zijne betrekking zal kunnen behouden, of een huis zal kunnen blijven bewonen.

- WNT - SCHOPSTOEL - op een schopstoel zitten - geen vast verblijf hebben

 

schurmik, schurmikske

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

wittebroodje met gespleten rug

► knipmik

- Interview Jolen - 1978 - ”Daor hadde de konferènsie veur…de konferènsie. Dè waaren ammel bestuursleede dan, war, zon, zon, zon stuk bond, hè, èn agge naa iets tekort kwaamt koste daor nòr toe èn dan krêede wè. Gij krêet…en stuk spèk òf ene krèntemik òf en schurmikske òf dêen òf daander, zoiets was dè.” (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► Klik hier om naar de pagina met dit audiobestand te gaan

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - schurmikske zelfstandig naamwoord Frans brood

 

schutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'scheut', met vocaalkrimping; kleine, met een enkele beweging geschonken hoeveelheid van een vloeistof; scheutje

- Cees Robben - Wilde ’n schutje... Gif mar unne scheut... (19691017)
- Cees Robben - Unne scheut of ’n schutje... Jè-mar-dè schilt unne kwak... (19730803)

- WBD III.4.4:261 'scheutje' = scheut

 

schuttelke, scheutelke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schootel'

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - schoteltje

 

schuuntje -

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schoen'

schoentje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (1996) - (blz. 51) schoen - schuuntje

- 't Is dan ook gin wônder dè de dames hier vort hooge Russische lèrzen draogen of lichte sjanskouskes mee zwarte hielen, die nog 'n end boven de schuuntjes utsteken. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 09 19 - Ze kocht òk 'n nieuw klèèd / En schuuntjes mee 'nen hòògen hak / Gatju wè was ze frèèd.

 

schuup, schoep, schuupke

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

schop, spade

- Pierre van Beek – Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)

- Cees Robben - De irste schuup vur den bouw vabn ’t nuu St-Elizabeth ziekenhuis gao de grond in (19780210)
- Cees Robben - Vat de schuup uit ’t schop (19821022)
- Cees Robben - Zet die schuup in ’t schop... (19640306)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 57 06 21 - Fèn naor de Bikse Bèrgen / De kènder namen schuupkes mee / Om in 't zaand te spaoien
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 06 15 - Die zee: "Pa, ik weet 't al lang, /Schaait 'r mar uit mee raoie, / Ge krègt deez' jaor 'n nuuwe schuup, /Vur d'n hof om te spaoie."
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 09 30 - 'ze Pa kruipt op z'n kniejes rond /Maokt mee 'n schuupke gaote /'s Moeder gift de knolle aon /Die ik 'r in mot laote.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Van Tilborg - ...en un schuupke, zô één as waor ze meej in de zaandbak speulen, mar dan meej enne lange steel.

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - 'ik veeg men schuup aaf' zi de grondwèèrker ("'Tilburgse Taalplastiek 1969) - zeispreuk: Ik hou op met werken.

verkleinwoord

schuupke, de uu is kort
schopje
- Cees Robben - En naa mee dees schuupke spaoide één spit diep ’n enkelt gat... (19780210)
 

schuupe

werkwoord, zwak

scheppen

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Schuupe doede meej en schoep.

 

schuur, schuurke

zelfstandig naamwoord, de verkleinde vorm 'schuurke' is korte u

schuur

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - as en aaw schuur begient te braande, dan isser gin blusse mir aon ('77)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - as en aaw schuur in braand vliegt, dan is ze niemir te blusse ('50) - Als een oud iemand verliefd wordt, loopt die hard van stapel.

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 der braandt niks beeter as en aaw schuur

 

schuurdeur

zelfstandig naamwoord; de uu is lang

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - der schuurdeur stao wir oope, wè kròkt ze tòch (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) – gezegd van iemand met een grote mond

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - grote mond; gulp

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hè de-r gin èèreg in dè oew schuurdeur oope stao?' - Heb je niet in de gaten dat je gulp openstaat?

- WBD III.1.1:97 'schuurdeur = mond

- WBD III.1.1:100 'schuurdeur' = mond (spotnaam)

 

schuure

werkwoord, zwak

schuren, schrobben

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ik hèb menen vloer geschuurd

- WBD schuure - schuren, van leer, op de nerfkant (II 662), ook 'slèèpe'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUREN met zand wrijven om te reinigen of te doen blinken; met eenen bezem of borstel en water rein wrijven of schrobben.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHUREN voor hetgeen men in Holland noemt 'schrobben' of 'boenen'. Zoo zegt men hier niet 'de straat schrobben' of 'den gang boenen', maar in beide gevallen 'schuren'.

luieren

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij schuurt em - hij luiert"

- WBD (III.2.1:313) schuure - schrobben, ook 'doen'

 

sebedêen, sommedêen

bijwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - zo meteen, aanstonds, dadelijk

 

sebiet

bijwoord

direct, meteen

Van Frans: 'subit' < lat. 'subitus', met vocaalreductie

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Ik koom sebiet.

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "sebiet - dadelijk"

- H.A. Sterneberg sj, uit Een busselke Braobaansch, 1932 -

VEUR LEUWKE BROUWERS-VAN MAAREN.
As moeder naor d'r zeuntje ziet
zo gauw hi gift 'n schreuwke,
dan kust z' 'm up z'n kaok sebiet...

- Ik gonk er sebiet op uit. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- "We komen sebiet bij Bartjes buurten, mond dicht!" (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

- Ik hè daor 'n heel rits van rejens veur waorvan ik er sebiet aachter mekaar vier kan opnoemen. (Kubke Kladder; Uit 't klokhuis van Brabant 1 - Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929)

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), column in Groot Tilburg, 1940 - ...zonne regenjas vervilt me sebiet...

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), column in Groot Tilburg, 1940 - ...Ik gonk er sebiet op uit.
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), column in Groot Tilburg, 1940 - Mistal is ’t bezit van de zaok ’t end van ’t vermaok en mot er wir sebiet wèddaanders komen...

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), column in Groot Tilburg, 1940 - begos ie al sebiet op te scheppe...

kwokker nog mar is in wèltje
- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), column in Groot Tilburg, 1940 - ...bij Uilie, mar ‘k kan hier zo slecht weg, aanders kwaamp ik sebiet.
- Theo de Wijs; schriftelijke mededeling aan Cees Robben, Sebiet bettiejoe (feb. 1962)

- Cees Robben - en subiet bètjoeoe...’ – en so meteen bij hij [de hond] je - (19550528)
- Cees Robben - Sebiet zakkoewis onder oew sakkerment schuppe... (19870828)
- Cees Robben - Die praot van subiet in plaots van zommedeene.. (19680823)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 04 25 - En wij... wij vatten sebiet ‘ne klaore.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 10 27 - D'n dokter kwaam en zee sebiet: /Jè Nol ge hegget spit
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 06 08 - Hij heeg't aaltij sebiet deur
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 03 04 - Ons Sjaan die meegekeeke ha' /Begos sebiet te maauwe
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 05 05 - Ak' daor wè van dörref te zegge /Krè'k sebiet wir 'ne gróóte mond
-
Piet van Beers – ‘1ste Lezing uit Lukas 15’: èn haol ok subiet 't vetste kalf öt 't hok. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers – ‘Praaj’: En Bal, die toog sebiet op pad... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) 'sebiet dan is et mèèrege' - titel van een carnavalslied

 

Carnavalssticker, Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - səbi.it resp. (vaker:) səbit, bijw. 'subiet' - dadelijk, aanstonds

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - sebiet bw - subiet, aanstonds, meteen

- WNT - SUBIET - plotseling, onverwacht; dadelijk, onmiddellijk, direct

 

seedeeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

cd-tje

 - Èn dan zèt ik thèüs 'n seedeeke op van de Vrolijke Houthakkers. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

sêef

zelfstandig naamwoord

kluts, apropos

uitdr. Van et sêef aaf - de kluts kwijt

- Pierre van Beek - Van et sêef geraoke - in de war raken

- Cees Robben - ...wè van ’t seef.. (19600701)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - en aander vant sêef speule (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - een ander uit de concentratie spelen (kaartterm: wie onbegrepen speelt, speelt een ander in de war)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ge zot iemand vant 'zeef' afhèlpe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEEF (zachte e) zelfstandig naamwoord v+m. - welbekend wit bier, dat te - Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - en in de Kempen gebrouwen wordt.

- Dialectenquête 1887 Willems - VII, 889 - denkt dat hij dit alleen uit beseffen heeft afgeleid. In ieder geval moet Tilburgs sèèf dus een zeer oud woord zijn. Het onzijdig geslacht kan wel door assimilatie van d(e) aan de volgende spirant zijn toe te schrijven, vgl. dial.: het school, het fabriek.

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - sèèf (van 't -) - de kluts kwijt (tilb.) = oeng. sefa 'gemoed, geest')

 

seel

zelfstandig naamwoord

ceel

lijst, reeks, opsomming

- WBD III.3. 1:250 'ceel', 'litanie' = verhaal

 

sèèrf

zelfstandig naamwoord

vel, opperhuid

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - et sèèrf eraaf (gezegd van bijvoorbeeld een geschaafde arm)

- Cees Robben - [Hij] schupte ’t sèèref van m’n scheen... (19661021)
- Cees Robben - ’t sèèref van m’n kniejes... (19581004)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'òn zun been waar hil ut sèèref aaf' - Zijn been was helemaal geschaafd.

- WBD III.1.1:51 'zerf' = opperhuid

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - zèèrf - zelfstandig naamwoord - opperhuid

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zaarf, zèèrf - huid (nbr.) ohgd. saro 'uitrusting' en Gr. Héra 'lett. beschermster. Van een wortel die 'beschutten' betekent.

 

seetera

zelfstandig naamwoord

rest, boel

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - hil de seetera - heel de boel, alles wat erbij hoort hil de seeterse boel

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Hil de seeterasse boel viel op straot' - De hele boel viel op straat.

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - se.təra, zelfstandig naamwoord mannelijk 'cetera' - het overige, de rest:... en den heele ceter

 

seeveej

zelfstandig naamwoord

cv, afkorting van curriculum vitae, levensloop

- Mar 's moeder zeej dè 'nne CeeVeej 'n verhaol is wè over oe èège gao. 'nne sórt leeveslôop zôo gezeej. (Jos Naaijkens; ‘Mènne ceeveej’; CuBra)

 

sèffes

bijwoord

aanstonds, dadelijk, terstond

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Betòlde sèffes?

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "seffens - dadelijk"

- De vrouw draofde 't huis deur en kwaam seffens terug mee de schoenen... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 –29-7-1939)

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - seffens= effen (= even), got. ibijvoeglijk naamwoord s 'effen' + bijw. en proleptische s.

- Stadsnieuws - Ik zal et sèffes doen, mar irst mòt dees klaor. (041009)

- WNT - XIV:1279 SEFFENS, tseffens: onverklaarde vormen naast TEFFENS

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - sèffes bw - aanstonds, dadelijk

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEFFENS (Kemp. sevv?ns) bijwoord - terstond, aanstonds, spoedig

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SEFFENS - sèf?s, bijwoord

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - säf?s, bijw. 'seffens' - aanstonds, dadelijk, spoedig

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SEFFENS, voor 'te effens', t'effens, teffens of tevens, hetwelk minder goed is. Bij Kiliaen - niet, wel 'tseffens'. Bett.: in eens, op eene keer, op eens; soms ook ' oogenblikkelijk' (D. gleich).

- K. Heeroma, Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SEFFENS voor 'teffens'

- WNT - SEFFENS, TSEFFENS - (thans alleen in Z. -Ndl.) 1) tegelijkertijd, gelijktijdig, tegelijk; 2) ineens, opeens, eensklaps.

 

De eerste - onbekende schilder; circa 1920

 

Advertentie 1922

 

segaar, segaor, sigaor, siggaor

zelfstandig naamwoord

sigaar

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - sigarke

...ze [de baanwielrenners] fietsten d'r tong op d'r vistje vur 'n sigaor van zeuven centen. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Mottem daor zien staon te kèke as ’n leeg sigarenkiesje (23-10-1963)
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Hij vrijt al thuîs en wit de kiest segaare van höllieee Pa goed te staon! (10-01-1970)
- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - Pa, wè wilde gij hebbe mee oewen verjaordag? - ’n pond goei oppaasse jongen en drie cigarkes in ’n kûîltje (09-04-1973)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'gròte segaoren'

- Cees Robben - Ik ben net ’n kaoi segaar in ’n redelijk dekblad... (19880122)

Pierre van Beek - en segaar van dankjewèl - een gekregen sigaar

Pierre van Beek - en segaar öt et weggeefkiesje - een van mindere kwaliteit

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - segaarekiesjesplènkskesspèekerskesfabriekaant - klein baasje

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - plur. 'segaores', dim. 'segarke'

Tekening: - Cees Robben - uit ‘3 jaar voetbal concentratie’ van A.P.M. van de Ven jr., 1946

Illustratie uit Ach Lieve Tijd # 14 - Gulden Vlies Sigaren werden ook in Tilburg, in de Stedekestraat, gemaakt door de firma Majoie en Van der Voort - afb. ca. 1930

 

- Dan trakteerden ie op sigaare, ge moet dan wel aaltij heure dèt zen liste waare. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Oew haande vroren van oew lèèf en dan moeste nog den hille tèèd, dè sigarekiesje rèècht hauwe. In dè kiesje stond un braandende kèèrs, et waar un miraokel as ge die vlam op den hille lange, barre tocht aon kost haawe.In de bôjem van et kiesje han ze meej enne gloeiende spèker gaotjes gebraand in de vörm van un ster, ge liept asset ware meej un lichtende ster te venten. Veul kiesjes heb ik in braand zien vliegen, in dè van men kos ik et kèrske amper aonhaawe, den héle tèèd waaide et èùt. Nèè dè Driekoningenzingen hè’k nôôt zon succes gevonden. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Lau segaar (Laur. Janssens) (blz. 46)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Fraans segaar = F. Janssens (blz. 48)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de siegaar = frater Acharius (blz. 100)

- WBD III.2.3:287 'sigaar' = idem

Sigaren van de Tilburgse firma Majoie in een presentatiekistje

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1929

 

Foto: Archief Pierre van beek / WTT

 

segaarefrutter

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - sigarenmaker

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - siegaarefrutter zelfstandig naamwoord - sigarenmaker

 

segaarepèpke

zelfstandig naamwoord, dim.

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - sigarenpijpje

 

 

segrèt, segrètje, sigrèt

zelfstandig naamwoord en verkleinde vorm

sigaret, sigaretje

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - segrètje

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 06 03 - D'n Dorus brengt segrette mee / De Gust zörgt veur segaare.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 08 15 - Kriesje moes naor de gróóte school / In ’t irst ging ie hèèl gère / Mar toen ie thuis kwaam om vier uur / Dittie niks mir as blère. // "Mar menneke, wè kwèkte toch / Wè zumme naauw toch krège? / Vur zònne gròòte vent as gij / Toe Kriesje, schaomt oe ège.” // Op ’t list tusse twee snikke deur / Kos ’t menneke wè zegge, / En mee de traontjes op z’n wang / Is ie uit gaon legge. // "Naauw zit ik vort bij ’ne meneer / Die zuigt op ’n sigretje / Mar vleej’jaor op de kiepkesschòòl / Zaat ’k bij ’n hèèl schòòn mèdje."

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - hèdde gij zat òn oew êen pèkske segrètte? Nèè, mar ek rôok op de schabberdebonk.

- En kochte daor dan vur un frenkske/ Un pekske sugrette van Piraote… Uit: ‘De wèèvers van Tilburg’, Ad van den Boom, circa 2005

- Munne irste schuine mop geheurd/ Mijn eerste sigretje gepaft... (Tony Ansems, Aachter in de Sintelpad; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

 

seklaade, sjeklaade

zelfstandig naamwoord

chocolade, chocolademelk, reep chocolade

- Cees Robben - Wè d’ ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade.../ De kleeraozie... de seklade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor ‘het oog van het kerkvolk’ gemaakt werden. Chocolade was een geliefd cadeautje.]
- Cees Robben - Die fèèn trip (...) mee d’r prevelementje en durre seklaade.. (19850215)

- De fraters zörgden dan veur ranja en wèèrme seklaademelk… (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Die soldaote gooiden meej stukken seklaade, die han wij in gin vèèf jaor meer gepruufd. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Om half elf kréég ik elke dag, enne beker seklaade. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Seklaade, waor we de smaok van, meej de komst van onze bevrijders, teruggekregen han, kréégen we zôveul we lustten. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- en ripke seklaade... (Henriëtte Vunderink; Ons Moeder; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

- Henk van Rijen, Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'òn de seklaadekaant gòn zitte' - Aan die kant gaan zitten waar het meeste voordeel te halen valt.

- Ge moogt oewe schoen zètte, èn de vòllegede mèèrege waare de peeje ènt aaw brôod wèg, èn laager en spikmènneke in, òf en marsepèène vèèrekespotje, òf ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

seklaadebòl

zelfstandig naamwoord

chocoladebol

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - moorkop

 

seklaadelètter

zelfstandig naamwoord

chocoladeletter

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 12 01 - Wè rèmt 'r op seklaadeletters?

 

seklaatje, sjeklaatje

verkleinwoord van seklaa, sjeklaa

chocolaatje

 

 

Foto's: Cubra

 

Ill.: Thomé

 

sekraaj

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - cichorei (Cichorium intybus)

- Cees Robben - sekraai (19680405)
- Cees Robben - sekraai (19630628)

- WBD III.2.3:278 'sekraai', 'cichoreikoffie' = cichorei

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
sekrä.i, zelfstandig naamwoord mannelijk 'cikorei';

- WNT - geeft vrouwelijk voor 'sekraei = vermolmd hout

- WNT - CICHOREI, chicorei, suikerij - benaming v. d. planten v. h. geslacht Cichorium, inz. v. d. inheemsche soort Cichorium intybus.

 

sekraajslaoj

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - rauw witlof, bladeren van de cichoreiplant

 

sekreet

zelfstandig naamwoord

secreet, schijthuis

- WNT - SECREET (I) - 3) geheim vertrek, geheime bergplaats; 4) heimelijk gemak, privaat

 

sèkse

werkwoord, zwak

- WBD kippen selecteren op geslacht

 

selaos

zelfstandig naamwoord

soelaas, vertroosting, verlichting

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "seloas - en nooit 'n oogenblik seloas (rust)"

 

sèlderie

zelfstandig naamwoord

selderie, selderij

Dan moese we zinge ‘Tantum èrgoo sakraamèntum, Vèènerèèmoer sèrnewie’. Èn dan zong ik: ‘Tante Mèrgoo, zak meej krènte, fèène rèèst meej sèlderie.’ (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

sèlderietaante

zelfstandig naamwoord

vrouw die zich kleine dingen te sterk aantrekt.

 

 

 

sèldrievoor

zelfstandig naamwoord

- Informant Toine Raaijmakers - laks, traag persoon

lett. stroompje van afvalwater, waarlangs men selderij plantte

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säljərvo.r, resp. säldrivo.r, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'selderievoor', enigszins vochtige voor in de tuin, waarin de boer selderij kweekt.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SELDERGROEF zelfstandig naamwoord v. - diepe groef waar men selder in plant, dien men aanaardt naarmate hij groot wordt.

 

Ze heet TilburgsAns, want ze is een lettertype zonder schreven (een Sans in vaktaal), maar we noemen haar Ans. Haar grafische vaders, ontwerper Sander Neijnens en tekenaar Ivo van Leeuwen, hebben Ans ook een gezicht gegeven (zie tilburgsans.nl), maar het gaat natuurlijk om haar karakter. Want letters zíjn vanouds eigenlijk karakters, en dat van Ans is door en door Tilburgs. Ze is ‘direct, geen tierelantijnen, humorvol, experimenteel, en praktisch’, zeggen de makers.

Is Ans echt een Tilburgse? Ik vind van wel. Het is met Ans zoals Marc de Coster in zijn Scheldwoordenboek schreef over het Tilburgse woord ‘seldrievoor’ (een treuzelende tante): ‘Ons moeder had de gewoonte om te zeggen, Wè bende toch een seldrievoor! Dat is nou eens een echt lekker zinnetje, dat zo heerlijk een Tilburgse sfeer weergeeft, welke men eigenlijk niet omschrijven maar alleen aanvoelen kan.’

En ík garandeer u: het wordt nog Tilburgser als dat in de Ans wordt opgeschreven. [Ed Schilders, Brabants Dagblad-Tilburg Plus 24-9-2015]

[Sander Neijnens, e-mail aan Ed Schilders, 24-9-2015, tekst in de TilburgSans]

 

seloers

bijvoeglijk naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - jaloers

seloerseghèd, -hei

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - jaloersheid, jaloezie

- WBD III.1.4:127 'jaloezie' = idem

 

Foto Wiki Commons

 

selòt, sjarlòt

zelfstandig naamwoord

sjalot (Allium ascalonicum)

- Cees Robben - Ik zie m’n selotte en peekes al staon/ M’n kiendjes vur slaoi al d’n hofpad op gaon... (19570309)
- Cees Robben - Krooten.. praai.. selotte.. (19611221)

Verbastering van Frans: 'échalotte' (uitje), met vocaalreductie - A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
səlᴐtə(n), resp. silᴐtə(n), zelfstandig naamwoord mv. 'sielotten' - sjalotten.

 

seluusie

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 bandeplakmiddel (solution)

 

semènketije, sommegetije, sommenketij

bijwoord

Pierre van Beek - somtijds, soms

(H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘Levenswaandel’, 1932): somminketej *) *) -noot van Sterneberg bij dit woord: somtijds, nu en dan....

- A.J.A.C. van Delft - "Somènketaje" hoort men, alsof het één woord was, gebruiken in den zin van: soms; zoo te eniger tijd; als het gelegen komt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Van Kees en Kee’, 1941: Sommenketij waar et goed te merken...

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SOMMENKETIJ(D)EN (klemt. op menk) bw - somtijds, nu en dan - WNT - XI- Informant Ad Vinken; 2511: SOMMENK - sommig. Koppeling: SOMMENKETIJDEN - somtijds, in het N. der Kempen (Corn-Vervl. 2049).

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SMEKKEN of SMENKEN - sommigen; SMENNEKETIJ hoort men bij de landlieden veel voor: zoo dikwijls, zoo menigen tijd.

- Zie ook 'Smenke keere'.

 

sèmmelbroek

zelfstandig naamwoord

langzaam iemand, treuzelaar

Zo, semmelbroek, bende daor?! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; ’Oome Teun in den trein’; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)

 

sèmmele

werkwoord, zwak

treuzelen, langzaam werken

Zit nie zo te sèmmele.

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "semmelen - is dè semmelen (niet voortmaken, echt sukkelen, treuzelen)"

- A.J.A.C. van Delft - Een straatventer "kwèkt"; een kind "seevert"; een meisje "semmelt"... (1929)

...et zou er zeker van komen as de raodsvergaodering mar nie te lang semmelde. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 – 18-2-1939)
't Is euwige zund dè ge zoo gesemmeld hèt! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 – 24-8-1940)

- Cees Robben - Hij semmelt nie... (19550709)

- WBD III.1.4:52 'semmelen' = aarzelen; 365 'semmelen' = prutsen sèmmele - sèmmelde - gesèmmeld

- WBD III.1.4:367 'semmelen' = iets slordig doen; 52 'semmelen' = aarzelen 376 'semmelen' = even ophouden met werken

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - semmelen - treuzelen (brab., zaanl.)

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - sèmmele ww - treuzelen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMELEN (Kemp. ook säməmlən) - hetz. als sammelen, leuteren, dralen,talmen, traagzaam iets verrichten, niet voorwaarts komen.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SEMMELEN (sèmmele) onov. ww - treuzelen, bv. bij het eten; ook: zeurderig praten. Klanknabootsing of van 'zamelen', zich bijeenrapen, concentreren?

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säm?l?(n), zw.ww. intr. 'semmelen' - wauwelen, langdurig en vervelend praten

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - SAMMELEN – sèmələ wkw (rg.); samenst.: sèmeliər, zé:məltri:n

- WNT - SEMMELEN - 1) treuzelen, talmen ZEMELEN, hetz. als sammelen en semmelen

Sèmmele meude in oewen èège tèèd (motto carnaval 2009)

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

sèmmelèèr

zelfstandig naamwoord

treuzelaar, zemelaar, iemand die treuzelt of zeurt (CR).

- Cees Robben - Kwaanselt toch nie zô... sakkertjense semmelèèr... (19770422)

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "semmelair - ge zai't nen echte semmelair"
- Anoniem; Nieuwe Tilburgse Courant - 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie -

Vèftien jaore was ie schrobbelèr,
waor dè komter nie op aon,
Nillus was ginnen semmelèr,
wies z'n menneke wel te staon.

► voor de volledige tekst Klik hier

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - affeseert en bietje, sèmmelèèr - schiet eens op, treuzelaar

- WBD III.2.3:18 'semmelaar' = pitser

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMEL

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - sèmmelèèr - treuzelaar

- WNT - SEMMELAAR - treuzelaar - semmelaarster, vrouw die semmelt.

 

sèmmelklôot

zelfstandig naamwoord

treuzelaar

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säməlklö.t, zelfstandig naamwoord mannelijk 'semmelkloot'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMELKLOOT - zelfstandig naamwoord mannelijk – semmelaar, wauwelaar

 

sèmmelkont

zelfstandig naamwoord

treuzelaarster

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säməlkont, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'semmelkont' - vrouw die veel semmelt

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMELKONT zelfstandig naamwoord v. - semmel, semmelaarster

 

sèmmeltrien

zelfstandig naamwoord

treuzelachtige vrouw

- Cees Robben - Wè dist ’n semmeltrien... (19600219)

- WBD III.1.4:56 'semmeltrien' = treuzelaar

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säm?ltri.in, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'semmeltrien' - vrouw die veel semmelt

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - sèm?l?; samenst.: sèmeli?r, zém?ltri:n, een volksetymon op het geluid af naar zé:m?l? (zemelen)

Bosch sèmmeltrien - zeurkous

 

Ill.: Wiki Commons

 

sènneteeblaojke

zelfstandig naamwoord, dim.

- Cees Robben - [bij de kruidenier:] ’n half ons senne-tee-blaoikes vur ons moeder vanwege d’ren moeilijke afgang... (19860822)

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 blaadjes van de cassia angustifolia, ter bevordering v. d. stoelgang

- WNT - SENEBLAD, SENNEBLAD - blad van den heester Cassia angustifolia Vahl., dat als purgeermiddel wordt gebruikt.

 

sèns

voorzetsel

- Dialectenquête 1887 Willems - sedert, sinds

 

 

Tekening: - Cees Robben - uit ‘3 jaar voetbal concentratie’ van A.P.M. van de Ven jr., 1946

 

sènt

zelfstandig naamwoord

cent

in het meervoud ook 'geld'

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ene grôote cent - een sou, halve stuiver

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Toen zaate de meense in, die hadde gin sènte, jo! Der zaate gin sènte bij de meense, hu!”

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Et was netuurlek ammel vur kènder, hè…de snoep èn de sènte, meer krêede nôot nie…!!”

Klik hier om dit bestand te beluisteren

Figuurlijk

- Hessels 2020 - Achter een vooroverbukkende vrouw: - die lòt flink in dere sènt loere! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: Klik hier

Uitdrukkingen

- Pierre van Beek - ene cènt of anderhalf - niet veel soeps

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Dès me vur ene sènt òf vèèf – Gezegd van een veel (vaak negatief) besproken figuur

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - dòr zit vur ne cènt of aanderhalf (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - Dat is een buurt waar heel gewone mensen wonen, niet veel bijzonders.

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - ne cènt vurt pèrd vaasthaawe (Si'70) - kaartterm: weinig inspanning, dus weinig verdienste.

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 ene cènt vurt pèèrd vasthaawe / volk van anderhalve cènt

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - iemand vur vèèf cènt meegeeve - iemand heel wat onder de neus wrijven, flink onder handen nemen.

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - spulle fiks, mar cènte niks, zi Jantje van Hees (- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - '48) - mooie dingen maar geen geld (vH was een bekend boertje op de Kouwenberg)

Aanvullende bronnen

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - CENS en CENT zelfstandig naamwoord mannelijk - stuk van 2 centiemen: Hij ziet op 'ne' cent - hij is gierig.

 

sèntenbak

zelfstandig naamwoord

collecteschaal, -bus o. i. d.

- WBD (III.3. 3:137) sèntenbak, sèntenbèkske - collectebakje

figuurlijk

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Sèntenbak – Mond waarbij iemands ondergebit verder uitsteekt dan het bovengebit

 

sènteneuker

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 krentenweger, knibbelaar

 

sèntsstuulke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

cents-stoel; stoel in de kerk waarvoor slechts weinig geld betaald hoefde te worden om die stoel te pachten; meestal dus een stoel helemaal achter in de kerk

- ...achteraon [in de kerk] op zo’n cents stuultje... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

sepiete

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 zwezerik (Sp. chupete = bijzonder lekker)

- Informant Ad Vinken - Kalfszwezerik, klier van een kalf, gold als het meest exquise stukje vlees. Er zijn twee kwaliteiten die alleen voorkomen in kalveren tot de leeftijd van een vaars. Daarna zijn ze niet meer eetbaar. De klier moest a. h. w. worden gepeld. Wat dan overblijft bij de eerste kwaliteit is vlees, zo zacht dat het letterlijk opgezogen kan worden. Daar komt ook de naam sepiet vandaan, meer precies v. h. Spaanse woord 'chupar' = zuigen, dat vermoedelijk ten tijde van Karel en Filips II in de fijne adellijke keuken van de Lage Landen geïntroduceerd werd.

- WNT - XIV:2468: SOEPIET, soppiet, soepeet, zelfstandig naamwoord mannelijk Ontleend aan een afl. van Sp. chupar, zuigen; verg. ook Sp. alguna cosa de chupete, iets fijns. Daarnaast ook sebiet (...) en soepier. Zwezerik, "zogje". In zuidelijke dialecten meestal in den vorm van het meervoud.

 

sepries, seprieske

zelfstandig naamwoord

surprise, inz. sinterklaasverrassing

Naar Frans: 'surprise' met vocaalreductie

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - seprieske

- In Tilburg was ‘t Zaoterdags net sepriesaovond… (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 11 24 - 'Surprised' mee 'n sepries.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 12 01 - ‘k Moes vur ‘t sepries 'n rèmke maoke

 

Seraar
eigennaam
van Gerardus > Franse Gérard > Sjeraar > Seraar
- Cees Robben - Zumme zômedene is ruile Seraar...? (19560114)
- Cees Robben - Hedde dè geleze, Seraar.. (19720317)
 

sèrniedoome

tussenwerpsel

bastaardvloek

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - "serniedoomen - 'n uitroep"

WTT - 2016 ‘Sernie’ is een verbastering uit het Franse ‘je renie’, ‘ik ontken’. De verbastering wordt begrijpelijker als we bedenken dat ‘je renie’ in de Franse uitspraak klinkt als ‘zjerenie’. De eerste lettergreep is dus een ‘stomme e’ (sjwa). ‘Doome’ is van het Latijnse ‘dominus’, de Heer.

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sèrvetuut

zelfstandig naamwoord

- WNT - SERVITUUT 2) In den vorm v. h. meervoud. Lastige formaliteiten, omhaal Gewest. in Z. -Ned. 'Ik ben mee al die servituten nie' op mij' gemak'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SERVITUUT zelfstandig naamwoord vrouwelijk en niet onzijdig - erfdienstbaarheid; in 't meervoud: lastige plichtplegingen

 

sèrzje
zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

serge

- Henk van Rijswijk, Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954 - Serge: Wollen kamgaren stof geweven in 4 schachts dubbelkeper, ook wel 4 schachts gelijkzijdige keper genoemd, meestal in effen donkere tinten geverfd. Gebruikt voor heren- en dameskostuumstoffen als kolberts, pantalons en mantelpakjes. Koloniaal serge: als serge maar dan speciaal in lichtere tinten geverfd voor gebruik in de tropen.

 

klik hier voor de volledige tekst
 

- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) - Serge. Kamgaren, zijden of katoenen weefsel, in keperbinding geweven. B.v. blauw en zwart kamgaren serge voor: costumes; zijden en katoenen serge voor voering.
- MNW – lemma Serge - Woordsoort: znw(v.) Varianten: saerge, saergie, sergie, saerdse, saerdtse, saerdze, saerze. Modern lemma: sarge (saerge, saergie, sergie, saerdse, saerdtse, saerdze, saerze), zelfstandig naamwoord vrouwelijk 1. Als benaming eener lichte gekeperde wollen stof (zie Kuyper, Technol. 2, 89; 511; 550) is het woord in het Mnl. eigenlijk op geene enkele plaats met zekerheid aan te wijzen. 2. De gewone beteekenis van sarge is een deken of dekkleed van deze stof (zoo ook Claes 210; - Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch,1899 - Idiot. 1055), nu en dan ook een vloerkleed of tapijt (vgl. bij 1 de aanhaling uit Diericx, Mém.); eene enkele maal ook een kleedingstuk. Kil. sargie, beddekleet, lodix, stragulum, cento, gausape, Germ. serg; it. sargia i. conopaeum.
- WNT -  lemma Serge – 1926 - vroeger ook SARGE, SARGIE, SERGIE - , zelfstandig naamwoord vrouwelijk Mnl. saerge, saerdse, saergie. Ontleend aan oFrans serge, sarge, Frans serge. 1. Gekeperde wollen stof, waarvan de inslag minder glad en minder dicht is dan de ketting en slechts weinig in het gezicht komt. Winkeliers, doende in Sayen, Bombasynen, Diemitten, gestreepte Sergien, en andere, alle resorterende onder het groote Kramers Gild, Handv. v. Amst. 832 a [1718]. 2. Wollen deken. In dezen zin in N.-Ndl. niet meer bekend.

 

 

sesies, sosies, soosies, sossies

zelfstandig naamwoord

een bepaald soort droge worst om in afgesneden vorm brood te beleggen

- Kubke Kladder - Alles hier op de wèreld hee toch een end, behalve sesiesworst zô "de Tuter" zeggen, want die hee-t-er twee. Jè, wè zulde daor op afdingen!... (uit: Uit 't Klokhuis van Brabant 4, Nieuwe Tilburgsche Courant, 2-11-1929)

- Jace van de Ven - C is Cèrvelaatwòrst, die hiet sesies (Tilburgs ABC, 1999)

- Piet van Beers; 'n Flès (nie als te duure) wèèn/ 'n Rölleke mèèle moppe./ 'n Bèkske zult, 'n ons sesies./ 't Is dees week "Zèùneg soppe." (uit: 'Bodschappe doen', www.cubra, ca. 2005)
- Lodewijk van den Bredevoort - Ik weet nog dè we’r gegeten hebben en dègge dwars deur de soocies kost heene kèèke, diege op oewe bottram krêegt. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 boerenmetworst (Fr. saucisse) (1996)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - sesies zelfstandig naamwoord - snijworst (saucisse Fr.) (1998)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - sóssies zelfstandig naamwoord - worst (saucisse Fr.) - Zó dik as unne sóssies èn zó zwòòr as unne kènderwòòge. Zo dik als een worst en zo
zwaar als een kinderwagen (zegt men van een zwaarlijvige). (1998)

- Goedgetòld - sesies - zelfstandig naamwoord - boerenmetworst (Fr: saucisse). (2004)

 

Anonieme Italiaanse meester - 17de eeuw
 

Etymologie - WTT 2013 - Ed Schilders

Tilburgse woordenlijsten verklaren sesies als ‘boerenmetworst’ of als ‘snijworst’, maar dat is wel erg dun afgesneden. Sesies is inderdaad afgeleid van het Franse saucisse, maar dat woord betekent tot op de dag van vandaag niet zozeer een bepaald soort worst, als wel iedere worst waarvan het gehakt gezouten is en vervolgens door de slager, meer bepaald de charcutier, is ingesloten in een darm. Saucisse is afgeleid van het Latijnse salsicia, gezouten. Het in het Frans eveneens gangbare saucisson is van saucisse afgeleid. Saucisson wordt gebruikt om de grotere, dikkere worstsoorten aan te duiden, en heeft betrekking op worst die men koud eet. (Alain Rey, Dictionnaire historique de la langue française, 1998)

Cervelaatworst valt ook onder deze noemer maar heeft van oorsprong een duidelijk gedefinieerde receptuur. Het komt van het Franse cervelas, uit het Italiaanse cervellato, en dat was een Milanese charcuterie, soms op basis van varkensgehakt, soms rundvlees, maar altijd met varkenshersenen (de witte brokjes). Van oorsprong betekent cervelaat dus ‘hersenworst’.

Onze (boeren)metworst heeft qua samenstelling niets te maken met varkenshersenen. Het woorddeel ‘met’ is het Middelnederlandse woord voor ‘gehakt varkensvlees’. (WNT) De verklaring met ‘snijworst’ biedt geen enkel houvast om te bepalen over welk soort worst het gaat als de Tilburger ‘sesies’ bedoelde.

 

 

Op zoek naar de echte Tilburgse Sesies - WTT 2013 - Ed Schilders

Wat Tilburgse huisvrouwen honderd of vijftig jaar geleden precies bestelden als ze bij de slager om sesies vroegen (ook soosies, sosies en siesie) is moeilijk te zeggen - áls het woord al op één enkele worstsoort betrekking heeft gehad. Duidelijk is wel dat sesies een van de ‘rauwe worstsoorten’ is, zoals de slagers het noemen. Het was broodbeleg (toelaog), en het woord had zeker geen betrekking op wat wij nu wel ‘braadworst’ noemen; die heette in het Tilburgs gewoon wòrst, liefst vòrse wòrst, en hoe vetter hoe liever.

Voor zowel cervelaat als metworst zijn er in de slagerij en de charcuterie tientallen varianten in ingrediënten en bereidingswijzen - maar grofweg is het onderscheid als volgt:

- boerenmetworst: varkensvlees en -spek – gedroogd

- cervelaatworst: 4 delen rundvlees, 3 delen varkensvlees, 3 delen vet spek – gedroogd en gerookt (Baretta, 1956)

In de volksmond is sesies in de vorige eeuw waarschijnlijk in gebruik geweest voor uiteenlopende droge worstsoorten. In ieder geval werd sesiesworst al in 1929 in een Tilburgse tekst gebruikt, en wel in een column van Kubke Kladder [zie hierboven).

Met behulp van de on line ‘krantenbank’ van de Koninklijke Bibliotheek heb ik advertenties geraadpleegd van Tilburgse slagers in de periode 1850-1950. Welke vleeswaren brachten zij onder de aandacht van het publiek? Het onderzoekje leerde dat slagers in een en dezelfde advertentie steeds onderscheid maken tussen drie soorten worst. Een kleine keuze uit tientallen advertenties (alle uit de Nieuwe Tilburgsche Courant.)

 

Jaar

Slager

Adres

 

 

 

1880

Luouw

Zomerstraat

-

servelaat

saucys de Boulogne

1884

J. van Hest

Zomerstraat

metworst

gerookte worst

saucise de Bologne

1885

H. de Rooij

Heuvel

metworst

rundsworst

saucise de Boulogne

1891

J. van Hest

Zomerstraat

metworst

-

saucise

1893

P. van der Put

Spoorlaan

metworst

servelaat worst

saucisse de Boulogne

1898

H. de Rooij

Heuvel

metworst

servelaatworst

saucisse de Boulogne

1901

Th. van Buuren

Heuvel

-

cervelaat

saucise de Boulogne

 

Het betreft dus:

- metworst (algemeen gebruikt; hoofdbestanddeel varkensvlees; boerenmetworst heb ik in de advertenties van die tijd nergens aangetroffen voor Tilburg, slechts eenmaal (1919) in Oss)

- cervelaat (hoofdbestanddeel rundsvlees, en gerookt)

- de tegenwoordig niet meer zo bekende ‘saucisse de Boulogne’.

‘Saucisse’ komt in dergelijke advertenties dus uitsluitend voor als ‘saucisse de Boulogne’, de benaming waaronder in Tilburg blijkbaar decennialang door alle slagers een geliefde worstsoort werd aangeboden. Nog in 1935 adverteert slager Nouwens (Zomerstraat en Besterdplein) met ‘De echte Saucyce de Boulogne’. Wellicht duidt dat ‘echte’ erop dat er toen al andere worstsoorten concurreerden met die ‘Boulogne’ onder de naam saucisse/sesies?

Ik denk dat deze saucisse de Boulogne in Tilburg kortweg sesies werd genoemd. Wie bij de slager sesies bestelde tussen grofweg 1880 en 1940 vroeg niet naar metworst noch naar cervelaatworst. Die vroeg om ‘saucisse de Boulogne’. De naamgeving heeft betrekking op de Italiaanse stad Bologna. De ingrediënten zijn varkensvlees en varkensvet, peper, kaneelpoeder, en witte wijn. (uit: Van Aajkes tòt Zaandkèùl, 2012)

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, 1878

 

sestrèùve

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - verwennen

- WTT 2013 - het betreft de enige opgave van 'sestrèùve'; bedoeld is waarschijnlijk 'bestrèùve'

► bestrèùve

 

sèùker

zelfstandig naamwoord

suiker

- Informant Toine Raaijmakers - Ruure, vrouw Paones, de sèùker is nòr den bojem gezakt, (tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren)

- Cees Robben - Ik ben munne suiker kwèèd... (19810116)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - et was naa gedaon meej et sèùker lievevrouwke (HM'70) - het was nu uit met het goede leven

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - meej waoter valt niks goed te maoken èn meej sèùker kunde niks bedèèrve (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - om iets te verbeteren dient men de juiste middelen te gebruiken.

- WBD III.2.3:197 'suikerbroodje' = wittebroodje

- WBD III.2.3:240 'suikerklontje' = idem

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sö.ker, zelfstandig naamwoord mannelijk - suiker

 

sèùkerbisjes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van ‘sèùkerbist’
suikerbeestjes
- Cees Robben - Komt toevallig Siendereklaos (...) wè suikerbisjes strooien... (19571207)
 

sèùkerèrtje

zelfstandig naamwoord, dim.

peultje, peulerwt, 'haawke', 'pultje', 'peul'

- WBD III.2.3:82 'suikererwtje' = peulerwtje ook 'schilerwt'

- WNT - SUIKERERWT - 1) zeer zoete soort van doperwten; 2) peul

 

sèùkerpeej

zelfstandig naamwoord

suikerbiet - Beta vulgaris

- WBD I:1417 suikerbieten: 'sèùkerpeeje', 'suikerpeeje'

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 gele winterwortel

- WBD III.2.3:102 'suikerpeetjes' = kleine worteltjes

- WNT - SUIKERPEE(N) - 1) in Gron., 't Z-W van N. -Nederl. en 't NW v. België een benaming voor de biet (Beta)

 

sèùkerpèèr
zelfstandig naamwoord
zoete peer, suikerpeer
- Cees Robben - Ik heb mèèlpèère, suikerpèère, juutepèère en klapse... en dan hek nog Gôôlse vringpèère, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)
 

sèùkerpötje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van sèùkerpòt..

suikerpotje

sèùkerpötje lôope (uitdr.) gedrieën lopen waarvan de middelste het 'sèùkerpötje' is

dim. van 'sèùkerpòt'

 

sèùkersteel

zelfstandig naamwoord

suikerstok

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de sèùkersteel = A.J. Claesen (blz. 30)

 

sèùkertaante

zelfstandig naamwoord

suikertante; vaak de tante die ook peettante was, de peter; in het beste geval was die tante bemiddeld (suiker = rijk), wat in het voordeel was van het peetkind

[Sjaan] waar ons sèùkertante. Die ha ginne meens èn ha dus ok nôot gin kiendjes hoeve te kôope. Die waar verrèkkes rèèk gebleeve, èn die gaaf ons soms wèl es zôo mar en dubbeltje vur onze spòrspòt! (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001)

 

sèùkertut

zelfstandig naamwoord

suikertuut; snoepgoed op de kermis; mogelijk een kleine variant op de suikerspin

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 07 14 - Eedewardje wil de rups in / Sjaantje wil 'ne suiker-tut / Rietje die is daor te gròòt veur / Hij wil naor de Kop van Jut.

 

seuveteg

telwoord

zeventig

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vier en zeuventig

- Dialectenquête 1887 Willems - seuvetig

- Cees Robben - De seuventig al ver vurbij... (19670428)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - telw. 'zeuventig' - zeventig

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEVENTIG, in N. en W. Kempen SEUVENTIG - zeventig

 

sèùze

werkwoord, zwak

suizen; ruisen van bomen

- Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - suize (ui = eu van Frans: Meuse)

- WBD III.4. 3:87 sèùze - ruisen van bladeren

- WBD III.1.1:249 'suizen' = suizen v. d. oren; ook: 'toeten', 'tuiten', 'hommen'

- WBD III.4.4:247 'suizen' = ritselen, suizen

 

schilderij van Alex Wauters - 'Savooien in de sneeuw'- ca. 1930.

 

sevôoj

zelfstandig naamwoord

savooiekool

1. eigenlijk: de koolgroente die vernoemd is naar de landstreek Savoye

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - savo.i, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'savooi' - savoyekool

Et waar rèèst meej wè overgebleevesoepvléés fèèn gesneeje en ene fèèn gesneeje sevooiekôol. Wè ketjap derover en klaor waar de nassi. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

2. figuurlijk: achterste, kont

 

Cees Robben

 

- 't Fordje liep net as 'n perd mee peper in zelfstandig naamwoord sevooi, mar dan nog, veul erger. ‘Uit het land der Brabantsche week’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door ‘W.v.M.’ = Willem van Mook.

- Cees Robben - Hier draaien we ons sevooi teneer... (19670818)
- Cees Robben - Ze drèèft en ze draait mee d’r dikke savooi... (19700116)
- Cees Robben - Dè moette daor zien mee d’r dikke savooi (19831014)
- Cees Robben - En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)
- Cees Robben - Mèn buurvrouw wordt toch zôô maoger war.. D’r sevooi stelt gin reet mir veur... (19850705)

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - meej zen sevôoj in de booter valle (Si'66) - het goed treffen

- Mandos, Brabantse Spreekwoorden, 2003 - zen sevôoj teneer draaje (R'69) - ergens op bezoek blijven

- Wieste, dègge ok op oew/ sevôoj kunt blèève zitte? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAVOOI zelfstandig naamwoord v. - savooikool; fig. lui, nalatig vrouwmensch Haar sevooi - achterwerk

Ed Schilders op CuBra over sevôoj en andere namen voor het achterwerk

 

sewarma

zelfstandig naamwoord

shoarma

- Èn vurdègge in de waoge stapt, goed veul sewarma frèète, dè de woute ginnen drank ruuke as ze oe ònhaawe. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

sjoarma.

 

sewèèle

bijwoord

misschien, soms, somwijlen, ondertussen

►swèls

- Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Nòvvenaant dètter veej was krêege ze der aantal èn nòvvenaant dèsse slaagers hadde krêege ze zogezeej der vlêes èn dè ging sewèèle in kieloos gepaord èn dè ging sewèèle in enen halleven bist gepaord èn et ging ok wèlles in enen hêelen bist gepaord….” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels)

► Klik hier voor audiofragment

- Cees Robben - [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej ’n zwipke en hakdöllekes meej ’n piske en goeiekôôpe stukskes hinkelkrèèt... (19800418)
- Cees Robben - Luste göllie sewèèle ’n tas koffie.. Ik neuk ‘m aanders toch mar in den gôôtsteen.. (19720804)
- Cees Robben - Hedde sewèèle ôôk sokkewèèrk, Jo..? Nèè enkelt voetegetuig, Anna... (19631004)

- Quinten - Zumme saome zeume of wilde gij sewèèle dwêêle ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

J- os Naaijkens - ‘n Bastaardveugeltje maag dan wel goed zinge, mar hij is sewèèle nie om òn te zien. (Jos Naaijkens; ‘Mèn voljèère’; CuBra)

- Ge wordt sewèèle ôok nie zôo muug ieder jaor. (Jos Naaijkens; ‘De kèrsbôom in de dôos’; CuBra, ca 2005)

- Piet van Beers – ‘De stinpöst’: Buurman, gaode gij sewèèle/ deezer daoge nor de stad? (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers – ‘Praaj’: "Ak oe sewèèle nie mir zie,/ ist naa de liste keer." (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Jo van Tilborg - Waor ge toch aon liept te denken sewèèle? (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- …daor wier wè afgevochten sewèèle. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Vunderink - Dè benaawt mèn boovenal èn/ mòkt me angsteg ok sewèèl. (Henriëtte Vunderink, Stèmminge, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

- Tillie - Dialectenquête 1887 Willems - Ons oomaa wies vruuger al te vertèlle dègge sewèèle teege plaante moes praote. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- WNT - SOMWIJLEN - op sommige oogenblikken, bij sommige gelegenheden, soms; ook: in sommige gevallen

- Jan Naaijkens, Dè’s Biks, 1992 - swèèle bw - somwijls, soms, misschien

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'sewijlen' (< somwijlen) - soms, misschien,sómwe.le(n), (zeldzaam): sóme.le(n), bijw.'somwijlen' 1) van tijd: soms; 2) v. modaliteit: soms, misschien.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SOMTEWIJLEN bw - somtijds, somwijlen SOMTIJDS, SOMWIJLEN bw - Frans: parfois

 

sezoen

zelfstandig naamwoord

seizoen

- Kees en Bart, in Tilburgsche Post 1922-193? - dees sezoen; sezoen;

Fr. 'saison', via Ned. 'seizoen'

 

siebòt

zelfstandig naamwoord

- WTT- 2013 - De uitspraak is niet vastgesteld, dus ook niet op welke lettergreep de klemtoon ligt

ineens, plotseling, op staande voet; de handeling die beschreven wordt bevat altijd een element van verrassing of onverwachtheid.

- in Tilburg meestal in de bijwoordelijke uitdrukking 'op ene siebòt'

- elders, en vaker in Vlaanderen als gewoon bijwoord: 'siebots'

- de uitspraak lijkt, gezien de uiteenlopende spelling in geschreven bewijsplaatsen, te hebben gevarieerd: sjiebòt, schibbot, sjibbot

Tilburgse bewijsplaatsen

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "siebot - ze mos er op 'ne siebot uit (onverwacht)" [op staande voet ontslagen]

- A.J.A.C. van Delft - "Die knecht is er op ne schibbot uitgetrokken": Hij heeft onverwacht en zonder voldoende opzegtermijn in acht te nemen zijn ontslag genomen. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Wie er "op 'nen schibbot uittrekt" (een dienstmeid bijv.) neemt onverwacht ontslag. Dus zonder de gebruikelijke opzegtermijn in acht te nemen. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

Naarus - Ik staauwde weg, en op innen siebot kwaamp ik terug en hak me in plattebuiskachel gekocht om te zoene, pekaant vur niks. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Pierre van Beek - "op unne siebot" is: ineens, vlug. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Anoniem, Nieuwe Tilburgse Courant - 19 november 1959, Uit Tilburgs folklore, 'n Kaoi rikkemedaosie - Nillus hee dè gevalleke noot nie verzwege, / Dettie op unne siebot gedaon ha gekrege...
► voor de volledige tekst rikkemendaosie.htm

- Cees Robben - Ik ben bij de fraters weggegaan, en niet zomaar „op unne siebot" zo ze in Tilburg zeggen. (in: Fraters, ca. 1980)

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'siebot' - vlug, snel, ineens; 'sjiebòt' - plotseling, bij verrassing

- Stadsnieuws - Hij wier op ene siebòt dur de mister öt de klas gestuurd èn hij hò niks gedaon (261108)

Andere vermeldingen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Siebot, Bont: sibot, zelfstandig naamwoord mannelijk 'siebot' (vooral in de verb. 'op enen siebot' - opeens, op stel en sprong, zonder overgang of voorbereiding, dus onverwachts

- Cornelissen en Vervliet - SIEBOT, znw., mannelijk - Op ' ne(n) siebot, op eenen oogwenk, oogenblikkelijk, dadelijk (...) 't Was op 'ne' siebot gedaan. Wacht 'en bitje, op 'ne' siebot ben ek bij u. SIEBOTS, bijwoord - Op 'nen siebot, schielijk , plotseling. Hij is siebots gestorven, zonder bichten of berichten. Da' niefs komt zoo siebots en zoo onverwacht. (Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen); Gent 1899).

Etymologie - speculaties

1. Uit Frans 'sitôt' - lijkt niet juist

Pierre van Beek - De dienstmeid was er "op 'nen siebot (ook wel sjiebot) tussen uitgetrokken" betekent, dat zij haar dienst plotseling had verlaten zonder een opzegtermijn in acht te nemen. Men kan in onze streken iets "sibots", dat is plotseling doen. Bij de Vlaamse schrijver Felix Timmermans ontmoetten wij: "Hij kende hem op ne sibot". Ook daar heeft het vreemde woord de waarde van plotseling. Laat ons nu denken, dat we hier te maken hebben met een verbastering van het Franse "sitot", dat "zo gauw" of "zo spoedig" betekent! (Tilburgse Taalplastiek, 146, 13-1-1972; Nieuwsblad van het Zuiden)

2. Uit jiddisch - onjuist

Pierre van Beek - De dienstmeid was er "op een sjibbot tussen uitgetrokken" en daarmee had zij haar mevrouw eensklaps in de steek gelaten, zonder zelfs ook maar een opzegtermijn van hoe kort ook in acht te nemen. (...) De herkomst van dit wat jiddisch aandoend woord kunnen we niet thuisbrengen, ook niet al weten we, dat in onze streken ook gesproken wordt van "iets siebots doen". Ook dit "siebots" heeft daar de waarde van "plotseling". (Tilburgse Taalplastiek, 146, 23-3-1972; Nieuwsblad van het Zuiden)

3. Uit Frans 'aussitôt' en Nederlands 'subiet' - zeer onwaarschijnlijk

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Belangrijke dingen moesten soms 'op 'ne siebot' gebeuren. Ik vermoed dat die uitdrukking een verbastering is van 'aussitôt' en 'subiet', maar zulke dingen zijn moeilijk vast te stellen.

Etymologie

- De meest aannemelijke verklaring is die van het WNT, lemma BOT I.A.2.a, waar de uitdrukking 'Op een bot' besproken wordt. Dit zelfstandig naamwoord 'bot' = 'een onwillekeurige stoot, schok van een voorwerp op iets anders'. 'Op een bot' is 'oneigenlijk gebruik' van dit bot, in 1895 reeds verouderd of slechts gewestelijk gebruikt.

WNT: Op een bot, voorheen alom zeer gebruikelijk (in Noord-Brabant nog in deze eeuw [19de] het zeker wel verwante op een siebot, zie HOEUFFT, Bred T. 541); verg. in dezelfde beteekenis eensklaps, nfri. op een stuit (Nav. 25, 357), Frans tout d' un coup, it. di botto en voorts BOF (III), I, 5) en BOT (X), II, B, 3). Meestal in den zin van: plotseling, op eens, zonder overgang of voorbereiding en dus onverwachts. - Andre (plannen), genoegh had 'er Don Louis in 't hooft, die alle te gelyk, en op een' bot, verstooven. Want een' heftighe koorts … maakt' hem tot een lyk, in den tydt van vyf daagen, HOOFT, N.H. 446 [1642].

 

- WBD I:1412 'siedel'

 

siedèl

zelfstandig naamwoord

serradella, eenjarig cultuurgewas v. d. familie der vlinderbloemigen (Ornithopus sativus), verbouwd voor verbetering van de bodem.

 

siegaar

zelfstandig naamwoord

sigaar

zie 'segaar'

- Interview Jolen - 1978 - “Jè, toen waaren er wèl siegaare (…in den ollòg) mar dè is allemòl aachterdeur, hè…inlandse siegaare ok jè, van inlandse tebak mar dè was niks…” (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► Klik hier om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - “…Pieta zit in Fatima, die heej alletweej der bêene kwèèt… vruuger asse, aatij siegaare rôoken, hè, èn veul vur èèreme meense doen…hil veul!”. (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

 

siegrèt

zelfstandig naamwoord

sigaret

- Interview Jolen - 1978 - “Hil men lèève gerokt…siegaare… Jao, mar toenk nòg zo min was rokte ik nie veul siegaare, het gebeurde òf zôo, mar siegrètte nie, die hèk nôot gerokt!”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► Klik hier om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Audioregistratie 1978 - Èn agge dan en duske siegrètte had èn der zaaten er en stuk òf drie, vier in dan gingde daor nòr toe: “Suske gif mèn en duske siegrètte!”, èn Sus die gaaf en duske siegrètte èn ge stôokt dè in oewe zak èn dan vatte et ouw: “Och kèk Sus, der zitten er mar vier in!”, “Oo” zittie, “Dè heej ons Naontje dan gedaon! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Siendereklaos met een mand sinaasappelen

 

siendereklaos, sindereklaos, siedereklaos, sienterklaos, sinteklaos

zelfstandig naamwoord; de heilige Sint-Nicolaas, zijn feestdag (6 december)

- Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1935 - 'sindereklaos' (passim)

- ...en naa van ’t jaor hong ik er aon mee de Siendreklaos [ik was veroordeeld tot het schrijven van de rijmpjes]. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- en vroeg aon Siendereklaos mijn irste jongensbroek... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Mijn irste broek, 1941)

- KAREL. En, Sjarel, hee Siendereklaos oe goed bedocht? (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (’n kind zegt:) ik weet nauw al wè’k vraog mee sinterklaos. - (De Vader verbetert:) “Met St. Nicolaas. Sinterklaos zit bij V&D” (17-10-1972)

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - (Vader tegen z’n 18-jarige zoon: ) Ge zèt naa oud genog om ’t oe te vertelle… “onze Pa en ons moeder zèn Siedereklaos” (17-10-1972)

 

Sint-Nicolaas na 6 december. Hij eet het voedsel dat de kinderen in hun schoen hebben gelegd voor zijn paard. Prent van de week van Cees Robben; Rooms Leven 4 december 1954.

 

- Cees Robben - Siendereklaos dè is iemand/ die bang is vur niemand.../ Hij stao boven alle partijen.../ Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ Dè paast nie in dee’z dure tijen! (19541127) [Met de tekening en ‘klaozen’ verwijst Robben naar de ongewenste situatie dat er in Tilburg Noord en Zuid een apart sinterklaascomité was met ieder een eigen Sinterklaas.]
- Cees Robben - Komt toevallig Siendereklaos efkes nog mee appels gooien (19571207)
- Cees Robben - Ik hogget as kèènd/ op Siendereklaos nie begrepen... (19601202)
- Cees Robben - Onze pa en ons moeder zèn Siendereklaos... (onbekende datum)

 

 

- Interview met de heer De Kok (1978) – Van Siendreklaos krêegde en timmerduske, dè kòste toen vijftien sènte!

Klik hier om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 12 09 - Sindreklaos ha' me goed bedocht.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 08 - Sindreklaos die zit al lang / Wir hòòg en brèèd in Spanje.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 11 21 - Dank oe wel Sindreklaos
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 11 21 - 'n Kènderòòg dè dankbaor straolt / Dè is vur die vertòòning / Van Sindreklaos en z'n gevolg / Toch de schòònste belòòning.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 12 05 - En Sindreklaos rijdt ied’re naacht / over de hòòge daoke.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 12 02 - Omdemme ammol, gróót en klèn, / Bang zèn vur Sindreklaos.
- Dè waar den irste en ôk den liste keer dè Siendereklaos ons meej un bezuuk heej vereerd. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Nèè dan de Siendereklaostèèd, dè waren spannende daoge. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ons Jaoneke mocht ôok vort aaltij meej om Siendereklaos-kedookes meej te gaon kôope. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Siendereklaostèd, dè ha hil veul meej zingen te maoke. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de Sienterklaos van Tilburg = Frie van Moorsel (blz. 55)

- Ok ginge ze aaltij Sientereklaos inhaole bij de piushaove, en dan bròchte ze'm naor 't gemintehèùs; (Nel Timmermans; Dè heb ik mee Tilburg; CuBra; 200?)

- Elie van Schilt - Wij as kender hadden niks aanders as Sinteklaos, ut kerstmenneke daor hadden we nog nóót van geheurd. (Uit: ‘Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was’; CuBra ca. 2000)

- Elie van Schilt - Hier in Tilburg toen ik kléén was, ree Frie van Moorsel as Sinteklaos dur de straoten, was ut koud, dan wier ur hier en daor bij un café even gestopt. (Uit: ‘Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was’; CuBra ca. 2000)

- Siendereklaostèèd, angsteg, spannend/ vur en kèènd van zeuve jaor. (Henriëtte Vunderink; Siendereklaos; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

- Stadsnieuws - Siendereklaos stapt òn de haove van zenen bôot op zen pèèrd (021207)

- Èn witte hoe wij dè vruuger in et Tilbörgs noemde? Toen noemde wij dè “Siendereklaos”. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- ...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

- WBD (III.3. 2:296) 'Sintere-Klaas', 'Sindere-Klaas'

 

Tilburgsche Courant 8-11-1891

 

siepers

zelfstandig naamwoord, meervoudig

ogen

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - alleej, grôote lut, kèkt öt oe siepers - vooruit, grote trien, kijk uit je ogen

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Siepers öt oew ôoge kèèke – Vochtige ogen hebben (of: zoals een sieperse kat (uit Cyprus)?)

- WBD III.1.1:67 'sieper' = oog

- WBD III.1.1:247 'siep' = slapers (oogvuil); ook: 'soep', 'prut', 'zepel'

- WNT - zie SIJPEN:1) druppelsgewijs of in dunne straaltjes afvloeien, druipen; 2) druppels of dunne straaltjes laten afvloeien. Samenstelling: SIJPOOGEN

- WNT - SIJPELEN Samenst. - Als eerste lid in Sijpeldrop, zie Sijpeloog - sijpeloog (”De Oogdrop is eene gestadige vloeijing van dunne stoffen uit de oogen. … Deze oogdrop (is) dezelfde, die de Boeren in Noordholland en Vriesland, sijpeloog, lippeloog noemen, het volk ook sepeldrop genaamd wordt”, BERKHEY, N.H. 8, 67 [1810]).
► soepers

► soepôoge

 

sigrèt

zelfstandig naamwoord

sigaret

► segrèt

 

sik

zelfstandig naamwoord, verkorting

secretaris

- WBD III.3. 1:324 'sik' = gemeentesecretaris, ook genoemd 'griffier'

 

sikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

tabakspruimpje

- N. Daamen, Handschrift Tilburgs dialect 1916 - "hij naam irst 'n klain sikske (tabakspruimpje)"

- Van Dale - sjiek (gew.) tabakspruim

- WNT - SIK (III) ontl. aan Frans: 'chique' - pruim tabak; pruimtabak (gew. Z-N.)

- WTT-2012: Uit het Frans: Chiquer, pruimen, namelijk tabak pruimen 'in de wang'; vergelijk Engels CHEEK.

 

simme

werkwoord, zwak

huilen, jengelen

- WBD III.1.4:251 'simmen' = huilen;

- WBD III.1.4:253 'simmen' = drenzen;

- WBD III.1.4:267 'simme' = kniezen

simme - simde - gesimd

- WNT - SIMMEN (= sjumpen en simmen) - huilen, schreien, jengelen (smalend)

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SIMMEN, voor grijnzen, of wat men in de praattaai wel 'jengelen' noemt. Het is waarschijnlijk van 'sim', aap ontleend. Ook wel 'simmeren', wat van 'simmer', grijnzer, gemaakt schijnt te zijn.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SIMMEN onov. ww. - huilen, wat minachtend aangeduid.

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sime(n), zw.ww. intr. 'simmen' - (min of meer smalend voor) huilen, wenen, schreien.

 

simmert

zelfstandig naamwoord

- A.J.A.C. van Delft - Een "simmert" is een zeurder. (1929)

 

singel

zelfstandig naamwoord

- WBD zadelriem van een paard

- WBD singel (riem rond de buik van het paard om een deken vast te houden)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord m.: singel 1) buikriem van een paard; 2) kring of ronde die men al wandelend maakt.

 

singele

werkwoord, zwak

- Iemand singelen, waarmee men bedoelde: zijn werk of gangen nauwkeurig nagaan. Verwant hiermee is: iemand op de teugel rijden. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)

 

singoren

fantasiewoord

- Pierre van Beek – Wanneer wij vroeger als kind onze moeder bij het koken vroegen wat er in een of andere pan was, kregen we steeds ten antwoord: "Hussen met singoren", waaruit we altijd zoveel begrepen hebben als dat we er niets mee te maken hadden en ons aan ongepaste nieuwsgierigheid schuldig maakten. We hebben lang gedacht, dat het door onze moeder zelf-uitgevonden woorden waren - die "hussen en singoren" - en er dus van "gezinstaal" sprake was zoals men die wel meer aantreft, totdat we vele jaren later er van geheel andere zijde achterkwamen, dat iets van deze uitdrukking toch ook elders bekend was. Men gaf daar op dezelfde vraag echter alleen ten antwoord: "Hussen". Wie kan ons nu vertellen, waar die "hussen en singoren" vandaan komen? (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950)

- Inez van Eijk - 'Hussen met zing-ore.' Als antwoord op de vraag: 'Wat eten we vandaag?' (Inez van Eijk, Dooddoeners en stoplappen, 1987)

 

sinjeur

zelfstandig naamwoord

sinjeur, uitFrans 'seigneur'

- Hoe komt zunne sinjeur naa nog aon 'n wefke? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

- KAREL. 't Is te hope. 'k Gleuf nie detter veul van die sinjeure nog de kaans krège om er tusschenuit te Hesse. En des mar goed ook. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

 

sinksen

zelfstandig naamwoord

Pinksteren

-WTT 2023 - Eigenlijk geen dialect maar deverouderde gangbare naam voor Pinksteren (cinxen) in Zuidnederland.

- WNT lemma Sinksen - Ontleend aan een der overgangsvormen tusschen volkslatijn cinquagesima en oudfrans cinquiesme.

- WBD III.3. 3:238 Sinksen = Pinksteren

 

sintels

zelfstandig naamwoord, meervoud

sintels

- WBD (III.2.1:255) 256 - sintels = sintels sintels = bluskool, of 'brandende as', ook genoemd "krikken'

 

Ill.: Wiki Commons

 

sintjansblom

zelfstandig naamwoord

- WBD III.4. 3:390 sintjansblom - margriet (Leucanthemum vulgare), ook genoemd margriet

 

Sint-Job

zelfstandig naamwoord

bedevaart naar Sint-Job in de kerk van Enschot (rond 10 mei, zijn feestdag)

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - “Smèèreges in de vruugte daor nòr toe èn dan onderweege wè flauwekul öthaole hier òf daor nòg es zonne, zonne St. Jobstok maoke. Zonne stòk afsnije èn dan rondom zôo afsnije, zôo, hè, dè dieje vèl deraf ging èn dan ene St.Jobstok. En zôo kwaame we dan nòr hèùs meej enen bos scharre kôope daor… (…) “Der stonde aatij van die viskraome meej scharren èn zôo, hè, èn dan, jè, dan waare die scharre, die waaren ammel mar goejekôop want ik gelêûf dègge ze vur fèfteg sènt enen bos had. Nou, èn dan zonnen bos scharre gekòcht èn dan de stok op oewe rug èn dan zôo nòr hèùs toe!”. (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

schar

 

Sint-Michielske

zelfstandig naamwoord, eigennaam, heiligennaam in verkleinde vorm

Sint Michaël - de heilige aartsengel

- WTT2012, ES - het verkleinwoord 'Michielske' is waarschijnlijk in gebruik geraakt om de tweede feestdag van Michaël (op 8 mei) te onderscheiden van zijn heiligendag op 29 september. 8 Mei werd 'Michaëls verschijning' genoemd. Het lijkt erop dat in het Tilburgs die dag gekend was als de dag waarop Michaël in plaats van de draak de winter doodde.

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 8 mei, einde van de vorstperiode

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'Irst nò ut Sint-Michielske komt ut goej wêer'

 

Schilderij: Louis de Moni - 17de eeuw

 

sipsòp

zelfstandig naamwoord

zeepsop

vocaalverkorting uit 'zêep', regressieve assimilatie: z wordt s

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 04 22 - Ik zie nog hoe ons moeder 'smaondags / Stond te zwèète aon de tèèl / Toe de rand toe vol mee sip-sop / Mee de wossem in d'r kèèl.
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 04 07 – ’k Weet nie of 't soep of sipsop is / ’t Smaokt allemol inder.
- Stadsnieuws - Meej et sipsòp van de waas wiere ok nòg de plòts èn de stoep geschuurd. (230909)

- WBD (III.2.1:290) sipsòp = afwaswater, ook genoemd: vuil afwassop, afwaswater, opwaswater, omwaswater, schotelwater

- WBD (III.2.1:330) sòp, sipsòp - zeepsop

 

Chardin - 18de eeuw

 

sirrejeus

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - serieus, gemeend, ernstig

- WBD III.1.4:73 'serieus' = ernstig; 'ernstig' = idem

 

sisteg

telwoord

zestig

- Cees Robben - De sistig is ie gepasseerd... (19600226)

- Cees Robben - ‘k Ha sistig centen daor verdiend... (19550716)
- Cees Robben - ’t Waoter van de Gielsebaon/ Is sistig jaoren oud... (19580830) [Jubileumprent ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de Tilburgsche Waterleiding Maatschappij (Robbens werkgever).]

- Dialectenquête 1887 Willems - sistig

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch,1899 - SESTIG telw. zestig; 'kop sestig '– iem. met een zeer groot hoofd

 

Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplèngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

 

sittiering

zelfstandig naamwoord

cityring, de ringweg rond het oude stadscentrum, bestaande uit Spoorlaan, Heuvelring, Paleisring, Schouwburgring en Noordhoekring.

 

Promotiekaartje van website Tilburg.com.

 

sjaans, sjaanse

zelfstandig naamwoord; zwak werkwoord

sjansen, verkering zoeken, flirten

sjans hebben

sjanse, sjaanse (werkwoord)

 

sjaanternèl

sjanternèl

 

sjachere

werkwoord, zwak

- WBD III.3.1:50 'sjacheren' = verkwanselen

- WBD III.3.2:195 'sjachelen' = knutselen

- WBD III.3.1:77 'sjachelaar' = idem

 

sjacherèèn, sjagrèèn

zelfstandig naamwoord

uit Frans: 'chagrin', verdriet

1. verdrietige ontevredenheid

- Kèk, onze glasbak stao hêel fèèn,/ dè kos niet beeter trèffe,/ der leej tot èn aanders sjaggerèèn/ enen draankwinkel pal nèffe. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Der stòn der te wèèneg)
- Mar ik hèb meej die daoge gin tèèd vur sjagrèèn. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Kèk – zeej aauwe Giel')

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 02 26 - D'n èène heet’r sjaggerèn van / En d'n aandere is blij.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 04 16 - Toch had ze vlak vur ze vertrokke / Hèèl efkes 'n bietje sjagrèn

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 12 12 - Was ik in die aauw kèèt blève zitte, / Dan gong ik dòòd van sjaggerèn.

2. slecht gehumeurd persoon

- de Sjef is êen stuk sjagerèèn/ mar zen vrouw die is tevreeje. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nuuwe vrouwe nuuwe wètte)

- Frans Verbunt - Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel, 1996 dè sjagrèèn laagt nòg nie al zietie ene stront teege de muur opkrèùpe

kZèè gin sjagrèèn ofsikkeneureg,/ èn ok smèèreges nie huumeureg. (Henriëtte Vunderink, Stèmminge, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

- Paul Spapens et al; Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilburgse taol (2004) - chagrijn(ig mens), verdriet, slecht humeur

- WBD III.1.4:102 'chagrijntje' = lastig kind

- WBD III.1.4:212 'chagrijnig' = slechtgehumeurd;

- WBD III.1.4:223 'chagrijn' = knorrepot

- WBD III.1.4:247 'chagrijn' = idem; 249 'chagrijnig' = bedroefd

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. - chagrijn, chagrijnig persoon: 't Is 'n eurst sachreen'

 

sjacherèèneg

bijwoord

chagrijnig

Naar Frans: 'chagrin', verdriet

- Voorbeeld van systeemkaart Wil Sterenborg - Wè kèkte tòch wir sjacherèèneg!

- Ik heb liever de ze zegge dek zot zee, as sjagerêênig... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

Skasjoer voedt de kinderen die in de zak mee moeten naar Spanje; ill. uit Mee in de zak, 1915

 

Sjaksjoer

Luister naar Tony Ansems - Zwarte Pietje gespuld

zelfstandig naamwoord, met lange oe

zwarte piet

Naar Frans: 'chaque jour', Jacques Jour

- Òf dèmme meej de roej zon krèège van Sjaksjoer òf Trappedoelie. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SJAAKSJOER, eigennaam Jacques Jour, een van de knechten v. sinterklaas.

 

sjambonkel

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - uitdr. op de sjambonkel - op de pof

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'sjambonkel' - op afbetaling kopen, poffen

 

sjamfoetere

werkwoord, zwak

ongure man

Van 'sjanfoeter'; regressieve assimilatie van de 'n'

- Pierre van Beek - Ouderen zeggen nog wel ooit: "'t Is een echte sjappietouwer" (of sjanfoeter), waarmee ze een straatslijper bedoelen, waarvan iedereen last heeft; een gemene kerel, 'n doordraaier, 'n lanterfanter, 'n lichtmis, 'n rinkelrooier, 'n sjappie. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- WBD III.1.4:236 'sjamfoeteren' = opspelen

 

sjampètter
zelfstandig naamwoord
uit Frans: 'champêtre', veldwachter; bij Robben als scheldwoord voor een man die naar vrouwen loert
- Cees Robben - Kaole sjampetter.. (19671027)
 

sjandoedel

zelfstandig naamwoord, spotnaam; de betekenis is ongeveer als 'heerschap'

- ...dieën zot, dieën gevaorlijken sjandoedel... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938)
- ...al wè'k schrijf is vur ons eigen Brabantsche volk en daor hee ginneneene vremde sjandoedel z'n snotneus tusschen te steke. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)
 

sjannètje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ‘sjannèt’; mogelijk van de meisjesnaam Jeannette; mogelijk uit het Frans.

- Informant Cees van Raak uit ‘De stad van....Francine Bardoel’ in Univers (2013): Toen ik in de jaren 80 in Tilburg kwam wonen, moest ik al vrij snel met de buurvrouwen ’s ochtends een ‘sjanetje’ drinken. Eén glas goede rode wijn in plaats van koffie, de dames compleet opgedoft en wijn uit een karaf. In mijn herinnering om 10 uur ’s ochtends! Een traditie van mensen die in de Tilburgse wijnhandel werkten. Wat zou ik graag nog één keer een sjanetje drinken met die oude Tilburgse dames, zodat ik het hoe en wat van de traditie kan achterhalen.

- WTT heeft dit woord in deze betekenis niet aangetroffen in Franse argot-woordenboeken.

 

sjans, sjaans, sjaanse

zelfstandig naamwoord

uit het Frans; voornamelijk in de uitdrukking 'avoir de la chance': geluk hebben; en vandaar oorspronkelijk 'sjans hebben' dat wil zeggen het geluk hebben dat iemand, meestal de vrouw, zich mag verheugen in de belangstelling van een ander, meestal de man. In serieuzer beleefde vorm is 'sjans' vervolgens een 'verkering', de opmaat naar 'verloving' (de trouwbelofte).

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'sjaans' - liefdessucces, flirt

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'den dieje heej aatèèj sjaans bè-t vraawvòllek'

- WBD III.2.2:82 'sjans' = verkering

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch,1899 - SJANS zelfstandig naamwoord v. - voorspoed, welvaart, geluk: sjans is niet hetz. als kans, want dit laatste betekent Hazaard, lukslag.

werkwoord

 - WTT - Ed Schilders, augustus 2021 - afgeleid van het Franse 'chance', 'geluk'. Als werkwoord vooral 'amoureus contact zoeken', al dan niet serieus (flirten).

 

sjanskouse

zelfstandig naamwoord, meervoud

doorschijnende dameskousen; kousen waarmee een vrouw meer 'sjans' had, of meer kans daarop

- 't Is dan ook gin wônder dè de dames hier vort hooge Russische lèrzen draogen of lichte sjanskouskes mee zwarte hielen, die nog 'n end boven de schuuntjes utsteken. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)
- Vandaog of mèrge zulde 't nog belève, dè ze [ de moderne boerinnen] mee sjanskouskes aon onder de koei kruipe. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit ‘t klokhuis van Brabant 5, 7 en 14-11-1929)
- Pierre van Beek - dèsse meej sjanskouskes aon onder de koej krèùpe

- Henk van Rijen; Mèn Tilbörgs Wôordeboek, 1988 - 'sjaanskaawse' doorzichtige dameskousen, nylons

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - SJANSKOUSEN mv. -dunne, als verleidelijk beschouwde dameskousen.

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

Zitkussen met opdruk. Markt Tilburg Noord 2021. Foto: CuBra/WTT

 

sjanternèl, sjaanternèl

zelfstandig naamwoord

in de uitdrukking op sjanternèl gaon, zijn

uit Frans: 'chanterelle', lokvogel

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - Zèède wir óp sjanternèl gewist?... op vrijersvoeten...

- Theo de Wijs, schriftelijke mededeling aan Cees Robben - As ge ze hebbe mot, motte rond etens tèd koomen, want ze is zowè altij op “sjaanternel” (1965)

- Cees Robben - [Een man spreekt] Om den aandersten dag gao'k vort vur unne dag of virtien op sjanternel... - Prent van de week 14-11-1986

- Cees Robben - ...op sjanternel... (19560609)
in meer algemene zin: de bloemetjes buiten zetten, een fijn uitstapje of verzetje hebben
- Cees Robben - Dan gao ons Toos op sjanternel (19700116)
- Cees Robben - Vur unne dag of virtien op sjanternel... (19861114)
- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - óp sjanternèl gaon ('67) - weg zijn om gelieven te ontmoeten; overal op goed geluk af boodschappen doen, winkelen, gezellig slenteren. (Fr. chanterelle = lokvogel, meisje dat als lokvogel de straat op gaat.)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 08 27 - Ze ginge saome naor de stad toe / Affijn, zòiets dè kende wel / Twee vrouwe mee gròòte tasse / Lekker op d're sjanternel.

- …die ‘taante’, die ons höshaawe vort regelde waar op chaantrenel. (Lodewijk van den Bredevoort – pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- WBD III.3.1:43: lemma 'Uitgaan' - veel op sjanturnel gaan: Tilburg; ook voor Tilburg: 'uitgaan, aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, zwalken, dweilen' = uitgaan

- WBD III.3.1:44: lemma 'Brassen' - 'veel op sjanturnel gaan', 'aan de zwier gaan' = brassen

- Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - sjanternèl: 'op sjanternèl gaon'

- Grôot diktee van de Tilburgse taol 08 èn sewèèle zèlfs nòg wèl op sjanternèl

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek nr. 35 (17-4-1965): 'Men kan in onze stad nogal eens gemakkelijk te horen krijgen: "O, ze is natuurlijk weer op d're sjanternel!" We hebben deze uitdrukking nooit anders dan met betrekking tot een vrouw horen gebruiken. Erg vleiend is ze niet en de toon, waarop zij wordt uitgesproken getuigt reeds van afkeuring. "Op sjanternel zijn" laat zich moeilijk omschrijven. Het slaat o.i. op een vrouw, die "de stad in gaat" zonder dat daartoe eigenlijk enige noodzaak bestaat doch die dit uitsluitend doet, omdat ze moeilijk kan weerstaan aan een innerlijke drang er eens uit te zijn, eens weg te zijn uit het huishouden. Zij maakt zichzelf dan wel wijs allerlei boodschappen te moeten doen, maar dit is toch niet de eigenlijke drijfveer van haar handelen. Zulke vrouwen zijn erg ingenieus in het vinden van "boodschappen", met als gevolg dat men ze zelden thuis in haar huishouden aantreft. Wie voor de zoveelste maal aan haar gesloten deur klopt, kan dan wel eens geïrriteerd zeggen: "O, ze is natuurlijk weer op d're sjanternel". Wellicht is het zonderlinge woord "sjanternel" een verbastering van Frans. Daar bestaat ook het woord "chanterelle" en dat betekent: lokvogel. In zijn oorsprong zou men hier wellicht moeten denken aan een vrouw, die als lokvogel de straat opgaat. Nu, zodanig ongunstig is ons "sjanternel" beslist niet. Het is dan wel danig afgesleten, maar een minder gunstig smaakje is er toch nog aan vast blijven zitten.'

 

Ed Schilders, WTT 2012

 - De etymologie sjanternel > chanterelle is niet overtuigend tenzij 'chanterelle / lokvogel', zoals hierboven [Mandos], inderdaad in het Frans de figuurlijke betekenis heeft gehad van een vrouw die de straat op gaat om mannen te lokken, afgeleid van jagers die een vogel in een kooi gebruiken om andere vogels te lokken. Die betekenisovergang is echter (in het Frans) tot nu toe niet vastgesteld. In dat geval heeft de uitdrukking in het Tilburgs desniettemin meestal een mildere betekenis. 'Op sjanternel zijn / gaan' is een vrij onschuldige liefhebberij van vrouwen die zichzelf een uitje gunnen, naar de stad, naar bekenden, gewoon omdat dat leuk is. Betreft het een man, dan is de betekenis vooral: cafébezoek. Bewijsplaatsen voor 'vrijersvoeten' (waarbij het 'lokken' een rol speelt) zijn niet bekend. Mogelijk is de oorsprong van de uitdrukking beter in verband te brengen met het gedrag van krolse katten - toch ook een soort van vrijersvoeten. Dat deed in ieder geval - Cees Robben - tweemaal in een Prent van de Week. Op 9 juni 1956 publiceerde hij in Rooms Leven een rijmprent over een actueel voorval: de poes Minet had op een uitstapje vroeg in de ochtend een witte mol gestrikt en gedood. De bijzondere mol werd opgezet. Robben noteert dat Minet 'op sjanternel' was. De tweede poezenprent van Robben is deze:

 

 

- Cees Robben - Prent van de week, 20-01-1967, ook in Prentebuukske 4, prent 21.

 

De tekst luidt: 'Ons poezemien is aaltij op sjanternel... Mar as 't zò ver is... schudt ze hier durren körf om...' De poes is dus veelal uithuizig, op zoek naar een kater, maar de eigenaren van de poes zitten thuis met het nest jonkies. Een tweede verklaring voor 'sjanternel' is eveneens gebaseerd op het Frans. Merkwaardig genoeg werd die verklaring eveneens door Pierre van Beek gegeven, en wel in Tilburgse Taalplastiek nr. 58 (17-6-1968; en later nog eens opgepikt in nr. 181). '"Ze is weer op d're sjanternel geweest" wordt gezegd van een vrouw, die "op stap is geweest". Sommige vrouwen zijn "altijd op sjanternel". De uitdrukking heeft een misprijzende betekenis, die vroeger vermoedelijk sterker geweest is dan te huidigen dage. Ze wordt gebruikt voor een vrouw, die weinig thuis is en het er op aan legt zoveel mogelijk het huishouden in de steek te laten, al of niet gemotiveerd. Het lijkt mogelijk dat we hier te maken hebben met een verbastering van het Franse woord "sentinelle", dat "schildwacht" betekent. We denken dan aan 'n vrouw die in de Franse tijd een "potje" met de "schildwacht" ging vrijen, waarvoor ze dan ook wel motieven zal gezocht hebben. Een verklaring voor de ongunstige betekenis, die we nog voelen, is daarmee dan ook meteen gevonden. We voelen echter toch meer voor een verbastering van een ander Frans woord, nl. "chanternelle", dat "lokvogel" betekent. Een "op sjanternel" zijnde vrouw zou dan een vrouw of meisje zijn, die "als lokvogel" de straat optrekken, wat uiteraard oneerbaar is. Zó ongunstig klinkt de uitdrukking zoals wij ze thans in Tilburg gebruiken echter lang niet meer, maar een denigrerende bijgedachte speelt er op de achtergrond toch nog wel altijd in mee.'
En in nummer 181 (5-10-1973): '...het reeds vroeger behandelde "op sjanternel gaan", in welk zonderling woord wij het Franse "sentinelle" zagen. Een vrouw, die een Franse schildwacht opzocht, stond niet zo hoog in de achting. Daardoor kreeg de verbastering "sjanternel" een ongunstige betekenis, in de zin van op pad zijn met niet al te beste bedoelingen, later afgezwakt tot het zoeken van gelegenheden om het huishouden in de steek te laten en zich met als prettiger ervaren zaken bezig te houden.'

Een dergelijke betekenis heeft 'sentinelle' in het Frans echter nooit gehad; 'sentinelle' is 'een vrouwelijk schildwacht', niet een vrouw die een schildwacht opzoekt.
We vatten voorlopig als volgt samen: 'op sjanternel gaan / zijn' heeft een lange betekenisweg afgelegd. Vanaf het 'lokken' met oneerbaar bevonden motieven, via het uit vrijen gaan of contact zoeken met een man, tot het op stap gaan om zich te amuseren.

 

sjanzjeere

werkwoord, zwak

- Pierre van Beek - op èn neer sjanzjeere - heen en weer lopen = Frans: 'changer'

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - s’anze.rə(n), zw.ww. intr. 'sjanzeren'- changeren, sjouwende veranderen.

 

sjaokes, sjaokies

in uitdrukking van de domme, koest, stil, sjakies

Oewèège sjaokes haawe = Zich van de domme houden

- Opprel - SJAKES bijvoeglijk naamwoord - alleen in de ook van elders bekende uitdr. 'zich sjakəs houwə' - zich van den domme houden.

- WNT - SJAKES (Fransche persoonsnaam Jaques) - alleen in de zegswijze 'zich sjakes houden' - zich koest, gedekt houden.

 

sjaphoed

zelfstandig naamwoord

etymologie onbekend

►zie volgend lemma en lemma 'sjappietouwer'

- WBD III.1.3:173 'sjaphoed' = versleten hoed

 

sjappie

zelfstandig naamwoord

etymologie onbekend, mogelijk een verkorting van