INHOUD - WTT -
HOME

De start van het Woordenboek van de Tilburgse Taal werd in 2013 mede mogelijk gemaakt door

 

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

 

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y


De letter K

is voor het laatst aangepast en aangevuld op 16 september 2023. De redactie is nog niet voltooid.


A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

WTT

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tiburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van kaaj- tot kwossebons

kaaj-

voorvoegsel

kei- , ontzettend

- WTT 2012 - kaaj- is afgeleid van 'kei', en wordt overdrachtelijk gebruikt.

- Voorbeelden van systeemkaart Wil Sterenborg - 'k Z kaajmuug - Ik ben doodmoe; kaajkept - doodop, uitgeput; kaajdod - morsdood; kaajhard - keihard

- Elie van Schilt; - hil dun Heuvel stond dan kaaivol mee kender. (Uit: As ge katteliek geboren wierd'; CuBra ca. 2000)

- Ed Schilders, W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - List vruug er ng iemes n mn, f ik wies w in et Tilburgs De Drie Kaas zn. Ik zg de w? De drie Kaas, zeetie. Ksg ksot nie weete. Ds nie goed, zeetie. D zn mar twee Kaas. De drie Kaas zeetie, d is: Ks Kaaj Kept!

►kaajkept

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - Gebruikt hetzelfde suffix in woorden als: keibloot, keidood, keileeg, keimager, keiarm.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KEIMAGER - zeer mager; KEIDOOD - morsdood

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kaajdd' morsdood

 

kaaj(e)

zelfstandig naamwoord

kei(en)

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Leeg vee, zulde zegge, scht geen kaaijen op stal. Daar geannoteerd als: Kempiesch spreekw. bet. Ledig vee geeft toch mest.
- Daamen - Handschrift 1916; "vilt mar 'ne kaai - haalt er maar iets als er niets is"

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): Ze koomen op de kaaje

- A.J.A.C. van Delft - Als het ware eenigszins ter vertroosting bij een gebeurtenis, een feit, dat niet meer te verhelpen of te veranderen is, klinkt het: "Al gingde op oewe kop staon"; ook wel: "Al trokte de kaaien uit den grond", het helpt toch niet. - Sprekende over iemand, die veel ondervonden heeft, hoort men ter beklemtooning: "De kaaien in de straot hebben zooveul nie gelejen as zij." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Pierre van Beek Wanneer iemand veel in het leven te verduren heeft gehad, beklemtoont men dit graag met: "De kaaien in de straot hebben nie zoveul gelejen as hij." (Tilburgse Taalplastiek 1950; Nieuwe Tilburgsche Courant).

- Pierre van Beek Het volk houdt er van zich krachtig uit te drukken. Wanneer men te maken heeft met een feit, waaraan niets meer te veranderen valt, dan klinkt het () "Al trokte de kaaien uit den grond." (Tilburgse Taalplastiek 1950; Nieuwe Tilburgsche Courant)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 01 26 Ons Sjaan die hee 'n woordeboek / Vur 't puuzele gekocht / Daorin wordt al wsse nie wit / Mee aondaacht opgezocht. / W is 'n aander woord vur stn? / D blkt dan unne kaai / En as 'r laoter "grasveld" stao / Is d gewoon 'n waai.

 - Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Zakkoe es meej oew bakkes oover de kaaje naaje Zal ik jou eens met je smoel over de straatstenen slaan

- Audioregistratie 1978 - Dan hadde vruuger ene grote kaaj meej zere blle van die grotte, war, n daor deej llek die meej di ene snt. Op dieje kaaj! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - de kaaj n de straot hbbe nie zveul geleejen as hij

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: tis m de kaajen ervan in te lope (AM'76) - het is om er verschrikkelijk de pest over in te hebben.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: vilt mar ene kaaj! ('86) - waar geen geld is, kun je het niet halen

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): de kaaj = Van der Steen (blz. 107)

- WBD - III.3.1:403 'keiweg' = straat

- WBD - III.3.1:429 'kaai', 'kade' = kade

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kaaj zelfstandig naamwoord - kei

 

Afbeelding uit het 'Nuuw Tilburgs Leesplngske' dat in 2020 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven in samenwerking met Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

 

kaajbaand

zelfstandig naamwoord

keiband, stoeprand, trottoirband

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (over n hond die weigert op straat te poepen:) ik haaw m aon de leibaand en nog leetie m aaltij op de kaaibaand (09-04-1973)

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Mee zon streup knder moet ik oppaasse d ze nie van de kaaibaand gaon, as ge naa aachter mekaor loopt, koom t wel veur mekaor (27-12-1968)

- Cees Robben - Z soepel as unne kaaibaand..! (19691003)

- Cees Robben - Ik haauw m [de hond] aon de laaibaand.. En nog leettiem op de kaaibaand... (19760430)

- Cees Robben - Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

- Lechim - De ootoos die oe aaventoe/ teege de kaaibaand vge/ krk of ze mne: Hil de straot/ is allen vur ons ge. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Fietse)

- Jo van Tilborg - In die straot voetballen ging nie, de stoep waar te smal en op die kaaien koste alln oewe nek breken, as ge nie tkkt en die kaaibaande zaten ok verekkes in de weeg. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ed Schilders - Mar de schonste hundjesprnt van Keese [Cees Robben] is dees: Meej n bske d zunnen hond tlaot, en n vraauw die daor iets op aon te mrreke heej. Wrop t bske teege die vraauw zeej: Naa hk m n de laaibaand, en naa leetie m tch ng op de kaaibaand. (W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- Stadsnieuws - Knts tch nie zo op de kaajbaand, sebiet hdde ene lkke tuut (270507)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

- WBD - III.3.1:397 'keibaan' = openbare weg, ook 'kasseiweg', 'klinkerd'

 

kaajbaande

werkwoord, zwak

kinderspel: een bal vanaf het ene trottoir op de rand van het tegenover liggende trottoir trachten te werpen zodat de bal terugkaatst.

► kaajbaandbl

 

kaajbaandbl

eigennaam

kinderspel: een bal vanaf het ene trottoir op de rand van het tegenover liggende trottoir trachten te werpen zodat de bal terugkaatst.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 16 - Tilburgs is 'n lvende taol // D'r wordt wel hl dikkels gezee: / "Tilburgs d gao'ter uit" / Mar deez week heurde ik toch wir / n Aauw vertrouwd geluid. // Twee klutjes van n jaor of aacht / Gooide van ied're kaant / 'ne Lre tuut over de straot / En mikte op de raand. // Ik vroeg 'r ne: "zeg me is / Hoe d spulleke hiet" / Hij haolde irst z'ne wekker op / Mar toen zee t sebiet. // En t antwoord d d baoske gaaf / D dee me reuze lol: / "Deez spul d wij aon t speule zn, / Noeme wij Kaaibaandbol."

 

kaajbaanderas

zelfstandig naamwoord

hond van dubieus ras, straathond

 

kaajbuuter

zelfstandig naamwoord

Tilburger, die, in tegenstelling tot de 'Turken', bezuiden de spoorlijn woont

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kaaibuuters - naam die de Noordelijke aan de Zuidelijke Tilburgers gaven"

- WTT 2012 -  In december 1933 en januari 1934 ontspon zich in de Nieuwe Tilburgsche Courant een zeer uitgebreide discussie over de betekenis en herkomst van het scheldwoord dan wel de spotnaam 'kaajbuuter', waarin zeer uiteenlopende theorien de revue passeerden.

Dossier Kaajbuuter

- Lowie van Dorrus Misters: Maar we hebben nog een ander woord waarbij "buter" gebruikt wordt, namelijk "ketelbuter" en daarmede is dan bedoeld de vroeger reizende ketelmaker, meer speciaal de huishoudelijke koperen waschketels, voor korten tijd nog algemeen in het gebruik. En hier beteekent buten slaan, kloppen. Dan zou dus kaaibuter beteekenen keiklopper en slaan op het leggen der keibestrating... ( Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 16 december 1933)

- Lowie van Dorrus Misters: Zaterdag jl. gaf ik twee verklaringen van het scheldwoord "Kaaibuter", waarvan m.i. de laatste als keiklopper, keilegger, de ware moet zijn. En dit te meer, omdat daaruit logisch volgt, dat de naam "kaaibuter" als woord op zich zelf in 't geheel geen scheldnaam is, maar gewoon een beroepsnaam evenals ketelbuter. (Nieuwe Tilburgsche Courant - maandag 18 december 1933)

- Lowie van Dorrus Misters: Eerstens wordt "kaaibuter" en "kaaibutter" door elkaar gebruikt, zoodat de vraag van den heer de Wijs "Is nu kaaibuter oorspronkelijk kaaibotter geweest en hebben de Tilburgers er in het idioom van de plaats kaaibuter van gemaakt?" met ja dient te worden beantwoord. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 13 januari 1934)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kaajbuuter - Tilburger van bezuiden de lijn (90)

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - = stratenmaker. Een 'kaajbuuter' is een inwoner van Tilburg ten zuiden van de spoorlijn. De bijnaam is waarschijnlijk ontstaan doordat in het centrum van de stad de eerste verharde wegen werden aangelegd. Letterlijk betekent de naam "iemand die de straat herstelt of met een scherp voorwerp ongerechtigheden zoals gras tussen de stenen wegkrabt."

- Uri Nooteboom; 'Jeugd in een fabrieksstad' (1950) - KAAIBUTER moet zoveel betekenen als 'stratenlegger'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. - boeten, kastreren. Oudtijds sprak men van 'de stoep buute' - met een mes het gras tussen de voegen uithalen; keibuuters - scheldnaam voor de Tilburgers.

 

kaajeschter

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - gierigaard

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Dieje kaajeschter doe not meer as ene snt int zkske. (040407)

 

kaajhard

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - loeihard, steenhard

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ds zonne kaajharde dttum den duuvel nog nie eens wil

 

kaajkept

bijvoeglijk naamwoord .

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - uitgeput

- Tony Ansems - liedtekst van de muziekcassette A Touch of Dutch - Aan de Platte Kant; ca. 1980 -

Ge meut oe moedertaol nie vergeete

Agge nor Tilburrug wilt gaon

Want as ge daor nie zt geboore

Dan kunde g niks verstaon

 

As gij nie plat kunt praote

Dan val et abseluut nie meej

Dan staode gij vur Laazerus

As ene krkezker zeej:

 

(Refrein)

De drie Ks, De drie Ks

Die maoke me harstikke zt

De drie Ks, De drie Ks:

Ks Kaai - Kept

 

kaajlgger

zelfstandig naamwoord

keienlegger, stratemaker

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Et gao derin as sneevel in ene kaajlgger. (070909)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: et gao derin as sneevel in ene kaajlgger (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - het valt in de smaak

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kaajlgger - stratenmaker

 

kaajmaf

bijvoeglijk naamwoord .

knettergek

 

kaajscheut

zelfstandig naamwoord

gebakken aarden knikker

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kaaischeut - knikker"

- Antje maakte de verschrokken gebaren van een schooljongen, wiens mooi gekleurden kaaischeut in een zinkputje verdween. Uit: Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

- Mee in [een] jaor of vier is t al wir aanders, dan worrut in autoped en norvenaant het seizoen nen vlieger, kaaischeuten, drf of hakdollen. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- M'n moeder vertelde, dat ze hum nog as ennen blaog van 'n jaor of tien, toen ie meej kaaischeuten aon 't speulen was, naor z'n vadder zunnen kop mikte meej nen proem, omdat die meej nen kaai op naor de Heilige Fermelie wou gaon. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- Anoniem 1959

Van unne stinpust op zunne rrum,
as unne proem zo groot,
Zis zo groot as unne kaaischeut,
tot aon z'n schauwers was ie rood.


(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

► voor de volledige tekst Klik hier

- Cees Robben - Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. (19720915)
- Cees Robben - En na vchte ze [de kinderen] om n paor kltege kaaischeute... (19860502)
- Cees Robben - Ruile... Twee kaaischeute tegen unne proem..? (19670129)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 09 25 - Presies ofdt kaaischeute zn / Gooie ze mee meljoene.

- WBD - (III.2:94) kaajscheut, blbaaj, proem, buukenotje = knikker

- WBD - (III.3.2:101) 'spelen met keischeuten' = knikkeren

 

kaajscheute

werkwoord

knikkeren (niet alleen met kaaischeute, ook met mrpels en proeme)

- Audioregistratie 1978 - Wie doet er meej kaajscheute? (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Kaajstoep

zelfstandig naamwoord, toponiem in de wijk Berkdijk

keistoep

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): natuurgebiedje ten zuidwesten van Tilburg.

 

Tilburgsche Courant 13 januari 1871

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 22 januari 1893

 

kaajwg

zelfstandig naamwoord

keiweg; steenweg

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Want nt as hier vruuger de Bredssewg, d was, d was mar ene grote kaajewg want der laage van die grote Blze kaaje laage derin (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

- Audioregistratie 1978 - Nffe de tramlijn was en zwart, zwart pdje daor ze kosse fietse vort. Nffe de kaajwg (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kaajzt

bijvoeglijk naamwoord .

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - bezeten van iets

 

kaanes

zelfstandig naamwoord

hoofd, kop

- Niemand zitter un woord, veuls te druk derre kanis vol te krge. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij heej zene kaanes wir volgevreete - Hij heeft weer onbeschoft veel gegeten (210109)

 

kaankerblom - chrysanthemum segetum

 

kaankerblom

zelfstandig naamwoord

paardebloem, ganzebloem

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kaankerblom - paardenbloem, ganzenbloem"

 

Cees Robben - Prent van de week 16-06-1972

kaans

zelfstandig naamwoord

kans

- Cees Robben: Dan hdde kaans dgge in de prze vliegt

- Cees Robben: d hij gin kaans h; dan moete em ooverdag ok mar de kaans geeve;

- Cees Robben: daor hk meer kaans toe as dk ng pestoor wr;

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ng en kaans hbben as der goej p de lummel ligge (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '69) kaartterm: (lummel = stok): succes is niet helemaal uitgesloten.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ngelukke zn kwaoj kaanse, moete mar dnke (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - gezegd als troost en als aansporing tot berusting in geval van tegenslag

 

kaant, kntje/kantje

zelfstandig naamwoord

1. kant, zijde, grens van een vlak

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): op et kaantje aaf

- Cees Robben - En w vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor. (19540213)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kant' zelfstandig naamwoord - kant; 't deujgt van gin kante - er deugt niets van

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Iets nie oover oewe kaant laote gaon Je laat je ergens niet het slachtoffer van zijn.

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Meej mn kunde alle kaanten t  behalleve de goej Geestig bedoelde reactie als gevraagd wordt waar je naar toe wilt.

- WBD - III.3.1:310 'kant' = bladzijde, een van de kanten van een blad papier

- WBD - III.4.4:184 'waterkant', 'slootkant'; 'stroomkant' = oever

1.1 Met betrekking tot personen

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): D zal ze n dere kaant gekoome hbbe, dnk ik - aan het hart gaan?

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: iemand n zene kaant koome ('85) - te na komen

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): vur zene kaant schudde - de waarheid zeggen, voor de voeten werpen

- Cees Robben - Over dn aongetrouwde kaant (titel van de prent van 19641106)

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Kouwe kaant De aangetrouwde kant van de familie

1.2 Met betrekking tot een plaats of regio

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ... ziede nie veul langs dees kaante - ... ziet men hier niet veel

- Mar d [een pastoorsmeid] is er gelukkig gin van ons kaanten, die komt van wijt weg, uit de stad en daor mokte wel meer zotte dingen mee. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: n geene kaant (van de lijn) (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 64) - benoorden de spoorlijn in Tilburg

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Lewie, ik weet nie of ge d'r ene van deze of van gene kaant zijt.

2. Zijden van een paard

- WBD - van de haandse kaant, van de haand - rechterkant van het paard

- WBD - van de haandse kaant, b de haand - linkerkant van het paard

3. In verband met textiel

- WBD - kaant (III:900) - kant, fijn, licht weefsel van linnen garen..

- WBD - boowvekaant (II:911) - bovenkant

- WBD - rchse kaant (II:911) - rechtse kant = bovenkant van het weefsel

- WBD - linkse kaant (III:911) - linkse kant = onderkant van het weefsel

- WBD - zlfkaant (III:911) - zelfkant; ook: kaant of lst

- WBD - slchte kaant (II:1051) - (te) slappe zelfkant (v. geweven stof); ook tmeutelende lst of tgemeutelde lst genoemd

 

kaast, kasje

zelfstandig naamwoord

kast

- WBD - spinde, eeteskaast, brodkaast, vliegekaast

RBij iemand goed in de kaast ligge - geen kwaad kunnen doen

- Cees Robben - Hij stond er heel goed in de paas.../ Laag veuraon in de kaast.. (19600701)

- Ik ben zoo stijf as 'n kaast! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)

- WBD - kiemkaast - kiemtrog (voor de ontkieming van geweekte gerst)

- Cees Robben - Ze heej n paor flinke kommen op dr kaast staon... (19670616) [figuurlijk voor de borstpartij van een vrouw]

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ds ene vle vnt: hij scht nder de kaast (Daamen - Handschrift 1916)

- Ze begosse me un bietje te waardeere, nie dk naa ineens in de kaast kwaam te ligge. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) [...ineens erg populair was; ook: 'rges hog in de kaast ligge']

- WBD - III.1.1:115 'borstkast' = borst

- WBD - III.1.4:422 'de kast uitvegen' = een aanmerking maken

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ka.st zelfst.nw.vr. 'kaast' kast

 

kaaw

zelfstandig naamwoord

1. koude

- De kraaie zwaaie zwaor en zwart / en kweeke kwaod: "'t Is kaaw! - 't Is kaaw!" (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Sneuw, 1938)

- Mar allee, hoe gaoget bij jou mee de kaaw? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

- Cees Robben - Wie goed is vur de kaauw meneer.../ Is beter nog vur t hitste weer...! (19570706)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - hdde kaaw, kom mar gaaw

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kaauw' - kou, koude

2. vogel, kauw, Corvus monedula

- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (100) 'Z 'n kaaw ok kaaw hebbe?'

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - zon kaawe ok kaaw hbbe?

 

kaaw / kaauw

bijvoeglijk naamwoord / bijwoord

koud, koude

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'Wit te hoeneer ut kaaw is? As de hllege s schte, dan is-t pas kaaw.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - van de kaawe kaant - aangetrouwd.

- Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Tis allenig vort z verkkes kaaw d oew haande der bekaant aafvrieze.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - 'mrt' ist ng te kaaw m te katsele - In maart is het nog te koud om te kaatsen.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ene kaawe kelder is goed vurt bier.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord 'kaauw' - 'kou' - koud.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kaaw bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - koud.

zelfstandig naamwoord - de koude

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ze zoont van kaauw besterven.

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Kaaw/kouw, dr kunde oewge teege kleeje Tegen kou kun je je kleden.

zelfstandig naamwoord - verkoudheid

- WBD - III.1.2:294 'een kou hebben' = een verkoudheid hebben.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - en kaaw/kaawt hs; et hs is kaaw/kawt; tis ng te kaaw/kawt.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaaw (praedicatief: het is koud) (blz. 14), resp. 'kaawt' in T(noordoost)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, 1937 VERGROTING

 

kaawaaj
samentrekking
koud ei
- Cees Robben - Zit toch nie z te tottere meejoewaai... n kaauwaai is gin doen... (19730729)
 

kaawe

werkwoord, zwak

kauwen

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Ik kom daar aon, ik stap van mn fiets, ik zet mn fiets tegen t hus, ik bel, ik wocht veur de deur, de deur gao ope, ik zeg. - J, j, kawde gij aaltij zolang over unnen drol? (24-02-1966)

 

kaawrepelbuurt

zelfstandig naamwoord

- Informant Ad Vinken; buurt waarin de bewoners een dermate hoge huur moeten betalen dat zij - naar het volk meent - geen middelen overhouden voor een normaal bestaan

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): wijk Zorgvlied

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - kaawrpelbuurt - oude bijnaam voor Zorgvlied (240506)

- N et waar wegge op dieje dag allemol en d tweenveftig keer per jaor te vreten krgt. Naa zn alle diten er op gebaseerd, mar ik weet er zo gaa gin dialectisch woord veur, veur d gebaseerd. Vetarm z zon dieet in deze td hiete, geleuf ik, ofwel kaauw rpelbuurtvrete. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

kaaweg

bijvoeglijk naamwoord .

- WBD - III.4.4:36 'kouwig weer' = fris weer, ook 'kouwelijk, zuur, lucht weer'

 

kaawelek

bijvoeglijk naamwoord .

kouwelijk

- WBD - III.4.4:36 'kouwelijk weer'

 

kaawmrt

zelfstandig naamwoord

Kou-markt. Zo genoemd omdat die markt in de winter werd gehouden, in Tilburg op 25 januari.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mergen is 't kaauwmert, ik zel ze [het vee] r henen staauwen.

- A.J.A.C. van Delft - "Mee Baomus" (St. Bavomarkt) betaalt de boer zijn landhuur en "mee Kauwmert" (Koudemarkt) huurt hij zijn personeel.(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 09 26 - Kaauwe-mrt mee klochte boere...

- WBD - (III:950): Niet opgenomen zijn 'blauwe maandag' en 'kaawmert'

 

kaaziemier

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

- Henk van Rijswijk; Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954  - Casimir: zachte fijne wollen lakenstof, vaak met kamgarenketting en strijkgareninslag, in 3 schachts keperbinding of 4 schachts dubbelkeper geweven, lichtgevold en kort geschoren, waarbij de keperbinding nog zichtbaar blijft. Toepassing zomerkleding en shawls. De naam verwijst naar het oorspronkelijke gebruik van wol van de kasjmirgeit uit Tibet.

 

 

Klik hier voor de tekst op CuBra

- J.T. Bonthond; Woordenboek voor de manufacturier (1947) - Casimir. Fijn glad wollen laken, licht gevold en kort geschoren. Keperbinding.

 

kab, kbke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bigge(n), jong varken

- WBD - jong varken, big, ook genoemd 'big', 'bag' of 'kuuske'

- Dialectenqute 1876 - kabben en zeuge - biggen en zeugen

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Naast 'drift' in T, ook 'kuuske' en 'kab/kabbe' rond T, alsmede 'bag' in een gedeelte v. Midden-Brabant. (blz. 154, krt.86)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kap, zelfstandig naamwoord vrouwelijk (weinig gebr.) 'kab' - bag, (het gewone woord in ons dial. big; verkleinde vorm 'kbke(n)'

 

kabaan

zelfstandig naamwoord

uit het Frans: caban

- WNT Schoudermantel tegen den regen, voorzien van een kap; cape.

- WBD - III.1.3:25 'caban' = wijde regenmantel zonder mouwen

- Kees Kommer; Prisma vakwoordenboek Textiel (1992) - Licht getailleerde overjas van duffel of melton die ruim over de heup valt.

 

kabas

zelfstandig naamwoord

uit Frans: cabas

boodschappenmand, armkorf

- WBD - III.3.1:95 'kabas' = winkelkorf

- WBD - III.2.1:135 kabas, korf = marktkorf

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ze liep meej der kabas langs de mrtkraome en laojde vur hil de week bodschappen in (050706)

- WNT Een mandje, korfje; hengelmand; armkorf; marktkorf; In Noord-Nederland althans nu [1916] niet meer gebruikelijk

 

kabient

zelfstandig naamwoord

kabinet

- 2019 uitdrukking: kabient op pote; vrouw met erg lange benen (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.

Voor de volledige lijst Klik hier

 

kaboutersmidje

zelfstandig naamwoord, vogelnaam

specht

- Frank Klaroen (= Willem van Mook), Nieuwe Tilburgsche Courant, Het wonder van pastoor van der Lee, 9 mei 1934: Vinken floten in het verborgene en in een populier kwetterde een ekster. Daar waren nog andere vogelen die zij niet kenden, als een pochende koekoek, die zijn eigen naam riep, en de lijk een kaboutersmidje op een ver boomenaambeeld hamerende specht.

 

kabbe

werkwoord, zwak

- WBD - (Hasselt) jongen, biggen ter wereld brengen, ook 'bagge' genoemd

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Naast 'drift' in T, ook 'kuuske' en 'kab/kabbe' rond T, alsmede 'bag' in een gedeelte v. Midden-Brabant

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kabə(n) zwak werkwoord intransitief  (weinig gebr.) 'kabben', biggen werpen.

 

kachel

zelfstandig naamwoord

kachel

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - 'en ze zaat bij 'n uite kachel'

- WTT 2012: Daamen tekende dit waarschijnlijk op om het bijvoeglijk gebruik van 'uit' te signaleren.

 

kachele

werkwoord, zwak

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): bevallen

- WNT - KACHTELEN, kachelen, onz.zw.ww. (van Kachtel, kachel). 1) Eigenlijk. Van een merrie. Een kachtel (veulen) werpen. 2)Figuurlijk. Van een opper of een schelf, of van eene lading, waar een deel van losgaat of uitvalt. Uitschieten, uitvallen (De Bo).

 

kachelpp

zelfstandig naamwoord

kachelpijp; figuurlijk: hoge hoed

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hogehoed

- WBD - III.1.3:172 'kachelbuis' = hogehoed ook 'hoge dop', 'hondenkooi'

- WBD - III.1.3:176 'kachelbuis' = hogehoed

 

kadeej

zelfstandig naamwoord

iemand van forse gestalte; uit de kluiten gewassen persoon; manwijf

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kadee - 't is ne flinke kadee ('n flink iemand)"

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kadee - rare kerel (zned.) = fr.'cadet' - jongste zoon; Ontleend aan Frans 'cadet'.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - CADEE zelfstandig naamwoord mannelijk - iem. die in 't goede of 't kwade uitmunt; kerel, snaak

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KADEI (kedj) mannelijk feest, smulpartij.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - KADEE - iemand die groot van stuk, flink uit de kluiten gewassen is; 1) bijvoorbeeld een zwaar kind: 't Is enen dikke/zwore Kadei; ook van zaken gezegd: Die lesten biejkrf, da's zeu 'ne kadei! 2) in verzwakte opvatting: kerel, vent, snaak, sinjeur, een hele meneer; 3) drek van een mens: Pas op, door lee 'ne kadei!

- WNT - CADEE, ca(d)dei, ontl. aan Frans 'cadet' en dus eigenlijk hetzelfde woord als 'cadet'.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - CADEE (Wa.) - kad; znw.m.; mv. -s; Jongen, zoon, kind: ne - van 10 jaar; hij heeft al twee -s; Man, in de uitdrukking ''t is ne vieze -, ne flauwe -, enz.; Jongen of man die zich in iets onderscheidt; Dat is ne - geworden! (die is knap of groot geworden). ; Bet. ook 'pret' in de uitdrukking ''t zal gaan - zijn met de kermis'; ook het tegenovergestelde 'herrie' in de uitdrukking ''t was daar - ', ze vochten dat de pluimen eraf vlogen.

- WBD - III.1.1:3 'kadee' = man

- WBD - III.4.4:222 'Kadee' =iets groots in zijn soort, ook 'joekel', 'knoeperd'

 

kaffetuul

zelfstandig naamwoord

kaft, omslag van een boek.

Uit Oudfrans covertoir, later: couverture

waarschijnlijk dus een samenvoeging van kaft met verbastering van couverture.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - doe meepesaant es en kaffetuuleke om d buukske - ... een kaftje;

 

kak

zelfstandig naamwoord

poep, stront

hieronder in figuurlijke vorm

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Ze zal dere kak wl phaawen as ze irst mar is en paor kortooren heej. = haar branie zal wel minderen zodra ze kinderen heeft (Tilburgse Taalplastiek 123)

- WBD - III.1:302 'kak, hoge kak, bluf, lef, geneuk' = bekakte praat

- WBD - III.1.4:169 'kale kak', 'hoge kak' = trots (subst.)

- WBD - III.1.4:171 'kale kak hebben' = zich heel wat inbeelden

- WBD - III.1.4:174 'veel kak' = pralerij

- WBD - III.1.4:394 'kale kak' = kouwe drukte

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kak zelfstandig naamwoord - kak: veul kak hbbe

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kak zelfstandig naamwoord mannelijk - kak; zegsw. "Hij zal z'ne kak wel ophaauwe' - Hij zal zijn grootse plannen wel niet ten uitvoer brengen.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAK zelfstandig naamwoord mannelijk - fig. beslag, beschar, windmakerij: veul kak. Daar is kak aan den knikker; zijne(n) kak ophouden - zich bedenken.

 

kakbngske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kakbankje; meestal in het meervoud gebruikt

- Ed Schilders; 2012 - 'Kak' betekent hier 'armoede', en dus niet het 'kak' van het vorige lemma; en wel de zitplaatsen in de kerk voor de armsten van de parochie.

- WBD - III.3.3:45-46 'kakbankske' (in de kerk); De banken achterin de kerk, die niet werden verpacht, en waar de armen kostenloos konden gaan zitten. De informanten uit Hoogerheide, Breda, Hoeven, Oosterhout, Loon op Zand, Tilburg, 's-Hertogenbosch en Kontich vermelden dat dit gebruik niet meer bestaat.

- Ed Schilders; WTT 2012 - Het WBD geeft voor Tilburg ook: klompenbenkskes, bankskes, gemeentebanken, spierenbankskes, gemeen banken, armenbankskes, armbanken.

 

kakhs

zelfstandig naamwoord

kakhuis, WC

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: as ge p grote-meensekakhze gaot, dan valde dur den bril (uit Daamen - Handschrift 1916: ) - Wie de grote heer wil uithangen of dingen wil doen die alleen volwassenen aankunnen, komt bedrogen uit.

 

 

kakhiele

werkwoord, zwak

op de hiel trappen; figuurlijk: doordrammen, dwarsliggen

alleen in de infinief aangetroffen

Volgens WNT, lemma Kakhielen afgeleid van 'een misstand of een gebrek van sommige viervoetige huisdieren; 1. Bij het rund. Te ver achteruitstaande -  dus door den neervallenden drek bevuild wordende hiel...'

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kakhielen - noemen de kinderen, als ze bij het baantje glijden, elkaar van achteren hard tegen de hielen glijden"

- Pierre van Beek - Ge meugt nie kakhielen! roepen de kinderen tot elkaar bij het glijden, bedoelende, dat men elkaar niet zo vlug achterop mag glijden, dat de voorganger vallen zou. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

- Cees Robben - Moette-me-noggus... k..k kkakhiele...(19560128)

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - n kakhiele zin ze dan, hi. n dan han we klompen aon n dan zin ze: N, ge moet nie kakhiele! N, gao mar vur ons t! Kke f gij et goed knt n ineens hup zgge n dan vielde op oew gat! Ha, ha, ha!

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - pootjelappen

- Slibberen in de wnter/ op en sbaon meej zen alle./ "Kakhiele" roepe n die veur oe/ stiekem laote valle. (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Lig tch nie zo te kakhiele, ge haawt de hille mieterse boel op! - Werk toch eens door, je houdt de hele zaak op! (210410)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kakhiele - (doen) onderuitglijden

slibbere

 

kakke

kakken, defaeceren

werkwoord, zwak

- A.J.A.C. van Delft -  "Dat vrouwtje zou wel op 'n stuivertje kakken" zegt men schertsend, waar een meer beschaafde spreekt van "Hemmetje raak m'n rokje niet". (Nieuwe Tilburgsche Courant - 27 april 1929; Van vroeger dagen 111: Spreektaal)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: oover zen tng kakke ( - N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - ) - overgeven (ook van dronkenschap.

- Lechim - Jullieje Sjarel hee 'nen auto/ Hij kan gewoon niemir te voet
Irst gao'tie d rotding vatte/ assie efkes kakke moet.' (
Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 't Mot ergens
vendaon koome
')

- Piet van Beers; We ginge saome meej den hond/ want die moes fkes kakke. (uit: 'Strm oover Nederlaand...', 27-10-02)

- Piet van Beers; 't Eete is goed n de slaoj isser mals/ n 't vles wort in oolie gebakke./ n... 't vurdl daorvan is... ge rkt nie verstpt./ n... ge kunt lken dag fn gn kakke. (uit: Groeten uit Mallorca; www.CuBra)

- Piet van Beers; Vruuger han de rme meense/ gin van allen n W.C.
Martoen zaate ze te kakke/ op t Hske of de Plee. (Uit: De Poepdos; www.CuBra)

- Elie van Schilt; - As de kraante gelezen waren dan werden die zorgvuldig in vierkantjes gescheurd. In de plee, zaat neffen de deur unne grote spker en daor wieren die blaoikus aangeprikt. We hadden toen nog gin puuzeltjes; duurde ut un bietje lang vur ut kakken hillemal klaor was, dan konde de td vullen mee die stukskes kraant te lezen. Kon alln mar overdag, want licht op de plee, dat kwam pas veul laoter. (uit: 'De plee', www.cubra, ca. 2002)

- WBD - III.4.2:37 kakke - schijten

- WBD - III.1.1. lemma ontlasting hebben ook in Tilburg

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kakə(n) zwak werkwoord intransitief  'kakken'

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAKKEN zie wdbb.; spr. Kakken ga(at) veur bakken, al staat den oven heet

 

Hippolais icterina

 

kakkeluut, kakeluut

zelfstandig naamwoord

spotvogel - Hippolais icterina

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kakkeluutje - klein lief zingvogeltje dat alle vogels nazingt, zoeteliefje"

- Ed Schilders; WTT 2012 - In tegenstelling tot wat Daamen suggereert, lijkt 'zoetelief' niet gebruikt te zijn om de spotvogel aan te duiden, maar is het de volksnaam voor soorten leeuweriken en voor de ortolaan.

Zie dossier leeuwerik van Jos Swanenberg

- A.J.A.C. van Delft -  Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD - III.4.1:70 kakkeluutje - spotvogel.

- Blok & Ter Stege; De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 2000 - Zijn karakteristieke geluid werd omgezet in de namen Kuleku (NB), Kakeluutje (NB), Kakkeluut (Vla), Kakkeduut (Vla)...

 

kakkestoelemaaje

werkwoord

kinderspel; een persoon vervoeren, zittend op de gekruist samengevatte armen van twee personen

 

Foto: Woordenboek van de Vlaamse dialecten III-6 School- en kinderspelen

 

Detail uit een schilderij van Pieter Brueghel de oudere met kinderspelen

 

- WNT - KAKKESTOELEMEIEN - Aan den kinderkakstoel (?) wordt gedacht bij 't bekende spel waarbij twee kinderen, die elkaar de hand of de beide handen geven, een derde kind op het zoo gevormde zeteltje ronddragen; het heet te Oudenaarde kakkestoelke dragen, te Brugge kakstoeltje-wagenare, in Belgisch-Brabant kakkestoelemenneken, in Holland nagenoeg algemeen kakkestoelemeien, en daarnaast te Zwolle kakkemaaiestoelen, in Groningen kakkemanjestoulen, in Oost-Friesland kakkemakkestleken.

- A.J.A.C. van Delft - En dan dat elkaar op de handen en armen dragen, dat "kakkestoelemaaie" genoemd werd. Een speelliedje hierbij luidde: "kakkestoelemeien, we dragen het kindje met beije (beiden)". (Nieuwe Tilburgse Courant - 13 november 1954; Uit de oude doos: Een brokje Folklore)

- WTT 2012 -  Bij dit spel hoort een rijm dat in zeer vele vormen is overgeleverd. Jac. Van Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, deel 1, pag. 420-421 (1913), geeft deze variant:

 

 

En deze foto met de drie fases van het spel:

 

 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAKKEKOELEMEIEN - hetzelfde als elders Deezeken dragen.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kakkestoele - ook 'drille' genoemd

 

kakscholtje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

bewaarschool

- WBD - III.3.1:445 'kakschooltje' = kleuterschool: ook 'papschool'

 

Circa 1860

 

kakstoel, kakkestoel

zelfstandig naamwoord

kinderstoel met ingebouwd potje

- A.J.A.C. van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

- WBD - (III.2.1:87) kakstoel = kamerstoel

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAKSTOEL zelfstandig naamwoord mannelijk - kinderzeteltje met een tafeltje dat tot sluitsel dient, en een latwerk dat het kind belet er uit te vallen. Fig. iemand die flauwen praat verkoopt. Zoo 'ne kakstoel!

- WNT - KAKSTOEL 1) eigenlijk: een stoel om op te kakken; soort van kinderstoel met een gat in, en eene pot onder de zitting, tevens tafelstoel.

 

Schilderij van Jan Miense Molenaer - 17de eeuw (detail)

 

Schilderij van Evert Pieters - 17de eeuw (detail)

 

kalf, kalfke, ►klfke

zelfstandig naamwoord

kalf, kalfje

- A.J.A.C. van Delft - "'n Kalf kan tegen 'n koe niet stooten." Dit is: De mindere moet voor den meerdere bukken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): et kalf wrdt grtter as de koej = de kosten wegen niet op tegen 't resultaat

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kalf zelfstandig naamwoord - kalf

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - as et lukt kalft den s - er moet een wonder gebeuren, wil het lukken

- WBD - nuchter kalf - pasgeboren kalf

- WBD - de kalvertaande ng (in)hbbe - gezegd van een overjarig kalf dat nog niet van tanden gewisseld heeft

- WBD - (ng) en kalf in de bk/ mnd zn - als boven

- WBD - vrskalf, vrskalf, vijrskalf, kuuskalf - vrouwelijk kalf

- WBD - kalfvrs, kalfmaol - jonge koe

- WBD - kalfkoej, kalfvrs - koe die kalven moet

- WBD - loojkalf, lj - mannelijk kalf

- WBD - (van een koe) 'der is en kalf in', 'der zit en kalf p' - ze is drachtig

- WBD - vleinaam van het kalf: 'kalfke', 'klfke'

- WBD - roep-/loknaam van het kalf: kalf, koes, koes koes koes (Tilburgse Taalplastiek 143)

 

kalfkoej

zelfstandig naamwoord

- WBD - koe die kalven moet, ook 'kalfvrs' genoemd

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kaləfku.u zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kalfkoe' - koe die kalven moet

- WNT - KALFKOE - Benaming voor eene koe die met kalf is, die kalven moet.

 

kalfsmesien

zelfstandig naamwoord

- WBD - instrument waarmee men, mechanisch geholpen, kalveren doet geboren worden

 

kalftndjes

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

kalfstandjes

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - melkgebit

 

kalfvrs

zelfstandig naamwoord

- WBD - jonge koe, ook genoemd: 'vrs', 'vaors', 'vijrs' of 'kalfmaol

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KALFVERS zelfstandig naamwoord v.- drachtige veers

- WNT - KALFVAARS - kalfdragende vaars

 

kalido

hoofd

etymologie onbekend

- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940) - ...den aawe Vinken mee z'n zwart petje op z'ne kalido.
- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939) - ...terwijl den Sik z'n bolhuudje netjes recht op z'nen kalido plaantte.

 

kalk

zelfstandig naamwoord

kalk

- WBD - kalk - nathuis, de afd. in de looierij of het bijgebouw waar de zgn. nathuisprocessen plaatsvinden; II 600

- WBD - kalk - vlezerij, de afd. of ruimte waar wordt gevleesd; volgens de respondent van K 183 vond het vlezen plaats in de 'kalkerij'. II 608

- WBD - kalk - kalkerij, de afd. of ruimte waar wordt gekalkt; II 604

- WBD - kalke (ww) - kalken, behandeling van tuig- of overleer (II 603), ook 'zwaovele' genoemd

- WBD - kalk stroje - kalk strooien, kalken van lijmvlees (II 610) 

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: kalk in de ogen hbbe (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - moeten trouwen (Vrouwen menen aan de ogen te kunnen zien dat iemand in verwachting is.)

 

kalkaaj

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kalkei

 

kalleve

werkwoord, zwak

kalven

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Overdrachtelijk zei men tegen een jongen wiens hemd te voorschijn kwam uit zijn kapotte broek: 'ge kalft' (Tilburgse Taalplastiek 143)

- WBD - kalve (II:1006) - afkalven: het afzakken van het kettinggaren; ook wel: afkalve, inkalve of kalvere genoemd

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - as et lukt kalft den os (er moet een wonder gebeuren, wil het lukken)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - As et lukt kalft den s (280506)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kalvə(n) zwak werkwoord intransitief  'kalven', overgeven, braken

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KALVEN - overgeven, braken

zelfstandig naamwoord meervoud van 'kalf', kalveren

- Audio-opname 1978 - ..n schaope nt as in den orlg, wiere zak zgge schaopen ok geslachtn nuchtere kalleve zak zgge, kalleve die zak zgge nt snaachs geboore waare! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren

 

kalvermndje

zelfstandig naamwoord

- WBD - muilkorf voor een kalf

 

kalvertaand

zelfstandig naamwoord, ook meervoud

- WBD - melkgebit van een kalf, ook genoemd: 'mlktaande' of 'taande'

 

kameraod, kammeraod

zelfstandig naamwoord

kameraad

verkleinwoord = kam(m)erdje

meervoud = kam(m)eraoj

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kameraoj

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kamərot, zelfstandig naamwoord mannelijk 'kammerood' - kameraad

 

kamgaore

zelfstandig naamwoord

- WBD - 'kamgaarə' (III:870) - kamgaren

- WBD - 'kamgaorən stuk' (II:870) - kamgaren stuk

- Cees Robben - Mar t is unne echte kamgaore... [jas] (19700306)

- WBD - II.4. p. 870 Stof geweven van uit kamwol gesponnen garen.

kmgaoren stuk, K 183 (= Tilburg).

 

kamieon, kameeon, kammeejon

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.3.1:395 'camion' = vrachtwagen

- Lowie van Dorrus Misters; Dan de camon, wel bekend, ook een platte wagen, waarop ook opzij en achter borden konden worden gezet om het afvallen van de geladen stukgoederen te voorkomen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; Nieuwe Tilburgsche Courant 4-2-1954)

 

kammemaoker

zelfstandig naamwoord

kamslager

- WBD - kammemaoker (II:977) - kammenmaker, kamslager: vervaardiger van weefkammen; ook wel: 'kamslaager' genoemd.

 

kamment

zelfstandig naamwoord

kabinet, bepaald type kast

- Cees Robben - Op de bovenste plaank van t kammenet.. (19741115)

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kabinet op hooge pooten (een zware dikke vrouw met lange beenen)"

- WNT - overdrachtelijk gebruik. Bet. element 'zwaar en dik' zit in 'kabinet', 'lange benen' zit in 'hoge poten'.

 

kammeraoj

zelfstandig naamwoord, meervoud van kammeraod

kameraden

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 06 26 - Z'n kammeraoi laachten 'm uit / Geniep aachter z'ne rug.

 

kamwiel

zelfstandig naamwoord

kamwiel

- WBD - kamwiel (II:1041) - onderdeel van een regulateur; ook genoemd: kamwieleke, wisselwiel, schaokelwiel of ronsel

 

kan

zelfstandig naamwoord

inhoudsmaat voor natte waar, gelijk aan 1,44 liter (in Tilburg in gebruik vr de invoering van het Nederlands Metriek Stelsel, 1820)

- WBD - III. 4.4:298 'kan' = liter, ook 'kop' of 'kopke'

- WBD - III.4.4:299 'kan' = kwart hectoliter, ook 'viertel' of 'deel'

 

kandelr, kandelrke

zelfstandig naamwoord

kandelaar

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - en krske in ene kandelr

- WBD - (III.3.3:67) kandelr = kandelaar

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KANDELR zelfstandig naamwoord mannelijk - kandelaar

- WNT - KANDELAAR, kandeleer, kandeler

 

kandijmik

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.2.3:195 'kandijmik' = suikerbrood

 

kanelwaoter

zelfstandig naamwoord

kaneelwater (drank of medicijn)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: van gist tt kanelwaoter (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 72) van het kastje naar de muur

- WNT - KANEELWATER - Benaming van een, van of met kaneel, door distillatie bereid "water"; als geneesmiddel enz.; waarvan verschillende recepten bekend zijn.

 

kanjert

zelfstandig naamwoord

kanjer, exemplaar groot in zijn soort

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kanjert

- WBD - III.1.1:223 'kanjer' = penis

- WNT - KANJER, kanjert - B) 1) Iemand die voortreffelijk, uitnemend, uitmuntend is in zijn vak, in zijne soort; een baas; een heer, een Piet. 2) Iemand met een groot vermogen; van een aanzienlijken staat. 3) Iemand die door lichaamsgrootte of door lichaamssterkte, of door beide, uitmunt. 4) Overdrachtelijk van toepassing op zaken ...

 

kank

samentrekking van kan en ik: kan ik

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006) - 2020 - Als je bij hem zit en nogal druk bezig bent en veel plaats nodig hebt: - kank hier blve zitte?  Volledige bron: KLIK HIER

 

kannadas, kanniedas

zelfstandig naamwoord

Canada populier, canada; 'kanada' - Populus canadensis, ook wel: Populus monilifera Ait.



- WBD - III.4. 3:132 canadas - witte abeel; ook genoemd witte canada of pppel

- WBD - III.4.3:134 canadas - canadapopulier; ook genoemd kannidas, kanada of populier

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ka'nidas zelfstandig naamwoord mannelijk 'Canidas' - Canadese populier

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kaniedas' zelfstandig naamwoord - Canadese populier

- WNT - CANADA - Eene soort van populier, Populus monilifera of canadensis.

 

Tilburgsche Courant - 23-9-1888

 

kaod, kaot, kaoj, kaoje

1. bijvoeglijk naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 50) kaod - kaojer - kaojst - kwaad, kwade, slecht, slechte'.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaod, zonder w (krt.54)

- A.J.A.C. van Delft - Sterft iemand aan een ziekte met een snel verloop, dan "sterft hij aon een kaoi ziekte".(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), Vergeetmenieke, 1949 - Nou is 't vergeetmenieke/ vergeten en vergaon;/ da hee ons dikke Mieke,/ die kaoje koei gedaon.

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Ik wil bist wete dk n kaoi boor ben mar zij is k nie prut (23-09-1970)

- Cees Robben - En kaoi bier hier meej karneval... (19730316)

- Cees Robben - [vrouw spreekt:] Ik wil bist weten dek n kaoi boor z... Mar gij bent k nie prut... (19761008)

- Cees Robben - ..Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wrk... (19700329)

- Lodewijk van den Bredevoort ( pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 -Hij stampte dan net as un kaoi prd, meej zen voeten op de grond.

- Lodewijk van den Bredevoort ( pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Onze vadder vertrok w laoter, die reej ons mistal halfweg veurbij, op zen kaoj fiets.

- Lodewijk van den Bredevoort ( pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Op zonne zondag asset regende, han wij flink kaoie zin.

- Lodewijk van den Bredevoort ( pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - leider speule over un groep van zon twintig jongens, in de kaoje lftd zas ze hier zegge.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWAAD (uitgespr. als 'kaot' in onverbogen vorm, en 'kaoj' in verb. vorm) bijvoeglijk naamwoord : 'n kaoj mnneke - een slecht persoon, een kinderlokker; heeft dikwijls de bet. van: zwak, ziek: m'ne kaoje knie, rcht in m'n kaoj oo:g.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: z kaod ast aachterste nd van den duuvel ('64)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - wnne kaojen hond

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kaoj pronoosies - slechte bedoelingen

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kaoje Jan = J. de Beer

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kaoj Anna = Anna Houben-Janssens

- WBD - (III.1.2:190) 'in kwaaien doen' = ziekelijk

2. bijwoord

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ze wier kaod

- "Hij is kaod", zee den postbooi. "Veur mijn part", zee den winkelier. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938)

- Karel en Sjarel; dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945 - ...mar ik maok me mar kaot, en t helpt me niks.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 04 17 - k Hsse nog nt z kaod gezien / As de liste drie daogen

- Lodewijk van den Bredevoort ( pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Assie z kaod waar, maokte wij wel d we t de buurt blve.

- Lodewijk van den Bredevoort ( pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Godverdomme, w waar ik kaod

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KWAAD - ku:t, zelfstandig naamwoord. o.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAAD zelfstandig naamwoord. o. en bvw. - kwaad. Gij doet daar kaad mee.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kaod bw, bijvoeglijk naamwoord - kwaad, slecht, boos

- WBD - III.4.4:43 'kwaad weer' = slecht weer

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

3. Zelfstandig naamwoord, onzijdig

het kwaad, ziekte

- Cees Robben - Na is ie t kaoi wir deur... (19870320)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: z gaa as ge kaod geng gedaon hd, lot O.L.H. oe trouwe (Daamen - Handschrift
1916: ) - Na het huwelijk krijgt men minder kans voor 't vrije leven

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - hij ist kaoj deur - hij heeft het ergste gehad

...en liet Adam k enne keer bte. D hasse dus nie moeten doen. Naa waar Adam effe schuldig en han ze saomen kaod gedaon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KWAAD (uitgespr. als 'kaot' in onverbogen vorm, en 'kaoj' in verb. vorm) (...) Zelfst. geb.: 'ne kaoje - een slechterik, geducht tegenstander: dan hebbe ze on men 'ne kaoje.

- WBD - III.3.1:369 'kwade (kaaie)' = galgenaas

- WBD - (III.1.4:116) 'kwatong' = vrouw die graag kwaadspreekt; 227 'kwaad' = boos

4. Zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwelijk

de kwade, de slechte

kwade, slechte persoon, onaangenaam mens

in het meervoud kaoj of kaoje

- Cees Robben - Bij de goeie... Bij de kaoie... (19580426)

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ieder et zne n de kaoj ervan dele.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ge ht kaoj n verrkte kaoj; - die meej krullekes in dere nk, d zn verrkte kaoj ('65)

- Informant Ad Vinken; en kaoj - een ongemakkelijke, eigengereide, onwillige vrouw 

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 10 30 - Ons taante Sien hee ginne man / En daorvan heese spt / Want daordur kan ze durre gal / Nt is aon iemand kwt. // Ze is echt, wgge noemt, n kaoi.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 11 20 - "Twee srten vrouwen zn r mar / Vertelt ie hl op staoi / "De n srt d zn laastige / De ander d zn kaoi."

- In de grond ist ginne koije... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Interview Jolen - 1978 - Ik hb er wlles gewist, ik kwaam er ng wllesjao, Frits was ginne kaoje (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

Kaojen hoek

toponiem

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

 

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - Kwade Hoek - buurtschap in het noordelijk stadsdeel (tussen Groeseind en Rauwbraken)

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Paarde wiere der hier mar hil wneg geslacht. D was Jan van den Berg n die wont injwaor wont die naa zo gaaw ok wir.in de Kaojen Hoek, daor wondenie. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels

Klik hier voor audiofragment

 

kaojeghd/ kaojeghei

zelfstandig naamwoord

kwaadheid, boosheid

- Henritte Vunderink, Kaawe jatte, uit: Tis de moejte wrd; 2011 - Tot dsse ineens van kaojeghd zeej:/ "Ik lig vur piet snt hier, Gddoome!"

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 13 - Mar naauw heb ik van kaojighei / 'n Ds mee snoep gevat.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kottighd' - kwaadheid

 

kaojer

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap van 'kaod'

kwader = slechter

- Cees Robben - t Kos kaoier... (1860829)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kwader, bozer, slechter

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

kaojjonge, kwjonge

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kwajongen, vlegel, ondeugd

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - meervoud 'kaojjong, kwjong;' verkleinwoord 'kaojjunske, kwjungske'

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

kaojke, kaoikes, kaojkes, kaoje,

zelfstandig naamwoord, komt meestal in de verkleinvorm voor; kaantjes, stukjes uitgebraden reuzel

 

Cees Robben - detail uit Prent van de week van 12 februari 1965, waarschijnlijk vastenavond

 

de enkelvoudige vorm 'kaoj' komt ook voor, het meervoud is dan 'kaoje'

de korte vorm 'kjkes' is gangbaar naast 'kaojkes'

- WNT - KAAN, wsch. oorspronkelijk meervoudsvorm. A) Vliezig overblijfsel van een stuk(je) uitgebraden vet.

De n in 'kaantjes' is ontstaan uit het meervoud 'kaaien'.

 

Cees Robben - detail uit Prent van de week van 4 oktober 1985

 

kaoikes

- A.J.A.C. van Delft - "In het veurjaor koopen wu een vrreken, een knap vrreke of een trappistevrreke, en als ie het goed gedaon hee, dan gaot ie mee Korsmis op de leer en komt de buurt stuiten en 's avonds op de kaoikes."(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205)

- Cees Robben - [Hij] hee gin kaoikes in zn kpke. Nee mar herses.. (19540522

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 10 11 - Gin goei boter mir op oew brd / Alln mar kneut, of kaoikes.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 81 09 10 - Kaoikes, zuut en schve ks.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 05 10 - Moederdag /  / Vur 't stoppe van m'n sokke / 't Snije van de peperkoek / Vur 't schelle van de rpels / 't Waasse van m'n onderbroek. / Vur 't braoie van de kaoikes...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 10 09 - Mar rap w waoter bij de soep / En bij de zult w kaoikes, / Die waare wel nie himmol vors / Mar ge zaagt nog gin maoikes

- Ad van den Boom, Uit: B de wvers n tffel, circa 2005 - Soms wier ur brood gegete/ Mee zelfgemokte zult of kaojkes

- Piet van Beers Kaoikes: Kaoikes van ennen aawe zog./ 't Knarste n krkte tusse m n taande... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers Kaoikes: Wild oe ge ene gang bespaore/ nor taandarts of "smoelesmid"?/ Kopt gin kaoikes t de reklaome./ Want... d kost' n nuu gebit. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Van den Bredevoort - Soms waar un vrke pas geslacht, waar der zult en bloedworst en kaoikes zat

kaoje

- Daamen - Handschrift 1916: 'koaie - kaanen'

- Cees Robben - Bruine bne meej w kaoije... (19611221)

- Piet van Beers De stinpst: Vier ons vrse worst n peeje../ doet er mar w jne bij./ 'n Bkske zult 'n half pond kaoje/ n tweej schve balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

kaojkes

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden - kaojkes in de kp hbbe (JM'50) - weinig verstand hebben

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole, dan hbbe we mrege soep n kaojkes, zo (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - gin kaojkes eete vurdt vrken op de leer hangt

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - kaojkes in zene kp hbbe - dom zijn

- Tony Ansems; Kank un aai hebbe op mijnen botterham; van de cd Gatvermiedenhoet, 2010 - Luste kaojkes, of botterhammeworst...

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kaaikes' zelfstandig naamwoord , mv. - kaantjes

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KAAIKES (kaojkes), mv. - kaantjes, stukjes uitgebraden reuzel; van mnl. 'cade' randje.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk (gewoonlijk in het mv.) kooi, kaai, kaan - uitgesmolten stukje vet of spek.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KAAIJEN noemt men hier de vezels van geroost, gebraden of gesmolten vet.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAAI zelfstandig naamwoord v. - hard uitgebakken of afgesmolten stukje verkenslies of rundvet, in de wdbb. 'kaan', mnl. cade, kade.

►Zie Dossier Kaojkes

 

kaok

zelfstandig naamwoord.

kaak

het verkleinwoord is kkske

- 2020 - Als je niet veel honger hebt: - ge moet goed eete, dr gn oew kaoke van tstaon! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: KLIK HIER

- WBD - III.1.1:79 'kaak', 'kaakbeen' = kaakbeenrand

- WBD - III.1.1:80 'kaken' = kaakgestel; ook: 'kakement' of 'bakkes'

- WBD - III.1.1:81 'kaak' = wang

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - 'kaok' komt in T niet voor in de betekenis 'wang'; daarvoor dient 'wang' (blz. 184)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAAK, znw.v. - wang, Frans joue

►Kaokemnt

 

kaokel

zelfstandig naamwoord

kakel, kletskous

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kletskous

 

kaokele

werkwoord, zwak

kaokele - kaokelde - gekaokeld (geen vocaalkrimping)

kakelen (als een kip)

- Cees Robben - [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

- Kaokele as un kiep, de wel d. Mar aaijer legge, ho mar! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- WBD - (Hasselt) geluid voortbrengen (van een kip)

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): zonder ophouden babbelen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hij kaokelt wl, mar leej gin aajer

- WBD - III.2.2:69 'kakelnestje' = jongste kind

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KAKELEN (Kaokele) onov.ww - is behalve voor het geluid van een kip en 'door elkaar praten' het gewone woord voor: hakkelen, stotteren.

- WNT - KAKELEN - B) van menschen: a) luid en druk praten; klappen; ijdelen of laffen praat uitslaan.

 

kaokelgat

scheldwoord

kakelgat

- Cees Robben - Ruurt oe tungske op n aander/ Uitgeslaope kaokelgat (19600116) [door een pastoor gezegd tegen een gezinsverzorgster met moderne opvattingen]

 

kaokelnist

zelfstandig naamwoord

kakelnest

- Pierre van Beek - Het jongste kind zou voor 't eerst naar de leerschool gaan en de vader zei: "Onze kakelnest zal dit jaar ook uitvliegen. We zullen afwachten en hem zo nodig bij 't starten 'n handje helpen." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

 

kaokemnt

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.1.1:80 'kakement' = kaakgestel; ook: 'kaken' of 'bakkes'

 

kaol, klder, klst

bijvoeglijk naamwoord .

kaal, quasi-welgesteld

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hoe klder/ grtter hnd, hoe meer vloje.

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh kaol en kaoi Parijs'

- Cees Robben: zene gladden kaolen bl;

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ene kaole tbbes - een kaal hoofd

- Ts han ze ginne naogel gehad om der kont te krabbe. Kaole kak waar et en daor waar alles meej gezeej. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- WBD - III.4.1:26 'kaal jong' (= kaol jong) - jong en kaal vogeltje

ook 'kale neet' of 'nestjong'

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): Bonnie de kaole = frater Bonifatius.

- WBD - III.3.1:302 'kak, hoge kak, kale kak' = bekakte praat

- WBD - III.1.1:51 'kaal' = kaal (hoofd): kaole kp, kaole knikker 

- WBD - III.1.3:17 'kaal' = versleten; ook: 'afgedragen'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord kaal

D kos nie

Ze rikte saome jaorelang,

d din ze ammol gre,

n zaat er in de pot geng

dan ginge ze nt tre.

 

Naa zon ze nr de Schouwburg gaon

Trees kocht en zwart-grs kleeke

omd die kleure zo op de haor

van durre meens geleeke.

 

Sjaan zcht en aorig truike t

hel sjiek, meej krte mouwe

vuurrood, want Jaonus heure man

is zogezeej enen blauwe.

 

Toen zeej Merie: Ik blf mar ts,

aanders krde schandaole,

kzo gre meedoen, mar ge wit:

"De mnne is ene kaole."

LECHIM

kaoljakker, kljakker

1 zelfstandig naamwoord

onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen

- WNT; kaaljager (kaoljaoger), aanmatigende arme duivel (Molema)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KAALJAKKER (koljakker) mannelijk kale neet, opschepper.

2 fantasienaam voor een vogel die Tilburgs spreekt

 

De vogel en de naam werden bedacht door beeldend kunstenaar Johan Breuker ter illustratie van Veugeltjes (Jos Swiers, de Althaea Pers, Den Haag 2021)waarin een voorstel is opgenomen om een overzicht samen te stellen van zangen en roepen van (bestaande) vogels, beschreven in het Tilburgs dialect.

 

Kaom

toponiem

Chaam

 

kaomer, kaomerke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kamer

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - As plddeke-vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

- WBD - goej kaomer - salon (de mooie doch zelden gebruikte zitkamer in een boerenhuis); ook 'vurkaomer' genoemd

- WBD - opkaomer - opkamer (boven de kelder, via klein trapje toegankelijk)

- WBD - booterkaomer - melkhuis (deel van het boerenhuis waar men de melk verwerkt en bewaart) 

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - kaomerke - wc

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'goejkaomer' zelfstandig naamwoord - pronkkamer

 

kaones

zelfstandig naamwoord

kanes, kanis

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "koanus - hij hee z'nen koanus goed gevuld (maag)"

- WNT - KANIS (II) Een "bargoensche" term, een straatwoord voor hoofd; 'kop', 'test'

- Cees Robben - Vleje-week-vrom waren oew pre buikzuut.. oew appelesiene mrf.. oewe knolraop vs... en oew repel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209)
 

Kaper, schilder onbekend

 

kaoper

zelfstandig naamwoord

kaper

- WBD - III.3:204: 'kaper' = meisjesmuts met afhangende strook; ook; kapmuts

 

kaordebl

zelfstandig naamwoord

kaardebol

- WBD - kaordeblle (II:1057) - kaardebollen

 

kaordemaoker

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - weefkaartmaker

 

kaordewals

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - (textiel)wals waar de kaardebollen op bevestigd worden voor het kaarden van de wolvezels

 

Kaartspelers - Lucas van Leijden

 

kaort, krtje; meervoud: kaorte, kaorde

zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - plur.: kaorde/ kaorte

1. speelkaart

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kaort - kaorde/kaorte

- Pierre van Beek - Men zegt ook "kaarten als klompen" te hebben. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - leege kaorte zn mistal kaoj kaorte - kaarten znder prentjes

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'leege kaorde' speelkaarten zonder plaatjes

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - leege kaorde, kaoj kaorde - slechte speelkaarten

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAART zelfstandig naamwoord v., Frans: carte - wordt in den zin van speelkaart veel zonder meervoudsuitgang gebezigd. Schoon, slechte kaart hebben.

2. andere samenstellingen

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'kaort' - kaart (brief-, speel-)

- WBD - kaort (II:1067) - kaart, patroonkaart met weefpatroon

- WBD - III.3.1:440 'kaart' = ansichtkaart; ook 'prentkaart'

 

 

Schilderij van Jan Miense Molenaer (detail) - 17e eeuw - Kaartspelers bij kaarslicht

 

kaorte

werkwoord, zwak

kaarten, kaartspelen

- Dialectenqute 1887 Willems - kaorte

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - gaode gij vandaog nie kaorte?

- WBD - (III.3.2:164) kaorte, ►kaortspeule, meej de kaort(e) speule = kaarten

 

kaortewals

zelfstandig naamwoord

kaartenwals

- WBD - kaortewals (of: kaordewals) (II:1061) - kaartenwals

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kaordewals' (textiel) - wals waar de kaardebollen op bevestigd worden voor het kaarden van de wolvezels

 

Detail uit een schilderij van Willem Cornelis Duysters

 

kaortspeule

werkwoord, zwak

kaartspelen

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - kaortspeulen is gin schaophuuje...

- 's aovends kaortspeulen... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

- As der kaort gespuld wier, vroege ze wel of ik meedeej. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Interview met de heer De Kok (1978) D was de St. Josefkring, die was daor. D was de St Jozefkring. D was, daor konde, konde kaortspeule n zowiets ammel, h.

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

- WBD - (III.3.2:164) kaortspeule, kaorte, meej de kaort(e) speule = kaarten

 

kaot

zelfstandig naamwoord, onzijdig

kwaad

- Cees Robben - Wie heej nog niemand kaot gedaon... (19570615)

 

kaoter

zelfstandig naamwoord

kater

- Pierre van Beek - "Hij hee unne kaoter gestrikt" wil zeggen dat hij een rijk meisje trouwde. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Cees Robben - Unne kaoter gestrikt op de klinkert (19561215) De betekenis van klinkert is hier niet duidelijk; Robben bedoelt: een goede partij, een rijke echtgenoot voor meisje van eenvoudige komaf.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: derbij zn as ene gelubde kaoter (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - steeds haantje de voorste

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ene kaoter strikke ('87) voordeel behalen (ook bij kaartspel)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: hij had ene kaoter gestrikt p de Klinkert ('58) - een rijk huwelijk gesloten (klinkert = klinkerweg)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de kaoter zen knt gelkt hbbe ('50) nadorst hebben, daags na overmatig alcoholgebruik

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: dnke ene vtte kaoter te strikke, n et waar en maoger poeske (Daamen - Handschrift
1916: )

 

kapbltje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kapbl

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - = kapmis - hakbijl, kapmes

 

kapmis

zelfstandig naamwoord

kapmes, hakbijl

- WBD - III.2.1:249 'kapmes' = hakmesje, ook 'hakmes', 'slichtmes'

kapmis, leepel f schr

naam van een kinderspel (geen nadere gegevens bekend)

- Audioregistratie 1978 - Ik weet nie f gullie d ng wit d wij vruuger op school din kapmis, leepel f schr? Dan ging er zonne jonge, ging krom staon, dan zaat er ene op zene rug n die op zene rug zaat die di dan zo: Kapmis, leepel f schr? n assie d raojde dan, h, dan moes den aandere krom gn staon! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kapoerewiets

bijvoeglijk naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - stuk, kapot, dood

- WTT 2012 - de etymologie is nog niet bekend

- WTT 2019 - een uitbreiding van het jiddische 'kapore' via het bargoense 'kapoeres'. 'Kapore' verwijst naar het ritueel 'kapores sjlogn' (voorafgaand aan Jom Kipoer), waarbij een haan geslacht wordt en aan een arme wordt gegeven. (Bron: Heikens, Henk, e.a.: Hebreeuwsche en Jiddische woorden in het Nederlands, SDU, Den Haag 2002) In het bargoens is dit doden overgenomen als toestand.

Van kapores gaan

- Anoniem - Ons varken is gestorven/ En 't beest heeft zoo geschreid, faldera,/ Al om die narigheid. // Waar ging het van kapores?/ 't Was vetziek, beste man, faldera./ Daar sterven ze alle van. Uit: De Engelbewaarder, jrg. 25, Tilburg 1908, p. 290.

 

 

kappe

werkwoord, zwak

kappen

- WBD - (van een paard) met de voorbenen een trap geven

 

kappelaon

zelfstandig naamwoord

kapelaan

- Cees Robben - Den kapelaon, hij boert mar vort... (19550129)

 

kapplmister

zelfstandig naamwoord

kapelmeester

- Willem van Mook; voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - Jan Melis is kapelmister en zal oew laoten genieten van fijne muziek;

 

kapper, kapperke

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.4.4:297 'kapper', 'kappertje' = twee deciliter

- WBD - III.2.1:181 'kapper' = drinkglas met een voet; borrelglaasjes, kleine bierglazen

- Lowie van Dorrus Misters; Nu zouden wij het hebben over de biertapperij. Ja, en zoals reeds gezegd, werd vroeger het bier in de kelder uit de houten kraan getapt. Er waren echter ook herbergen waar het per literskruik op tafel gebracht werd. Zo herinneren wij ons nog het caf van de Wed. van Broekhoven, juist in de bocht rechts, ongeveer aan de Groenewoudstraat. Men bestelde daar een kruik bier en de kasteleines bracht die met evenveel glaasjes als het gezelschap personen telde. Die glaasjes waren natuurlijk niet groot. Men noemde ze kapperkes. Was de kruik leeg, dan bestelde men een nieuwe. De prijs was n dubbeltje. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 10 Het tappen van het bier; Nieuwe Tilburgsche Courant 29-08-1951)

- WNT -  zelfstandig naamwoord mannelijk; dikwijls in den vorm van het verkl. Alleen in Z.-Ndl.


 

kappesien

zelfstandig naamwoord

1. capucijn (monnik)

lid van de kloosterorde Ordo Fratrum Minorum Capucinorum (franciscanen); afkorting: OFM Cap.

In Tilburg gevestigd in een klooster op Korvel.

 

 

- De Kappesiene krk witte te staon dnk, h? [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- WTT - ook: kappesiener; meervoud: kappesiene, zowel voor de kloosterlingen als de orde.

- WTT - in de volksmond 'blotevoetepaoters' genoemd wegens hun blote voeten in sandalen.

 

 

- hun bruine pij zorgde voor naamsoverdracht op een bepaald soort kever, een soort van erwt, en diverse kruid- en plantnamen - zie verderop.

- de kerk van de kapucijnen op Korvel speelde in het geloofsleven van veel Tilburgers een belangrijke rol door 1) de mogelijkheid om in die kerk te ►pesjonkele; 2) het feit dat kapucijnen als biechtvaders meer begrip hadden voor wereldse zaken dan de gemiddelde parochiegeestelijke; 3) de 'dovenbiechtstoel' waarover zij beschikten om slechthorenden de gelegenheid te geven hun zonden te biechten zonder dat de hele kerk daarvan getuige kon zijn;

 

Cees Robben - Prent van de week - 19661209

 

4) hun voedselverstrekking aan zwervers: ►zie schabberdebonk

 

Cees Robben - detail -Prent van de week 19570921

 

- Cees Robben - Voor pater De Wit, kappesien. Titel van de prent van 19650326 in verband met een inzamelingsactie voor missionaris De Wit ofm. cap.

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - t was n geboren capecien, hij hee de kleere thuis gehad, mar ze paaste nie (17-10-1972) [D.i.: hij heeft zijn roeping gemist]

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de deugd int midde, zi den duuvel, n hij ging tusse twee kappesiene

- Misschien vendt zet wel un goeie daod, dk ene priester, ene paoter terwille ben gewist en wel ene blote voetenpaoter, ene paoter die in Tilburg zenne kost bij mekaare moes schooie. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Die Kappesiene, d waar iets hel aparts. In hullie krek koste pesjonkele, n onze paa ging daor biechte, want daor kreede nie zo gaaw et schfke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

2. soort meikever

 

kappesien - Melolontha hippocastani

 

- WBD - III 4,2:164 lemma Kleine bruine meikever - Voor kleinere, glimmend bruine meikevers zijn er ook specifieke benamingen in gebruik. kapucien Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek; bakker Tilburg

- Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996) Mlders/ Ge he't z'in soorten:/ 'nen bkker of kappesien,/ 'n mnneke of 'n wfke,/ d kunde hil goed zien.

 

Meer over meikevers in het - WTT - ...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

3. peulvrucht

Pisum sativum subspecies sativum - grauwe erwt; kapucijner; velderwt; voererwt

'sativum' betekent dat het gekweekte soorten betreft

ook: kapucijner, schokker, 'brne bon', 'kapesientje'

De volksnamen hebben betrekking op diverse soorten; telers onderscheiden strikt: ronde groene erwten, gele erwten, schokkers, kapucijners, rozijn- of grauwe erwten.

- Cees Robben - Bruine bne meej w kaoije... / Kapecyners... maoger spek (19611221)

- WBD - III.2.3:82 'kapucijntje' = kapucijner; ook 'schokker', 'grauwe erwt'

4. bloem

Tropaeolum majus - Oostindische kers

 

 

 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - CAPUCIEN zelfstandig naamwoord mannelijk - KAPUSIEN - kapucijn; ook bep. hofbloem 

- Joseph Samyn, Kruidwoordenboek (1888): TROPAEOLUM MAJUS L. Capucijn; Kapucijntjes, Paterskap; Stanse, Stonse; Tabakpijpen. Capucine.

- Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten; H. Heukels, 1907 - Het betreft de oostindische kers. Heukels geeft geen benamingen uit Brabant, maar voor Vlaanderen: Capeciene(n), Capecintjes, Capuciene, Capuciene(n)mutsen, Capucintjes, Capucijn, Kappers, Kapuciene(n), Kapucijntjes.

- Har Brok, Van vergeet-me-nietje tot gebroken hartje, 1993: ...volksnamen die allemaal op de vorm van de bloemen slaan:
capucijnenmuts, capucijntje (...) paterklimop, paterskapje, paterskopje...

- Har Brok, Stinkend-juffertje en duivelskruid - Volksnamen van planten (2006): Vooral in het zuiden deed de vorm van de bloem met slip denken aan de muts of capuchon (kap of tip) aan de pij van de paters kapucijnen. Zo komt men dan tot capucijnenmuts en capucijn(tje) en wat algemener tot paterklimop, paterskapje, pastoorkapje, muntenkapje ('monnikenkapje') en zelfs kwezeltip.


Emanuel Phillips Fox, Nasturtiums (1912)

 

kappesientje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kappesien 2 hierboven, de meikever

- WBD - III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn:
- mulder Tilburg
- mulderke Tilburg
- molenaar Tilburg
- bakker frequent in Tilburg
- bakkerke Tilburg
- kapucientje Tilburg, Goirle
- manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

- Pierre van Beek; Tilburgse Taalplastiek 26, 23-1-1965 Onder die "mlders" (meikevers) kwamen ook "molenaars" voor. Dat waren in de jongenswereld meikevers met een witachtige kleur over de dekvleugels (alsof ze met meel bestoven waren). Daarnaast bestonden er "kappecientjes" (capucijnen). Deze waren diep, mooi bruin van kleur en zagen er met hun "baard" en glad kopje... - en met een beetje fantasie! - ook inderdaad als een capucijn uit.

 

Meer over meikevers in het - WTT - ...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

kappetaol

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord .

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kapitaal

 

kapsie, kapsies

zelfstandig naamwoord, meestal meervoudig 'kapsies' in een uitdrukking met een infinitief zoals 'maken, hebben, zoeken'; eigenlijk algemeen Nederlands

- uit 'captie' van Latijn 'captio' (zie - WNT - hieronder)

- Van Dale - in de uitdrukking 'kapsie(s) maken of hebben' - bezwaren maken, zich met iets niet eens verklaren, ofwel: tegenstribbelen, onwillig zijn

- P.H. Schrder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager - kapsies - Het Latijnse werkwoord capere betekent: pakken, grijpen en het daarvan afgeleide captio is dus: de greep, de strik, de streek, het bedrog, de drogreden. Het Franse woord captieux beduidt dan ook: bedriegelijk. Wie kapsies maakt, zoekt dus drogredenen, uitvluchten; hij stribbelt tegen, oppert allerlei bezwaren.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: aaltij n ooveral kapsies zuuke (Daamen - Handschrift 1916: ) - overal aanleiding tot ruzie zoeken.

- WNT - KAPSIE, CAPTIE - zelfstandig naamwoord (v.) Modern lemma: captie - zelfstandig naamwoord vrouwelijk Ontleend aan lat. captio, drogreden. Alleen in de uitdrukking captie(s) maken, bezwaar maken, tegenstribbelen, chicaneeren, kunsten hebben enz. - Als hij vertrekt (uit een hotel), maakt hij eeuwig kaptie op de rekening, LOOSJES, Bronkh. 6, 295 [1807]. - Al maakt hy nu nog zooveel capties, hij zal wel moeten eindigen met toe te geven. Neen jongen, je krijgt het niet, en als je nu nog meer captie maakt, moet je maar naar bed.

- WTT -  2012 - vergelijk kapsoones - WNT - lemma kapsoones: (v. kapsie): drukte

- F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden - 1087. Captie maken,
d.w.z. zich verzetten, bezwaar maken, tegenstribbelen, uitvluchten zoeken. Het volk zegt veelal kapsies maken. Eigenlijk verstaat men onder captie eene verstrikking, tegenstribbeling, chicane (lat. captio, drogreden; vgl. Frans captieux). Eerst in de 19de eeuw aangetroffen.
 

kapstk

zelfstandig naamwoord

kapstok

- WBD - mager paard, ook 'vrak' genoemd

 

karakoko

zelfstandig naamwoord

karaoke

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Daor waar 'n optreje van John Ray, de beroemde karakokozangert.

- F. van der Meer; Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Zo is er venaovend bevobbeld karakoko bij kaffee et Bomstrunkske.

 

karakl

zelfstandig naamwoord

eetbare slak

uit Frans: caracole, en mogelijk daar uit het Spaans caracol

de benaming is volgens - WBD - (zie onder) in Tilburg minder gebruikt dan 'huisjesslak' / 'hskesslak'/

- WBD - III.4.2:206 'karakol' - huisjesslak (Helicidae), ook genoemd 'slak'

- WBD - III 4.2:206 Huisjesslak - Algemene benaming voor de slakkensoorten (Helicidae) die kalkachtige spiraalvormige huisjes op hun rug meedragen, waarin ze zich kunnen terugtrekken. De meest bekende is de gewone huisjesslak (Cepaea nemoralis), waarvan het huisje 25 mm breed wordt en geel-bruin gestreept is; hij leeft in bossen, tuinen en bij huizen. De grootste is de wijngaardslak (Helix pomatia), die gegeten wordt, donkerbruin is en tot 4 cm groot kan worden.
 

karbenaade

zelfstandig naamwoord

karbonade

- WBD - III.2.3:62 'kabernade' = karbonade

► zie krmenaaj

 

karbied, kerbied

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - carbid

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - den dieje moes karbied lusse, dan ks ie omhog

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kerbiet'

 

karneuk

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.4.4:300 'karneuk' - 250 liter, ook 'vaatje' of 'okshoofd'

Wikipedia: Een okshoofd (ouderwets oxhoofd) is een inhoudsmaat in de vorm van een groot vat, dat vroeger voor wijn gebruikt werd. De maat wordt echter ook gebruikt voor azijn, bier, tabak en suiker. Een okshoofd bevatte zes ankers. De naam Okshoofd wordt nog steeds voor bedrijven geassocieerd met drank, of drankenhandel, gebruikt.

 

karneval

zelfstandig naamwoord

carnaval

- WBD - III.3.2:277 - karneval = vastenavond

 

kasje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm van kaast

kastje

- Cees Robben: sms dan daanst ie van et kasje;

- WBD - III.1.3:262 - 'kastje- = medaillon; ook: 'hartje'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kasje verkleinde vorm van 'kaast' (met vocaalkrimping)

 

kasjenee

zelfstandig naamwoord

doek van dunne stof, als sjaal om de hals geknoopt = Franse 'cache-nez'

- WBD - III.1.3:146 'cache-nez' = das, sjaal

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): ns aaw ptjes meej nze kasjenee

- Op d'aandere daogen kon ik m'n kasjeneej wel om m'ne nek en m'n haanden in m'n broekzakken velen en ik was jandories blij as ik bij de stee van Sjef Koolen kwaam ... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

- Pierre van Beek; Een "kazjeneej" is een halsdoek; (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Jan Naaijkens; D's Biks (1992) - 'kazineej' zelfstandig naamwoord - soort halsdoek

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoordn. 'kazin' - cache-nez, halsdoek

 

kasjeweel

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - opzienbarend, casueel

- WNT - CASUEEL - A) toevallig, eigenaardig, merkwaardig (bijvoeglijk naamwoord )

 

kasjewle, kassiewle

bijvoeglijk naamwoord .

uit Hebreeuws 'breng ons terug'; Bargoens 'asjeweine'= weg, dood, kapot. Nederlandse varianten: gasjewijne, kasjewijne, kassiewijle, kassiewijne, sjewijne (zie Van Dale)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - dood, stuk, niet meer aanwezig

 

kasjezis, kassiezis

zelfstandig naamwoord, bijwoord = kassie-zes (Bargoens), naar het dobbelspel 'kassie-zes', wellicht onder invloed van kassie-wijle en de zes zijden van een doodskist

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - dood

 

Cees Robben

 

kaskenaade, kaskenaoj, kskenaoj

zelfstandig naamwoord

blufferige drukte, opschepperij; noten op z'n zang, pretenties, praatjes

- WTT 2012 - Van Frans: 'gasconnade', grootspraak, opsnijderij, snoeverij (als van Gasconjers, bewoners van de Gascogne). De toeschrijving is waarschijnlijk zeer willekeurig. Pierre Germa schrijft in 'Du nom propre au nom commun, dictionnaire' over 'gasconnade': Synonyme de fanfaronnade, de vantardise, de hblerie, comme en seraient coutumiers les Gascons, selon une croyance rpandue dont
on peut discuter le bien-fond.' De toeschrijving is mogelijk het gevolg van het feit dat de Gasconjers tijdens de Franse Revolutie het hoogste aantal soldaten geleverd hebben. Rey (Dictionnaire historique de la langue franaise), dateert de toeschrijving in de 17de eeuw: 'Le mot s'est employ au figur de faon pjorative (1622) pour parler d'une personne qui a les traits que l'on attribuait (...) aux Gascons, supposs vantards et malins.'

- Schuermans (Algemeen Vlaams Idioticon; 1865-1870): KASKENADEN, mv., verwaande manieren, gekke streken. Een kaskenademaker, iemand die verwaande manieren heeft, die gekke streken uitzet (Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - Limb.). Van 't Frans gasconnade, snorkerij, zwelserij (in Brabant snakerij).

- Informant Toine Raaijmakers; Ge moet nie zveul kaskenaoj hbbe, gij.

- N. Daamen; Handschrift 1916: "kaskenoade - ze hee w kaskenoade (opsnijderij)"

- Kees en Bart; Tilburgsche Post, 1922-193? - 'kaskenaode'

- "Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon." (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.]
- Cees Robben - W heej ze toch veul kaskenaade... (19561215)
- Cees Robben - Gij meej oe kaskenaade.. (19661021)

- Pierre van Beek; "kaskenaode" is opschepperij. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 09 23 - Ons taante Trui d is n aauw / Mee hl veul kaskenaoi

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier,  57 11 22 - Ons moeder ha gin kaskenaoi...

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'kskenaode' - verbeelding

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kskenaoj zelfstandig naamwoord - opschepperij

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KASKENADE (kskenaot) v. gasconade, opschepperij.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kaskəno.də zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kaskenade' resp. 'kasgenaai' d.i. gasconnade, opschepperij, pralerij, aanstellerige drukte.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KASGENADEN, KASKENADEN zelfstandig naamwoord v.mrv.  - drukte, lawaai, beslag; van Frans: gasconnade

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kasgenaade, kaskenades (mv.) - koude drukte, zwetserij

- WBD - III.1.4:171 'gasconnade-tjes veil hebben' = zich heel wat inbeelden

- WBD - III.1.4:174 'gasconnade' = pralerij

- WBD - III.1.4:389 'gasconnade maken' = koude drukte maken

 

kasse

werkwoord, zwak

het spel 'klap-kas-afzak' bedrijven, c.q. iemand de in dat spel voorkomende trap geven

- Cees Robben - Oversprong.. hiet d vandaog... (...) t aauw drie appelepap (...) mar z as wij kossen kassen... (19570427)
► drie appelepap
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - met hak aansporen

 

Stilleven - Flegel - 19de eeuw

 

kastannie

zelfstandig naamwoord

kastanje

- Daor hedde nog hille woude van tamme kastannieboomen, haozelnote en zukke getuig. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - der laage ne maacht kastannies

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kestannie'

- WBD - kastannie - paardekastanje, kastanje (Aesculus hippocastanum)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kestannie' zelfstandig naamwoord - kastanje

► zie kerstannie

 

kastel

zelfstandig naamwoord

kasteel

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kastel kastiltje

 

kaster

zelfstandig naamwoord

- WBD - II.4. J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij "kastor": Langharig weefsel uit Spaansche wol. Imitatie pelswerk. Geweven in kruiskeperbinding. - Van Dale zegt bij kastoor": Beverhaar en het daarvan gemaakte vilt".

- WNT - lemma Kastoren 1921 - bijvoeglijk naamwoord Van Kastoor, in de bet. 2). Van kastoor; uit bevervilt gemaakt. Fijnkastoren, witkastoren, van fijn, van wit kastoor.

- WNT - lemma Kastoor 1921 - zelfstandig naamwoord mannelijk en (als stofnaam) onzijdig; Ontleend aan fra. castor, bever; beverhaar.

1. Als diernaam (manl.), slechts een enkele maal. Bever. Kastoors haar (of als koppel. kastoorshaar): beverhaar. Castoers hayr om hoeyen te maken, Placc. v. Brab. 1, 414 a [1597].

2. Stofnaam, onz.; voorheen manl. Beverhaar en het daarvan gemaakte bevervilt waarvan men hoeden maakt. Half (voorheen halve) kastoor: met haren of wol van andere dieren gemengd. (Vergelijk halve kastoor, straks onder 3) en geheele , halve enz. kastoorhoed op dit laatste woord).

3. Voorwerpsnaam, mannelijk. Een van bevervilt of van wat daarvoor door moet gaan gemaakte hoed.

 

kat

zelfstandig naamwoord

kat, poes

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - de kat moet van de stoel - wordt gezegd als er iemand voor de eerste keer met een loonzakje thuiskomt (ook worden dan bijvoorbeeld de pantoffels klaargezet)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: As nze kat en koei was, dan knde gij ze mlke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - reactie op herhaalde bezwaren (..ja, maar als . ..)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: agge de kat nr ngelaand stuurt, dan maawt ze as ze terugkmt (Daamen - Handschrift 1916: ) Als je een domoor wegstuurt, komt er een sufferd terug.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de kat slpt meej den bukkem (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '64) gezegd van een verliefd paartje

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de kat was vannaacht weer p den Finkelenbrg (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - de kat is de hele nacht op sjouw geweest.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: en kat gao not mee en leege maog van hs (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - men moet eten voordat men van huis gaat.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: een katje krabt em nie (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - die is niet bang uitgevallen

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: z flauw zn dgge wl katte kunt spouwe (Daamen - Handschrift 1916: ) - erg misselijk zijn.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - et is gin kln kat d en pond scht

 

ransuil - rechts: kerkuil

 

 

velduil

 

katl

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'katl' - ransuil (Asio otus)

- WBD - III.4.1:192 'katuil' - kerkuil (Tyto alba), ook 'kransuil' genoemd

- WBD - III.4.1:190 'katuil' - ransuil (Asio otus)

- WNT - KATUIL - benaming voor sommige uilen: 1) alg. voor de uilen zonder oorpluimpjes; 2) volksnaam voor den Velduil, Asio accipitrinus; 3) groote katuil: volksnaam voor den ransuil (Asio otus)

 

kats

bijwoord

vreemd

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - 'k weet nie w gij ervan denkt mar ik vn t mar n kats gezicht (23-10-1963)

- Cees Robben - Ik vn t mar n kats gezicht (19640207)

 

katseblle

werkwoord, zwak

met kaatsballen spelen

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kaatsen, 'katsele'

 

katsele

werkwoord, zwak

kaatsspel (kinderspel)

- Cees Robben - Hij haauwt lang weg mee zunne gaoren-bol... Dan kumme niet gaon katsele.. (19671215)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - 'mrt' ist ng te kaaw m te katsele - in maart is 't nog te koud om te kaatsen

- WBD - (III.3.2:125) katsele, blle = ballen, met de bal spelen

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

katsembl, ktsembl, katsebl, katseblleke

zelfstandig naamwoord

kaatsbal

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - Is ie w aauwer geworre dan denkt ie vort hil den dag aon spulgoed, aon in spoortuutje, in kesjoe katsebulleke en zooal.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ktsembl

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ktsembl

- WBD - III.2:122 - ktsembl, ook: kesjoe bl

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'ketsenbol' - kaatsbal

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KETSEBOL zelfstandig naamwoord mannelijk - kaatsbal; KETSE(N)BAL zelfstandig naamwoord mannelijk; ook: KETSENBAL

 

kattebak

zelfstandig naamwoord, spotwoord

catechismus

- WTT - gebezigd in parochie Hasselt, circa 1960

► kattechismes, kattekiesemus

 

kattekaod

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kattekaot' - kattekwaad, kwajongensstreken

 

De 'kleine'(links) en de 'grote' catechismus,zoals in gebruik circa 1960. Collectie Ed Schilders

 

kattechismes - kattegissumes - kattekiesemus

zelfstandig naamwoord

catechismus

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)...onze vadder zaoliger vertelde aaltij al dt ie vruuger bij de kwezel op de kattekiesemus was...

- WTT -  2013 - circa 1960 lijkt de uitspraak te zijn geweest 'kattegissemus' of 'kattegismus' ►kattebak

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 10 21 - De nuuwe Kattegissemus / Is deez maond uitgegeven

- Audioregistratie 1978 - Ene keer f vier pr week, hi, moese wij smrreges nr de kattechismes toe. Daor in die irste klas, daor bij die mskesschool (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Audioregistratie 1978 - Agge hil et jaor oewe kattechismes geknd had, dan krede, wrd d op de prikstoel gezeej. Dan krede en prntje! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kattekp

zelfstandig naamwoord

inhoudsmaat (bier)

- Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant 23-6-1951 - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde.

 

katteliek

bijvoeglijk naamwoord

katholiek

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ze zn goed katteliek - ze zijn heel vroom; figuurlijk: ze hebben veel geld

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - J, daor bn ik toen ok onder gewist, d was de kattelieke bond in de Tuinstraot toen dieje td

Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

kattemmme

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

tepeltjes van de kat

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - zo taaj as kattemmme

 

kattepies

zelfstandig naamwoord

letterlijk: kattepis

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): zegsw. 'Ds gin kattepies!' - dat is geen kleinigheid, dat is niet niks.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KATTEPIS zelfstandig naamwoord mannelijk - soort van muscadelledruif, Frans: raisin rauscat (ook in Brabant)

 

Tilburg 2019 - Hasseltse kapel. Foto: CuBra.

 

kattespouw, kattespaaw, kattespauw

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): soort snoepgoed, ook genoemd 'bakkesvol' (druivensuiker met noten)

- Cees Robben - t Snoeppepier en bakkesvol/ En t llienutje leej/ Versmolten meej de kattespouw... (19580329)
►bakkesvol
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kattespaaw'

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'kattespouw' - braaksel van een kat, ragot; snoep: druivesuiker met pinda

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Kunde nog ergeraans kattespouw-brokke kpe? (23-10-1963)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 08 17 - En ak' oover andievie praot, / Zee'se: "Ds kattespauw."

- Want as knder reekendeme toen nie in munte, mar in snoep: zoveul sjp f zoveul brkke kattespaaw konder vur kope. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001)

- Mar wddik t lkkerste van alleml von, d waar kattespaaw. Witte w dt is? Ds nt as joodevt mar dan irst gesmolte n dan deeje zr pindanutjes durheene. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KATTESPOUWSEL zelfstandig naamwoordo.-eten of drinken waar men tegezin voor gevoelt, dat te flauw of niet genoeg gekruid is.

 

kattespaawbrkke

zelfstandig naamwoord meervoud

snoepgoed; brokken druivesuiker ofwel jodevet met nootjes

- Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kpe..? (19640424)

 

Vergroting

Ill.: Thom - kattestrt - kattenstaart - schaafstro - lythrum salicaria

Ill.: Thom - kattestrt - lampepoetser - grote lisdodde - typha latifolia

 

kattestrt

- WBD - III.4.3:417 kattestrt - schaafstro (Equisetum hyemale)

kattestrt - kattenstaart (Lythrum salicaria)

- WBD - III.4.3:412 kattestrt - lisdodde (Typha latifolia), ook genoemd: lis, lisdt, lampepoetser, tompoes of riet

- WBD - III.4.3:413 kattestrt - aar van de lisdodde, ook genoemd: lisdot, kolf, lampepoetser, of tompoes

- WBD - (III.2.1:426) kattestrt = kattenstaart 429 kattestrt - lupine

 

kavallerie

zelfstandig naamwoord

cavalerie

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ds lchte kavalerie (Kn'50) dat zijn wufte meisjes

 

kaviaor

zelfstandig naamwoord

kaviaar

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - Tilburgse kaviaor - bramenjam die naar vis smaakt

 

kawauwel

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.1.1:101 'kawauwel' = mond (spotnaam)

 

kazienee, kazjeneej

zelfstandig naamwoord

doek van dunne stof, als sjaal om de hals geknoopt; uit Frans 'cache-nez' (letterlijk: 'neusverberger')

- W.v.M.= Willem van Mook; Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930 - Vur mutsen en pelerienen en ook vur zijje petjes en toekielen kun-de in de buurt van Diessen en vural verderop, de vremde laanden van de Aacht Zaoligheden in nog haost overal terecht. En rooi zakdoeken en kazienees verkoopen zin de Heuvelstraot nog wel.

- Cees Robben - En hij riep dan k meteen.../ t zn inscripsies... pree-histories/ En hij spelde kazjeneej - .../ - zimmezetje -.. de pertienes/ - Staon op t gutje... bij de pleej... (19570119)

 

kazjewel
bijwoord
toevallig - uit het Franse casuel in het Tilburgs altijd met de betekenis bijzonder toevallig, wonderlijk, buitengewoon
- Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose... (19550312)
 

kebaol

zelfstandig naamwoord

kabaal

- WNT - CABAAL 4) een hevig en hinderlijk, opschudding veroorzakend of medebrengend (oorspronkelijk: opzettelijk met dat doel verwekt) rumoer.

 

kbke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kab

klein jong varken

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): et liste kbke t de maand

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kpke' - jong kind

verkleinde vorm van 'kab' (met umlaut)

 

kchele

werkwoord, zwak

- WBD - III.1.2:239 'kechelen' = kuchen

 

kedaaj

zelfstandig naamwoord

feest, smulpartij

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: tisser en grot kedaaj ('86)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: p kedaaj gaon (Daamen - Handschrift 1916: ) - naar een feestmaal gaan

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kadaai - 't is er groot kadaai - ze gan op kadaai (feestmaal)"

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - gedoe, drukte

- WNT - KADEI, KADDEI - ook ironisch, met de beteekenis van: een prettige, een lekkere boel.

 

Kednt

toponiem

Letterlijk: kwaad (= slecht) einde

- Cees Robben - Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504)

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): et Kednt = Kwaadeindstraat

- Ad van den Boom; uit: Unnen droom, circa 2005 - Kzaag me lope over ut Gurke/ En ok dur de Hasseltstraat/ Over ut Kednt

- Ad van den Boom; uit: Unnen droom, circa 2005 - Int Kednt daor stint un echtpaor/ Te praote in ut durgebont

- Piet van Beers Jonges, lster is: "Van aovent gn we meej zen ammol/ fiste op ' t Kednt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Henritte Vunderink, Tilbrg trakteert, uit: Tis de moejte wrd, 2011 - op et Krvel f int Zaand,/ den Haajkaant ft Kednt.

 

kedze

- WTT 2017 - van (waarschijnlijk) keds; echter alleen in het meervoud aangetroffen; bak waarin een geslacht dier werd gelegd om het te villen; naar analogie van cartouche, omhulsel.

- Audio-opname Dhr. Bertens; transcriptie: Hans Hessels1978 - Dan hadde vruuger zogezeej, waare d kedze wr dgge ze ingojde dan op dere rug want aanders kosse ze zak zgge nie ville!! (Collectie Heemkundekring Tilborch)

Klik hier voor audiofragment)

 

kedoow, kedooke

zelfstandig naamwoord

cadeau, geschenk = Frans 'cadeau' met vocaalreductie

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kedoo; kedoos

- De winnaors van de gle trui/ krgen et cht nie kedoo/ Zot ene Nederlaander zn,/ of wir Bernard Hienoo? (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Naa de Toer in)

- WBD - III.3.:190 'cadeau' = geschenk 'cadeautje, geschenk, gift, present, presentje'

 

keduuk, keduukelek

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Frans: caduc

bouwvallig, versleten (ook m.b.t. mensen)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'die is wah kadukelijk'

- Daamen; Handschrift 1916: "kaduk - gebrekkig"

- Cees Robben - Ik ben z keduuk... (19550730)
- Cees Robben - Hij zaag de gedoentes, vervallen, keduuk (19551119)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - zis en keduukelek ineens nt wrre - ze raakt versleten

 

Keej

eigennaam

Cornelia

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - ook: ons Keej - mijn vrouw

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - 'Ak mar es wies ws Keej dervan zeej' (160108)

 

kk

zelfstandig naamwoord, werkwoord

kijk

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kk, zelfstandig naamwoord - kijk

1. kijk als mening, deskundig oordeel

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Kk erp hbben is meer as twee haande - verstandelijk overleg is beter dan in het wilde weg ergens aan beginnen (Tilburgse Taalplastiek 128)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: kk erp hbbe doe meer as twee haande (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '71) - overleg hebben is belangrijker dan kunnen werken

2. zelfstandig naamwoord = uitzicht

- ene kk wd - zo ver als je kijken kunt/kon [Bron?]

Agge op de Ringbaon wonde/ vuulde oe ge vruuger rk/ meej veul gruun n stoere bome/ n ge had ene Schone kk (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De Ringbaon? Niks mir aon...)

3. werkwoord, kke, als werkwoordelijke uitdrukking: gul zijn

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ik kk nie op nen bos peeje, ak et lof mar h - ik kijk niet zo fijn, als het maar redelijk is;

 

kek

verleden tijd van 'kke'

keek

 

Bouwschutting rond de afgebrande Febo-frituur. Heuvelstraat 2018. Door de luikjes kan de passant naar de verbouwing kijken.Foto Margriet Bekkers.

 

kke

werkwoord, sterk

kijken

kke - kek - gekeeke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kkt

- D. Boutkan (1996) - verleden tijd: kek, maar: kikte gij?

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - die rpel kken oe aon - ... zijn niet goed gepit

- Piet Heerkens - uit: Dn rgel, Kender en koei, 1938:

Kek w se kekt!

Kek w se kekt!

Witte gij, Kiske, op wie d se lekt?!"

- Cees Robben - Kkkis of ie kkt Pietje... En as ie kkt... Nie kke... (19541224)

- Cees Robben - Nie kke.. as ze kekt... (19600219)

- Ed Schilders - n wk list op de mrt heurde: Kom s kke, kom s kke / K stao hier nie vur niks te kwke! (W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- Lechim -

 

 

Lechim - Gedicht van de week. Ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

Zien

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: De wnter begos zun ge naauw en daan aal is te laote kke

Woordspeling

- "Kkt eens of ze kkt, en als ze kijkt niet kke"... (Tony Ansems, De dochter van Dorus de Boer; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

Uitdrukkingen en dergelijke

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: kken as en hllegebildje d van de krswg is gevalle (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '71) - beduusd kijken

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: te veul nr de zulder gekeeken hbbe (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - te veel borreltjes op hebben.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'K-kk nie op unnen bos peeje, a-k ut loof mar h' - ik kijk niet zo fijn, als 't maar redelijk is.

 

Sticker op voetgangersstoplicht Willem II-straat. Bij rood laat het licht een kruikenzeiker zien, bij groen loopt hij met zijn kruip over. Het stoplicht is een kunstobject van Marieke Vromans en Irene Vermeulen. Het speelt in op het gegeven dat Tilburgse textielarbeiders in vroeger eeuwen hun urine in een kruik opvingen en voor een paar centen verkochten aan textielfabrikanten. Die gebruikten de zk om wol te reinigen en te vollen. De slogan is: Nie zke mar kke. Foto: CuBra 2019.

 

Carnavals-sticker van vereniging De Raawdaawers'. Foto: CuBra 2020.

 

kkgtje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kijkgaatje

- WBD - (III.2.1:51) kijkgaatje spionnetje

 

kl, kltje

zelfstandig naamwoord

keel

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kl naast keel

- Kees en Bart; ilburgsche Post, 1922-193? - ''t zal d'r de keil uithangen'

- Pierre van Beek - "Hij hangt mee de keel in den haak" betekent: Hij verdient zijn kost niet; hij weet niet, hoe het hoofd boven water te houden; hij weet niet van wat hout pijlen te maken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend - Hij hangt met de keel in de haak. Hij verdient zijn kost niet, hij weet niet hoe het hoofd boven water te houden.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: meej de kl in den haok hange ('71) - niet weten hoe het hoofd boven water te houden

- Rooie, witte,n gle wn/ hoeveul ds nie te ple/ verdwnt temidde vant plezier/ in duuzend dreuge kle. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ws wn tch fn)

- Grot diktee van de Tilburgse taol 06 der zaaten in de miste femoelies hil w geoefende kle

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KL zelfstandig naamwoord v.-keel, Frans: gorge

 

kle

werkwoord, zwak

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - zuipen

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'erot kle' - eruit gooien

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'kle' - vreten en zuipen

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Asset mar vur niks is, dan kunne ze kle - Als het maar gratis is, dan weten ze van innemen. (210508)

 

klgang

zelfstandig naamwoord

- WBD - keel van een paard

 

klpnt

zelfstandig naamwoord

keelpijn

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej klpnt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'kilpnt'

 

keemel
zelfstandig naamwoord; uit Middelnederlands kemel
kameel (dromedaris)
- Cees Robben - W ligder toch wir sakkertjns bij... Alleej.. Schuif op keemel... (19691128)
 

knd, kiendje, ►knder

zelfstandig naamwoord

kind

- Dialectenqute 1876 - kijnd (hoewel: vne, bne) - meervoud kender

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): keind

- ...en staot er nie ergens in et Zondagsevangelie: agge nie wordt as klein kender dan komde mijnen hemel nie binnen? (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 2-3-1940 6-4-1940)
- Cees Robben - Ut is n heel schn knd.. (19580705)

- Cees Robben - n Stuup knd vur durren aauwer..! (19550806)

- Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009) - Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes.
- G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2007 - Dere meens f kammeraod lopt naa vort aachter de waoge meej en plat knd n, asse en bietje opgeschoote hbben aachter de bddeplaank, ok ng meej ene komvort dernffe.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - km hier knd

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: tis en hard gelaag en knd te kusse meej en stene bakkes (Daamen - Handschrift
1916: )

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: van et knd zen irste kreet vergit de moeder alle leed (Kn'50)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: en knd moet aaltij truuren f muuren ('71) - dient altijd bezig te zijn

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - en knd oover de halleve deur - een onecht kind

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - mar knd lieve, it tch meej oew aander haand

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ons Lewieke spult zo schon, ge htter gin knd aon (100509)

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ge ht er gin knd aon Je hebt er helemaal geen last van

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIJND voor kind, was eertijds zelfs in den hofstijl in gebruik. Z.a

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - knd (krt.16)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 Vergroting

 

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kƐnt, zelfstandig naamwoord onzijdig 'kend' (<-) kijnd, - kind; mv. 'kender'

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KEND, KIJND zelfstandig naamwoordo., mrv. 'kender, kijnder' - kind, Frans: enfant.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - knd zelfstandig naamwoord - kind

- WNT - KIJND - bijvorm van 'kind'

 

keep

zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - keep - keepvink (Fringilla montifringilla)

- WNT - KEEP - naam van een soort van het geslacht der Vinken; samenst.: keepvink

 

keeper

zelfstandig naamwoord

- WBD - II.4. p. 872 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij keper-, serge- of casimirbinding": Binding , waarbij door de onderlinge draadkruising schuine, evenwijdige lijnen in het weefsel ontstaan."

keejper, K 183 (= Tilburg)

kepertje : keeperke, K 183 (= Tilburg)

 

keer

zelfstandig naamwoord

keer, maal

uitdrukking in de krtste keere - zo vlug mogelijk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'Ik b oe al twee kere geroepe.'; ene keer (95)

 

kr, krke

zelfstandig naamwoord

kar, wagen

-gezegde En kr geriffermeerd maoke = een kar stiekem onklaar maken, een hoogkar ondersteboven zetten

-gezegde de kr mgoje - een miskraam krijgen

- uitdrukking krt in de kr - kort aangebonden, lichtgeraakt, uit zijn humeur

- Den aawe pastoor was 'ne goeien meensch, mar 'n bietje uit den tijd, hij ha den naom dettie nie kos laache. Hij naam alles ernstig op. De meensche zeejen van 'm: "Hij rijdt mee 'n zwaor kr!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)
- ...den Sik stond aaltij klaor om de kr van den dokter uit et los zaand te trekken... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
- ...onze vadder zaoliger [...] zi aaltij: k Zit liever mee in koai kr in de haai as mee in goei schip op zee.
(Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Boer maak op oew kr? - N jongen, naa nie. - Rot boer, rot kr, rot prd (20-07-1962)

- Cees Robben t komt er meej de schoep binnen en t gaot er meej de kr uit. (19641106)

- Elie van Schilt; - We zagen ok twee sorten putjesscheppers, dun ene ok mee un kiepkerke en un korte schep vur de putjes langs de kaaibaand, dan was er nog ene mee un grote kiepkeer, mee un peerd er veur. Die had unne schep mee unne hele lange steel en die mokte die putten in ut midden van de straot schn. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

- WBD - krhngst - lomp paard

- WBD - krspringer- (paard dat probeert uit het tuig te springen) - Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kair

- Dialectenqute 1876 - kr ( = Frans mme)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - n de schft spanne me et prd vur de nuuw kr

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ge gaot nie dod vurd ge en kr zaand op ht

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - en kr teheuj stote - een kar leegkiepen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KER voor kar. ... Verwisseling van A en E niet ongemeen: smart/smert, hart/hert, scharp/scherp.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KAR - k:r, zelfstandig naamwoordvr., verkleinde vorm k:rəkə

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kr zelfstandig naamwoord - kar

 

kere

werkwoord, zwak

keren, omkeren, wenden

- Dialectenqute 1887 Willems - keere - kirde - gekird

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij kirt

- Dialectenqute 1876 - terugkre - terugkeeren

- Cees Robben - Al is t k nie te keere... (19570706)

- WBD - III.1.2:15 'keren' = keren (draaien); ook: omdraaien, wenden, zwenken, afslaan

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ke.rə(n) zw.ww.tr. 'keren' 1) tegenhouden; 2) uithouden, harden

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - keere ww - keren, uithouden, tegenhouden

 

kre

werkwoord, zwak

vegen

- WBD - (III.2.1:295) 'keren', 'vegen' = vegen - kre - krde - gekrd Geen vocaalkrimping

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): den huis kre = de woonruimte uitvegen, den hrd kre

- Dialectenqute 1876 - mit den bssen kre - met den bezem keeren; mne, vre, kre

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - As strak de pestoor nkomt, mot ik et hs ng fkes kre (060408)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Meej de schomaok wier et hs van boove toe beneeje gekrd (260409) = Met de schoonmaak werd het huis van boven tot beneden op zijn kop gezet.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KEEREN voor vegen, hoezeer niet algemeen. Bij Meyer reeds verouderd.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KEREN ov.ww. 1. vegen, schoonmaken met een bezem; 2. tegenhouden; 3. doorstaan, uithouden: 't is nie te keren; ik kon 't nie keren van

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ke.rə(n) zw.ww.tr. 'keren' - met een bezem vegen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KREN ww - vegen: den vloer kren

 

krel

zelfstandig naamwoord

kerel

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'keirel'

- Cees Robben - Zwarte mrel... Felle krel... (19601007)

- WBD -
III.3.1:22 'kerel' - kerel

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - krel / kerel (blz. 95)

- WBD - III.1.1:3 'kerel' = man

- WBD - III.1.4:127 'kerel' = betrouwbaar iemand

- WBD - III.4.in222 'kerel' = iets groots in zijn soort', ook 'knoeperd','knoert

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - krəl, zelfstandig naamwoord mannelijk 'kaerel' - kerel

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KEREL - k:rəl, zelfstandig naamwoord m.: nə gəlak nəm bʉəm

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KREL zelfstandig naamwoord mannelijk -iets groots in zijne soort

 

kreme

werkwoord, zwak

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kermen

- WBD - III.1.4:255 'kermen' = kreunen

 

krk

zelfstandig naamwoord

kerk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 22) 'krk'gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - De krk is hgger as de toore; gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hij is krks as nen hnd klippels; gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Den nzen is nt z krks as nen hnd klippels; gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge mt nie teegen et krkhske piese, want et drgt not p; gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge moet nie plasse teegen et krkhske, want ...gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ontzie krk n geestelekhei; gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ze hbben k nie amml bllekes aon, die nr de krk gn; gezegde

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - As ze amml en blleke droege dan knde mekare nie verstaon van de hrrie - Dialectenqute 1876 - krreke - kerken

- Dialectenqute 1876 - kerk: blijft onveranderd, (tegenover strrek, wrrek, met scherplange )

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de grote krek (bep. wijk)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KERK (uitspr. krrək, kerrək, te kārrək) zelfstandig naamwoord v.; Frans: glise

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de krk moet dur et krkstrotje (Kn'50) m.b.t. een zware bevalling

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: driemaol rnd de krk is z goed as eens derin (Daamen - Handschrift
1916: ) - verontschuldiging van iemand die niet naar de kerk gaat

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: rokende nr de krk is schtend Variant: eetend nr de krk is -

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'krk' zelfstandig naamwoord

 

kers, krske

zelfstandig naamwoord

kaars

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 22) krs

- Vruuger mkte de koster de krse zelf.

- Gezegde: Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Stikt de kers mar aon - werd gezegd als iedereen binnen was (omdat zulks ook gebeurde zodra iedereen aanwezig was bij een gestorvene)

- A.J.A.C. van Delft - Als iemand iets goeds of een goede betrekking verwaarloost, zegt men om z'n verontwaardiging uit te drukken: "Hij zal het nog mee 'n kerske (of: 'n lanterntje) gaon zuuken." Ook hoort men: "Hij zal er z'n vingers nog ooit naor afbijten." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Pierre van Beek - Zodra iets moet "al z den duvel de krs (kaars) vaasthawen" valt er niet meer aan te ontkomen (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

- Hoeveul krskes zottie al nie/ daor hbbe laote braande? (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et gouwe ksterke )

- Het leven is un braandende krs/ Den dood det is de wind... (Tony Ansems, Houd oew haande vur oewe mond; van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

- Dialectenqute 1876 - waas-krs - waskaars ( als in Franse mme)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - die krs gift goej licht war - die kaars geeft 'n helder licht he?

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de krs nsteeke (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - met het werk beginnen

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - k.rs, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kaers' 1) steen van een steenvrucht; 2) pit(ten) v. appels en peren.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KRS (Kemp.: kjs, ks) zelfstandig naamwoord v., verkleinwoord 'kesken' - kaars, Frans: chandelle

- WNT - KAARS, keers

 

 

krvel

zelfstandig naamwoord

kervel, tuinkervel; Anthriscus cerefolium; Echte kervel

 - H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'krevel'

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KERVEL (uitspr. krrəvəl; Antw.: karrəvəl) zelfstandig naamwoord mannelijk en niet v.; Frans: cerfeuille - kervel; ook KELVER (uitspr. kelləvər)

 

 

Detail uit een stilleven van Pieter Claesz

 

ks

zelfstandig naamwoord

kaas

gemneks komijnekaas; snippersks - gesneden kaas (in plakjes)

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'keiskop'

- Cees Robben - Ik ben sjuust op de ks gebid... (19590328)
- Cees Robben - Zde gij k op de ks gebid.. (19700814)

- Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... (19540313

- Gezegde - Beeter grs as ks. - Beter grijze haren dan geen haren.

- Dialectenqute 1876 - brooikes m ks ( van Frans mme) (ook: kees); kees (scherp)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - eete zullie k gre ks?

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - eetən ullie ok gre kaas?

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ds ng ginne kaoje ks, hurre - dat is nog zo'n slechte kaas niet, hoor

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - daar leej twidderaande ks: tunnekesks n kemneks

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - ks zelfstandig naamwoord - kaas

- Piet van Beers; CuBra 23-8-2004 - uit: 'As, as, as...' - As ze op t krkhof mn graf zn dicht on t gooie/of bij t crmatorium mn as zn on t verstrooie./ As femilie, knd n kraai on toffel is gezeete/ om daor koffie, krintemik n brooikes ks te eete.

- Elie van Schilt; - De trouwmissen en de begroffenissen waren vur de kenderzangers ut fnst, dan kreegde as de mis afgelpen was, bij un trouwmis iets lekkers en bij un begroffenis, brooikus mee ks of ham.
(Uit: As ge katteliek geboren wierd dan hadde toch veul te doen
en te laoten, 2009, CuBra)

- Piet van Beers; uit: 'Vrmde kst': n die vremde eetgewontes/ brnge ze vandaor dan meej./ Fraanse ks n Spaonse wne/ n oolve f patee. (CuBra)

- Piet van Beers; uit: 'n Verjaordgsfist': Op de tffel ollienutjes/ sjips meej sauskes, ks n wrst./ Limmenade, unnen brrel/ f Trappisjes vur den drst. (CuBra)

- Lodewijk van den Bredevoort - Smrges op oew brod krgde ks, elke vrijdag opnuuw ks en nog ens ks. Kende gullie d n van alle nog; tien sneeje brood meej ks. Kunde oe ge daor nog iets bij vurstelle? Ik zeej daor ens enne keer iets van tegen onze vadder: Kunde gullie d brod nie w dunder en dieje ks nie w dikker snije? (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Smokkelen zgezeed. Hij heej hil w rog en ks naor hs gesjouwd op zen roestige fiets. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Volgens sommige van mn bruurs en zusters, waar dieje ks dikkels
z taai degger gerust oew schoenen meej kost verzole. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- f brojkes meej gemne ks n uikes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

Middenstandsrijm in het dialect in de marktkraam van Kaashandel Bastiaansen uit Molenschot. Tilburg, Koningsplein maart 2019. Foto: CuBra.

 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KS zelfstandig naamwoord mannelijk en niet v. - kaas, Frans: fromage

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KAAS (ks) mannelijk het bekende zuivelprodukt; vandaar: de ks, op de ks kome, en op de ks verzuke, uitnodiging op het begrafenismaal, bestaande uit koffie en broodjes met kaas.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - met umlaut (blz. 90)

- WNT - KAAS, gewestelijk KEES (en kies)

- WBD - III.1.3:178 ' kaasbolletje', 'kaasbol' = bolhoed (spotnaam) 

- WBD - III.4.4:2 'kaasbol' = volle maan

 

Schilderij van Clara Peeters (17e eeuw) - Stilleven met kaas (detail) - 1615

 

Ket, De
toponiem
onderdeel van De Uilenvlucht, Korvel
Keet is hier waarschijnlijk bedoeld als benaming voor een primitief bouwsel
- Willem van Mook; Nieuwe Brabantse novellen, 1970 Den Uilenvlucht was de verzamelnaam voor drie grote weverswoningen. Ze stonden zeer afgelegen, op een open veld, waar toen nog geen andere bebouwing was. Er voor, er achter en bezijden niets dan weide, heide en bossen. In bet begin van deze eeuw waren die drie huizen tot ruines vervallen en toch woonden er toen nog mensen in. Het Kretshuis was het voornaamste van de drie. De Keet en de Krucht waren dpendances van het grote Kretshuis dat in het begin van de vorige eeuw, toen Tilburg onder Frans bewind stond (1795-1813), gebruikt is geweest als Leprosie (Melaatsenhuis). Omdat er in Tilburg gelukkig geen melaatsen waren, bestemde men het voor quarantaine bij besmettelijke ziekten.

 

ket, kitje

zelfstandig naamwoord

keet, armoedige houten woning

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - de Ket - onderkomen van leproserie 'Den levlucht'

- WNT - VII:2016: gewestelijk nog KETE (men schrijft gewoonlijk KEETE) Men schrijft , blijkens de hedendaagsche dialecten.

- WBD - III.4.4:245 keet = lawaai

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KEET hut;

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ke.t, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'keet' - klein woonhuis, geringe woning

 

keetel

zelfstandig naamwoord

ketel

- Dialectenqute 1876 - ktel

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kittel'

 

keetelapper

zelfstandig naamwoord

ketellapper

- Pierre van Beek - Hij zuipt als een ketellapper (ketelbuter, d.i. ketelboeter). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

keetelbuunder

zelfstandig naamwoord

ketelboeter, ketellapper

ketellapper, classificeerder

- Gezegde: Vchten as nen keetelbuuner

...n vochte as keetelbuunders/ rondom de mallemeule. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'keetelbuunder, keetelbuuner'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Ketelbuunder, mannelijk ketelboeter, ketellapper, marskramer die met ketels leurt. Dikwijls in verband gebracht met vechten en vloeken. De vorm -buunder is misschien ontstaan onder invloed van een associatie met 'boenen' en 'boenders' als handelswaar. 

- WNT - KETELBOETER - gewoonlijk een rondtrekkend, vagebondeerend handwerksman

- Pierre van Beek - De ketelboeners, dat zijn degenen, die op gezette tijden als het "ketelbunen" was de ketelsteen uit de fabrieksketels bikten, schijnen vroeger geen al te beste reputatie gehad te hebben. Hoe komt men anders aan "vechten als ketelbuners", welk gezegde nog in zwang is. Zoals trouwens ook het beroep, dat overigens een zeer eerzaam vak is. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

- Pierre van Beek - Leefden de houtrapers met de waarheid schijnbaar vaak op gespannen voet, de ketelboeners hadden ook geen al te beste reputatie. Nu nog hebben we de uitdrukking "vechten als ketelbuners". Ketelboeners waren mensen, die gekleed in witte pakken met een daaraan vastgemaakte dito muts de ketelsteen uit het inwendige van de stoomketels der fabrieken bikten. Dit gebeurde op gezette
tijden. Dat was het zg. "ketelbunen", wat tot consequentie had, dat de fabriek stil lag, omdat men van te voren "de stoom had laten schieten". Met het steeds meer uit de tijd geraken van de stoomketels is uiteraard ook de behoefte aan het "ketelbunen" verminderd. (Pierre van Beek -Tilburgse Taalplastiek P - Nr. 6 - Za 06-06-1964)

 

De jonge kok - Joseph Bail

 

keetelbuuter

zelfstandig naamwoord

(rondreizend) ketellapper, koperslager

 

keetelmeziek

zelfstandig naamwoord

ketelmuziek; lawaai maken met potten, pannen, etc.

- Audioregistratie 1978 - Meej grote schijnwerpers vur zen deur (Vermeer)! n e toen e keetelmeziek! Ik meej en akkrdeejon veur erop n ik kreg er ng ene b me. (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kve

werkwoord, sterk

kijven

- Dialectenqute 1887 Willems - kve - kef - gekeeve - geen vocaalkrimping

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): de moeder kef

- WBD - III.4.1:47 'kijven' -waarschuwen (van vogels)

- WBD - III.1.4:422 'kijven' = idem; 'bekijven' = berispen

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ke.və(n) st. ww. intr. - kijven

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kve ww - kijven

 

Keevelr
toponiem
Kevelaar; in Tilburg een populaire bestemming om op bedevaart te gaan; de prent van Robben behandelt de zogenaamde voetprocessie daarheen
- Cees Robben - De voetprocessie trok vurbij / Naor t verre Kevelr... (19600715)
- Cees Robben - De vurspraok van Onze Lieve Vrouw van de Hasseltse Kapel [is] zeket z straf as die van Kevelr... (19710515)
- Cees Robben - Ik gao te voet naor Kevelr... (19610421)
 

kzer

zelfstandig naamwoord

keizer

- WTT -  2012 - in dialectteksten wordt 'keizer' vaker aangetroffen dan 'kzer'

- Jodocus - Maria, die klopte-n-um in zunne nek:/ nog efkes, dan kunne we ruste!/ W denkte van mn! Nege maonde al z 'k!/ en d ammaol vur keizer Augustus. (pseudoniem van Jacques Stroucken, uit: Toemet-hooi, 1993)
 

kefeej

zelfstandig naamwoord, onzijdig

caf = Frans 'caf' met vocaalreductie

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): in de caf ; cafhaawer

- ...in et kefeeke op den hoek... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik haaw nie van zwmme)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan wonde Fons (Aleejaose = Elissen), die wonde daor op de Noordhoek, d kefeejke, ik weet nie f ge d ot wl nie, d, dieje kefeej daor ot geknd ht n daor stond aaltij enen rgel Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Koske van de Wouw wonde op de hoek van de Misjenaaresstraot (Missionarisstraat) in d kefeejke daor!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

ook gebruikt als vrouwelijk zelfstandig naamwoord

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n den ooverkaant van, van de kerk, daor hadde vruuger de bierhal [het caf] van Panhuysen n n den ooverkaant hadde Piet Krse (Kruyssen), die kefeej n dan hdde teegenoover op den hoek, hdde Jantje Vorselaars zitte, ok en kefeej!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n toen kosseme saoves f tweej keer in de week bij Toon van t Hof op de Bredssewg in die kefeej daor vruuger de Haos gezeeten heej

Klik hier om dit bestand te beluisteren

Nieuwe Tilburgsche Courant 20-11-1889

 

kejak

zelfstandig naamwoord

cognac

- Cees Robben - Unne scheut kejak... (19840525)

- Cees Robben - En [ik] kus (...) vur de zovvelste keer devoot en mee smaok/ t reliekske vol Fraanse kejak... (19700102)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 07 17 - Kejak en triepele-sek.

- Piet van Beers Asperges me: Boove op 't koor zonge de heere/ saome meej 't allergrotst gemak./ Die hadde vur dsse begosse/ soms al gepruufd van de kejak. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers Nie sjouwe: Den dkter kwaam er n te paas./ Die zeej: "D duurt wl weeke."/ Ik ha 'n flinke kaaw gevat,/ d hattie zo bekeeke./ Ik moes lken dag drie aajer eete/ meej enne scheut kejak./ En nao 'n week toen hak n bakkes/ as enen rpelzak./ Ik kan drrom... sins dieje td/ de aajer nie mir zien./ Meej de kejak, ist aanders meej.../ Die lus ik er wl tien. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Henritte Vunderink, 'De Pestoor', in: 'k Zal van oe blve haawe, 2007 - n saoves vur et nor bd gaon/ wier der nog kejak geschonke...

 

kk
gebiedende wijs van kke
- Cees Robben - Kek uit oew soepers.... (19560211)
- Cees Robben - Kek Sjenet... z is t gekomen (19560714)

- Dialectenqute 1876 - kk! ( als van Frans mme)

 

kkkis
gebiedende wijs van kke, samengetrokken met bijwoord eens (es)
kijk eens
Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... (19540313)
- Cees Robben - Kkkis of ie kkt Pietje... En as ie kkt... Nie kke... (19541224)

 

kekoers

zelfstandig naamwoord

concours
- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 09 04 - Ons Sjaan ha' 'n grt schilderij / Op t rik-kekoers gewonne...

 

kkt

persoonsvorm van werkwoord kke,gij, hij, zij, et kkt; en gebidende wijs

Kkt is f ie kkt, n assie kkt, nie kke.

 

kl

zelfstandig naamwoord

kerel

alleen aangetroffen bij Piet Heerkens; verkorting van dialectisch krel;

- Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944 - z'is laoter getrouwd mee 'nen Tilburgsche kel...

 

klderbist, -vrke

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - pissebed

- WNT - KELDERVARKEN - kelderpissebed, keldermot, kelderzeug

 

klderwnd

zelfstandig naamwoord

krik, dommekracht, kelderwinde

- WNT - KELDERWINDAS - kelderwinde, dommekracht

 

klfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'kalf', met umlaut

kalfje

- Piet Heerkens - de kelfkes daanse... (uit: De Mus, Lente, 1939)

- Leo Heerkens - 'k Zie de blumkes lekker bloeien/ en de kelfkes lollig stoeien (uit: 'Op m'n beene'; 1940)

- Cees Robben - Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is t bist zeej t kelfke.. en t kos rond den schelft... (19650910)

- In die waaie liepe s zomers w koeikes en klfkes (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

keliek

zelfstandig naamwoord

koliek, onderbuikskramp

van Frans: 'colique'

- Cees Robben - Onze Jaon (...) hee gin zucht of terring... fieteldaans.. bof.. of keliek... (19551217)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kli.ik resp. klik, zelfstandig naamwoord. o. - koliek

- WNT - KOLIEK - benaming van verschillende, met kramppijnen gepaard gaande buikaandoeningen ...

 

klriem

zelfstandig naamwoord

- WBD - kopstuk (Hasselt), de riem die achter de oren van het paard langs loopt. N.B. De letterlijke vertaling 'keelriem' komt ook in het WBD voor, echter zonder vermelding van een Tilburgs woord.

- WNT - KEELRIEM aan het paardenhoofdstel, de riem die, van de slapen, onder den kop door, om het bovenste van den hals gaat.

 

klsgat

zelfstandig naamwoord

keelgat

- Cees Robben - t Blft in mn kelsgat steken... (19600923)

- Piet van Beers Hoest: Zo nou n dan, vatte ik 'n snuupke./ Van die hete (varn Jamin.)/ Mar....toen schoot 't in m'n klsgat./ En ik stikte der host in. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- WBD - III.1.1:191 'keelsgat' = keelgat

- WNT - KEELGAT. Uit 'keel' en 'gat'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoordo. 'keelsgat' - keelgat

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLGAT zelfstandig naamwoordo. - keelgat. Verkeerd klgat - luchtpijp, adempijp.

 

kltje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - keeltje

 

kemel

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kameel

- WBD -
(III.3.2:351) kemel = kameel

► keemel

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 27-11-1943

Kamelenharen pantoffels (Internet 2013)

 

kemelhaor

zelfstandig naamwoord, stofnaam: kamelenhaar, kamelenharen ...

- Nieuwe Tilburgsche Courant 27-11-1943 -Laot ons ze 'n paor werme kameelhaor kraogpantoffels geven.

- Nieuwe Tilburgsche Courant 30-11-1943 - Kemeelhaor pantoffels mee lre zool.

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 30-11-1943

 

kemne

soortnaam

met komijn als ingredint; komijnekaas.

- Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... Bllekes ks... en kemne ks... (19540313)

 

kemiek

bijvoeglijk naamwoord /zelfstandig naamwoord

komisch; komiek

Frans: 'comique' met vocaalreductie

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): ene kemieke film

...hij was dikkels ok grappig, soms kemiek. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook (...) kemiek...

- WBD - III.1.4:197 'komiek' = grapjas

- WBD - III.1.4:207 'komiek' = grappig

- WBD - III.1.4:208 'komisch' = geestig

 

kmke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

kammetje; verkleinde vorm van 'kam', met umlaut

- Cees Robben - ...wol mee rcht.. of wol mee kemkes... (19560630)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - hdde ieveraans mn kmke zien ligge?

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij heej zo wneg haor dttie en fn kmke nodeg heej om ze te vne (290309) + (020610)

- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - (89) 'Hedd' ieveraans m'n kemke zien ligge?'

 

kmme

werkwoord, zwak

kammen

- Dialectenqute 1887 Willems - kmme - kmde - gekmd

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - k.mə(n) zwak werkwoord overgankelijk en onovergankelijk 'keimmen' - kammen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAMMEN, KEMMEN

 

kemiekerig

bijwoord

uit komiek

komisch, lachwekkend

- J.A.; Nieuwe Tilburgsche Courant 14-04-1938 - Daar worre die twee na kemiekerig van.

 

keminniekaanten

zelfstandig naamwoord, meervoud; communiekanten, kinderen die hun eerste communie doen

de eerste i is mogelijk een verschrijving; deze vorm is nergens anders aangetroffen.
- Cees Robben - k Zie ze gaon... die klne klaanten/ Stap vur stap keminniekaanten... (19560512)
 

Ill.: Thom - cannabis sativa L. - hennep - kemp

 

kmp

zelfstandig naamwoord

hennep

- WBD - III.4.3:326 wilde kmp - hennepnetel (Galeopsis tetrahit), ook 'neetel' genoemd

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kmp (krt.89)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - knəp, zelfstandig naamwoord mannelijk 'kennep' - hennep

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KE- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - (Kempen: kmp, kae ae mp) zelfstandig naamwoord mannelijk - hennip, Frans: chanure

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kmp - zelfstandig naamwoord - hennep (Hennep werd ook uitgespr. als knnep) 

- WNT - Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - (uit kennep (kenp)) Cannabis sativa L.

 

kmpekurtje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

de etymologie is onduidelijk; mogelijk samenstelling uit kmp als kmparen (zie volgende) en kurtje als koordje

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "op 't kempekurtje aaf (op 't nippertje)"

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'op ut kmberkurtje', op het nippertje

 

kempgaore

zelfstandig naamwoord

- WBD - II:698 - hennepgaren, het grove hennepgaren waar men pekdraad van verdaardigt, ook genoemd 'hnnepgaore'

 

kmpzaod

zelfstandig naamwoord

hennepzaad, veelal als vogelvoer gebruikt

 

kemuunie

zelfstandig naamwoord

het sacrament van de Heilige Communie

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - as ge dan in de, in de krk kwaamt, nou, dan wierde oovergeslaon agge te kemuunie gingt! (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

 

kenaarieveugel

zelstandig naamwoord

kanarievogel, kanarie

► knrrie

- Interview Jolen - 1978 - ik ha zo, ja, jao, vinke, en kenaarievoogel en zo, drie dezllefde (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

kenaarieveugeltungske

zelfstandig naamwoord

tongetje van een kanarievogel

- A.J.A.C. van Delft - Tegen iemand, die wat kieskeurig blijkt, wordt gezegd: "We zullen je kanarievogeltongetjes geven." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

 

kenaol

zelfstandig naamwoord

kanaal

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 08 21 - Want we hebbe iets bezunders / W nog niemand aanders had / Wij hebbe bij 'n buike rgen / Kenaole midde in de stad.

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - et kenaol d was ng nie gelk oopen toen wast, in den ollgstd ok ng gebeurd, en bietje vur den ollgstd want den dk hier, die, die, de verkeerswg, den dk, ds zaand wr den dk meej opgehogd, ds ammel zaand hier t et kenaol!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - et kenaol

► knaol

 

kenaoldk, knldk

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - kanaaldijk (langs het Wilhelminakanaal)

 

knder - knder

zelfstandig naamwoord meervoud

kinderen

- uitdrukking platte knder - nog in de wieg liggende kinderen; ook: platte jong

- uitdrukking knder van half-om-half = kinderen waarvan een ouder benoorden en een van bezuiden de spoorlijn afkomstig is.

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): knderwaoge

- Piet Heerkens; uit: De Mus, Kiendjes, 1939 -

Praot me nie van kiendjes, kender,

overal ter wereld zijn d'r;

schreuwe... doen ze nergens zuutjes,

overal hebben ze vieze snuutjes;

- Cees Robben - De kender gaon t list... (19540724)
- Cees Robben - Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814)
- Cees Robben - Enkel kender in de Laai/ Dokkelen w in dn braai (19570704)
- Cees Robben - Daor vlinderen as vlemmekes/ Veul helle kender-stemmekes... (19580531)
- Cees Robben - k Heb alle bij mekaare tien kender gehad... aacht goei en twee kaoi... (19610526)
- Cees Robben - De kender (...) pruuven den slameur... (19650507)
- Cees Robben - De kender (...) zen tegen t regeur (19650507)
- Cees Robben - De kender hebben ginne rust (...) en moeten deurke-deurke-dons (19650507)
- Cees Robben - Twee platte kender... en naa wir z... (19680322)
- Cees Robben - Dan ruuk ik wir dem eeremoei/ die vruuger deur vur deur/ De straot op kwaam heel zwoel en zwaor/ van kender en slameur... (19701016)
- Cees Robben - As n vrouw uitschaait mee kraome,/ Haauwt ze mee dr kender saome... (19790720)
- Cees Robben - Men kender wille toch wel elke week w nuus, Nel... En zelf hek nog ginne buuste-haauwer aon mn kont... (19860926)
Cees Robben - k Gao mee de knder naor t uitgepakt kke... (19651119)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Et was netuurlek ammel vur knder, hde snoep n de snte, meer krede not nie!!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Informant Ad Vinken; natte knder - kinderen die nog niet zindelijk zijn.

- Nie te veul hrrie meej oew Sjaan/ gin trubbel meej de knder... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En nuu begien)

- Elie van Schilt; - kender van unne metselr, draoimaoker of duvelr, die wieren gin misdienr. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

- En hshaawe meej negen knder. Niks biezonders in dieje td zulde zegge. Mar dn oudste waar 'nne zoon en daoronder kwaame nog aacht mskes. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot; CuBra, ca 2005)

- Begin jaore vftig ginge wij bij heur iedere woensdagmiddaag om vf uur tilleviezie kke. Alle knder t de buurt mochte koome. We moeste ons schoene tdoen en in de keuke zette. Soms zaate we wel meej drtig knder in dr hskaomer, amml vur zn kln teeveeke meej zn kln bild w nie presies int midde van t toestel zaat. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot; CuBra, ca 2005)

- Piet van Beers Snuupkes: Drie knder t de buurt, drie zwarte snuutjes./ Meej krontjes op der blleke n lrze n der vuutjes/ zonge ze "Gif mn enne nuuwen hoed". (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Dialectenqute 1876 - kender (de e heel scherp, scherper dan in 'pen')

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de schoolknder zn meej de mister nr de zeej gewist

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - aander meense knder zn aatij gaawer groot

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - dur de knder n de kiepe krde de miste ruuzie

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - knder

- WNT - KIND mv. kinderen, kinders, gewestelijk nog kinder;

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - kijnder

- Grot diktee van de Tilburgse taol 05 - ze waare meej al de knderrkdom zo rm as Job

 

kndergteg

bijvoeglijk naamwoord .

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kndergteg' - kinderachtig

 

knderjaore

zelfstandig naamwoord; samenstelling uit meervoud van knd, kind, en meervoud van jaor, jaar.

kinderjaren

- Cees Robben - k Denk wir aon mn knderjaoren... (19560512)

 

knderkpke

zelfstandig naamwoord

kinderhoofdje; veldkei voor bestrating

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - waor ge int waandele knderkpkes vuult

- Ut kend is mee zun kopke op de kenderkopkus gevalle... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- De straot, et wegdek op zen Nederlands gezeed, waar vur fietsers un straf, om daor deur te moeten, over die hobbelkaaien. Echte kenderkpkes waren et, ingevoerd vant den Bels. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Daor waar nog meer veraanderd, n die rotkaaie, die knderkpkes, laage der aaltij nog, dus dur de straot fietse nog steeds nie n te raoje. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - knderkpkes - de grote 'Blze kaaje' staan bekend als knderkpkes

 

knderwaoge

zelfstandig naamwoord

kinderwagen

- Audioregistratie 1978 - llek jaor ging ons moeder meej de knderwaoge, war, ging ze en vreke kope op de vrekesmrt in de knderwaoge in ene zak! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

... en vruuger hk r veul gewaandeld meej de knderwaoge. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

kndoe
samentrekking
ken je je
- Cees Robben - Dan kendoe ge niemir terug (datum niet bekend
 

knds, kns

bijvoeglijk naamwoord .

kinds

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'as ge zelf kendsch bent'

 

kenn, knn

zelfstandig naamwoord

konijn

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (Gehoord bij de groentenboer: ) Gij mee oew vitaminen, ik zeg mar slaoi is goed veur de kenne (10-03-1967)

- Piet van Beers Peeje, knne n jonge mt: En Jan die ging te lange liste/ meej z'n kenne nr de mrt./ Ze waare zwaor n vt gewrre./ En vur den haandel hil w wrd. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

knn

Verkoper van konijnenvellen -19de eeuw

 

kennejuus

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - Liefhebbers van konijnen zijn het "kunijnenjuus" (kenijnen). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

kenntje, knntje
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kenn of knn
konijntje
- Cees Robben - Wie blijft vur un kenntje staon... (19570615)

 

Kenilles, Knilles

eigennaam; Cornelis

in het bijzonder het bedevaartoord van de heilige Cornelis in Esbeek

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - D zn ammel veul dinge die ammel t den booze zn vort, h. Nt as Keevelr, j, daor heurde ng wel es ene keer vann nt as Schrepenheuvel n zon nt as Pirke Dondersn nt as den Hllegen k in, in, in, in Orschtn den Hllege Kenilles (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

 

knneke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

inhoudsmaat (bier) verkleinde vorm van 'kan' met umlaut.

kannetje

- Lowie van Dorrus Misters; Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; Nieuwe Tilburgsche Courant 23-6-1951)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - et knneke stao op den recht

- Brod eten tussen et koren op et veld en koffie drinken t zon kom, diese vol schonken t zon blaaw kenneke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD - III.2.1:124 'kanneke

 

kennekoe

samentrekking: ken ik je

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006); 2020 - Je hebt iets (eens) goed gedaan: - zo knnekoe wir!

Volledige bron: KLIK HIER

 

kenon, knon

zelfstandig naamwoord

kanon

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kenon, knon' kanon, verkleinde vorm 'knunneke'

- Pierre van Beek - Wie des avonds "z zat as 'n kanon" is, loopt veel gevaar des morgens "z ziek as 'n krab" te zijn, beweert men in Tilburg al is het ons niet duidelijk waarom hier nu juist die "krab" en dat "kanon" bij te pas moeten komen. . (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

 

kenonbl, de

kanonbal

bijnaam van baanwielrenner Jan Pijnenburg

 

kns, knds

bijvoeglijk naamwoord .

kinds, dement

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kƐns, bijvoeglijk naamwoord 'kends' (d.i. kijnds)

 

knsknder

zelfstandig naamwoord, meervoud

kleinkinderen, kindskinderen

- Voorbeeld systeemkaart Sterenborg - Bewaor et mar vur oew knsknder.

 

kntje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kaant

kantje

- Cees Robben - Op t kentje aaf... (19780113)

 

kepl, keplleke

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

1. kapel

- Cees Robben - Gao delke merrege naor t kepelleke Ketooke..? (19570504)

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kepel

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

Tony Ansems -

De hasseltse kapel

As de Maaj maond was begonnen

Gingen wij mee hil 't stel

Onze Pa, en ons Moeder en heel de kender

Naor de Hasseltse Kapel

Gauw 't Roozenhuuke bidde

Die ouw vrouwkes waren snel

En dan saome snoep tzuuke

Bij de Hasseltse Kapel

Van die lekkere kaneele steele

Zuuthout, drop en karamel

Leerden om alles saam te dele

Bij de Hasseltse Kapel

(.De Hasseltse kapel; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Dossier Hasseltse Kepl

 

2. caf

- Onderweg hebben we heel w kepellekes aongedaon en ook in Oirschot lee je we aon. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Bij geboorten gingen de naaste buren mee aangeven. Dit laatste was dan voor de vader nog al een dure gebeurtenis, want dan sloeg men bij het naar huis gaan geen een "kapelleke" over. En dan bleven de gevolgen niet uit... (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 1 Wijkbuurten in vroeger dagen; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-11-1950)

Pierre van Beek - De uitdrukking "As O.L. Heer een kerk bouwt, zet de duvel er een kapel neffe" slaat op de cafs die men gewoonlijk nabij een kerk aantreft al kan men er ook wel een diepere zin uithalen, namelijk deze, dat de duivel er steeds op uit is de mens tot het kwaad te verleiden. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Want die leej de kapplleke meej aon, h! Kefeejkes, kappllekes zin ze vruuger [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

3. twijfelgeval !!

Ik dnk dk nr de Hasselt gao/ kke rond de kepl. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nr de Bvert...)

Nr de Bvert...
Kom, zeej Lewie, ik fiets is op.
Waorheene?, vroeg zen Nel.
Ik dnk dk nr de Hasselt gao
kke rond de kepl.


Mar halverweege kreeg ie drst
n hij leej daor fkes aon.
daor zaag ie hangend n de toog
zenen aauwe ploegmaot staon.


Ze hbben er en paor gevat
wiere allngskes blijer
n waare vur zer rg in han
al vf kefeekes wijer.


Teege den aoved kwaam ie ts.
Nel zaat ng meej der eete.
Keplleks hai zat gehad
mar et Hasselse was vergeete.

4. vlinder

Uit een ABC-boek

 

- WNT - Een vlinder (dagvlinder) van de eene of andere soort, gedaante of kleuren. Soms kan de toevoeging van witje als synon. (zie beneden, onder de aangehaalde voorbeelden) doen meenen dat met den naam kapel slechts vlinders van ne bepaalde soort en kleur, de witjes of koolwitjes, zijn bedoeld, maar vermoedelijk is ook witje op die plaatsen niet anders dan een algemeene naam voor vlinder, ontleend aan dien van eene zeer veel voorkomende, algemeen bekende soort.

Reeds bij Kiliaen - 1599

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Kapelleke, 1941 -

Kapelleke

 

'n Leuk citroen kapelleke woei

alleenig deur et bos,

en m'n ooge die wieren van et zien nie moei

en ze lieten et ding nie meer los.

 

Toen woei er 'n wit kapelleke bij

en ze daansten deur et bos,

te saome zot, te saome blij,

te saome vrij en los.

 

En de twee kapellekes allebei

deur 't lentelieve bos

ze sjaansten en daansten mijn ooge veurbij

al boven et lekkere mos.

 

Gij lieve kapellekes daor in et bos

een wit en een citroen,

toe, sjaanst er en daanst er mar lekker op los,

ge meugt et gerustekes doen!

keplaon, keplntje

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

kapelaan

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de pestoor n de keplaon lopen aachter etzlfde vaon (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) die houden er dezelfde principes op na

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kəplo.n, zelfstandig naamwoord mannelijk 'keploon', - kaplaan, kapelaan

 

kepoerewiets

bijvoeglijk naamwoord

van Jiddisch 'kapoeres' (= dood)

kapot, dood

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - fkes piepte ze ng, mar toen waar de ms hartstikke kepoerewiets - eventjes piepte de muis nog, maar daarna was ze morsdood (220407)

 

kept

bijvoeglijk naamwoord .

kapot, stuk

kapot, in de zin van voorbij
- Cees Robben - Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... Mar t is kepot...../ dauwtrappen is vort van de baon....../ d hee jandoome afgedaon! (19540508) Deze prent werd gemaakt naar aanleiding van een hernieuwing (handhaving) van het oeroude verbod op katholiek getinte manifestaties op de openbare weg, meestal het processieverbodgenoemd.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - de vaos is kept

- WBD - keptten deg - ongeschikt deeg , dat nl. niet wil rijzen

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - die gao dervan kept

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - zene mooter is kept

- WBD - III.4.3: kept - verdord (van bloemen); ook genoemd: verdrd, dod, tgedrgd, afgestrve, rt
dood
- Cees Robben - Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

- WBD - kept gaon - sterven (van een dier)

 

keptgaon

werkwoord, sterk

- Informant Ad Vinken; kapotgaan, stukgaan; van dieren: sterven; bij het kaarten geen enkele slag halen

voor elkaar krijgen

We zullen dan mar is afwochten w-t-ie in Keule kepot mokt! (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

failliet gaan

- Interview met de heer De Kok (1978) Jan van Aorendonk die is toen kept gegaon in firteg. (transcriptie Hans Hessels 2014)

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

- WBD - III.4.2:31 'kapotgaan' - sterven (van dieren), ook genoemd: 'sterven' 'doodgaan' of 'creperen'

- WBD - III.4.3:35 kept gaon - sterven (van een plant)

 

kepthuudje

zelfstandig naamwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - kapothoed, kleine zwarte hoed bezet met kralen, die door oudere burgervrouwen werd gedragen

 

keptspeule

werkwoord, sterk

kapotsnijden; het geslachte varken 'afkappen'

- Audioregistratie 1978 - En dan kwaam de slager, h, f de slachter dgs ndderhand. Dan kwam ie saoves gewoonlek n dan kwaamie die zaak kept snije n d ging dan in en hille grote tn (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

keptspeule

werkwoord, zwak

kapotspelen: bij een bepaald kaartspel alle slagen halen

keptspeule - spulde kept - keptgespuld

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spult kept
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - bij het hoogjassen: honderd roem en kapot

- Cees Robben - Ik speul hartstikke kepot..! (19740614)
 

kps

zelfstandig naamwoord

blut

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "ik doe nie mir me ik zai keps (m'n beurs is leeg)"

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 10-01- 2010 - Ik doe niemir meej: ik z kps - ik heb geen geld meer om in te leggen

- WBD - III.3.2:36) kps of blut - alles kwijt (bij een spel)

 

kerbied

zelfstandig naamwoord

carbid

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) -gezegde Ge moest kerbied lusse! (dan zou je ontploffen??)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kərbit, zelfstandig naamwoord mannelijk - carbid

 

kerbies

zelfstandig naamwoord

- Van Dale - karbies, handtas zonder klep of sluiting, met twee grote oren

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, Hij gao dan de femilie aaf / Om goeien dag te zeggen / En verwocht demme ammol w / In zn kerbieske leggen.

 

krbl

zelfstandig naamwoord

biljartterm; carambole

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 06 30 - Kiske, Willum en de Sjef / Beljrten alle weken / Iedere krbol wordt gewikt, / Gewogen en bekeken.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 10 05 - 'zen Opa kos veul krbols maoke.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - (biljartterm) carambole, geslaagde stoot

- WBD - (III.3.2:249) krbol = carambole

- Jan Naaijkens; D's Biks (1992) - 'krbol' zelfstandig naamwoord - carambol

carbolineum [ook wel, maar foutief, carboleum]

zwarte vloeistof uit steenkooldestillaat om hout te verduurzamen [tegenwoordig verboden wegens schadelijke stoffen]
- Cees Robben - teerzeep en kerbol (19701016)
 

kerdaot

zelfstandig naamwoord

kordaat

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'draai mar kordaot on oew wieltje

- WBD - III.3.1:299 'kordaat' = vinnig

 

krdon

zelfstandig naamwoord

kordon

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - iemand die dur de krdons mot - die door een zure appel heen moet bijten

- WNT - KORDON - Door de kordons (moeten) loopen - voorheen een straf voor militairen van denzelfden aard als het spitsroedenloopen, waarbij de geweerriemen als strafwerktuig dienden.

 

keresier - krresier

zelfstandig naamwoord

bazige vrouw, heerszuchtige echtgenote

van Frans carossier (koetspaard), of van 'kurassier' (= dragonder), dat volgens - WNT - overdrachtelijk 'manwijf' betekent.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (197

- Cees Robben: jong die om den haoverklap nor bte worre gekerreseerd (sic)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'krreser'

- 's Moeder hield van praajvesie mar was k wel 'nne kurresier as ge
begrpt w 'k bedoel. (Jos Naaijkens; Mnne ceeveej; CuBra)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij heej ene keresier getrouwd: hij maag vort niks meer as nr heur lstere - Hij heeft een bazige vrouw getrouwd: hij mag voortaan niets meer dan haar gehoorzamen. (210710)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'karessier zelfstandig naamwoord - manwijf'

 

krhngst

zelfstandig naamwoord

- WBD - lomp paard

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: z zuur as ene krhngst (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - 'zuur' betekent hier agressief, onhandelbaar, zoals een hengst voor een gespan

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - lastig (onhandelbaar) persoon

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk (scheldn.) 'karhengst' - lompe onhandelbare boer.

 

krke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

verkleinwoord van 'kr', met vocaalkrimping: karretje, wagentje

- Cees Robben - Lam Lewieke zaat gelaote/ In zn krke... (19700925)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 16) 'krke' geen svarabhaktivocaal wegens morfeemgrens

- Grot diktee van de Tilburgse taol 08 - dieje meens die die krkes mkt ... zonne skoetmoobiel

 

krkehske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kerkhuisje

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: as ge teegen et krkehske piest, d drgt noot p - Als je autoriteiten, geestelijke of wereldlijke beledigd hebt, wordt dat door hen nooit vergeten.

 

krkenbank

zelfstandig naamwoord

- WBD - (III.3.3:41) krkenbank, bank = kerkbank

 

krkendeur

zelfstandig naamwoord

kerkdeur

- WBD - (III.3.3:28) krkendeur, hoofddeur, grote deur = kerkdeur

 

krkhf

zelfstandig naamwoord (m)

kerkhof

- Informant Toine Raaijmakers - Kannie leej opt krkhf (als reactie op de uitlating 'ik kan het niet')

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ksters koej maag opt krkhf waaje

 

krkwg

zelfstandig naamwoord

kerkweg

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - alle weege zn gin krkweege - niet elke weg leidt direct naar een doel

 

kermneks

zelfstandig naamwoord

komijnekaas, pitjesks, gemneks

 

krmenaaj

zelfstandig naamwoord

karbonade

Frans: 'carbonnade'

de uitspraak met b komt in het Tilburgs nauwelijks (meer) voor:

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'kerbenaai'

- De Bo - De b en de m verwisselen somwijlen met elkander, bijvoorbeeld (...) Bedeen medeen, met een. Bestelle mostelle. Karbonade karmena. (De Bo, Westvlaamsch Idioticon, 1892)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 02-01-2008 - ... nao et vuurwrk waar der vur iederen ene lkkere vtte krmenaoj en vors brod

- De krmenaoj, de platte ribbe, de zult of krp, et zwoert n spk. Toe den hiel aon toe. Durreege spk n ballekebraaj. Et smdderptje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - krmən.i, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'krmenaei' - karbonade

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KARBONADE - k:rmənoə

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KARMENEI, KERMENEI zelfstandig naamwoord v. karbonnadei ook: KERMENAAI 

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - krmenaaj zelfstandig naamwoord, karbonade

 

Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945

 

 

krmes

zelfstandig naamwoord

kermis

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 97) toen kwaamde gullie lk jaor nor de krremes

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'kermisgaast' - kermisgast, kermisbezoeker
- Cees Robben - Al vur de Kermis aont zrge De Leuw..? [Over een vishandelaar die voor de Kermis haringen op potjes zet] (19640724)

- Dialectenqute 1876 - kerremiskroam

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - toen kwaamde gllie hier lk jaor nr de krmis

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: tis aaltij gin krmes, zi de begijn n ze sneej den appel in viere (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: meej Hasseltse krmes f rpel f lof ('49); de eerste zondag na 2 juli zijn de aardappels rijp om gerooid te worden. 

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'krremes'

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - 'Tilbrgse krmes is de grotste van et laand' (160708)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kƐrməs, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - kermis

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KERMIS (uitspr.: krrəmiis; te Antw.: karrəmiis), zelfstandig naamwoord v. en hier en daar Frans: kermesse.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - krmes zelfstandig naamwoord - kermis

 

krmes haawe

werkwoordelijke uitdrukking

kermis vieren

- Cees Robben - Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814)

 

krmespt

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ' krremespot' = dubbeltjespot - spaarpot in caf voor kermisgeld

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - 'De krmespt stlt meej die prze van teegesworreg nie veul mir veur' =... met die tarieven ...

 

krmessteel

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'krremessteel' zuurstok

 

krmesvrijer

zelfstandig naamwoord

kermisvrijer, vrijer voor korte duur

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ene krmesvrijer n ne mikken botterham zn etzlfde

 

Ill.: Thom - paeonia officinalis - pioenroos - kernillesros

 

kernillesros, knillesros

zelfstandig naamwoord

pioenroos (Paeonia), kornelisroos (Paeonia)

- WBD - (III.2.1:433) kernillesros = pioen (Paeonia officinalis), ook genoemd pioenroos, klaproos

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kərne'ləsr.s, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - Cornelisroos, pioenroos

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - CORNELISROOS (uitspr. cornelləsroes) zelfstandig naamwoord v. Pioen, Frans: pivoine

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kernillesrs' zelfstandig naamwoord - pioenroos

 

kernllie

zelfstandig naamwoord

uit het Frans: canaille

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "karnalje - une canaille"

- Informant Toine Raaijmakers - kernllie

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kreng, gemeen vrouwspersoon, helleveeg

- Ieder viswf is ng gin kenllie. - Ieder viswijf is nog geen kanalje.

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 't was zo kernaolies heet

- Cees Robben - Naa-nie entele.. kernollie... (19580802)
- Cees Robben - [Echtgenoot met blauw oog spreekt:] Ik zaag meej unne schiem desse sloeg, de kernollie... (19680920)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 02 23 - Gao mar z ge wilt kernaollie, / Mee ons liefde is t gedaon.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'knllie' - bazige vrouw

- WBD - III.1.4:109 'canaille' = ondeugende vrouw

- WNT - KANALJE, in den volksmond veelal KARNALJE 1) verachtelijke benaming voor het gewone volk, het gepeupel, het janhagel; 2) gemeen persoon Verbastering van Frans 'canaille'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kərna'li, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kernalie' - helleveeg (uitsl. v. vrouwen en bepaalde vrouwelijke dieren als geit en koe gezegd).

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - CARNALIE (uitspr. krnllə) zelfstandig naamwoord v. - boosaardig, slecht wijf, Frans: canaille

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kernollie' zelfstandig naamwoord - helleveeg

Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:

Knallie

 

'n Knallie is een strenge vrouw,

ze heeft veelal een harde stem,

haar eisen zijn zo zout als brem:

juist daarom staat ze in de kou.

krrad

zelfstandig naamwoord

karrad, kar(re)wiel

- Cees Robben - Zo zot as n kerrad (19600325)
- Cees Robben - Hij is van zn ge al z zot as n kerrad... (19660218)
- Cees Robben - Z zot as n kerrad... (19851220)
- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Over een losbol: - dies zo zt as en krrad!

Volledige bron: KLIK HIER

 

krreljon

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'krreljon' - carillon, klokkenspel

 

krrenemulk

zelfstandig naamwoord

karnemelk

- Frank Klaroen (= Willem van Mook); Nieuwe Tilburgsche Courant, Het wonder van pastoor van der Lee, 9 mei 1934 - het was weer vorsche kerrenemulk van boer Pikke uit 't Groenewoud.

- Frank Klaroen (= Willem van Mook); Nieuwe Tilburgsche Courant, Het wonder van pastoor van der Lee, 9 mei 1934 - Nog dienzelfden Vrijdagavond sprak half Tilburg over het opzienbarende wonder van pastoor van der Lee, die, ergens in 't Groenewoud, aan de Ley, het mirakel van Kana herhaald zou hebben, door wel geen water in wijn, maar dan toch in karnemelk te veranderen. En den volgenden morgen, reeds vroeg, zag men voor de pastorie van 't Heike, een gedrang van huismoeders, allen uitgerust met groote melkkannen, welke zij gevuld hadden met zuiver putwater, om het, op de beproefde manier, waarvan pastoor van der Lee het geheim kende, te doen veranderen in vorsche kerrenemulk.

 

krreseere

werkwoord, zwak

commanderen

uit Frans 'carrosser' en 'carrosse', koets, de koets besturen

- Cees Robben - Hij kerreseerde ze [de kinderen] naor bed... (19600219)

 

krresier

zelfstandig naamwoord

karossier, koetsier

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 12 09 - t Was nen echte krresier / Hl brd - veural van veuren - / Ze was netuurluk thuis dn baos / D liet ze dan k heuren.

 

krrevn

zelfstandig naamwoord

caravan

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 75 08 07 - "De brge op, de brge aaf / Mee unne krreven, / Ik z z blij as n kln knd / D'k wir in Tilburg ben."

 

krsbom

zelfstandig naamwoord

kerstboom

de t valt uit in de uitspraak, ook in Standaardtaal

 

 

krsemann

straatroep

waarschijnlijk om kersen te verkopen

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 28 - "Kersemannh, / Fn sappig en hl dikke.

 

Krsemes

zelfstandig naamwoord

Kerstmis

- Cees Robben -
t Wordt Kersemis... (19561222)

Bosch krsemes - Kerstmis

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KERSMIS en KERSEMIS (in 't Z. der Kemp.: kssəmiis) zelfstandig naamwoord mannelijk en niet v.

in de Kempen: kssemis; oudere vorm: Korsmes

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kersmes zelfstandig naamwoord - Kerstmis

► Krsemis

 

krsenbom

zelfstandig naamwoord

kersenboom

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: (ds ene goeje) ge kunt en zoo in de krsenbom zette ('73.) Gezegd over iemand die er haveloos uitziet.

 

krske

verkleind zelfstandig naamwoord van krs, kaars; kaarsje; met vocaalkrimping.

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''t kerske is bekaant uit d'n blaoker gebraand'

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - Zlang as men krske duurt

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'kairske'

- Dialectenqute 1876 - kerske

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "Kerske, kerske, over de been; al die daar nie over en kan, die wit er nie van. Kerske (op 3 koningendag over kaarsjes springend zingen de kinderen dit versje)"

- 't kersken is haost uit den blaoker gebraand; (Leo Heerkens; uit De mus (Piet Heerkens), Slaoplieke, 1939)

 

krsmid

zelfstandig naamwoord

wagenmaker, 'waogemaoker'

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - witte ginne waogemaoker/krsmid ?

 

krspor

zelfstandig naamwoord

karrenspoor

- Lodewijk van den Bredevoort; pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, 2007 - Daor neffe laag un krspoor.

 

krspringer

zelfstandig naamwoord

- WBD - karspringer (paard dat probeert uit het tuig te springen)

 

krstal

zelfstandig naamwoord

kerststal

st+st trekken samen tot st

- WTT 2013 - krstalle laawe - gaan kijken naar de kerststallen die in de Tilburgse parochiekerken bij het altaar waren opgezet, in sommige gevallen met levende figuranten.

 

kerstannie

zelfstandig naamwoord

kastanje

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra - mn zakke vol kerstannies en haozelnote

► zie ook kastannie

 

krstfr

zelfstandig naamwoord

kerstmarkt

van kerst en Engels fair (markt)

- Mocht meej naor de krstfr in De Vurste Venne in Drunen. (Jos Naaijkens; De krstfr; CuBra, ca. 2005)

 

krsvtplkke
zelfstandig naamwoord meervoud
plekken (vlekken) van kaarsvet
- Cees Robben - En kersvetplekke op oew jas... (19540703)
 

kerveeje
werkwoord, zwak
corvee doen
- Cees Robben - Bij unne gruntenboer kerveeje... (19560721)
 

kerwaaj, kerwaajke

zelfstandig naamwoord

karwei

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): karwaaike; 'kerwaaike'

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945 - SJAREL. Vergimme, des 'n kaoi kerwaai!

- Cees Robben - n Schn kerwaai (19600520)
- Cees Robben - Aon d kerwaai gevrukt... (19830401)

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Bij de miste kerwaaikes, wies ik er men ge aaltij wel ondert te draaie, omwaasse deej ik wel ot mar d blf beperkt tot afdreuge.

- WBD - III.3.1:400 'korveen' = karweien (onbetaalde arbeid verrichten aan de openbare wegen)

- WBD - III.1.4:356 'heel karwei' = last, moeilijkheid

eufemisme voor een reu die een teef zoekt

- Cees Robben - Mn hundje is weggelpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) t is n menneke... (19710730)

 

kesjt, kersjt

zelfstandig naamwoord

korset

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'kesjt'

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (moeder tegen haar dochter: )t motte teugeswoordig ammaol steppinnen zn, mar wij waren vruuger blij mee n kesjet mee blnen (17-08-1964)

- Cees Robben - n Kesjet meej blne.. (19640911)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - "De buurvrouw hee me k gevraoge / Zuukt is naor 'n goei kesjet

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kesjt'

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Ons moeder zi vruuger aaltij: Assik d ding tlaot, krg ikket allejizzus in menne rug, ze bedoelde der kesjet.

- WNT - KORSET. De bij Boekenoogen (corsietten) aangetroffen, thans niet meer als beschaafd geldende vorm korsjet (corchet) moet wellicht aan hypercorrecte, z.g. fransche, uitspraak worden toegeschreven.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kə(r)s't, zelfstandig naamwoord o. 'korsjet' - korset

 

kesjoe

zelfstandig naamwoord

rubber, gummi

verbastering van Frans caoutchouc

- Die bus hattie ok himmel zelf gemokt, en ze ree fn al daoverden ut dan in bietje mar d kwaam omdt er massieve kesjoe baande aan zate... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Is ie w aauwer geworre dan denkt ie vort hil den dag aon spulgoed, aon in spoortuutje, in kesjoe katsebulleke en zooal. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- WBD - (III.3.2:123) kesjoe bl, ktsembl = kaatsebal

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - CAOUTCHOUC (Fr.) 'katsu:' (of Frans: uitspr.) zelfstandig naamwoord m.

 

kesjt

zelfstandig naamwoord

cachot, gevangenis

- Audioregistratie 1978 - Toen zttenie [de pastoor] me daor in, in et kesjt, daoraachter de krk, ik n Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome not mir. (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kskedieje

werkwoord, zwak

inbrengen, te vertellen hebben

- WTT -  mogelijk uit Frans: Quest-ce quen dire? Wat zal ik ervan zeggen?

- Pierre van Beek - "Hij heej niks te kiskedieje!" - Hij heeft niets te zeggen; hij heeft niets in 't midden te brengen; hij heeft niets te commanderen; hij heeft niets in de melk te brokkelen. (Zou dit van het Frans komen? - Qu'est que dit?) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Cees Robben - [Man spreekt:] Ik heb thuis (...) toch niks te kes-ke-dieje... (19831209)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - "ge ht niks te kiskedieje" - je hebt niets te kiezen

- WNT - KEDIEZEN, KADIEZEN (kadijzen) - in Noord-Ned. ook kiskediezen, kieskediezen. Men heeft gepoogd deze woorden met Fransche klanken en vormen in verband te brengen (qu'est ce que dis?) doch zonder bevredigende uitkomst, 1) Op- of aanmerkingen inbrengen; 2) vitten, bedillen, berispen; 3) zeggen, gezag hebben, bevelen. Verbastering van Frans 'qu' est-ce-que ... dit' ? 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KISKEDIE (klemt, op die) zelfstandig naamwoord mannelijk - pronkzieke manspersoon (spotnaam op eenen manspersoon) KISKEDIEN (klemt, op die) - Ge het niks te kiskedien - niets te seggen, niets te bevelen.

Ed Schilders over kskedieje

 

kskenaoj kskenaode

►zie kaskenaoj

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - kskenaode - verbeelding

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kskenaoj - opschepperij (ook: kskenaode)

 

Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

 

ketaaw, ketaauw

zelfstandig naamwoord

getouw, weefgetouw

- voorbeeld systeemkaart Sterenborg - en aawerwts haandketaaw - een ouderwets handgetouw

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'nuuw ketaaw'; 'op 'n awerwets haandketaaw'

- Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Aaw Tilburg, 1938 - 'n Weeverke,

'n jong, vlug weeverke / al op z'n nuuw ketaaw

- Cees Robben - Uit t laand van ketaauwe en wol... (19580308)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 06 11 - D'n hlen dag aon oew ketaauw / 't Zwt drpt naor beneeje / Mar as't 'saoves geblaoze hee / Dan is 't ld geleeje.

- Audioregistratie 1978 - n toen was Drikka Kools, die wonde daor op de Ruudk waor naa Jan van Kempen wont in d ouw hs. n die ha daor en ketaaw, die was vort oud n dan moes ik daor gn wve nouwchd, chd, chd, hGin brod, gin gld, chd, chd, chd! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - De vaader van mn vaader, h, die zaat tuis meej en houtere ketaaw te weeve! Bij ons heej acht, achtien jaor en houtere ketaaw in huis gestaan!

- WBD - ketaawe (II:943) - getouwen; ketaaw (II:944) - getouw (ook: II:945)

- WBD - handketaaw/haandgetaaw (II:944) - handweefgetouw

- WBD - masjienaol ketaaw/getaaw (II:945) - machinaal weefgetouw

- WBD - brd getaaw/ bri-j ketaaw (II:945) - breedweefgetouw

stemh. spirant is stemloze explosief geworden

- WBD - buksketaaw/buksgetaaw/bukskinketaaw (II:947) - bukskingetouw

- WBD - ketaaw stlle/getaaw stlle (II:947) - getouw stellen

- WBD - spoelgetaaw/spoelketaaw (II:1031) - pijpenspoel

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoordo. 'ketaauw' - getouw, weefgetouw

 

Een weefgetouw van een Goirlese thuiswever - archief Pierre van Beek

 

ketaawbegeleiding
zelfstandig naamwoord
muzikale begeleiding door een weefgetouw
- Cees Robben - Den Sjef zingt goed... Mar t biste mee't ketaauw-begeleiding.. (19810313) [Milde spot van Robben op de zangkwaliteiten van wevers; thuiswevers kenden vele liedjes om de arbeid van vitaminen te voorzien; het geluid van het weefgetouw gaf de maat aan]
 

ketaawstller

zelfstandig naamwoord

getouwsteller, afsteller van het weefgetouw

- WBD - getaawstller/ketaawstller (II:948) - getouwsteller

- WBD - ketaawestller (II:948) - getouwe(n)steller

 

ketnt, kontnt

bijvoeglijk naamwoord .

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - content, tevreden

 

ketier, kertier

zelfstandig naamwoord - de ie is lang

kwartier

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): 'kertier' naast 'ketier'

- M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands - kwartier zn. een kwart uur; landstreek, stadswijk
Mnl. quartier deel van een geheel (...) Ontleend aan Frans quartier vierde deel (van een geheel) [13e eeuw; Rey] (...) De betekenis kwart uur is in het Nederlands ontstaan als verkorting van de uitdrukking een kwartier uurs, ouder een quartier uers [ca. 1500; - WNT - toeven].

- WBD - III.4.4:2 'eerste kwartier' = eerste kwartier; 3 laatste kw. = idem

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kəti.jər, zelfstandig naamwoord o. 'ketier' - kwartier 1) vierde van een uur; 2) (vierde)deel van een uier; 3) verblijf.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KWARTIER - koti: zelfstandig naamwoord o., verkleinde vorm koti:kə

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAARTIER, KERTIER zelfstandig naamwoord o.- kwartier
1. tijdspanne van 15 minuten, vierde deel van een uur

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - ketier zelfstandig naamwoord - kwartier

- Dialectenqute 1887 Willems - kertier oover vve - kwart na vijven

1.1. In het gezegde 'Tilburgs ketierke' [korte ie]

geaccepteerde want gebruikelijke tijdsoverschrijding bij de aanvang van bijeenkomsten

- Piet van Beers Ndderhaand moete nie maawe: Nao 't gebrkelek "ketierke" (Brabants - A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - 1; z.j., ca. 2005)

- Stadsnieuws dialectrubriekje 17-09-2008 - En Tilbrgs ketierke duurt sewle wl en half uur

2. woning

- Uitdrukking: raauw ketier = huishouden van Jan Steen [Robben schrijft rouw]
- Cees Robben - Des me k n rouw ketier (...) alles lee schots en scheef en hars en dwars dur mekaare... (19840210)

- Gerard van Leijborgh Electriciteit", riep hij, dat heb ik nooit in m'n ketier gehad". (De laatste Tilburgsche huiswever 4, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)

3. de verdeling van de koeienuier in vier delen

- WBD - bddehaandsketier - linker voorkwartier van de koeie-uier

- WBD - vur de haands ketier - rechter voorkwartier van de koeie-uier

- WBD - aachterse ketier links - linker achterkwartier van de koeie-uier

- WBD - aachterste ketier rchs - rechter achterkwartier van de koeie-uier

4. deel van de week

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): int liste ketier zitte - op zwart zaad zitten (op 't eind van de week)

 

ketierke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ketier - de ie is kort
kwartiertje
- Cees Robben - n Stjf ketierke dur de Rt.... iets meer dan een kwartier door de Reit (19550716)
 

ktje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kat

katje

- Dialectenqute 1876 - 'n hundje en n ketje

 

ketoen

zelfstandig naamwoord

katoen

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "katoen - mar ze gaaf em katoen (hard werken, haast achter het werk zetten)"

- Interview Hermans - 1978 - want affktgaores op zichzllef die zijn van ketoen mar ge ht ok veel die gevrfd zn dt wol is, war..want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod fwl ene ketoenen draod.. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om het interview te beluisteren

- WBD - ketoen (II:872)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zo slcht as ketoen van ne cnt et l

- WBD - (III.2.1:271) ketoen = lampenpit

 

ketoor, ketorke

zelfstandig naamwoord

kantoor; met name de ruimte waar de bazen van de fabrieken zetelden.

- Interview met de heer De Kok (1978) dk op ketoor moes koome, dan zok daor op men soodemieter kregen, h. (transcriptie Hans Hessels 2014)

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

- Grot diktee van de Tilburgse taol 2007 - Ze wiere dan school- f ketoorjuffrouw

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kə(n)t.r, zelfstandig naamwoordo. ' ke(n)teur' - kantoor

 

Kts, de

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Kaatsheuvel

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de Kts en Lon, ze schooje den hnger n stooke den braand (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '65) - .... en steken de brand: (in K. en L. woonden veel stoelenmatters scharenslijpers en zwervers.)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de Kets n Lon, kaoj vlk, koaj laand, ze steele de kst n steeke den braand ('82)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: de Kts n Lon zn ene gaddome ('82) - ... zijn n goddomme (de inwoners vloekten namelijk veel)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 05 22 - De Kts die hee d'n Efteling / Den Bosch heej de Sint Jan/ Iederen kwaam steeds meej de vraog:/ n w heej Tilburg dan?"

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): en Kts - iemand die uit Kaatsheuvel kwam

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): de Kts = Karel Swagemakers

 

ktse

werkwoord, zwak

1 kaatsen - sport en spel

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kaatsen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'ktseblle' - kaatsen als meisjessport, c.q. -spel

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - ktse, kaatsen

2. afgeleid van 1; steentjes (stintjes) ktse

een kiezelsteen op het wateroppervlak gooien zodat de steen afketst op het water, liefst meerder keren achter elkaar

kltse

stintje ktse

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

ktsembl

zelfstandig naamwoord

► zie katsembl

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kaatsbal

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ktsembl

- un springtouw en un paor ketsebollen(Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - ktsebol

 

ktting

zelfstandig naamwoord

de draden die bij het weven in de lengte lopen; in tegenstelling tot de inslagdraden, die in de breedte lopen.

- Interview Hermans - 1978 - mar as ge ng van de veezel af irst et gaare moet spinne, war daarnaa ng verwrke tt ktting n inslag in de weeverij n dan ng es et stuk 54 meeter maoke.. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
- Interview Hermans - 1978 - Die ktting die was nat n die moes gedrgd wrren dan han ze ene paol op meej ene zwarte paol derop n dan stond er ammel spkers n pinne op n d was van dieje bridte n daor wier dan. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
- Interview Hermans - 1978 - Op de kreugel laag de ktting n dan wier zo, zo vr ast was, war, d wier daor ammel opgehkt toed de ktting daoroover ophong, toen wier ie gedrgd. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

KLIK HIER om het interview te beluisteren

- Audioregistratie 1978 - Onze vadder hoeveul, hoeveul stukke heej die nie gelmd!? Hdde gezien hoe ze die kttinge lmden, h? En die wrden dan bte gezt oover hil de straot, h. Die lngte van die ktting, want die wrd, die wrd dan gelijmd n dan moese ze buite drooge! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- WBD - III.1.3:261 'horlogeketting' = horlogeketting

- WBD - III.1.3.263: 'kettinkje' = halssnoer; 'halsketting = halssnoer

 

kttingkeeper

zelfstandig naamwoord

- WBD - II.4.873 Een keper waarvan het oppervlak (de "bovenkant van het weefsel") hoofdzakelijk door kettingdraden wordt gevormd.

kettingkeper : het type ktingkeejper, K 183 (= Tilburg) .

 

Scheren van de stof; 18de eeuw

 

kttingschirder

zelfstandig naamwoord

kettingscheerder

- WBD - II:989 - kttingschirder : de man die de handeling van het scheren verricht

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kttingschrder' - degene die de ketting maakt en boomt

 

kttingseten

zelfstandig naamwoord

- WBD - II.4.873 Satijn waarvan het oppervlak (de bovenkant van het weefsel") hoofdzakelijk door kettingdraden wordt gevormd.

kettingsatijn: het type ktingsatn, K 183 (= Tilburg)

 

ketuur

zefstandig naamwoord

van het Franse 'couture', zoals in 'haute couture'.

- Etalage, Tuinstraat 2023

 

Foto: WTT 2023

 

kf, kfke

zelfstandig naamwoord

kuif

- WBD -
haren tussen de horens van een koe, ook 'Kuif', 'trs' of 'truske'

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): Fien kf = (v.d. Mortel-Houben) (blz. 56)

- WBD -
III.1.3:271 'kuif' = kuif; ook: 'pleeborstel'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 52) kf - kfke

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - kuif

 

kke

zelfstandig naamwoord

kuiken

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974) - gezegde: Twaalf aajer en dartien kkes - een meevaller, buitenkansje

- WBD - kke, 'kkentje', 'kiepke' - kuiken

- WBD - kke - pas uit het ei gekropen kipje

- WBD - kuikentje, kieken, kieke, kiepke, tk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: alle kkes wrre gin kiepe (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '73) - niet iedereen groeit uit tot wat men van hem verwacht

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kuik' - jonge kip; verkleinde vorm 'kkske(n)'

 

keukebescht

zelfstandig naamwoord

keukenbeschuit

- A.J.A.C. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant, 5 dec. 1929 - keukebescht - Nou 'k daorvan spreek, schiete me ineens ok weer de keukenbeschuit van vroeger jaoren te binne nt s de bestellen veur de pap van 't kln. Die ziede ok zoow niemeer! Ws de tijd toch veraanderd, war! () Keukenbeschuit was vroeger algemeen gebruikelijk, zoowel voor gerecht bij de koffie als voor de keuken, bijv. voor het vervaardigen van gehakt. Deze had den vorm van een doorgesneden "St. Huibertbroodje", dat nl. de niet gedroogde keukenbeschuit was. Bestellen hadden ongeveer den vorm van een cadetje en werden hard gebakken met anijszaadjes erin. Het was een gekruid masteluinbroodje, en werd inzonder gebruikt om er pap voor kraamvrouwen en kinderen van te koken.

 

kl, kltje

zelfstandig naamwoord

kuil, ook voor bijvoorbeeld aardappels (WBD)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Tweej, drie daoge stonde ze zoiets den doj, den dojen in hs n dan brchte ze em wgj, d was de kl in!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

bij een kinderspel met knikkers

- Lodewijk van den Bredevoort; pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - Knikkeren, ofschon ik d nie z zaag zitten. Ge wiert er zo smrrig van, zeker bij kltje. Ge mokte dan un kltje in de grond en van un bepaolde afstand moeste dan knikkers, meej oewe vinger in d kltje schven. Wie d in de minste keren deej, mocht de knikkers allemaol hebben. Et kan zn det nie hillemol klopt, wk naa vertel, mar z waren de spelregels, geleuf ik.

- WBD - askl - ashok (bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven)

- WBD - rpelkl - aardappelkuil (ook in Hasselt)

- WBD - drinkeskl, Hasselt: drinkkl of drinkesgat - weterkuil (natuurlijke of gegraven kuil op het erf of op de weide, waarin men vee drenkt)

- WBD - voejerkl - spoelkuil voor groenvoer (kuil op het erf, voortdurend met (grond)water gevuld, waarin men het groenvoer voor de koeien spoelt of wast)

- WBD - mooskl, (Hasselt)s moowskl - zinkput (voor afvalwater uit o.a. de gootsteen); ook genoemd 'moosput'

- Cees Robben: Ik zit liever n ene viskl.

- WBD - III.1.2:72 'een kuil graven/maken; ook 'spaden'

- WBD - III.4.4:145 'kuil' = dal;

- WBD - III.4.4:178 'kuil' = vijver;

- WBD - III.4.4:179 'kuil' = poel

- WBD - III.4.4:170 'waterkuil', 'voederkuil' = vijver

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - kuil; verkleinde vorm 'klleke(n)'

 

kp, kpke

zelfstandig naamwoord

kuip

- Lodewijk van den Bredevoort; pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, 2006 - s Anderendaogs kwaam de slachter terug om alles [van het geslachte varken] in handzame porties te verdle en wier alles in enne kp, in de kelder, in de pekel geleej.

- WBD - beslagkp - beslagkuip (waarin moutmeel en water werden gemengd, in de brouwerij)

- WBD - klaoringskp - klaringskuip (waarin het aftreksel van mout en water wordt geklaard, in de brouwerij)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUIP (k:p) v - gezegd van het bovenste gedeelte van een ouderwetse preekstoel, soms met 'n toespeling op de kuip in de kelder waarin spek gepekeld wordt: 'n hil vrken in de k:p.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoordvr.- kuip, ook (schertsende benaming voor) dat deel van de preekstoel waar de redenaar in staat.

 

 

kper

zelfstandig naamwoord

kuiper

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): et kperke = H. Wilborts

 

ks

helemaal, finaal, totaal; mooi, gaaf, schoon, zedig, kuis

1. bijvoeglijk naamwoord

- Informant Ad Vinken; en ks waogetje - een mooie auto

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - en ks mdje - een mooi meisje

- WBD - (III.3.3:359) ks = zedig; ook: ntjes

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KUIS(CH) (uitspr.ks) - zuiver, rein, Frans: propre, in eigenlijken zin gebezigd. E glas kuisch water. 'Ne kuischen handdoek.

2. bijwoord

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ... Zonderling is echter het gebruik, 'twelk men hier van KUISCH adverbialiter, even als elders van 'schoon' en 'zuiver', maakt.

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): ks p - helemaal op (b.d. voedsel)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'ks op' finaal versleten

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kuisch - 't is kuisch versleten (geheel)"

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske, 04-11-2007 - 'Die broek is ks op, ze valt bekaant van oe kont.'

- Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007 - die stof is ks versleete...

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KUIS (k:s) bw - helemaal: k:s verslete.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijwoord 'kuis' - schoon, totaal, gans, heel en al.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kis' bw - helemaal, totaal

 

kt

zelfstandig naamwoord

kuit

1. lichaamsdeel

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'smr oew kte!' - Maak dat je wegkomt!

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'ktetikker, billetikker' - pandjesjas

- A.J.A.C. van Delft - "Hij heeft de kuitenlatten genomen." Dit is: Hij is op den loop gegaan. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

2. zaad van vissen

- WBD - III.4.2:77 'kuit' - kuit, ook 'zaad' genoemd of 'zaaiers'

- WBD - III.4.2:71 'kuit' - vrouwelijke vis; ook genoemd: 'kuitvis', 'vrouwtje'

 

keutel

zelfstandig naamwoord

keutel, uitwerpsel

- Pierre van Beek - Als men "voor de keutel gespeeld heeft, is men bedankt". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- Pierre van Beek - Evenzo zegt men dan: "Veur de keutel werken", of "Monnikenwerk doen." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- ...hij keutelde zo mar w aon... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Graot zene Krsmes )

 

Keutel-moer
toponiem - De locatie is niet duidelijk. Ketelmoer?
Cees Robben - (19570119)
 

keuter

zelfstandig naamwoord

boer met een klein bedrijf; keuterboer.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - aan een of anderen keuter

 

keuterstk

zelfstandig naamwoord

- WBD - (Hasselt) akkerstok (een (gevorkte) stok waarmee men mest e.d. van kouter en rister verwijdert tijdens het ploegen)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KEUTERMIK zelfstandig naamwoord mannelijk - stok met eene mik, dien de ploegers in de hand dragen om het kouter zuiver te houden; ook 'neersteker' geheeten.

 

keuvel

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.1.3:112 'keuvel' = kap van een lange schoudermantel (kovel)

 

kezn

zelfstandig naamwoord

neef; kozijn

uit Frans: cousin

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kezain - naif - neef"

- WBD - III.2.1:55 kozijn

- WBD - III.2.2:77 'kozijn' = neef

 

khm

samentrekking

ik heb hem

- Cees Robben - khem tegen t derde verzekerd [namelijk de auto] mar hij is nog alle riks werd.. (19681101)

 

khien

zelfstandig naamwoord

kin

- Cees Robben - K h n khaauw khien..... (19550212) [Robben imiteert in een winterprent met sneeuwvlokken en sneeuwballen de nasale uitspraak van een verkouden kind. De prent is ongetwijfeld bedoeld als een voorbeeld van het klankspel dat inherent kan zijn aan het Tilburgs, waarbij zinnen (woordreeksen) klinken als n, voor buitenstaanders onbegrijpelijk, woord: Khnkouwhkien.]

 

Kiosk op de Heuvel; prentbriefkaart; bron: Regionaal Archief

 

kiejs, kiejsk

zelfstandig naamwoord

kiosk

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En nt as op den Heuvel op de kiejsk ok aldaor heej vruuger ok ene kiejsk gestaon die muziek gaaf. Krvel presies inder! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

kieke, kiekske

zelfstandig naamwoord

kip

- WBD - kieke, kieken, kuikentje, kiepke, tk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens

- WBD - kiekske, kiepke, pieleke - vleinamen voor het kuiken

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEKEN is beter dan 'kuiken'. Alle verwante tongvallen hebben I, behalve het Neder-Saksisch en Hoogduitsch.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord. o. 'kieken' - kuiken (zolang het binnen de dop is); buiten de dop: 'pieleke(n).

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KIEKEN zelfstandig naamwoord. o. -jong hoen; Holl.kuiken; Frans: poulet; vkl. kieksken

 

 

kiekemedie

zelfstandig naamwoord

kwartel

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kwartel

WTT Ed Schilders 2012 - Coturnix coturnix; uit: De Nederlandse vogelnamen en hun betenis, Henk Blok en Herman ter Stege (1995): Betekenis wetenschappelijke naam: men neemt aan dat Coturnix een gelatiniseerde klanknabootsing is van de roep (de 'drieslag') van deze soort, met name van het mannetje. (...) Van de drie-lettergrepige kwartelroep zijn de volgende volksnamen afgeleid: Kuutjeblik (Gr), Kietkediet (ONB), Kikemedie (NB), Kwikmedit - in Engeland
Quick-me-dick - Hutte ke dut (NB) en Prutje-Dut (Ach).
► zie ook kwakkel (kwartel)

 

kiekkaast

zelfstandig naamwoord

kijkkast

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: et is en loze kiekkaast (Kn'50) het stelt weinig voor, het is een lege kijkkast

 

kiele

werkwoord, zwak

kietelen (zie WNT)

- WBD - III.1.2:105 'kielen' = kietelen

 

kielepietje

zelfstandig naamwoord

naam van een Tilburgse kruidendrank

- Afbeelding: Tilburg 2021

 

Foto: - WTT

 

kiem

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

preuts

- Cees Robben - Hij is z kiem assie grt is... (19690110)

kleinzerig

- Elie van Schilt; - Kwaamde jankend ths, dan was ut al gauw Verekte kwkert, ge moet nie z kiem zn,schaai t mee oe gejank. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

kieskeurig

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kiem - kieskeurig, inhalig (Belg-Limb., Brab.)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kiem - zuinig, kieskeurig

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEM voor kiesch, meest van spijs of drank; reeds bij Kiliaan. Z.a

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KIEM - bijvoeglijk naamwoord ., kieskeurig (iemand die pitst en pieliet)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord 'kiem' - 1) zorgzaam en spaarzaam met iets omgaand; 2) keurig (op spijs en drank en kleren)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KIEM bvw. - kieschkeurig op eten en drinken, vies op spijs en drank, weinig van eten zijnde; rustig, tam.

andere betekenissen

- WBD - III.3.1:197 'kiem', 'spaarzaam, benauwd' = spaarzaam

- WBD - III.1.1:254 'kiem' = gevoelig zijnde

uitroep

- Van Dale - kien - bij het lottospel: roep 'kien!' = ik heb de vijf nummers op 'n rij

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kiem - roepen de kinderen als ze bij het kienspel (lotto) een rijtje van vijf vol hebben"

- WBD - III.3.2:199 'kiem' uitroep bij bepaald spel, ook kien

 

kiemkaast

zelfstandig naamwoord

- WBD - kiemtrog (trog waarin de geweekte gerst tot ontkieming moet komen)

 

kiemoo

zelfstandig naamwoord

kiemoo

- WBD - I.4 lemma - Draadbreuk krijgen - Voor de herkomst en betekenis van kiemoo werd geen nadere verklaring gevonden. - een kiemoo spinnen: 'n kiemoo spinne, K 183 (= Tilburg), betekent dat alle draden breken, Swagemakers - Vos.

- Anoniem 1959

"Klosse over laote lope, / kimo spinne, pees te gappe, / 'k Wo jou allin mar zegge, / degge aachtermekaar aon kunt stappe." (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

- Willem van Mook Kimo: Draadmakersjargon voor alle draden stuk. (Nieuwe Brabantse novellen; 1970)
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - (textiel) als alle draden tijdens het spinnen gelijktijdig breken

 

kien, kieneke

zelfstandig naamwoord

kin

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Van Kees en Kee, 1941 - En ze kregen 'n lekker Trieneke / mee een kuiltjen in d'r kieneke.

- Ammol en Zaolig Nuuwjaor mense/ wns ik oe gre nt begien/ mee et vt van de olliebolle/ n vant knn ng n men kien. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van veurenaaf aon)

- Zuster Willemien heej un gotje in der kien, heej un gotje in der gat,
raoj, raoj wat is dat. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD - kienktting - kinketting (die onder de kin van het paard doorgaat) (Hasselt)

- WBD - III.3.2:199 'kien' = idem (spel), ook 'kiem'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kin, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kien' - kin (welke laatste vorm ook voorkomt).

 

kienekeschteg

bijwoord

kinderachtig

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Doe naa is flink! Ge doeget toch z kienekeschtig (13-07-1966)

 

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

 

kiendje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van knd

kindje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kiendje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - twee kiendjes ds krk genoeg

- Cees Robben - t Kribbeke... mee d kln kiendje er in... (19561222)
- Cees Robben - t Kiendje isser... God zij daank (19600422)
meervoud
- Cees Robben - De kiendjes zn naa wir tevreje... (19541204)
- Cees Robben - Ik zie mn selotte en peekes al staon/ Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)
- Cees Robben - Komdom daaier zuute kiendjes..? (19540417)
- Cees Robben - Want de kiendjes zen z braaf... (19571207)
- Cees Robben - Wel honderd kiendjes blij en goed (19600826)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - et kiendje was dod vurdset ksse dope

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: en kiendje wigen eer et gebooren is ('71.) Je moet niet ergens over beschikken voor je het gezien hebt.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ge zot er en kiendje van krge - je zou je geduld erbij verliezen

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - irst et kiendje zien, dan pas wiege - eerst zien en dan geloven

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Als verkleinwoord werd 'kientjə' (dus met ie!) opgegeven in: Klundert, Cromvoirt, Hilvarenbeek, enz. (Hierbij wordt Tilburg verzwegen.)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kinəkə(n), zelfstandig naamwoordo. 'kienneke' (< kindeke) kinderachtig persoon.

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kiendje Jeezus = kind v. onbekende vader (blz. 91)

- Dialectenqute 1887 Willems - III.2.2:3 'kindje kopen' = zwanger zijn

- WBD - III.2.2:7 'een kindje krijgen' = bevallen

- WBD - III.2.2:9 'kindje' = baby, zuigeling; ook 'kleine'

- WBD - III.2.2:37 'kindje' = kind

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - D nukt de baoker nie, ast kiendje mar gezond is - hoe het afloopt,speelt geen rol: het resultaat telt (190206)

- Grot diktee van de Tilburgse taol 2005 fdtter wl genog kiendjes wiere gemkt

 

kiendjeskoperij
zelfstandig naamwoord
het kopen van kindjes
- Cees Robben - Vur ziekte.. kiendjeskperij/ of omgevallewet (19600701)
 

kienebak
zelfstandig naamwoord
kinnebak; deel van de varkenskop dat door de slachter apart kon worden afgesneden
- Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205)

 

Schilderij van Edgar Hunt - 1909

 

kiep

zelfstandig naamwoord

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kiepe (plur.) is (naast 'kippe) reeds bijna overal het gewone woord (blz. 163 en krt. 93)

1 kip

- WBD - kip, (in de Hasselt) ook 'hn' genoemd

- WBD - kiepke - kuiken

- WBD - kiep, tiet tiet tiet, tie tie tie - roepwoorden voor de kip 

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kip, resp. ki.p - lokwoord of roepnaam voor kippen: kiep kiep kiep! kɪp resp. kip zelfstandig naamwoordvr.'kip' resp. 'kiep' - kip

- Cees Robben - van mn kiep... (19540417)
- Cees Robben - n kiep of tien (19670922)
- Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose... (19550312)

- Cees Robben - Ik wil oe niet veraffronteere en zegge degge unne dief zd... Mar ik raok wel al mn kiepe kwd... (19790713)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - as de kiepe ne zaandvoogel zien, dan wrre ze bang

- J, ik kook de kiep aaltij irst, dan wr et vles beter gaor en hk meepesaant soep. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kiep zelfstandig naamwoord - kip

Verkleinwoord: kiepke

figuurlijk: kind op de 'bewaarschool'; in de 'kiepkesklas'

- WBD - kiep, kiepke - vleinamen voor de kip

- WBD - kiepke, kieke, kieken, kuikentje, tk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens

- WBD - kiepke, kiekske, pieleke - vleinamen van het kuiken

- Vruuger noemde ze n kiep ok n tiet of n tieteke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

...de haontjes zijn wel 'ns laastig veur de kiepkes, mar as ze d'r nie zijn, of al te weinig, dan is 't ok nie goed, d snapte! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)

- 't Is 'ne schoone nist kiepkes, d-d-ist! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

Samenstellingen

- WBD - kieperoest - kippenzolder

- WBD - kiepehk, kiepekooj - kippenhok (Hasselts: kiepekooj)

- WBD - kiepern, (Hasselts:) rn - kippenren (buitenverblijf voor kippen)

- Et rook der naor kiepesoep, dcht ik en d hak goed gedcht. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Uitdrukkingen e.d.

- Cees Robben - Aanders maokte nog gin kiep/ k al hedde kilos vren... (19580719); niets presteren:

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006); 2020 - Iemand met wie je niks kunt beginnen: - daor kunde gin blnde kiep meej vange!

Volledige bron: KLIK HIER

- Cees Robben - Meej daauw kiepen de maand in... (1620921) [een vrouw die vrijgezel blijft]
- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): En zwarte kiep leej k aajer. - Iemand die minder goed bekend staat, kan niettemin goede eigenschappen bezitten. (Tilburgse Taalplastiek 131)

- Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): doen w de kiepe nie kunne - urineren, wateren

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - as en kiep leej, stao se - als een kip legt, staat ze; Een geregeld leven geeft veel rendement.

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: vruug p n meej de kiepen p stk, d zal et em nie verlieze (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '6?) [onleesbaar]

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: en verstaandege kiep leej ng wl es en aaj in de danneetels ('72)

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: as de vs oud wrdt, daanse de kiepen p zene rug (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '69) - een oud mens verliest energie en gezag

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - as de kiepe schle reegent et nie lang

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - as enen boer kiep it, is den boer ziek f de kiep

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - En kiep is gin mus, en klap is gin kus, n en scheet kan nie in en peeperbus - Alles heeft zijn eigen aard en moeilijkheden (180508)

- Op kiep zetten: bezwangeren - Waar is dieje Russischen haon, die heur op kiep heej gezet? (Tony Ansems, Kaka Diedel Dee; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

- Vruuger noemde ze t mansvlk ok wl vrrekes. Naa, as dieje vnt nr de durskes van plezier ging, ge wit wl wk wil zgge, dan zinne ze dttie gin kiep hield mar wl aajer ging eete. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

kiepeboer

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - Liefhebbers van de hoendersport zijn "kiepenboeren"; (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

kiepebrst

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.1.2:377 'kiepenborst(je)' = kippenborst

 

kiepedrfke, kiepedraf

verkleind zelfstandig naamwoord, samentrekking van kip en draf; de manier waarop een kip loopt

- Piet Heerkens; uit: Dn rgel, 't Leeve, 1938 - al sukkelend op 'ne kiependraf.

- Piet Heerkens; uit: Brabant, Stokperdjes, 1941 - sukkelend op 'ne kiependraf...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 01 15 - 'n Zaoterdag kwaam ons kln Sjefke / Naor huis toe op 'n kiepedrfke

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Ge zt n zeeverkiep en ge lpt op n kiepedrefke; den grtste braand is er wel aaf. (04-07-1969)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - snelwandelen

- WBD - III.1.2:125 'op een kiependrafje lopen' = op een sukkeldrafje lopen; ook: 'op een drafje lopen, 'op een schokje lopen'

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Toen ik em riep, kwaam den oober op en kiepedrfke nlope (250806)

- WBD - III.1.4:213 'kregelig' = wrevelig

- WBD - III.1.4:214 'krikkel' = lichtgeraakt, kregel; ook 'krikkelig'

- WBD - III.1.4:228 'krikkel', 'kregel' = driftig

 

kiepegaarst
zelfstandig naamwoord
gerst; hier als voer voor kippen
- Cees Robben - Gin ochtendvoer of kiepegaarst (19670922)
 

kiepekoj, -kt

zelfstandig naamwoord

kippenkooi, kippenhok

- WBD - 'kiepehk, kiepekooj - kippenhok; (Hasselt): kiepekooj

 

kiepekors, kiepekors
zelfstandig naamwoord
kippenkoorts; bepaalde ziekte van kippen; overdrachtelijk: de zenuwen
- Cees Robben - k Kreeg de kiepekrs vant wochte... (19560714)
 

kiepere

werkwoord, zwak

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - doelverdedigen (voetbal)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kiepere ww - kieperen, vangspel

- WNT - KIEPEREN (oorspronkelijk gewestelijk) 1)vallen, tuimelen; 2) gooien, smijten

 

kieperegoe
zelfstandig naamwoord
kippenragout
- Cees Robben - [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)
 

kiepesoep

zelfstandig naamwoord

kippensoep

- Cees Robben - [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

 

kiepestront

zelfstandignaamwoord

kippenstront

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Smlt in oewe mond as kiepestront Het is net zo zacht als kippenstront.

 

kiepke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kippetje, kuikentje

- Informant Ad Vinken; kln kiepke - kleuter (vgl. kiepkesschool)

verkleinde vorm van 'kiep'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kipkə(n), zelfstandig naamwoord o. 'kiepke' - kuikentje

 

kiepke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kiep
kippetje
- Cees Robben - Tiest Vermeeren haoj n kiepke... (19560428)
- Cees Robben - Tien kiepkes asteblieft... (19570323)

 

kiepkesschool

zelfstandig naamwoord

bewaarschool

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - In de twidde klas van de kiepkesschool kwaam ik bij zuster Bernadette te zitten.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 08 15 - Mar vleejjaor op de kiepkesschl / Zaat k bij n hl schn mdje.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier,  57 09 13 - 'k Gao niemir naor de kiepkesschool / Waor ze mar matjes vlechten / 'k Gao naauw naor de Fraters toe / Ds pas n school, n echte.

- WBD - III.3.1:445 'kipkesschool, kipkesschooltje' = kleuterschool

 

kierve

verleden tijd meervoud van krve, kerven

't Wier herfst, 't wier wenter, 't weer wier guur

en rauwe wende kierve

mijn teere zieltjen uur nao uur

en al de blumkes stierve...

(Piet Heerkens; uit De knaorrie, Toen en na..., 1949)

kierze

dooddoener

betekenisloos

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Je afvragend waar pa en ma die dag of avond naar toe moeten: nr hdde, kierze plukke!

Volledige bron: KLIK HIER

 

kiesje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

verkleinde vorm van 'kiest'

► kiest

 

kistje; soldatenschoen

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?): kiesje

- Cees Robben - in n kiesje gestopt... (19551119)
- Cees Robben - ... dan lig ik in mn kiesje... (19600916)
- Cees Robben - Aleen mar verlet naor ennige stessel-kiesjes... (19720414)

- We droege unnu lampion, of een kiestje meej n keers... (Tony Ansems, Drie koningen; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kiesjes - soldatenschoenen

 

kiespnt

zelfstandig naamwoord

kiespijn

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "ik kan oe missen as kiespent (pijn)"

 

kiest, kiesje

zelfstandig naamwoord

kist, kistje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kiest- kiesje

kist, opbergmiddel, verpakking

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont), in: Groot Tilburg 1941 -  CuBra) n oerdegelijke kiest () van duims hout, laankwerpig van model

haverkist

kist waarin haver werd bewaard om geiten mee te voederen

- Dialectenqute 1876 - hoaverkiest

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 11 08 - Ha kln Sjefke van onze Sjef / 'n Nuuw fietske gekreege. /  / As 'nen bok op 'n haoverkiest / Is ie 'r op gevlooge.

lijkkist

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 74 02 07 - Mar agge mee 'n honderdfftig / De maacht over oew stuur verliest, / Hdde 't gaasthuis niemir ndig / Dan krgde 'n houtere kiest.

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - As vruuger ne meens dod was, dan stond dieje meens, die stond in hs in en kiest n dan stond ie vur et raom n dan kosse de meense van bten et raom, koste, koste gij nr den doje stn te kke!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

mottenkist

kist waarin kleding werd bewaard werd en met mottenballen werd beschermd tegen slijtage

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 69 11 06 - Ze hee toen munne blaauwe kiel / Uit de mottekiest gehaold.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 04 02 - t Schaotssezoen is wir vurbij / De zers gaon in t vet / De wollen trui wordt vur n jaor / In de mottenkiest gezet.

sigarenkist(je)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - wggeefkiesje - speciaal kistje sigaren om (anderen) te presenteren

timmerkist

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 06 14 - De vurrige keer wasset 'n kiest / Mee timmer-matriaol / Ze zee: "'n Meens die't zellef doe / D is mn ideejaol."

tapkast

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 04 01 - Ze stonden n d'r stamkeffee / Tegen de kiest te leunen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 09 28 - Ks stond zunne gal te spierse / Bij z'n nutje aon de kiest.

figuurlijk gebruik

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kist, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'kist' resp. 'kiest' - kist; ook: dikke, plompe kerel.

 

kieste

werkwoord, zwak

kisten

- Lowie van Dorrus Misters; De timmerman, die de doodskist had mogen maken, verzorgde ook het kisten, d.i. het in de kist leggen van het lijk. Kleine kinderen werden, als zij in het kistje gelegd waren, door de jongste meisjes uit de buurt versierd met blaadjes en bloempjes. Voor deze versierselen waren er bepaalde winkels, zoals Cato Becx tegenover het Willem II-monument. Tegenwoordig is in hetzelfde huis het caf Otten gevestigd. Voorts was er de firma Jansen-Gram in de Zomerstraat bij de Markt. Nu zijn ook nog in hetzelfde pand gevestigd de firma's van de Linden, groentenhandel, en Van Zantbeek, kachels en haarden. Op het Goirke hadden we de dames Vos in het pand - of er naast - waarin nu de firma Jac. de Kort-van Leeuwen haar zaak heeft. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 Doden-cultus van eertijds; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-11-1950)

 

Opdruk op cadeauverpakking voor drank - te koop (december 2021) bij Ollie's & Brandstore, Tuinstraat 106, Tilburg

 

kiet

zelfstandig naamwoord

kiet, huis

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Ze vchte mekaar de kiet t Ze vechten elkaar het huis uit

- Informant Ad Vinken; keet; minachtend voor huis of andere ruimte

- Informant Ad Vinken; hil de kiet stao ooverhop

 

kiet

bijwoord

gelijk; uit het Franse quitte

- WBD - III.3.2:35 - kiet speule = quitte spelen

 

kietele

werkwoord, zwak

kietelen

- Mandos & Van de Pol; De Brabantse spreekwoorden: ge moet oewge kietele, en aander doeget nie ('87) je moet jezelf trakteren

 

kietelkaaj

zelfstandig naamwoord

kiezelsteen

- In Oel of op de Paddewaaikes/ Aachter d'Porkes mee kietelkaaikes; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Krats, onbekende schuilaan; uit: Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926 - Onder hartverscheurend gejeremias drukte ze de zakdoek onder de neus want ze bloeide dood. Uit het snikkende relaas kon Mieke distilleren dat ze mee d'r toet op innen grooten kietelkaai was terechtgekomen!

- ...en gooiden nie al te veul kietelkaaien... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)

- over zaand en kietelkaaikes... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Rikketikketik, 1941)

- Cees Robben - Unne grte kietelkaai... (19570119)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - meej dieje kietelkaaj kunde fn schierve - met die kiezelsteen kun je fijn keilen.

- Beton ? De bestao uit kietelkaaije, zaand en sement! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- ...en ik ha al zveul in men broekzakken. Elastiekskes, schon gladde kietelkaaikes, schroefkes en spkers, ze kosse aaltij te paas komen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- We vonden onderweege k allemol leuke kietelkaaikes... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Toen zaag hij ineens ene kietelkaai... (Tony Ansems, Kaka Diedel Dee; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

- De ftelingse stene/ f de Amersfoortse kei,/ die zn der vergeleeke,/ zoas ik et hb bekeeke,/ mar kietelkaajkes bij. (Henritte Vunderink, Kaajgaaf, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

- WBD - III.4.4:173 'Kietelkei' = kiezelsteen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEZEL-KEIJEN noemt men hier de steentjes, elders in ons Vaderland kezel-steen, kiezel-steen, en kittel-steen genaamd.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kietelkaaje zelfstandig naamwoord, kiezelstenen

 

kietelpinkstere

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - sint-juttemis

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske, 22-11-2006 - Ds nie zonne vlotte, hij zal meej kietelpinkstere wl klr zn.

 

Kieviet, de

toponiem

indertijd buitengebied van Tilburg, westelijker dan t Zand; nu ingekapseld door de Reeshof

- Cees Robben - ...op de Kieviet aon. Naar de Kieviet. (19540227)

 

kieze

werkwoord, sterk

kiezen

- Dialectenqute 1887 Willems - kieze - kos - gekooze : ik kies, gij/hij kiest

 

kiezelgoer

zelfstandig naamwoord

- WBD - bierklaarsel (middel dat, in een brouwerij, aan bier wordt toegevoegd om dit te klaren)

 

kik

werkwoord, persoonsvorm, gebiedende wijs van ►'kke'

kijk

- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; Brieven van een Oud-Tilburger (1940): Hoe zuukte d te doen mee de slaoperij? O zizze, kom mar is mee, kik, eenen op den divan zizze, en guilie hierin, en daarbij wees ze op dr eige bed in dr eige kaomer, en ik gao nor bove zizze."

- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; Brieven van een Oud-Tilburger (1940): "Kik zittie: staode hier nog, k was oe vloore."

- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; Brieven van een Oud-Tilburger (1940): Kik, zittie, ge het toch dikkels genog geheurd desse praoten van luizen as kameelen.

- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; Brieven van een Oud-Tilburger (1940): ...en dan zin we: Kik naa daor! Daor gaon die kaole Bossenaers w deur waandele as ze schl kke van den honger...

- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; Brieven van een Oud-Tilburger (1940): kik naa, waor lkent d naa op?

- Lechim - pseudoniem van Michel van de Ven, ongedateerd knipsel, Tilburgse Koerier 196-1980: En dan zeetie: 'Kik, m'ne jonge,/ Ds 't schoonste gruun w Tilburg hee'
- Jo van Tilborg; Kosset d'n brne, 2007 - Kik, en hij laot ons zen haand vol bloed zien.

- Jo van Tilborg; Kosset d'n brne, 2007 - Kik, zittie dan, terwl ie naor boven ws...

 

kikkendril

zelfstandig naamwoord.

kikkerdril, kikkereieren, kikkerrit, kikkerschot

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): kikkendril - kikkerrit - kikvssendril - kikkerrit

- WBD - III.4.2:113 kikkendril - kikkerdril, 'kikvorsendrek', 'dril' ook genoemd: 'paddengedrek'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kikkendril

 

Raapstelen - kiltjes - Brassica rapa

 

kiltjes

zelfstandig naamwoord, meervoudig

keeltjes, Brassica rapa - meiraap

- Van Dale (raapstelen): jonge, gesteelde bladeren van de meiraap; gegeten als voorjaarsgroente; ook: 'stiltjes', 'keele'

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - jonge bladeren van de meiraap (Rapum)

- It oe kiltjes es op. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KELEN znw.v.mrv. - jong raaploof zonder knollen, dat men in t voorjaar als moes eet.

- J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - KEELEN - zeker moeskruid

 

kiltjesstamp

zelfstandig naamwoord.

stamp van keeltjes

►zie: kiltjes

 

kimme

erkwoord, zwak
- WBD - (van een paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, ook genoemd 'klaawe', (Hasselt) 'klawe'

 

Gravure van Jacob de Gheyn - 17de eeuw

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

 

kinkenduut

zelfstandig naamwoord.

kikvors - Rana esculenta; nieuwere benaming: Pelophylax lessonae

kink is een variant op kik, een klanknabootsing; zoals het WNT schrijft, lemma kikker: Eigenlijk: het dier dat "kikt", het geluid "kik" doet hooren

duut is een variant van 'puut', kikvors; zie lemma pt in het Oudnederlands woordenboek (online), en lemma puut in het Vroegmiddelnederlands woordenboek (online).

- 'n Kinkedut" beteekent zooveel als kikvorsch. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

- Kiliaen: puyt, Fland. Zeland. j. vorsch, rana; puyde, j. puyt, rana.

- Plantijn: puyt, vorsch, une grenouille, rana.

- Van Maerlant: Rana dat es die vorsch of die puut (Nat. Bl. VII, 836)

- Zie Middelnederlandsch woordenboek (on line) voor vele citaten.


Rana esculenta

 

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): kinkenduut

Met uitgesproken n (wegens volgende dentaal)

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kinkenduut - kikvorsch"

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Kinkenduut, mn bruurke, 1941 -

Kinkenduut, mijn bruurke,

kwaoker van beroep,

'k luister dik 'n uurke

naor oe rauw geroep.

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Oproep, 1941 - Er zaat eenen dikke kinkenduut / te kwaoken in 't lekkere waoter

- Piet Heerkens; Den aovend, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941 -

De koekoek koekoekt deur et hout

en wilde duifkes koere,

de kinkeduuten worre stout

en kwaoken in de moere

 

- Cees Robben - Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske, 27-09-2009 - Ik reej krk mee mene kreugel teege de kaajbaand ene kinkenduut kept

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

- WBD - III.4.2:110 kinkenduut - kikker, ook genoemd 'kikker', 'kikkebil' of 'broeknachtegaal', 'puit' of 'kinkvors'

- Ge ziet r veul veugeltjes, n saoves hurde ng wel s unne kinkenduut. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
- Ge moogt oewe schoen ztte, n de vllegede mrege waare de peeje nt aaw brod wg, n laager en spikmnneke in, f en marsepne vrekespotje, f ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

Detail uit de 'Leidse Taalatlas' kaart 'De kikvors' (nr. 58, 1937), opgesteld door Tonitte van Beusekom - Duidelijk te zien is het oranje hartje bij Tilburg dat op 'kinke(n)duut' duidt en dat nergens anders op de kaart voorkomt. Alle oranje ingekleurde tekens duiden op een naam die met 'kink-'begint.

 

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KINKENDUUT mannelijk - kikvors (Tilburgs?)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KAKKEDUUT zelfstandig naamwoord mannelijk - vogeltje, ook linnenweverken genaamd, dat kakkeduut! kakkeduut! roept (eene soort grasmusch).

- A.A. Weijnen; Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kinkenduut - kikvors (Tilburg)

- WNT - Kinkvorsch; KINKEN I: geluidnabootsend woord (VII:3093)

 

Ill.: Rolf Janssen

 

Twee gedichten van pater Piet Heerkens uit, en over, De kinkenduut (1940)

 

kip

zelfstandig naamwoord.

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kip - groote blikken kan, waarin men vroeger bij de boeren karnemelk ging halen".

 

kirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - keertje

 

kiskasse

werkwoord, zwak

klanknabootsing - het geluid van vlees dat gebakken wordt

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - As ik vruuger uit de naachtmis kwaam, stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen (10-01-1970)

- Cees Robben - As ik vruuger uit de naachtmis kwaam stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen... (19691212)

 

Kiske

eigennaam; Keesje

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - n Kiske de Paoter ok al, witte nie? En dan zaatie zo, hattie daor enen hillen hop knder rond em staon n dan zee, dan vroege ze: Paoterke, w komde gij hier doen?, ja, Jllie, jllie fkes plaoge, zittie n goed nr Onze Lieven Heer lstere!, zeetie dan! (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

 

kits

bijwoord

in orde

- Pierre van Beek - "Alles kits en 't keind hiet Jaoneke." Of: "Alles kits! de kachel op bed en de kleine in de kolenbak." Alles is in orde. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

- Cees Robben - Mar ast bijgeleet is, is alles wir kits... (19631122)

 

kitse

werkwoord, zwak
spuwen

- Henk van Rijen - we kitsten em in zene nk - we spuugden hem in zijn nek

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Grote lummels dnke d op de kaaje kitse stoer stao - Grote jongens ... (090610)

- WBD - III.1.2:254 'kitsen' = braken

- WBD - III.1.1:191 'kitsen' = spuwen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KITSEN onov.ww - braken, kotsen

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kɪtsə(n), 'kitsen' - braken, overgeven

- WNT - KITSEN (IX) klanknabootsende benaming voor: (vocht) straalsgewijze tusschen de tanden door uitspuwen.

 

kittel

zelfstandig naamwoord

ketel

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - ketel

- Dialectenqute 1876 - 'ktel'

 

klaacht

zelfstandig naamwoord

klacht

- Cees Robben - n Stille klaacht... (19580531)

 

klaaj

zelfstandig naamwoord

klei

- Dialectenqute 1876 - klaairrepels

- Die knikkers waren veur de rme lui, die waren gebakken van klaai. Agge der op gongt staon, per ongeluk, waren et k ineens gin knikkers mr. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) [bedoeld is de knikker die ►kaajscheut werd genoemd

- WBD - III.2.3:204 'klei' = niet doorbakken brood, ook 'klef', 'derf'

- WBD - III.4.4:155 'gele klei' = kwartszand;

- WBD - III.4.4:156 'klei' = zavel

 

klaajboer

zelfstandig naamwoord

kleiboer

boer die op kleigrond zijn bedrijf uitoefent

- Audioregistratie 1978 - In den orlog was d goud wrd, witte nie! Die klaajboere in de klaaj wast en n al kolzaod! En d brcht veul op! Der kwaam ast goej kolzaod was, drieduuzend kieloow van enen buunder! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

handelaar die met kar of wagen langs de deuren gaat om aardappelen te verkopen

- Elie van Schilt; - De gruunte en de melkboer heb ik al genoemd, mar dan hadden we ook nog de vis en de ksboer, de kolen en de klaaiboer, de klaaiboer kwaam mee erepel. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

 

klaank, klank

zelfstandig naamwoord.

klank

- Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Moedertaol, 1938 -

'k Steek men aawe breeje klaanke

noot meer onder stoel' en baanke,

'k zal oe zinge, stug en stoer,

klaor en open as 'nen boer!

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - p et Gurke waor de klaank zat, in de stad waor de staank zat (RL'53) - uitvaart en klokkegelui op het Goirke, waarna begrafenis in de stad

- WBD - III.3.3:85 klaank = klank van een klok, ook: ton, klkketon

 

klaavere

werkwoord, zwak
- WBD - III.1.2:165 'klaveren' = klauteren

... as aopen klaoveren ze tege die ketels omhoog... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Toen ik zo in de helft van Maai is op mn fietske was geklaoverd... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- De Peer h en goei nutje op/ n wo nr bd toe gaon/ hij klaoverde oover de trap/ kwaam bekaant boovenaon./ De liste treej was em te veul/ den afstaand was te grot/ hij laazerde bots-boem omleg/ n ie braak zene pot. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aaventoe liege maag...)

 

klaaw, klw

zelfstandig naamwoord.

- WBD - hoef van de koe, ook 'klw' of 'voet' genoemd

- WBD - klw - gedeelte van de huid dat een poot bedekte (II 594)

- Dialectenqute 1876 - klouw (au = ou in: blouw, grouw, klouw,...)

- WBD - III.4.4:17 'klauwlucht' = bewolkt

 

klaawe

werkwoord, zwak

- WBD - (van een paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, in de Hasselt 'klawe' genoemd, elders ook 'kimme'

- WBD - II.2.1:506) 'klauwen' = krabben van een kat; ook genoemd: krabben, krabbelen, kratselen

 

klabak
klanknabootsing
geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam
- Cees Robben - Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)
 

klabbttere

werkwoord, zwak

alleen aangetroffen bij Leo Heerkens; mogelijk samenhangend met 'klabots'; hoe dan ook een klanknabootsend werkwoord

- Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), n Weeverke schoot..., 1940 - En de spoelen [van het weefgetouw] klabetterden: retteketet / van krijg-de-colre, van retteketet...

 

klabots

zelfstandig naamwoord.

1. proppenschieter

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "klabots - vroeger kinderspeelgoed met elzenproppen"

- Et vrke t de kooi op de plots lokken. De slachter zette dan zenne klabots tegen de kop van et vrke, hij drukte em in en pang daor laag ie te spartelen. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD - III.4.4:252 'klabats', 'klawats' = hevige slag; ook 'klawemmes'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLABOTS, v. klapbus, proppenschieter, gemaakt van vlierhout

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - KLABTS, tussenw. en zelfstandig naamwoord 1) tussenw.: gezegd van het afschieten van een zwaar-geladen geweer. 2) zelfstandig naamwoord vrouwelijk klapbus, 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLABOTS zelfstandig naamwoord mannelijk - Versterking van 'bots', harde en doffe slag.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'klabts' zelfstandig naamwoord - proppenschieter

- WNT - KLABOTS (I) schietwerktuig, klakkebus, proppenschieter

2. snel reagerende vrouw

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "klabots - vrouw die wat snel van zeggen en doen is"

klanknabootsing; mogelijk uit klap en bots

- WNT - lemma KLABOTS II - Harde, doffe slag of val, bots.

- Cees Robben - Oew schtje kwaamp rejaol rcht klabots (...) op (...) den paol... (19630517) [voetbal tegen de paal van het doel.]

geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam

- Cees Robben - Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)

 

klad

zelfstandig naamwoord.

- WBD - III.1.2:241 'klad' = fluim, rochel

- WBD - III.3.2:265 'kladje' = restje bier, ook 'kwakje'

 

kladderwolk, kladderwollek

zelfstandig naamwoord

stapelwolk (?)

- De lucht zaat volgestaopeld mee groote kladderwolken, schots en scheef op mekaar, die hoe langer hoe dichter vaastgroeiden. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

klak

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.1.3:182 'klak' = pet; ook: 'klep'

 

klam, klamp, klammig, klamzig, klammes

bijvoeglijk naamwoord

iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen

ook: taaj, taai, week

- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klam & klamp frequent in Tilburg
- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammig - frequent in Tilburg
- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klamzig / klamsig Tilburg
- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammes zeldzaam midden Tilburg
- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klef frequent midden van het Tilb. [?]
- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - taai zeldzaam in het midden van het Tilb. [?]
- WBD - III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - week zeldzaam in Tilburg
- Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 3 - 't Begon stillekes aon te donkeren. Uit de klamme grond klom 'n blauwe nevel, die de bosschen dicht spon. (Nieuwe Tilburgsche Courant 23 oktober 1929)

- H.A. Sterneberg s.j. - Me trekken treurend deur ons bosschen,/ waor naoktgeplunderd klam en kil/ Och god, die 't nie ontloopen kossen/ nou boom bij boomke sterven wil. (Uit: Een busselke Braobaansch, 1932)
 

klampe

werkwoord, zwak
- WBD - III.4.2:56 'klampen' - grijpen door roofdieren; ook genoemd: 'vangen' of 'vatten'

 

Accipter nisus

 

klamper, klaamper

zelfstandig naamwoord.

naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J. Eigenhuis; 2004)

In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"

- H.A. Sterneberg s.j.; Een Busselke Braobaansch, uit: Vluchtende gedaachten, 1932 - 'Nen klaamper / die heej ze [de duif] vermoord, /
en nou dwerlen nog ennigte veeren; / die doen aon d'r denke' as
zo'n hil enkeld woord / aon gedachten, die noit niemir keeren.
- WBD - III.4.1:196 'klamper' - sperwer (Accipiter nisus), ook 'klampvogel' of 'schietklamperd' genoemd

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - as de kiepe ene klamper zien zn ze bang

- Cees Robben - Toen was't de beurt aon smellekes.../ Aon klampers en dn uil (19600708) (19600708)

- WBD - III.4.1:198 'klamper', 'klamperd' - buizerd (Buteo buteo buteo)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klampvogel, havik

- WNT - KLAMPER. In Vlaamsch Belgi de algemeene naam der dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken enz.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLAMPER zelfstandig naamwoord mannelijk -Algemeene benaming voor de dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken, enz.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klamper(t) zelfstandig naamwoord - sperwer, havik

- WBD - III.4.1:200 'klamper', 'klamperd' - torenvalk (Falco tinnunculus)

- WBD - III.4.1:200/201 'klamper', 'klamperd' - roofvogel (algemeen)

 

klamtrkke

werkwoord, sterk

- WBD - klam trekken (teken van drachtigheid van een koe)

- WBD - klamtrkker - klamvaars (drachtige koe)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLAMTREKKER mannelijk - koe die klam trekt, waarbij vocht uit de spenen komt ten teken dat zij drachtig is.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klamtrekər, zelfstandig naamwoord mannelijk 'klamtrekker' - maal die enige tijd drachtig is, zgn. 'gewonnen heeft'.

 

 

klander

zelfstandig naamwoord.

verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'

- WBD - III 4,2:158 lemma Kevers - De kalander (Calandra granaria, een snuitkever die in meel of graan leeft) heet in het Kempenlands Wb. 1 en het Noordmeierijs Wb. wemel.

- WBD - III 4,2:235 lemma Mijt - De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas.
mijt Tilburg
wemel zeldzaam in Noorden van Tilburg
kalander, klander Tilburg
 

klaoge

werkwoord, zwak
klagen

- Dialectenqute 1887 Willems - klaoge - klaogde - geklaogd

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Klaoge meej geznde ben.

- WBD - III.3.1:275 'klagen' = idem

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief  - klagen

 

klaoger

zelfstandig naamwoord.

klager

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - n klaogers gin nod, n zwtsers gin brod - geen medelijden met klagers en snoevers.

 

klaor

klaar

bijvoeglijknaamwoord, bijwoord

1. klaar, gereed

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - klaor te krge

- Cees Robben - En mee Possemis klaor... [namelijk het nieuwe kostuum] - (19550402)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ene mees moet vur zen vrou klr staon - de man moet zijn vrouw beschermen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ... vurd k kl(a)or z' (blz. 95)

2. helder; louter

- Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Naacht, 1938 - W-d-is den hemel naa toch klaor, /persies van glas, - 't is wezelijk waor!

- Cees Robben - Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

 Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - van waoter drinke krde ne klaoren hals - ... word je niet dronken

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - klaoren blom - duidelijkheid, heldere zaak

- Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter en dicht doen. En zo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- WBD - III.4.4:8 'klaar' = onbewolkt, ook 'helder'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLAAR (klaor) 1. bijvoeglijk naamwoord - gereed, voltooid; als nw-deel van hetgezegde uitsluitend; 2) bw.- louter en alleen, puur: 't is klaor boter.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klaor (krt.94); blz. 40: vocaalverkorting in 'klaor' (?) 

 

klaorbraoje

werkwoord, zwak

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - klaarmaken, presteren

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - W braojde me naa tch klaor? - wat flik je me nou? (200906)

 

klaore

zelfstandig naamwoord.

klare (heldere) jenever

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 04 09 - As onzen opa vruugertd / 'n Fleske Klaore kocht / Moes't van Jaansen op Kurvel zn / Gin meens die aanders docht.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 06 11 - Gift dieje meens 'n fleske klaore...

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - sinte Peetrus weende bitter, zi drnke Piet, dan zal ie k wl klaore gelust hbbe (Daamen - Handschrift 1916) zeispreuk

- Piet van Beers Sil... Haauw de bintjes strak: Eene raod z ik toch wille geven./ Vur d ge s'aoves slaope gt./ Vat dan unne goeie borrel klaore,/ tegen de wurrem en de mot. (With Love; 1982-1987)

- WBD - III.2.3:272 'klare' = brandewijn

 

klaormaoke, klrmaoke

werkwoord, zwak

klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd

met de vocaalkrimpingen conform maoke: mkte, gemkt.

- WBD - III.2.3 - Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen.

Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen.

Zie ook Opdkke, Opztte, Klaorztte, Tffel

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): klrmaoke

- WBD - 'klaormaoke' (II:948) - klaarmaken

- WBD - 'getaaw klaorztte ' (II:948) - getouw klaarzetten

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - ik zal et klrmaoke - ik maok et klaor

 

klaorztte

werkwoord, zwak

klaarzetten, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd

- WBD - III.2.3 - Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

Zie ook Opdkke, Klaormaoke, Opztte, Tffel

- WBD - 'getaaw klaorztte' (II:948) - getouw klaarzetten

- WBD - 'klaorztte' (II:999) - klaarzetten (v.d. ketting); ook: pztte of beume genoemd

- WBD - 'klaorztter' (II:948) - klaarzetter

 

klaovere

werkwoord, zwak
klauteren

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 09 29 - Jaon die klaoverde naor bve.

► klaavere
 

klaoze

werkwoord, zwak
- Informant Ad Vinken; stuntelen

alleen als infinitief gebruikt

waarschijnlijk afleiding van 'klaas' - onbeholpen persoon

- WBD - III.1.4:150 'klaas' = prutser

- WNT - KLAZIG = sullig

zelfstandig naamwoord

meervoud van klaos, klaas, hier: sinterklaas

- Cees Robben - Siendereklaos d is iemand/ die bang is vur niemand.../ Hij stao boven alle partijen.../ Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ D paast nie in deez dure tijen! (19541127) Met de tekening en klaozen verwijst Robben naar de ongewenste situatie dat er in Tilburg Noord en Zuid een apart sinterklaascomit was met ieder een eigen Sinterklaas.

 

klapbus

zelfstandig naamwoord.

proppenschieter

- WBD - (III.3.2:128) klapbus, klapbuks, klabots, propschieter = proppenschieter

 

klapfiets

zelfstandig naamwoord

bromfiets

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 65 04 09 - De bromfiets is n prachtig voertuig / Mar mee veul rijers is 't mis / Want die vergeten dt 'n RIJWIEL *) / Mee nen hullup-moter is. [ met als aantekening: *) In Tilburg zegge ze klapfiets.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 03 - Ons klapfiets laoten we op stal / We gaon is fn te voet

 

klaploper

zelfstandig naamwoord

klaploper; uitvreter

- WNT -  Eigenlijk: iemand die met een (of de) klap (lazarusklap) loopt, namelijk een biddend leproos of melaatsche; bij uitbreiding: iemand die op kansjes loopt, op profijtjes uit is, en vandaar (...) Iemand die het er stelselmatig op aanlegt om gratis de gast van vrienden of kennissen of van wien ook , te zijn, of om op andere wijzen om niet van anderen of hun goed te profiteeren. (lemma uit 1930)

 

Carnavals-sticker van vereniging De Klaplopers. Foto CuBra 2020.

 

klapmuts

zelfstandig naamwoord.

slaapmuts

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et klinkt nt f dgge meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot.

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot - et klinkt asf ... (Daamen - Handschrift
1916) - spreekwoordelijke vergelijking: het klinkt slecht.

- WNT - KLAPMUTS - naam van een hoofddeksel voor mannen; overdrachtelijk: iemand met een klapmuts

 

klappaaj

zelfstandig naamwoord

klappei, vrouw die veel kletst, babbelt; iemand die kwaadspreekt 

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "klappij of klappaai - verklikster"

- WNT - KLAPPEI - 1) Min of meer smadelijke naam voor een klapachtige, babbelachtige, praatzieke vrouw; een babbelaarster

 

klappe

werkwoord, zwak
klappen (in de handen)

- Informant Toine Raaijmakers - Klap et nie, dan bots et (mar) (uitroep: 'op hoop van zegen') 

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Klap et nie dan bts et (Daamen - Handschrift 1916) - raakt het niet dan botst het: stemt het niet overeen, dan stuit het maar.

 

klappees

zelfstandig naamwoord.

- WBD - legger (bep. gewrichtsziekte bij een paard), ook genoemd 'legger', 'gal' en (Hasselt) 'ligger'

 

klappere

werkwoord, zwak
doorvertellen; van klappen = praten

...die klapperde alles daolijk et drp deur... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; Nieuwe Tilburgsche Courant 19-11-1938)

 

klappinkere

werkwoord, zwak
kinderspel

- A.J.A.C. van Delft - "Willen we gaan klappinkeren?" vraagt een jongen voor een spelletje, dat elders "sjennien" genoemd wordt en in Loon op Zand "janejen" heet. Wil men deze woorden verklaren, dan zou het kunnen zijn, doordat het opgeklapte (opgewipte) houtje ja (j) of neen (nie) het doel bereikt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- A.J.A.C. van Delft - Een ander eenvoudig spelletje was het "klappinkeren" (elders ook "sjennien" genoemd). De attributen hiervoor bestonden uit een mooi sterk knuppeltje dat handig te hanteeren was en een tweede slechts 15 centimeter lang eindje hout, dat aan beide einden spits gesneden was. Dit korte puntige stokje werd in een schuin, ondiep kuiltje in den grond gelegd. Er werd eens flink met den voet op gestampt, zoodat het wat vastlag en met het knuppeltje werd met zekere handigheid en elan op het opstekende puntje geslagen, waardoor het "sjennie" door de lucht omhoogschoot en een heel eind verder belandde. Wie het verste zoodoende dit stukje hout door de lucht wist te doen slingeren, was de matador. De medespeler moest tijdens het spel den "klappinker" (het houtje sjennie) om te winnen in den kring kunnen gooien, waarin het kuiltje gemaakt was, doch hij mocht als handig slager ook tijdens het door de lucht vliegen den klappinker wel met zijn stok een terugslag geven. Als het reeds op den grond lag, mocht hij vandaar af ook den klappinker wel terugklappinkeren. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

klaps(e)

bijvoeglijk naamwoord, eponiem

- een gekweekte peersoort: 'Clapp's Favourite', wereldwijd populair geworden

- WTT 2012 - De peer die onder de handelsnaam Clapps Favourite bekend is, werd gekweekt door Thaddeus Clapp uit Dorchester (Mass) U.S.A. in 1860. Sinds 1867 verspreid.

- Cees Robben - Ik heb mlpre, suikerpre, juutepre en klapse... en dan hek nog Glse vringpre, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)

 

De 'klapse peer' heeft zijn eigen monument en wel in Dorchester, een stadje nabij Boston.

 

klapskoord

zelfstandig naamwoord.

- WBD - einde van het snoer van de zweep (voor een paard)

 

klapspaon

zelfstandig naamwoord

- Pierre van Beek - "Een tong als een klapspaan" (Lazarusklep) zegt men van een zegvrije of brutale vrouw. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

klapzaand

zelfstandig naamwoord.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - onsamenhangend, leemachtig geel zand

- WBD - III.4.4:151: 'klapzand' = stuifzand, ook 'vliegzand'

- WNT - KLAPZAND - een soort van zeer fijn zand, ook kwel-, loop- en welzand genoemd.

 

klapzuur

zelfstandig naamwoord

brandend maagzuur

- Pierre van Beek - zen ge et klapzuur wrke - z dat men er bijna bij neervalt (Tilburgse Taaklplastiek 173) et klapzuur krge

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 04 11 - As g'oew ge 't klapzuur zuukt...

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klapzuur zelfstandig naamwoord. - heel hevig, beroerd

 

klasjeneere

werkwoord, zwak

druk praten over gewichtige zaken, maar ook over zaken die slechts in schijn gewichtig zijn

verbastering van 'collationeren' - uit het Frans: collationner > met betekenisverschuiving naar 'babbelen', 'gezellig praten'

- WTT -  2012 - 'Collationner' heeft van oorsprong (ca. 1200) betrekking op de lezing die 's avonds gehouden werd tijdens de maaltijd van kloosterlingen, en de daaropvolgende bespreking van de voorgelezen tekst.

 

Begin van de Collationes van Cassianus

 

Het woord is gebaseerd op de Collationes (Gesprekken) van Johannes Cassianus (4de of 5de eeuw), geschreven in de vorm van gesprekken tussen kluizenaars en monniken. (Rey, Dictionnaire historique de la langue franaise; 1998)

- WTT -  2012 - de Tilburgse uitspraak is zeer uitlopend opgetekend.

Klasjeneere

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klasjenere - kletsen (nbrab.) = Frans collationner

- Naarus - Lst hak innen Bossenaer bij mn en daor hak gezellig mee kunnen klasjeneeren. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - meej de geminteraodsverkiezinge stonne ze op den Heuvel vur de kraant aatij oover den tslag te klasjeneere (070307)

- Piet van Beers De Aaw Warand: Mistal zn ' t de zelfde krels/ die ge klasjeneere ziet. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Klasjionneere

- Jaansen - Iederen dag waar ie er te zien en klasjionneerde druk op mee Pietjes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

Klassieoneere

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "klassioneeren - wij zullen 't soamen wel kl. (uit de war doen)"

Klassineere

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 12 01 - D'r wier geklassineerd, / Mee alle veur en tegens.

Klassionneere

- Jaansen - ...en d-t-er druk geklassionneerd wier... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)

Klasjonneere

- Jaansen - ...daor moeste em over heurre klasjonere! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

- Jaansen - "Goei dingen gebeure nie in eentweedrie van je hupsakee, meneer Petit, daor mot over geklasjonneerd worre... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)

Klazineere

- Kees en Bart, Tilburgsche Post ca. 1930 - 'klazineeren'

- Kubke Kladder - Na h'k 't daor meer dan eens meegemokt, d'k aachter 'n paor meskes liep, die druk on 't klazineeren waren - net as zullie d kunnen - zoo gewoon op z'n Tilburgsch en potdome z gaaw as ze in de gaote krege d't er iemand aachter hullie was, begossen ze ineens in 't "hoog Hollandsch" za'k mar zegge. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
- ...ik h daor [op de krantenredactie] w geklazineerd mee den redacteur (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Klazieneere

- Cees Robben - Heurt ze toch is klazieneeren... (19590228)

- Piet van Beers Parads: Waor meens meej mekaore klazieneere en toch ieder in zen ge wrde lot. (Het zeventiende boekje, 2010)

- Vunderink - W verderop en tffel, waoraon jongere meense stonne,/ die zoo te zien meej veul gebaor goed klazieneere konne. (Henritte Vunderink, Fist?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Klazjeneere

- Piet van Beers Hoe gaoget: We klazjeneere hil w aaf oover allerhaande zaoke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Andere bronnen

- C. - C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLASJENEREN onov.ww. druk redenerend en gewichtig praten over zaken van wereldbelang.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kla'sine.rə(n) zw.ww.intr, 'klassineren' - redeneren, kletsen, praten.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klazieneere ww - kletsen, eindeloos praten

 

klaviere
zelfstandig naamwoord, meervoud
handen
- Cees Robben - Laot die schaol (...) nie uit oew klaviere valle... (19690613)
 

kldderiedtse

werkwoord, zwak
kliederen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - knoeien

- WBD - III.4.4.209 'kledder' = dril, ook -dedder' of -druddel

- Stadsnieuws: D waar gin vreve wttie di, d waar mar en bietje kldderiedtse (291008)

 

kldderke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kldder

kleddertje, kliekje

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 in 2019 restje (van kooksel)

Voor de volledige lijst Klik hier

 

kled

zelfstandig naamwoord.

kledingstuk, kleed; uitsluitend voor vrouwen; in het bijzonder een jurk

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - kled, meervoud kleeje; Meej de Paose krgt ze en nuuw kled. - Met Pasen krijgt ze een nieuwe jurk

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 11 22 - Ons moeder zee: Ik z te jong / Vur 'n kld mee veul blt.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 08 09 - "N, wij zaate op Mejorka, / Alle daoge broeiend ht / Ons Aant liep rond in 'n kort bruukske / 't Was vuls te wrem vur 'n kld."

- Dialectenqute 1876 - w vur 'n kld haad de bruid oan? (zie opm. bij steene)

- WBD - III.1.3:63 'kleed' = jurk

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'kld' zelfstandig naamwoord - kleed, jurk

► kleeke, kler, kleraozie

 

Kleef

toponiem; de stad Kleef, gebruikt om gierigheid aan te duiden

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tisser ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb dan van de geef (Daamen - Handschrift 1916)

 

kleje, kleeje

werkwoord, zwak
kleden

- Dialectenqute 1887 Willems - kleje - kleedde - gekleed - geen vocaalkrimping

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kle.jə(n) zw.ww.tr. - kleden

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Kaaw/kouw, dr kunde oewge teege kleeje Tegen kou kun je je kleden

 

kleeke

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord
 ► zie kled, kler, kleraozie

1. (niet al te dure, eenvoudige) jurk

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''n helder kleejke'

- [Vrouwe] besteeje d'r advies veul liever aon 't koope van schoon kleekes en leuke huudjes. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 03 20 - Mar, w ziek, hee jullie Keeke / Naauw al wir n aander kleeke?

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 03 18 - De jongemdjes lpe wir / in kaokelbonte kleekes.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 05 26 - Ze docht: as ik mee m'n nuuw kleeke / Strak over d'n Heuvel gao / Dan lpe alle knappe jongens / Me vanges aachternao.

- Piet van Beers Nie gre stadte: n d schoon kleeke, d blft nog wl hange. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Ik weet ng, dk en schon nuuw kleeke droeg... (Henritte Vunderink, Bewaarschool, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

2. klein vloer- of tafelkleed

- Witte kleekes oover de tffels kunne der ok niemer aaf, mar we zinge wl liekes t en buukske. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)

3. textiel

- WBD - kleejke (II:937) - lattendoek (voor de wolmolen)

4. herenkleding

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLEKE(N) znw.o. - verkleinwoord van kleed. - Zwarte mansrok, kleed, pitteleer; Frans: habit. 'Kleed' gebruikt men nooit in dezen zin.

 

kln, klnder, klnst

klein, kleiner, kleinst

kln(e) als zelfstandig naamwoord 1

de kleine(n), de kleintjes, kleine kinderen, boreling

- Cees Robben - Jan.. wilde gij dn klne efkes unne vorse luur aonspeeten... (19691219)
- Cees Robben - Dn ijsco lokt klnen... (19580524)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Asser ene, ene klne kwaam hier f daor, onverschilleg, dan ging zon vroedvrouw, die ging er meej, h, omgewikkeld in den rem meej en paor (??) erooverheene n dan ging ze der meej nr de krk n dan wier zon kind gedopt n dan kwaam et wir ts!

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 01 31 - W d'aanders is t veur de kln / Die vnen sneuw vanges fn/ Verwochten m vol verlangen / Mar as ie n week gelegen hee / Gaoget slibberbaontje en de slee / Hullie k de kl uithangen.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik kcht vur de klne en trm; et is en klntje mar en fntje.

- WBD - III.2.2:7 'een kleine krijgen' = bevallen

- WBD - III.2.2:38 'een kleine', 'het klein' = kind

kln als zelfstandig naamwoord 2

het klein(e)

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (In de straat gehoord) (17-10-1966) - Ze zegge wellis: hij lkt op um as unne druppel waoter mar dr, hij is t gelk in ut kln (17-10-1966)

bijvoeglijk naamwoord

- Cees Robben - Dn klne man (19600422)

bijwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - we woone rm kln, zittie.

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ik z laoter getrouwd: mn knder zn klnder dan de jouw. (291109)

gezegdes

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'kln mar fn'

- WBD - III.1.1:10 'klein', 'klein van stuk' = klein van gestalte 

 

Kln Amsterdam

toponiem

Klein Amsterdam, volksnaam voor een volkswijk in Tilburg met de [huidige] Houtstraat als centrale locatie. Deze volksbuurt kwam aan het begin van de 20ste eeuw regelmatig in opspraak.

 

- Ingezonden brief aan Tilburgsche Courant, 5-1-1896 - Mijnheer de Redacteur, Ik verzoek u een bescheiden plaatsje voor het volgende : Sedert eenigen tijd heeft zich in klein Amsterdam" of daaromtrent gevestigd, de beruchte Stams, die, toerekenbaar of niet, geheel 't Goirke in rep en roer brengt. Donderdag-namiddag verwoestte hij bijna het geheele politie-wachthuis en werd daarna door een agent geboeid naar 't stadhuis gebracht. Ik vraag UEd.: is dat nu een doen , zoo'n woest sujet een half uur ver mede-slepen en de halve stad in oproer brengen? Zou het niet mogelijk zijn, dat aan geenen kant" een gevangenis werd gebouwd, of een huis gehuurd, dat werd ingericht tot cachot, onder toezicht van een veldwachter, dan zoude veel rust voor Veldhoven, Hasselt en Goirke ontstaan, vooral des Zondags. Mag ik dit den heer Commissaris ter lezing en overweging aanbevelen ? X.

 

1904 In de buurt Klein Amsterdam was Zaterdagmiddag de goeie vriendschap veranderd in gramschap tusschen een paar buurjongens, S. en v. d. L. Zij gingen elkaar te lijf en sloegen elkaar gaten in het hoofd. (Tilburgsche Courant, 31-3-1904, volledige bericht)


1905 - Zaterdagavond werd de gemeente-politie te hulp geroepen in de Houtstraat alhier, z. g. Klein Amsterdam waar een viertal slungels in de herberg van F. meer kabaal maakten dan de welvoeglijkheid toelaat. De politie dreef hen de herberg uit, doch nam tegelijkertijd n hunner den bekenden G. S. in arrest wijl deze eenige oogenblikken te voren met een stok zekeren J. E. zoodanig op het hoofd gebeukt had, dat de man in het politiebureau aan de Veldhoven moest worden verbonden. (Nieuwe Tilburgsche Courant, 27-3-1905)


1908 - Stroopers gearresteerd. Een tweetal politie agenten op surveillance zijnde in Klein Amsterdam slaagden er daar in eenige stroopers, waarvan een in 't bezit van een geweer terwijl zij op de duivenjacht waren, te verrassen. Proces verbaal is opgemaakt. (Nieuwe Tilburgsche Courant 7-12-1908 volledige bericht)


1911 Levensgevaarlijke verwonding - Een nieuw drama, het tweede binnen een week tjjd komt weer een huisgezin in diepen rouw dompelen en oneer doen aan den naam onzer goede stad. Gisterenavond te 8 uur omstreeks is zekere P. Geboers, huiswever, oud 59, wonende in de Houtstraat, een buurt bijgenaamd Klein Amsterdam, door J. M. Versteden, straatmaker wonende in de Prinses-Sophiastraat, met een mes in den buik gestoken, zoodat hij levensgevaarlijk verwond werd. Hedenmorgen was de toestand van Geboers nog steeds uiterst zorgelijk, zoodat voor zijn leven gevreesd wordt. (Tilburgsche Courant 19-12-1911)

 

klnklutjesmrt

zelfstandig naamwoord

markt voor kleine kinderen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - kindermarkt tijdens oranjefeesten

 

klnmanne

zelfstandig naamwoord meervoud

kinderen, zowel jongens als meisjes

- Och jao, ge moet de kln manne allis iets geve asser om vraoge (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de klnmanne zn nie geboore om de grote in der kont te kke

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - 'de klmanne bleeve de mister veur'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLEINMANNEN (klmanne) - kinderen (zie blz. 56)

 

klnpielekesweer

zelfstandig naamwoord.

koud weer

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske 03-01-2010 - Schotse n klnpielekesweer gao mistal saome - Als je kunt schaatsen, is het meestal koud; dat is in bepaalde situaties niet zo handig.

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - koud weer

 

kler

zelstandig naamwoord meervoud

kleding, kleren

ook 'klere' komt voor

► zie kled, kleeke, kleraozie

- Hij [de pastoor op de preekstoel] h 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij w eigenlijk zeggen d 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
- ...zonder fatsoenlijke kleer' aon 't lijf in et waoter te ligge! 'nen Meensch is toch ginnen visch. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
- ..[ik] trok m'n Zondagsche kleer' aon... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; Nieuwe Tilburgsche Courant 24-2-1940)
- En 't waar 'n schoon duifke in d'r witte kleer' en ze zong as 'nen nachtegaol! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938)
-En kleere! Ammaol van d spinnekoppe-goedje, floddertuig, slap en dun! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)

- Cees Robben - kost en kleer. (19540213)
- Hein Quinten; Tilburgse spreuken; ca. 1990 - Un goeij stuk kleer zal nie zo gaaw lebbere...

 

kleraozie

zelfstandig naamwoord.

klerage, klerenDialectenqute 1887 Willems - III.1.3:1 ' klerage' = kleren, kledij

► zie kled, kler, kleeke

- "Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon." (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kliraozie'

- Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade.../ De kleeraozie... de seklade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.]

- Van Dale - klerage - (gewestelijk) kleren

- WNT - KLEERAGE zie 'kleedage' KLEEDAGE - met overgang v. d. intervoc. d tot j: klee(j)age, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - 1) Coll. benaming voor kleeren, kleedij; 2) Met dez. bett. zeker jongere, populaire bijvorm KLEERAGE, zeer gewoon in vele dialecten.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLEERAGE (uitspr. kliereuzzə) znw.v. - kleeding

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kle'ra'zi zelfstandig naamwoord vrouwelijk klerazie - klerage, kleren (in collectieve zin)

 

kleever, klver

zelfstandig naamwoord

klaver

de uitspraak varieert tussen [kleever] en [klver] zowel voor de plant als de kleur in het kaartspel

1. klaver (plant)

klaver, veldklaver (Trifolium)

Meer dan 300 soorten uit het plantengeslacht Trifolium. De botanische naam Trifolium verwijst naar de bladeren, die meestal uit drie deelblaadjes zijn samengesteld (Latijn: tres is drie en folium is blad).

Bij de witte klaver komt zeer soms een vierbladig exemplaar voor; de zeldzaamheid wil dan ook dat het vinden van een klavertjevier geluk brengt.

 

Trifolium - Klavertje vier

 

Witte klaver

 

Rode klaver

 

- Dialectenqute 1876 - klever - klaver (Trifolium)

- Cees Robben - [de stier spreekt] Ik (...) snoepte van dn zwiers en t gras/ Dn klver en dn rme... (19600415)

- WBD - I:1409 steenklaver: 'stinkklver, witte klver, blklver

- WBD - I:1410 rode klaver: (Hasselt) 'roojə klvər'

- WBD - III.4.3.262 kleeverzurkel - witte klaverzuring

- WBD - I:1409 steenklaver: 'stinkklver; witte klaver: (Hasselt) 'witte klver'; bolklavers (Hasselt) 'blklver'

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kle.ver, zelfstandig naamwoord mannelijk - klaver 

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLVER zelfstandig naamwoord mannelijk - klaver

2. klaveren (kaartspel)

klveres - klaveren, kaart met het teken 'klaver'; in het kaartspel ook: kleeveres - klaveren

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kle.ver - zelfstandig naamwoord mannelijk klaver kle.veres zelfstandig naamwoord meervoud (minder vaak 'ene klevere') - kleverens - klaveren

 

CuBra - Brabants kaartspel

 

klffere

werkwoord, zwak

waarschijnlijk van 'klepperen'

- ...in de week iederen mrgen om kwart veur aachte op de zwartgelakte klumpkes nor de kerk klefferen... (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

 

 

klmbakkes

zelfstandig naamwoord.

kaakklem (trismus), krampachtige samentrekking van de kauwspieren als gevolg van een infectie, waardoor de mond niet meer geopend kan worden.

- wordt toegewenst aan iemand die te veel praat. [bron/bewijsplaats niet bekend]

► zie volgende

 

klmmond

zelfstandig naamwoord.

- WBD - III.1.2:364 'klemmond' = tetanus

- WTT -  2013 - de bacterile infectie tetanus veroorzaakt verlamming van de spieren, te beginnen met die in het aangezicht.

► zie vorige

 

klnder

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

kleiner

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - klnder (met vocaalreductie en d-epenthesis)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek (1998) - hdde gin klndere? - hebt u ze niet kleiner?

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - klndər

 

klns

bijwoord

uitdrukking: van klns af aon - van kindsbeen af

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Van klnsaf aon zk opgebrcht van Krvel

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - Van kleins af aan

 

klnst

bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap

kleinst

van 'kln', met vocaalkrimping.

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'de klnste zn de biste', zi de begijn, n ze naam de dikste ('72) - uiting van valse bescheidenheid

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 35) klnst (van 'kln' met vocaalreductie)

 

klp

zelfstandig naamwoord.

klep (met name van de broek), ook voor 'deksel'

hoofddeksel

- Pierre van Beek - Met het woord "klep" alleen is het ook een beetje zonderling gesteld in onze contreien. Behalve het stijve gedeelte van een pet wordt hiermede ook wel de hele pet aangeduid. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): pt f klp = pet

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - d klopt as en pliesiemuts znder klp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek -64)

deksel, bedekking

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et paast as en klp p en gaanzekooj (Iets klopt goed, of twee zaken komen goed bij elkaar.)

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et paast as en klp p en gaanzekooj (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '69) - gezegd als twee zaken goed bij elkaar komen.

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en klp p en gaanzekooj ('69) - antwoord op de vraag 'Wat ben je aan het maken?onverwacht op bezoek komen

zoals postduiven onverwacht weer thuis komen en op de klep van het duivenkot'neerstrijken

- gezegde - op de klp valle - onverwacht binnenkomen (ontleend aan duivensport)

- Piet van Beers Jonges, lster is: Hij valt hier aaltij p de klep... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - op de klp valle (duivensport) - onaangekondigd op bezoek komen

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - de klp (= ... Mutsaers)

mond

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk I muts, pet; II (plat gezegd voor) mond

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klp zelfstandig naamwoord - klep, mond, smoel

- WBD - III.1.3:182 'klep' = pet

 

klpbroek

zelfstandig naamwoord.

bepaalde mannenbroek, lijkend op de tirolerbroek

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "klepbroek - scheldnaam voor geestelijken"

- Pierre van Beek - "Klepbroeken" kent de jeugd van tegenwoordig niet meer. Wij echter weten, dat dit een thans niet meer in zwang zijnde mannenbroek was, die van voren met een ruim overslaand stuk sloot. "Klep" schijnt hier de betekenis van "deksel" gehad te hebben. Het wordt als zodanig wel meer gebruikt. De platte uitdrukking "iemand voor zijn klep schoppen" kan o.i. hiermede wel verband gehouden hebben. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

- Pierre van Beek - "Klepbroeken" kent onze huidige samenleving niet meer. Het was weleer een mannenbroek, die van voren met een ruim overslaand stuk sloot zoals men dat nu nog aan de gemsleren Tiroler broeken kent. "Klep" schijnt hier de betekenis van "deksel" gehad te hebben. In die zin wordt het trouwens wel meer gebruikt: "doe er de klep (het deksel) maar op !"... De platte uitdrukking: "Iemand voor zijn klep schoppen" kan o.i. hiermee wel verband gehouden hebben. Militaire instructeurs hadden vroeger - en misschien ng wel - het woord "menageklep" in hun vocabulaire, waarmee wel zeer plastisch "mond" werd aangeduid. De associatie met "deksel" dringt zich ook hier op. En tot slot: In de periode van de "klepbroek" deden de oude vrouwkes het met een "open-toe-broek". De inrichting daarvan moet ge maar eens aan uw grootmoeder vragen... [Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 5 mei 1964]

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klepbroek zelfstandig naamwoord, klepbroek

 

klpke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van klap

klapje
- Cees Robben - Hier n douwke.. Daor n klepke (19580726)
 

klpmeule

zelfstandig naamwoord

klappermolen

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - klappermolen (kleine windmolen met een ratelwerk, gebruikt als vogelverschrikker), iemand met veel praats.

 

klppe

werkwoord, zwak
vangen, betrappen; te grazen nemen, beetnemen ; klikken, (verklappen)

- Cees Robben - Mar ze kleppe me nie... (19570720)

 

klpper

zelfstandig naamwoord.

- WBD - (Hasselt) - langbenig paard, elders 'klippel' genoemd of 'hoge'

- WBD - III.1.3:226 'klepper' = houten sandaal

- WBD - III.4.4:221 'klepper' = iets groots in zijn soort; ook 'bonk', 'joekel', 'kanjer', ' knoert', 'kadee'

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLEPPER zelfstandig naamwoord mannelijk - ... Buitengewone jongen, iemand die zich onderscheidt door geleerdheid, verstand, bekwaamheid, stoutmoedigheid, deugnietenstreken enz. 'Ne geleerde klepper; 'ne felle klepper.

 

klpschouw

bijvoeglijk naamwoord

verlegen, schuw, schichtig

uit de duivensport: een duif die bang is, of treuzelt, om 'op de klep te vallen'

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'klpschaaw' - met drempelvrees, verlegen

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - klepschouw, bijvoeglijk naamwoord, schichtig, verlegen, te bang om te praten (kleppen)? vooral gezegd van iemand die gentimideerd is.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klpschaaw bijvoeglijk naamwoord, schuw, verlegen

 

klptiet

zelfstandig naamwoord.

klikspaan

-Hij kwaam et aaltij te weeten, aaltij waar der wel intje, die vur kleptiet spulde. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 27 06 07 - Ge moet oppaase as hij in de buurt is; tis en chte klptiet

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - lultiet, v. (van 'lullen', kletsen, en 'tiet', kip) kletsmajoor, ook lulbroek, - kous, -muts, -kont en -meier.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klptuut zelfstandig naamwoord - klikspaan

 

klpzweper

zelfstandig naamwoord

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - (n rijdende bazaar komt langs) Moeder, hedde w noodig, daor komt weer unne klepzweeper (27-12-1968)

- WTT 2013 - mogelijk van 'klapzweeper': iemand die de zweep laat klappen om het paard dat de kar trekt aan te sporen.

 

 

kls

zelfstandig naamwoord.

- WBD - III.4.3:376 kls - klit of klis (Arctium)

- WTT 2012 - zie - WNT - lemma Klisse I, waarin wordt uiteengezet dat de benaming een verbastering is van 'Klis' of 'Klisse' - "inzonderheid in Z.-Nederl." - omdat de bloem zich gemakkelijk hecht aan kleding en ook in haar.

- WNT - KLES (I). Vergelijk 'klitten'.

 

klts

klets

1. zelfstandig naamwoord

1.1 verkoudheid

uitdrukking: en klts vatte - een kou vatten, een verkoudheid oplopen

- Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; Nieuwe Tilburgsche Courant 10-12-1938 - ...en d'r moeder gooide gaaw 'nen doek om d'ren langen hals, d ze geen klets zou vatten...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 10 02 - As t kaauwer word dan komt de td / Van wrmen en gemak / En agge daor n klets van vat / Van koffie mee cognac.

- WBD - III.1.2:295 'een klets te pakken hebben' = een verkoudheid hebben

- WBD - III.1.2:296 'een klets vatten' = idem;

- WBD - III.1.2:299 'klets' = verkoudheid

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLETS znw.v. - En klets pakken - eene verkoudheid of wat ergers opdoen.

1.2 kleine hoeveelheid, kliekje

- 'k Zaag in de kaast zon viertal flsse,/ meej w kltskes derin, staon./ Omdk et sund vond wg te goje,/ hk et bij mekaar gedaon. (Henritte Vunderink, Wn?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

- WBD - III.2.3:126 'kletsje' = kleine hoeveelheid eten

- WBD - III.4.4:262 'klats', 'kletsje' = scheut

- WBD - III.4.4:265 'klets', 'kletske' = klein overschot

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLETS znw.v. - KLETS, kletsken - kleine hoeveelheid die in een glas, eenen pot, eene mand of een vat overschiet; eene kleine hoeveelheid graan, en [ontbrekend woord?]

1.3 gepraat

verkorting van 'kletspraat'

 

Carnavals-sticker van vereniging Goeiekp. Foto CuBra 2020. Mogelijk is de naam van de vereniging bedoeld als een woordspeling van 'goedkoop' (goejekop) en 'goede kop' (goeje kp).

 

4. klap

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KLETS: Iemand de klets geven: slaan of wonden, i.a.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLETS znw.v. - Frans: coup, soufflet.

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLETS (klts) 1) mannelijk kletspraat; 2) v. verkoudheid: 'n klts vatte.

 

 

kltse

werkwoord, zwak
ketsen - in de zin van 'kaatsen'

bijvoorbeeld het ketsen van steentjes op water (spel, meestal ketsen genoemd)

- Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) - dan gonken we vaoren, schotsenrijers vangen, steentje kletsen en spatten en poelien.

 

kltskoek

zelfstandig naamwoord.

kletskoek, kletspraat, onzin

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - kltskoek p en stkske verkope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - onzin vertellen

 

kltskp

zelfstandig naamwoord

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - schurftig hoofd

- WNT - KLETSKOP - benaming voor een door het hoofdzeer (favus) aangetast hoofd; benaming voor deze ziekte.

 

kltswijf

zelfstandig naamwoord

kletswijf

- WBD - III.1.4:116 'kletswijf' = vrouw die graag kwaadspreekt

 

klf, klfke

zelfstandig naamwoord.

kluif

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLEUF (kleu:f) mannelijk gekliefde blok hout, gereed voor het gebruik in de kachel.

 

kleure

werkwoord, zwak
kleuren; zegswijze in kaartspel

- Pierre van Beek - "Kleuren is geld beuren" zegt men, als men een medespelende aas vraagt van dezelfde kleur als waarin men troef maakt; dus rood bij rood, zwart bij zwart. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

kls
zelfstandig naamwoord
kluis; in de betekenis: klooster
- Cees Robben - De klaore vrome stilte/ Van n aauw vergeten kluis... (19700417)
 

kltert

zelfstandig naamwoord

etymologie onbekend

- 2019 keel, borst; et zit op mene kltert; het eten zakt niet, blijft steken in keel (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.

Voor de volledige lijst Klik hier

 

klurke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kleur
kleurtje
- Cees Robben - W krge ze n kleurke... (19571207)
 

klt, kltje

zelfstandig naamwoord.

kluit, kloot

- WBD - III.2.3:145 'kluit boter' = klomp boter; ook: 'wigt', 'weg', 'klotje'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLOT mannelijk kluit (kltje) - homp: 'ne klot boter.

 

kleutergat

zelfstandig naamwoord.

klein kind

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "kleutergat - klein kindje, aardig klein kindje"

 

kleuve

werkwoord, zwak

klieven

- WBD - III.1.2:77 'kleuven ' = klieven, verdelen

- WBD - III.1.2:355 'kleuven' = kloven; ook 'klieven'

 

kleviere

zelfstandig naamwoord, meervoud

handen, klauwen

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - blft er meej oew kleviere vanaaf

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Blft er meej oe kleviere vanaaf, d zn de mn - Blijf er met je tengels af; die zijn van mij (250508)

Cees Robben; 10e Buukske - 'Laot die schaol nie uit oew klaviere valle'

 

klimme

werkwoord, sterk

klimmen, ook: stijgen, rijzen, klaveren

- WBD - III.1.2:8 'klimmen' = omhooggaan

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - klimme - klm - geklmme

 

klink

zelfstandig naamwoord.

- WBD - schede van een rund

- WBD - uitwendig zichtbaar geslachtsdeel van de merrie

- WBD - sluiting aan de ovendeur (in een bakkerij)

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de klink van de deur ng nie vaast hbbe (Daamen - Handschrift 1916) - nog niet van plan zijn weg te gaan

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - I - zelfstandig naamwoord vrouwelijk klink - uitwendig geslachtsdeel v. merries

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - II - zelfstandig naamwoord vrouwelijk klink - ijzeren voorwerp dienende ofwel om de stof van de wever gespannen te houden, ofwel om ze op de onderloper te winden.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLINK znw.v. - bilnaad van dieren

 

klinke

werkwoord, sterk

klinken

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - klinke - klnk - geklnke

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen klingt

 

klinkerd

1. zelfstandig naamwoord

- Kees en Bart: p den Klinkert

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij had ene kaoter gestrikt p de klinkert ('58) - een rijk huwelijk gesloten (klinkert = klinkerweg)

- WBD - III.3.1:397 'klinkerd' = openbare weg, ook genoemd: 'weg, baan'

- WBD - III.3.1:403 'klinkerd' = straat; ook genoemds: 'klinkerweg, klinkerpad, keiweg, straat'

 

klippel

zelfstandig naamwoord

knuppel

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej alle klippels kunne slaon (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - met alle knuppels kunnen slaan = van alle markten thuis zijn

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "klippel - knuppel"

- WBD - III.1.2:66 'klippel' = knuppel, knots; ook: 'knoest'

- WNT - o. a. knuppel

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - 'Hij was zo bang snaachs, der ston ene klippel nffe zen bd' (141107)

Hees klippel (V:64,67)

Verh.KLIPPEL mannelijk - knuppel; lomperd

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klɪpəl , zelfstandig naamwoord mannelijk 'klippel' - 1) stok; 2) langbenig paard; 3) penis.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLIPPEL zelfstandig naamwoord mannelijk - knuppel, Frans: bton

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klippel zelfstandig naamwoord - knuppel

- WBD - langbenig paard, ook genoemd 'hoge', of (Hasselt) 'klpper'

 

klippels

bijwoord

de etymologie is onduidelijk; waarschijnlijk is er een verband met klepel in de betekenis klepel van een kerkklok

- Cees Robben - Den onzen [mijn man] is net z kerks as unne hond klippels... (19651105)

 

klirbrsel

zelfstandig naamwoord.

kleerborstel

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - vat de klirbrsel es t de klirkaast

- WBD - (III.2.1:305) klirbrsel - kleerborstel

 

klirkaast

zelfstandig naamwoord.

kleerkast

- WBD - (III.2.1:107) 'Kleerkast'

 

klirkes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
plur.

kleertjes

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'oew kleurige kleerkes', moeder moet er oew klirkes nog driegen'

verkleinwoord van 'kleere', met vocaalkrimping

 

klirmaoker

zelfstandig naamwoord.

kleermaker

- Informant Toine Raaijmakers - Alles meej maote, zi de klirmaoker, en hij sloeg zen vrouw meej d'el.

- N. Daamen; handschrift Tilburgs dialect, 1916 - "wij hebben de kleermaker in de wan (de kleermaker aan huis om te komen snijderen, voor een klein daggeldje en de kost (of dat nog bestaat?)"

 

kliske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - restje

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'klis' zelfstandig naamwoord - rookvlees aan het stuk

 

Klisstk

Kaart Topografische atlas; ca. 1900

 

toponiem

Quirijnstok

- Audioregistratie 1978 - n zo ging hij et Lijnsheike n zo ging hij, war, ik zal zgge dur Klisstk n daor ooveral heene n zo noeme wij de wg nr Waalwijk toe. FvI: Waor hdde d woord nouw wir? Klisstk? Ds eigenlijk Quirijnstok? J, mar gij wilt toch hbbe d ikja, ja, ja (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Audioregistratie 1978 - die Quirijnstok die hier nouw genoemd wrt hi, d was vroeger de Klisstk, niks aanders, die knde niemand aanders as de Klisstk. En ik ok, aatij, de Klisstk n die was nie daor mar die was daor! Nr den Uudenhout toe (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

klocht

zelfstandig naamwoord.

zwerm, troep, vlucht, klucht

van Nederlnds 'klucht', vlucht, troep

Kees en Bart: 'de klocht loopjongens'; "n klocht ganzen'

- Cees Robben -
t Is unne streup... n heele klocht... (19580531)

Moeders meej hel klchte knder... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aovendvierdaogse)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - asser rges en kraaj neerstrkt, laandt er sebiet en hele klcht (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich.

Henk van Rijen en klocht knder - veel kinderen

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - De mister heej aatij en hil klocht jong om em heene. (020510)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLUCHT (klocht), v. - zwerm vogels, toom biggen, menigte mensen, groot aantal kinderen: 'n hil klocht.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klcht (krt.107); zie ook blz. 182/183.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klcht, waarnaast zeldzamer: kloecht, zelfstandig naamwoord vrouwelijk - troep

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klocht, klucht, kluft, kloft - troep (bv. van vogels)

- WBD -
troep (gezegd van dieren); ook 'klcht' genoemd

en klcht duve; en klcht knder;

- WBD -
klcht - kudde volwassen varkens, ook genoemd 'hop' of 'staaw'

- WBD -
'klcht' of 'kloocht' - kudde (m.b.t. schapen)

- WBD -
'klcht' - troep kippen; III,4.1:180 'klocht' - groep patrijzen

- WBD -
'klcht' - troep ganzen; III.4.1:33 'klocht' - zwerm vogels

 

kloek

bijvoeglijk naamwoord .

wijs

van Dale. (gewestelijk: verstandig, wijs)

Daamen -Handschrift 1916: "ik kan er mar nie kloek uit worren (wijs)"

 

kloeke

Werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - gezellig bij elkaar klitten (zitten)

 

klfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kluifje

- verkleinde vorm van 'klf'

Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205)

 

kljster

zelfstandig naamwoord

kluister

- WBD -
blok (ketting met een blok aan een been van een paard om te beletten dat het uit de wei springt), buiten de Hasselt 'springblok' genoemd

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'klouster' - kluister, hangslot

 

klk

zelfstandig naamwoord.

1. de klok, uurwerk

- Pierre van Beek - Als kinderen lelijke gezichten trekken of zeuren, zegt moeder: "Als ge 't klokske van Rome hoort slaan, blijft ge z kijken!" (Als de kleine de fopperij niet snapt, zal hij wel een ander gezicht zetten.) (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

- WBD -
II.1.2:245 'de klok optrekken' = snotteren

- WBD -
III.3.3:75 torenklok, 'kerkklok';

- WBD -
III.3.3:76 kerkenklokje

2. kip

- WBD -
hen met kuikens, ook 'kloek' genoemd

- WBD -
broedende kip die men op eieren heeft gezet

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'klok' - kloek zelfstandig naamwoord, broedende kip

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOEK noemt men hier eene kloekhen. Men leidt het af van 'glocire';

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klk (krt.18 en blz. 165)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klk zelfstandig naamwoord vrouwelijk - kloek (hen)

 

Ill.: Thom - vaccinium myrtillus - bosbes - klkkebaaj

klkkebaaj

zelfstandig naamwoord.

bosbes - Vaccinium myrtillus, gewone of blauwe bosbes

WBD: De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een klein struikje uit de heidefamilie. Het is een bodembedekker in bossen op zure grond met fijn getande, lichtgroene blaadjes, met bleekpaarse bolvormige bloempjes en met blauw bestoven besjes met kenmerkend blauw sap. In Tilburg ook: Klokkebei, Klokkebeien, Sint-jansbezem.
- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - moerbeejzem zelfstandig naamwoord - blauwe bosbes

- Daamen - Handschrift
1916:
 "klokkebaai - Boschbessen"

...daor groeien de klokkebaaie mee duuzende kilos. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Wieste, d bosbessen in ons tltje/ klkkebaaje hiete? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws:
 Klkkebaaje vnde op pltse in et bos waor et en bietje donkerder is (280109)

- WBD -
III.4.3:178 klkkebaaj - blauwe bosbes, ook bosbes genoemd of sint-jansbeezem

- WBD -
III.4:200 klkkebaaj - vrucht van de sneeuwbes

- WBD -
III.2.3:223 'klokkenbezinvlaai' = bosbessenvlaai

- WNT - KLOKKEBEI, -beier - Westbrab. benaming voor de blauwe boschbes, Vaccinium Myrtillus

Hees klokkebaaje (1:18)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLOKKEBEIER znw.v. - kraakbes KLOKKEBEIS znw.v. - kraakbes, blauwbes, boschbezie (klokkebeier)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'klokkebaaje ' zelfstandig naamwoord - bosbessen

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klokkebaai - bosbes (wnbr)

Str. klokkebaaje (2:20)

 

klkske

zelfstandig naanwoord, verkleinwoord
klokje

1. bloem

akelei - Aquilegia vulgaris - wilde akelei

In Tilburg ook: akelei, klokjesbloem, klokskesblom, soms pantoffelbloem (WBD)

WBD: De akelei (Aquilegia vulgaris) wordt 30 tot 80 cm hoog. De stengels groeien rechtop en zijn bovenaan vertakt. De bladeren zijn meestal 3-tallig met brede, diep gekartelde blaadjes. De bloemen zijn groot en hangend, blauw of donkerviolet van kleur (soms roze of wit); de kroonbladeren zijn trechtervormig, met aan de top een naar binnen
gebogen spoor. Akelei bloeit van mei tot juni en groeit vrij zeldzaam in
lichte bossen, aan oevers en in weiden.
- WBD - III.4.3:240 klkskesblom - akelei (Aquilegia vulgaris)

- WTT 2012 - De minder gangbare maar typisch Tilburgse naam 'pantoffelbloem' heeft mogelijk betrekking op de vorm van de bloem met bladeren die opkrullen, overeenkomstig de neus van marokkaanse en turkse sloffen.

Foto: Leo Michels

2. klokje

as 't klukske klept drie keeren... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932)

't Klkske rikketikt op taoffel (Piet Heerkens; uit: De Mus, Tijd en nood, 1939)

tik-tik-tik as van n klkske... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

- Cees Robben -
In mn kaomer tikt n klkske (19700220)

- WBD -
III.3.3:81 klkske, kln klkske, bimmelebom = klepklok

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - klkske - klokje

 

Illustratie van Tijs Dorenbosch

 

klomp

zelfstandig naamwoord

klomp

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

 

...daogs dr nao rgenden ut aauw wve op klumpkes... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klssenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

Henk van Rijen de klomp thaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft

- WBD - (II:2956) 'klomp' (183a); 'kloomp' (183c)

- WBD - (III.1.3:224) 'klompschoen' = klompschoen

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 1944

 

De jonge klompenmaker - Henry Ossawa Tanner

 

klonterbrojke

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zoet witbroodje met kandijklontjes bestrooid

- WBD - III.2.3:197 'klontebrooike' = wittebroodje

 

klontjesvingers

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit klont + vinger

- 2019 vieze vingers (zie ook sausdme) (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier)

 

kloojoow

zelfstandig naamwoord.

stuntelaar: onhandig, kwaadaardig

- Henk van Rijen hdde ot zone kloojoow gezien? ... stuntelaar -

Eufemistische variant op 'klooier', of samentrekking van 'klootjong'?

 

kloris

zelfstandig naamwoord

man, vrijer

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Zal ik veur jou is naor unne goeije kloris uitkke [?] - N, veur men ginnen opgesolferde (13-07-1966)

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - Laoter hk geheurd d ons Nelleke meej de klorus waor ze toen verliefd op waar, tien meter verder tussen et riet ha geleegen.

 

klot

- Dialectenqute 1876 - kloot, klutje

1. zelfstandig naamwoord

1.1. man, manspersoon, mens, gewone man

- Cees Robben: Et prakkezeere is tgevnde dur enen reme klot.

- WBD - III.1.4:36 'slome kloot' = ezelachtig persoon

- Henritte Vunderink; Taante Aldegond, uit: Tis de moejte wrd, 2011 - En ome Jan, dieje goeje klot,/ die klaogde toen es zene nod.

1.2 kloot, kloten, teelbal

- WBD - III.1.1:224 'kloten' = teelballen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLOOT zelfstandig naamwoord mannelijk Frans: testicule; wordt in de allerlaagste spreektaal veel gebruikt

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLOOT (kloo:t) m, veel gehanteerd woord, zelden = teelbal; meestal = manspersoon: 'n goeje kloo:t - goedaardige sul.

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KLOOT - kluət, znw.m., verkleinwoord - klutə - teelbal; nen van een vent

- WBD - III.2.3:258 'een stuk in zijn kloten hebben' = dronken zijn

- WBD - kloote (Hasselt) - teelballen of testes van de hengst, ook genoemd 'blle'

1.3 kloot - als eerste lid in samenstellingen - iets kleins, iets dat minder belangrijk is

- WBD - III.4.4:224 'klootding' = iets kleins in zijn soort, ook 'geneuk'

- WBD - III.4.4:284 'klootding' = iets onbelangrijks

►klotjong, klotkrel, klotvger

1.4 kloot - als tweede lid in samenstellingen met de betekenis als onder 1.1.

- Cees Robben - Zit nie z te pitse.. pie-lie-klt.. (19800718)

- Cees Robben - Mopperklt... (19800510)

- Cees Robben - Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

- Cees Robben - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

2. bijwoord

- Pierre van Beek - tis klote meej den bk - het draait op een fiasco uit

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - ik z himml nie goed, ik vuul menge klote, ik voel me allerbelabberdst.

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - As ge Opa bent is t goed klote aon den bok (23-02-1972)

- Henk van Rijen tis klote meej den bok - het verloopt niet naar verwachting

- Henk van Rijen lopt nr de klote - loop naar de maan

- Daamen - Handschrift 1916: "lopt nor de klooten (naar den drommel"

- Daamen - Handschrift 1916: '"t is klooten ('t is mis, 't is huilen)"


 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home


klote, kloje

werkwoord, zwak

- Daamen - Handschrift 1916: "ze zullen me nie klooten (bedriegen)"

dwarsdrijven, mislopen

- Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007 - n agge onhaandeg beezeg zt,/ dgge zit te kloje?

- WBD - III.1.4:52 'kloten' = aarzelen

- WBD - III.1.4:289 'kloten' = er zich niets van aantrekken

- WBD - III.1.4:367 'kloten' = iets slordig doen

- WBD - III.1.4:412 'kloten' = bedriegen

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KLOOTEN wkw (klutə, gəklut) - foppen, tergen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLOOTEN - foppen, bedriegen

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'klte' zelfstandig naamwoord, ww - kloot, kloten

 

kloteg

bijvoeglijk naamwoord .

onbenullig

- Cees Robben - ...die kltig aacht percent... (19660401)

 

kloterij

zelfstandig naamwoord.

bedriegerij

- Daamen - Handschrift 1916:  "klooterij - bedriegerij"

- Stadsnieuws:  ch, d zeegeltjesplkke, ds amml mar kloterij as puntje bij pltje komt, betldet tch zlf (260709)

 

klotjong

zelfstandig naamwoord

vervelend kind, rakker

ook het meervoud is 'klotjong'

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - die klotjong van hiernffe waare wir vliegende braanweer nt speule

n d klotjong tch w/ leuker klinkt as deugeniete? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

klotkrel

rotvent

- Daamen - Handschrift 1916:  "klootkairel (een beroerde vent)"

 

klotvger

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

misselijke kerel

- Cees Robben - Klt-vger die ge zd... (19780623)

- Cees Robben - Dieje kltvger was k niks vur jou (19840629)

- Cees Robben - Munne zoon (...) is unne echte kltvger... (19801121)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ook: 'klotjavaan'

- Elie van Schilt; - Zplap, zatlap, schnsmarcheerder, klootveger en hij dugt van gin kaanten, waren toen gewone woorden... (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klo'tfe.gər zelfstandig naamwoord mannelijk 'klootveger' - sul, hannes; synoniemen: klootvent, kloothannes, klootzak, dorus, gathannes enz.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kltveejger

 

klphngst

zelfstandig naamwoord.

- WBD - slecht gesneden hengst, ook 'klaphingst' en in Hasselt 'piet' genoemd

 

klpkaaj

zelfstandig naamwoord.

- WBD - (II:757) - klopkei: de steen waarop het leer van de bovenzool wordt geklopt

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KLOPSTEEN zelfstandig naamwoord mannelijk - bij schoenmakers: steen waar men het leder op effen klopt

 

klppe

werkwoord, zwak
kloppen, overeenstemmen, juist zo zijn als het hoort te zijn; vooral in uitdrukkingen gebruikt

- Pierre van Beek - "Dat klopt als een politiemuts zonder klep." Een muts kende men vroeger blijkbaar als hoofddeksel zonder klep, waarbij onder klep dan wordt verstaan het stijve gedeelte, dat tot het afnemen dient, zoals men dit aan een pet aantreft. Zou een muts een klep gedragen hebben dan ware ze geen muts meer geweest. Eerst zonder klep was ze als muts in orde. Dan klopte het. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)
- Pierre van Beek - Van oudere mensen vangt men wel eens op: "Dat klopt als een zwerende vinger." Ieder weet, dat een hevig zwerende vinger een pijn veroorzaakt, die op kloppen gelijkt. Erg zweren en dit soort "kloppen" is onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Als de vinger flink "klopt" is het zweren op zich in orde. Wat niet wegneemt dat de patint wel kan menen, dat het met zijn vinger toch helemaal niet in orde is... Het geestige in deze zegswijze is, dat in de uitdrukking het werkwoord "kloppen" in letterlijke zin gebruikt wordt terwijl het uiteindelijk een figuurlijke rol vervult. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et klopt as twaalf aajer meej nen mikken btteram (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)

 

klpper

zelfstandig naamwoord.

garde

- WBD - (III.2.1:169) 'klopper' = garde

 

Kloris, Kloores

de eigennaam Kloris

figuurlijk: arme sukkel, sympathieke sufferd

- WNT - lemma KLORIS - Oorspronkelijk, bij de Ouden, een godinne- en vandaar een meisjesnaam (...) vervolgens is het als soortnaam gebezigd om , min of meer schertsend, den uitverkorene van een in het verband genoemd of bedoeld meisje aan te duiden. Dit gebruik vindt zijn oorsprong in de groote bekendheid van het kluchtspel met zang en dans De Bruiloft van Kloris en Roosje, dat sedert de eerste helft der 18de eeuw in het begin van ieder jaar na de opvoering van Vondel's Gysbreght van Aemstel in den Amsterdamschen Schouwburg wordt vertoond; zie over dit, en andere zangspelen waarin een persoon Kloris optreedt, vooral TE WINKEL, Ontwikkelingsg. 4, 520 volgg.

- Cees Robben - Zal ik vur jou is naor unne goeie kloris uitkke...? (19660819) [Een lieve, zorgzame man voor je zoeken?]

- Cees Robben - Heiligen Isedoris/ Wil mij arme kloris/ Lekker laten p...../ Nu we u aan gaan roepen... (19740104)

- Cees Robben - [Kloris:] Moette we naa deeze kaant in... [zijn vrouw:] N Kloris... geene kaant uit... (19800425)

 

klrmaoke

Zie klaormaoke

 

klrztte

Zie klaorztte

Werkwoord, zwak
 

kls
- Anoniem 1959
Nillus ha de klosse over laote loope
en daor haddet gatverjuw,
Dieje zuukert, de meulesteller,
stond bezije de contenu.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm
 

klsbraaje

werkwoord, zwak

punniken

- Onze Co, aaltij goed gewist in punniken, d toen nog klosbraaie hiete, ha un prdetg gemaokt. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

klske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
klosje

- WBD -
klske (II:985) - klosje: trekklos

- WBD -
klskes (II:1050) - klosjes (van het lenggaren)

 

klsse

Werkwoord, zwak
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - in de biljartsport: twee ballen die elkaar ongewenst raken en daardoor het scoren van een carambole verhinderen

- WBD -
III.1.2:154 'klossen' = sloffen

 

klssebakke

Werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - sloffen

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - luidruchtig aan komen lopen

- WBD -
III.1.2:154 'klossebakken' = sloffen

 

klssembak

zelfstandig naamwoord. (letterlijk: bak waarin garenklossen werden gedeponeerd) figuurlijk: lomperd, lomperik, onhandig iemand

- Pierre van Beek - sullig, traag, weinig intelligent persoon, 'laobes', 'gaoper'

- Kees en Bart: 'klossebak'

- A.J.A.C. van Delft - "'t Is 'ne klossenbak." Dit is: 't Is een sufferd. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

- Pierre van Beek - Van 'n sufferd zegt men: "'t Is 'n klossenbak". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- Cees Robben - Unne klossenbak van unne vent (19650430)

- Et waar rondt enne klossebak. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klssenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

- WBD - klossenbak (II:943) - bijnaam van de wever; n assimileert aan b, wordt dus m (wel uitgesproken)

- WBD - 'klssəmbk' (II:1032) - klossenbak: pijpenbak van de pijpenspoel

- WBD - 'klssəmbk' (II:1033) - klossenbak: pijpenbak van het weefgetouw

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'klossebak' zelfstandig naamwoord. - lompe vent

 

kloster

zelfstandig naamwoord.

klooster

- Cees Robben - D din [sic] klster blommen bloeien... (19550806)

- Audioregistratie 1978 - Nou weet ik wl wrrom d zij zo gk is gewrre! Ja mar, bij Ven Rzewk ts waare tweej Mie was nr et kloster gewist, in Aorendonk, hi. n daor isse van truggestuurd n daor heej zij d van gekreege! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Grot diktee van de Tilburgse taol 05 - die zaat int kloster n et Fraatersgat

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - klostər, znw.o. 'klooster' - klooster.

 

klot

persoonsvorm van werkwoord

tegenwoordige tijd enkelvoud van 'klote'

Henk van Rijen - hij klot zo mar aon - hij doet zo maar aan (zonder resultaat)

- WBD - III.4.4:271 'klot' = kluit, kaanes, kop, hoofd

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zene kaanes vlvreete - onbeschoft veel eten

- WBD - III.1.1:194 'kanes' = maag

- WNT - VIII:1249 KANIS (II) zelfstandig naamwoord (m?) 'bargoensche' term, een straatwoord voor 'hoofd; 'kop', 'test'. Kanes, hoofd, Boeventaal

 

klt

zelfstandig naamwoord

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOT, voor klomp (een klot aarde, deeg); KLOTJE, klompje, voornamelijk voor een klotje suikers

 

kltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kalotje, priestermutsje, vroeger ook door bejaarde mannen binnenshuis gedragen.

- WBD III.2.3:145 - 'klotje boter' = klomp boter; ook: 'wigt', 'kluit'

 

kltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kluit

kluitje

Nao en pan gebakke rpel/ meej en kltje vrkesvt/ stuurde ze vruuger de knder/ meej en volle maog te bd. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De prs van drpel)

- Dialectenqute 1876 - kltje, diminutivum van 'klt' ( = doffe u)

 

kltte

Werkwoord, zwak
- WBD III.3.1:70 'klotten' = katten: de verkoper met zijn waar laten zitten.

 

klttere

werkwoord, zwak
1. vallen

- Daamen - Handschrift 1916: "klotteren - vallen"

...en ze klotterde over 'nen eemer mee waoter... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)

- Cees Robben - [Hij] klottert ldrecht naor beneeje../ En valt hil zn vruut kepot.. (19700925)

- Cees Robben - Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. (19720915)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 12 05 - Ze kwk: "Ik w gaon klottere / En d hek naauw ok gedaon / Ik klotterde vierkaant omlg / Toen'k over de brug w gaon."

- WBD III.1.2:11 -'klotteren' = struikelen; ook: 'stulperen', 'stronkelen'

2. de markt bezoeken op klompen, op klompen lopen

- A.J.A.C. van Delft - klttere - 'k Heb nog is geklottert. Mr 't ies toch lang nie, w 't vruger was. () Ge zaagt er nog die echte Tilburgsche meenschen loopen, mist op klompen, die zo lekker op de kaaien kletterden.

- Piet Heerkens; uit De knaorrie, Inleiding, 1949 - ...en 't geklotter van mijn klompe...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 11 22 - Hoe is 't? Al wiste klottere?" / Vroeg Nolda aon Klezien, / Och n, ik z nog nie geslaogd, / Mar 'k h genog gezien."

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 11 25 - Ik z aon 't klottere gewist / En 'k h net z lang gefrut / Toe d'k vur iedern w ha / Mar naa z'k himmol blut.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 11 19 - Klottere... // Ge ziet ze gepakt en gezakt / Over de straote lpe / De moeders die vur Sindreklaos / De spulle in gaon kpe. /  / Ons Sjaan is ied'ren dag op rits / Om nog w bij te haole / Ik docht ze kent d lieke nie / Van wie zal d betaole.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 12 05 - "Mee t klottere zk, Godzdaank, / Z goed as klaor zeej s Triske...

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'klottere' ww - kltteren (v. oorsprong Tilburgs woord)

3. de markt op klompen bezoeken, in het bijzonder op de avond voor 5 december

 

Artikel in Nieuwe Tilbursche Courant - december 1943

 

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klottere - op de laatste dag sinterklaasinkopen gaan doen (Tilb.)

- Dit op Sinterklaasavond opgevangen praatje eischt voor niet-Tilburgers de folkloristische verklaring, dat de Klottermarkt een speciale jaarmarkt te Tilburg is, welke in den avond van vijf December op de Markt gehouden wordt. Haar naam ontleent zij vrijwel zeker aan het "klotteren" (klepperen) der klompen in vroeger dagen van de bezoekers, die meerendeels met holleblokken geschoeid waren. (Nieuwe Tilburgsche Courant, 5 dec. 1929)

- Gerard van Leyborgh (pseudoniem van Lambert de Wijs) - "Hedde wiste klottere" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt)
- Ons moeder gong toen al wl klttere in de Heuvelstraot n op de klttermrt, mar d waar meer vur t grot, want die deeje sepries, meej rmkes n alles. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WBD - III.3.2:297 'kloteren' (ook: klotteren) = sinterklaasinkopen doen

 

Tilburgsche Courant 2-12-1918

 

4 algemeen: winkelen in het centrum van Tilburg tijdens de dagen voor 6 december

...ik geleuf d alleman ont klttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- Grote tasse wiere wggedraoge, de meense liepe der van te waggele, zoveul dsse gekltterd han. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

 

Twee advertenties in het Tilburgs dialect - Nieuwe Tilburgsche Courant van 27 en 30 november 1942

 

Reacties op de website 'Je bent een echte Tilburger als...'

Onderwerp: 'Je bent een echte Tilburger als... je geen sinterklaasinkopen doet maar... gaat klotteren in de ondergrondse!' (gestart 28 februari 2013)

Dennis Masselink - Ik wist gewoon niet beter als dat klotteren 'normaal nederlands' was
Maykel van Antwerpen - Stervensdruk, veel vocht, lange sjokkende rijen, brillen die beslaan....
Ik zou het zo wr doen!
Danielle van Son - En dat sinterklaas op 'tafel reed' dat is in de rest van Nederland niet echt bekend.
Astrid Lamberts - Hahaha, ja klotteren, had t er afgelopen december nog over met mn niet Brabantsche vriend die er niets van begreep!!
Margo Sengers - Ja is cht tilburgs, klotteren! !
Erwin Danklof - Klotteren was briljant, nu is het gewoon koopavond...
Desiree van Doremalen - Klotteren in de parkeergarage heel gezellig. En Sinterklaas die op tafel reed kennen ze behalve in Limburg [Tilburg?- WTT - ] nergens. Mijn man uit Rotterdam wist niet wat ie hoorde Sint die op tafel rijdt!!! Wat doet ie dan...
Petra Donders - oh ja, de klottermrt! Heb hier nog steeds een houten tekendoos die daar vandaan komt.
Dorri Eijsermans - Ja! Klotteren; n van de leuke dingen van Sinterklaas. Spannend, ook! En, inderdaad, toen wij nog in de Sint geloofden, "reed" hij op tafel. En niet alleen bij ons; hij had ook op oma's tafel gereden! Voor alle kleinkinderen...
Lizette Steijns - Als ik hier in limburg zeg van wij gingen klotteren voor sinterklaas, kijken ze je stom aan. Was altijd gezellig de klotter markt in de garage. Als het er weer zou komen daar, kom ik er wel voor naar tilburg.
Marga Mols - Gezellig klotteren op d'n klottermert!
Marga Mols - Ik woon al jaren in Den Haag, maar een Sint die op tafel rijdt kennen ze hier ook zeer zeker niet!
Resy Smulders - Dat was leuk, samen met je eerste liefde klotteren en benzine snuiven.
Anneke van Vliet - De klottermert!
Anglique Rther- de Liefde - Jaren met mijn vader en broer nootjes verkocht op de klotermert. Je bent een echte Tilburger als je Loeks notenbar kent :))
Monique Thijs-Govers - Heb er nog worstenbroodjes verkocht op de klottermarkt onder het koningsplein
Diana Erkeland - Ojeh stond altijd een bels vrouwke en die had nog van die oudverwetse holle grote suikerbeelden, eej die waren me lekker!
Mieke Damen - ja leuk en lekkere belse chocolade poppen was echt gezellig ja
Jeroen van Ingen - Klotteren...n van de mooiste Brabantse woorden...
Nathalie Michielse - Zooooo leuk, jammer isnie mir, Koningsplein ja, en dan lekker broodjes met worst en zuurkool eten
Suzanne Van Den Abbeelen - Weet iemand de herkomst van het woord? Ik herinner het me ook nog!
Anita Kuijpers - Ik heb pas een aantal jaar geleden ontdekt dat niet iedereen weet wat klotteren is. Voor ons Tilburgers toch zo normaal om voor de feestdagen lekker te slenteren langs de kraampjes en verpakte cadeautjes kopen zonder te weten wat erin zit.
Door van Heesch - Klotteren is wel leuk en warm in de parkeergarage van het koningsplein helaas mag het niet meer i.v.m brandgevaar geloof ik nu is het alleen winkelen in heuvelstraat niks klotteren dat is verleden tijd
Lisseth van Bebber-Versluis Jaren lang op de markt gestaan met kleding. De klotermarkt had altijd wel wat speciaals!
Sander van Rooij - "Klotteren" een echt Brabants woord waar we trots op mogen zijn
Linda Werdmller von Elgg - Ja klotteren dat deed ik meestal op de westermarkt. En mijn ouders trouwens ook.
Kim Wolfs Vd Broek - ooo dat is e[c]ht al weer lang geleden, zelfs ik ken het nog. wat was dat altijd leuk zeg. zo in de donkerte
Noortje Nijs - Alleen het woord klotteren al in den bosch weet men dan alniet waar je het over hebt
Hans van Dongen - Klottermrt, in de parkeergarage onder het koningsplein.

 

6. rondslingeren

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KLOTTEREN, onov.ww., te onderscheiden van het door v. Dale genoemde 'kloteren': prutsen, knutselen. 'Klotteren' is: onbeheerd achterblijven, zo maar ergens liggen, meestal gebruikt in de uitdrukkingen: 't ligt te klotteren en laote klotteren; ook: vallen.

 

kltterkr

zelfstandig naamwoord.

- Daamen - Handschrift 1916: "klotterkair - iemand die gemakkelijk valt"

- En wie isser na wir gevlle meej der fiets of van dre trap , n wie heej dan de miste blauwe plkke, J want ge htter klotterkre bij hrre. (Nel Timmermans; Onze klpclub; CuBra; 200?)

 

klttermrt

zelfstandig naamwoord.

markt op sinterklaasavond

- Daamen - Handschrift 1916: "klottermert Sinterklaasavondmarkt (op klompen door arbeiders in de werkuren bezocht)"

- A.J.A.C. van Delft - De markt op Sinterklaasavond heet "de Klottermrt" en de menschen die deze bezoeken "gaon klotteren" of "ze zn wiste klottere". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

KLIK HIER voor een artikel van A.J.A.C. van Delft uit 1929

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs - Gao de gij kke naor t uitgepakt / of wochtte op de klottermert? (11-02-1965)

- Cees Robben - Kunst-klottermert; de Kunst-klottermarkt werd in 1954 voor het eerst georganiseerd; Tilburgse kunstenaars verkochten er hun werk. (19541120)

 

klw

zelfstandig naamwoord

klauw

- WBD - klw - gedeelte van een huid dat een poot bedekte (II 594)

 

Onbekende schilder. De klompen van de jongen zijn opgevuld met stro omdat ze hem eigenlijk nog te groot zijn.

 

klumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'klomp'

klompje

Cees Robben: bevaore dur en klumpke

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'klumke'

- verkleinwoord van 'klomp', met umlaut en assimilatie van de 'p'

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Toen moes ik op de klumpkes, smreges op de klumpkes, smreges om zeuven uur beginne, om zeuven uur moes ik beginne op de klumpkes (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

- A.J.A.C. van Delft - "Klompke schuiven" gebeurde eveneens met tien of meer. Men vormde een grooten kring en n moest zich omdraaien. Er werd weer afgeteld, en wie het lot trof, moest uit den kring treden, terwijl de anderen zich op den grond of in de wei met de voeten tegen elkaar gedrukt plaatsten. De klomp liet men nu onder de beenen van den kring doorschuiven en middelerwijl moest hij, die buiten den kring stond, trachten den jongen te pakken bij wie op een gegeven oogenblik de klomp onder het been was. Dit viel niet mee, wijl tijdens het spel de klomp ook opgenomen mocht worden en bijv. naar de overkant geworpen. Daardoor moest dan de tikker den kring weer rond en tegelijkertijd verhuisde de klomp natuurlijk weer naar een ander kind. Gelukte de vangst echter, dan moest hij die getikt was, in zijn plaats treden. Zoo speelde men in 't vrije veld vroolijk voort. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

klurke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'kleur'
kleurtje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - (blz. 30) klurke - verkleinwoord van 'kleur', met vocaalkrimping

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Et heej mar nt en klurke Gezegd van kleurtjes die tegen wit aanzitten; gebroken wit

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'oew fleurige klurkes', 'meej en klurken p zen wang'

 

klutje, klutsje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord van 'klot'klootje, klein kind

- Dialectenqute 1876 - klutje (met doffe u)

- Daamen - Handschrift 1916: "klutje - 't is zo'n oardig klutje (klein jongetje, manneke)"

...en t klutsje begreep er niks van want hij ha niks gedaon, docht ie. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- k Zeg stil mar klutje... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - Ons klutje d strooit... W plezier in t rond... (19561222)
- Cees Robben - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 27 - Hij sjouwde mee 'n zwaore kr / Dur 't hartje van de stad / Hij was z kln, de kr z grt / D'k meelij mee 'm had. // Want toen ie bij "de Koreblom" / D'n oprit overreej / Zette ik m'n fiets langs de kaant / En hielp d klutje mee

 - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 05 16 - Twee klutjes van n jaor of aacht...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 58 01 17 - Dan denken ze: "D Tilburgs klutje,/ Daor heb ik 'ne gemakke aon."

- ...n langs de kaant stao zonnen aawen Tilbrgse meens meej en kln klutje te kke, n ik heur diejen brak zgge... (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

klutje-klot

koosnaam

- Cees Robben - Mn klutje-klt (19751212)

 

klutse

Werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'als tijdens het biljarten de bal waarop gespeeld wordt ongewenst de andere bal raakt'

- WBD - III.4.4:314 'klutsen' = vermengen

 

kluuve

Werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - klieven

 

knaaw

zelfstandig naamwoord

iets om op te kauwen, tussendoortje

- Moeder kopt bij de pllingkraom/ w knaaw vur onderweege. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

 

knaawbon

zelfstandig naamwoord.

tuinboon, 'tnbon', 'lapbon', 'boereten'

- WBD - III.2.3:84 'knauwboon' = tuinboon - frequent en uitsluitend in Tilburg

►zie dossier tuinboon

- Daamen - Handschrift
1916: "Knaauwboonen - tuinboonen"

Wurrom kunne die jong van de tegesworrige td ok nie mir mee knaauwboone speule? Hoe koom ut d d ut de mode is gegaon? (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - Witte wek-wek.. Wies? ... Knaauwbne... (19580712)

- Soms han ze jun me peestamp/ W knaawbone of bessesap Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

- WBD - III.2.3:84 'knauwboon' = tuinboon, ook 'labboon', 'flodderboon'

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 76 03 25 - Z hiet d /  / Jan ha' deez' week mee hullie An / De grootste trammelaant / Ze zee: "Doe jouwen buitetuin / Mar gerust van de haand." / "Oewen hof stao vol knaauwboone / Mar rpel mot ik haole / En vur ne kilo gatschuivers / Nog 'ne gulde betaole."

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 07 10

Ied'ren dag w aanders

 

Ons Sjaan schepte 'n maondag op

Nou, d rk lang nie gek

Ik heb geschraanst toe'k niemir kos

Van lap-bne mee spek.

 

'n Dinsdag was 't presies gelk

D zaat nie goed bij mn

Mar ze zee: "man ge ziet toch wel,

D't moffelbne zn."

 

 'n Woensdag wir dezelfden hap

Ik vuulde me genpt

Ons Sjaan riep: "hee schiet op, ik heb

Knaauwbne opgeschpt.

 

Toen 't vendaog krek inder was

Ging ik pas goed te keer,

Ze laachde en zee: "Asteblief,

Tuinbne vur menheer."

knaawe

werkwoord, zwak
kauwen, knauwen; plat praten

- Cees Robben - Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen... (19561006) [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]

- Zo zaag ik list ene meneer/ zen brd vol zitte kwakke/ hij knaawde meej enen oope mond/ ge kostem heure smakke. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Risteraosie)

Henk van Rijen ze meugenet haawe; khb liever w te knaawe - ze mogen het houden; ik heb liever iets te eten

- WBD - III.2.3:5 'knauwen' = kauwen

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kna.we(n), zwak werkwoord overgankelijk en onovergankelijk 'knaauwen'

 

knaawer

zelfstandig naamwoord

kamkeraar

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945 - Beroepsknaawers kank nie luchte of zien.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kankeraar, zeurpiet

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

knaawnffepap

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - pruimenpap (pas op voor de pitten!)

 

knabbele

werkwoord, zwak

-  WBD III, 2, 3 Eten en drinken (2004) - Druk eten met kleine hapjes. Waardering voor Tilburg door WBD: verspreid.

Bussele.

 

knaol

zelfstandig naamwoord

kanaal; in het Tilburgse altijd het Wilhelminakanaal

► kenaol

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 05 13 - Verleeje week laas Trees de kraant, / Kk over d'ren bril / En vroeg: "n ramp, 'n ongeluk, / Ws daorvan t verschil? // De Tiest docht irst hl efkes nao / Mar toen zee dieje kruk: / "As gij in 't knaol zt vallen Trees / Was d n ongeluk. // Mar haolde iemand jou d'r uit / Dan z d volgens mn / Van n onneuzel ongeluk / n Ramp geworre zn."

- Elie van Schilt; - Ons knaol, mee aon swirskaanten unne grte dijk, un smal jaogpad langs ut knaol en aachter dun dijk on de zuidkaant unne breeie slt, die ok dienst hee gedaon bij ut graoven van ut knaol om ut grondwaoter af te voeren. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

 

knaop

zelfstandig naamwoord.

knaap

- Daamen - Handschrift 1916: "knoap - de knecht der vroegere gilden en van het koor"

- WBD - (III.3.2:269) knaop, schildknaop = gildeknecht

- WBD - (III.4.4:222) 'knaap' = iets groots in zijn soort

 

knapper

zelfstandig naamwoord.

1. zoete kers; Spaanse kers

Prunus avium; ook: Cerasus avium

- WBD - III.2.3.168: donkerrode kers met grotere pitten

- WBD - III.2.3:169 'knapper' = zoete kers, ook' vleeskers'

2. verpakkingsvorm van munten

- WBD - III.3.1:142 'knapper', 'knapperd' = cartouche (voor muntgeld).

 

knar
zelfstandig naamwoord
hoofd
- Cees Robben - W bonst munne knar... (19540424)

 

knaspert

zelfstandig naamwoord

zeer slechte tabak

- Daamen - Handschrift 1916: "knaspert - tabak van het allerminste soort"

 

kncht

zelfstandig naamwoord.

knecht

- Cees Robben - ...zunne kncht (19591224)

- Dialectenqute 1876 - diejen boer heed'n luien kncht - die boer heeft een luien knecht

- WBD - III.3.1:216 'knecht' = idem

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 -  (blz. 20) kncht; (blz. 54) plur. knchte

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kncht (krt.55)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'knaecht' - knecht

 

knel

zelfstandig naamwoord.

kaneel

 

knelstk

zelfstandig naamwoord.

kaneelstok, bepaald snoepgoed in stangvorm

 

Konijn op een beschilderd bord, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

 

knn, knntje

zelfstandig naamwoord.

konijn, konijntje

- Voorbeeld van systeemkaart Sterenborg - langs de knnen aaf - bij de konijnen af, meer dan erg

- Kees en Bart: en jng kernijn; kenijnen

- Cees Robben - Onze Jan is vegetarier geworre... Hij fret vort mee zn knn uit de ruif... (1810717)

- "Jaon, hddet knntje al bestld? / of zdet wir vergeete? / W moette we vant aaw int nuuw/ in godsnaom dan wir eete?" (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zo zmme amml)

- Want brod van vier vf daoge oud/ kan niemir lkker zn/ D is lk onzen buurman zeej / Goei voeier vur et knn. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin brod n gin mik)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kenn, knn'

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - en knn graoft en hl omdttie gin kooj kan timmere

Riet had giestere 't knn al opgezet gehad. Naa msset wel lekker gaor zn. (Jos Naaijkens; Krsemis meej zonder dn ammarillus; CuBra, ca 2005)

- Amml hielde ze knne/ Soms ok un vreke in un kot Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

- Aachter in et strotje wonde enne meens en die waar nie vies van un kat, net z lekker as knn, zittie aaltij. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Et moet gezeej, ons moeder ha echt der biste best gedaon. Van te vurre waar der al om geloterd. Wie krgt dees jaor de kop van et knn. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Wij han, bte de vrkes en kiepen, k knn, daor moese wij dikkels gras en aander gruun veur gaon snijen, die knn wieren vetgemest veur Kerstmis en Nieuwjaor. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- lekker in et bos naor de wilde knentjes kke (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Eerlek gezeej waar ik zo duf as un knn. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- ...mar bij ons ts waare onze Pa n onze Kees, ds en bruur van mn, k aaltij meej veugeltjes n knne bezig. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

- Piet van Beers Peeje, knne n jonge mt: En Jan die ging te lange liste/ meej z'n kenne nr de mrt./ Ze waare zwaor n vt gewrre./ En vur den haandel hil w wrd. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers De knntjes: 't ls mar goed d de kenne/ vlug vermeenigvuldige./ Drrom vuul ik me, as ik knn eet/ k nie zonne schuldige. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- De knntjes die ge soms ziet springe... (Henritte Vunderink; Bosvreugd; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kərne.n, resp. kne.n, zelfstandig naamwoord o. "kornijn' resp.'knijn' - konijn

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNIJN, KERNIJN, KORNIJN znw, o.- konijn, Frans: lapin

 

knnekoj

zelfstandig naamwoord

ook: knnskoj

konijnenkooi

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de Tiest ha zen knnskooj geezoleerd meej dubbelt gaos

 

knnemrt

zelfstandig naamwoord

konijnenmarkt

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 06 06 - Gao ik is naor de knnemrt...
 

knpe

werkwoord, sterk

knijpen

- Dialectenqute 1887 Willems - knpe - kneep - gekneepe vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij knpt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 -
 (blz. 40) verl. tijd knep, maar: knipte gij?

- WBD - afknpe - castreren, ook 'lubbe', 'snije' of 'afbne' genoemd

- WBD - III.3.1:200 'knijperd' = gierigaard

 

kneevel

zelfstandig naamwoord.

knevel, bovenlipbaard

- WBD - bosje haren aan de bovenlip van een paard, ook 'snor' genoemd

- WBD - III.1.1:60 'kneveltje' = snor

 

knze

werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - klaren, doorhebben

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'D knst ie-j-um wl' - Dat klaart hij wel

 

Kngtel

zelfstandig naamwoord, eigennaam

een bekende Tilburgse slijter, laatstelijk tot ca.1985 in de Heuvelstraat gevestigd.

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - Hij heej te veul Kngtel gezien - hij heeft te veel gedronken.

 

knlle

werkwoord, zwak
1 knellen morsen, kliederen

- Theo de Wijs; correspondentie met Cees Robben bezorgd door Guido de Wijs
- Zit mee oew eten toch nie z te knelle en te dabbe (17-10-1972)

- Cees Robben - Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

- Zit nie zo te knlle. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

- WBD - III.1.2:96 'knellen' = morsen; ook: 'dabben, kliederen, muikelen'

- WBD - III.1.2:98 'knellen' = plassen met water; ook 'dabben'

2 te strak zitten, afknellen

- 2020 - Tegen iemand met een hoog opgetrokken broek: - knlt oew broek nie onder oew reme? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER

- WBD - III.1.3:212 'knellen' = knellen, gezegd v. schoenen; ook: 'nijpen'

 

knlpestoor

zelfstandig naamwoord

knelpastoor, kind dat zit te knoeien

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - W zde tch ene knlpestoor; kom hier dk oe ene slabber ndoe. (250309)

 

knttere

werkwoord, zwak

knetteren, een scheet laten

- WBD - III.1.1. lemma Een wind laten Tilburg [als enige plaats van opgave]

 

kneukel

zelfstandig naamwoord.

1. alikruik, eetbare zeeslak met huisje - Littorina littorea L.

- WNT - kreukel II: In Zeeland en in verschillende streken van Z.-Nederl. de benaming voor een geslacht van eetbare zeeslakken, de alikruiken. Men heeft ondersteld dat het dier genoemd is naar den gekronkelden vorm van het horentje.

- Etym. (De Vries) alikruik - eerst in 17e eeuw, komt van Zeeland; vgl. - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - kreukel, 'eetb. zeeslak'; 2e lid kan aanduiding zijn voor de gekronkelde vorm van het hoorntje der slak.- Daor hedde bevoorbeeld hulliejen oorne Fons. Vruuger kwaamp ie langs de deur mee innen kreugel, kneukels, krabbe..., 't jukt nie! Uit: Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

- 'n kreugel" brengt de gedachte aan een kruiwagen. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

- In piepend kreugeltje mee twee maande dr op, en innen meens dr aachter, die riep "kneukels" (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- 'K heb in gin zeuven jaor mir in kneukeltje gepruufd. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Krabben n kneukels riep Boudje Grnaol

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Saoves ging ie aatij meej, meej kneukels n scharre n krabbe liep ie aatij saoves langs de straot zene zoon heej et nog jaore gedaon! (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

- WBD - III.2.3:76 'kneukel', 'kreukel' = eetbare slak

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KREUKEL znw.m.+v eetbare zeeslak

2. een lichaamsdeel

- WBD - III.1.1:46 'kneukel', 'armkneukel' = elleboog

- WBD - III.1.1:159 'kneukel' = vingerkootje

►zie kneukelvaast

 

kneukelboer

zelfstandig naamwoord.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - venter op zaterdagavond met alikruiken en krabben. Ook: knuukelboer.

 

kneukelvaast

bijvoeglijk naamwoord
van knook (bot) en vast; oorspronkelijk alleen de hand- en vingerbotjes; bij uitbreiding ieder bot, waarbij vast zoveel betekent als gezond
- Cees Robben - Ik ben niemer z kneukelvaast Willem... n glas bier gao nog, mar krom staon en op mn hukkes zitten desser niemer bij... (19670825)
 

knp, knupke

knoop (sluitingsmiddel, toegehaalde strik, moeilijkheid); navel

- Informant Toine Raaijmakers - Zde van Gd verlaoten f hdde gin knpe mir n oew nderbroek? = Denk je dat ik gek ben?

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - bij iedere knp zittie ...

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 -  (blz. 36) meervoud: knpe

- A.J.A.C. van Delft - "Daor ies gin woord Fraansch bij" zegt men bijv. als iemand nogal in grove taal uitpakt, of "er een knoop oplegt". De Vlaming zegt hiervoor: "Dat is plat Vlaamsch", d.w.z. dat is onbewimpelde taal, dat is duidelijk gesproken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

...daor zit 'm de kneup!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938)

Pierre van Beek "Hij leet er 'nen kneup op" wordt gezegd van iemand, die zich aan een flinke krachtterm waagt. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hij ha vier botteramme aachter zene knp (navel)

- WBD - platte knp (II:1051) - platte knoop, of kattekop; ook wversknp

- WBD - 'beene knp' (II:1100) - benen knoop

- WBD - 'haorne knp' (II:1100) - hoornen knoop

- WBD - manelknp' (II:1100) - mangelknoop

- WBD - 'kneujp' (III:1390) - knoop (als versiering van een pet)

- WBD - III.1.1:119 'knoop' = tepel; ook 'knopje'

- WBD - III.1.3:82 'knoopschort' = jasschort

- WBD - III. 1.3:108 'knoop' = knoop

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kn.p, zelfstandig naamwoord mannelijk 'kneup' - knoop 1) nodus; 2) vloek;

mv. 1) teelballen; 2) de gezamenlijke spenen van een zog.

 

knpe

werkwoord, zwak

knopen

- Boutkan: kneupe - knupte - geknupt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij knupt

- Cees Robben - Ik kos mn schoene niemer knpe... (19590307)

- 2020 - Als je je verveelt; kweenie wk moet doeoehoeoen!!!: - zaand n elkaar knpe! of: - den aop vloje! of: - leege zakke rchtztte! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER )

 

kneut

zelfstandig naamwoord.

margarine

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - onaangenaam vrouwspersoon: 'en kneut'

- Cees Robben - [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. W bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030]

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 73 10 11 - Gin goei boter mir op oew brd / Alln mar kneut, of kaoikes.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KNEUTEREN - foppen, bedriegen.

- Dialectenqute 1887 Willems - Wordt met 'kneut' derhalve bedoeld dat het 'fop-boter', onechte boter

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNEUT v. kwezel, Frans: devote, bigote; 2) bw - term in het knikkerspel 1) vrouw die nooit tevreden is; bijvoeglijk naamwoord, bijwoord stil, koes

 

kneuter, kreuter

Ill.: Naumanns - kneuter - acanthis cannabina ofwel carduelis cannabina

 

 

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kneuter (Carduelis cannabina), zangvogeltje ter grootte van een vink

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'kreuter' idem

- WBD - III.4.1:137 kneuter, 'heikneuter', kreuter - kneu (Carduelis cannabina)

- WBD - III.4.1:138 'steenkneuter', 'berkkneuter', 'steenkreuter', 'steenvink' benamingen voor de vogel: frater

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - de kneuter = Harry Versteynen (blz. 82)

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - de kneuter = Van Beurden(blz. 25)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - kneuter zelfstandig naamwoord - kneu (zangvogel, Acantis cannabina)

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kneuter, knuiter - kneu (Brab., Land v. Hulst)

 

knie, knieke, kniejes

zelfstandig naamwoord

knie, knietje, knien

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann, Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 -
 knieje (plur.) 'op oe kniejes' (blz. 55)

- A.J.A.C. van Delft - "Die meid heeft mos aan der knien (kuiten)." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929) = die meid is rijk...

- Pierre van Beek een "meid mee mos aon d'r kniejes" ()daaronder verstaan we in Tilburg een bemiddeld meisje. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

- Cees Robben - op zn kniejes (19751024)

- Cees Robben - Gin mos aon dr kniejes... en toch lief... (19561215) Niet rijk en toch lief.

Ut is un feen weef, de wel de. Gin haor op dur taande mar wel flink mos aon dur knieje... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - Haover in oew kniejes hbbe (Vooral bij kinderen gedaan) de zijkanten van de knien snel masseren waardoor er een kietelende pijn ontstaat

- Henk van Rijen - n zen kniejes trkke - er tussenuit gaan

- WBD - - knie - knie van een paard, ook genoemd (Hasselt) 'sprnggewref'

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - rd on de kniejes hbbe - bij het huwelijk veel meebrengen (de jongen)

 

kniebaand

zelfstandig naamwoord.

- WBD -
ijzeren beugel of ring om de voet van een koe

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - knibndəl, zelfstandig naamwoord mannelijk 'kniebendel' - knieband (als boven)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNIEBAND znw.m - lederen band aan de knie der peerden, om de knie bij 't vallen niet te bezeeren.

 

knijs

zelfstandig naamwoord.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - in de knijs - in de gaten (lopen)

Ik heb lang veur de gek gelopen/ Dikkels in de knijs gelopen... (Tony Ansems, Gin wonder dek zo muug ben; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Meej zon frllie nffen oe lopte ok goed in de knijs (040710) - Met zo'n juffer naast je loop je ook goed in de gaten.

- n 'knijzen' (Barg.) in de gaten hebben

- WNT - KNIJZEN B) in de gaten hebben, kennen, weten, vatten

 

knikngel, knikngeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord


engelenbeeld met ingebouwd offerblok, waarvan het hoofd buigt als er geofferd wordt

 

knikker

zelfstandig naamwoord

knikker; figuurlijk: hoofd

- Cees Robben -
Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. Daorvandaon hek naa zonne proem op munne knikker... (19720915)

 

knillesros, kernillesros

zelfstandig naamwoord.

kornelisroos, ook pioenroos - Paeonia officinalis

Hees knillesroos (VI:31,34)

Str. knillesros (2:75)

 

knip

zelfstandig naamwoord.

verende knijper of klem; klap

- A.J.A.C. van Delft - een "knip" om z'n ooren is een klap; (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de knip van de prtemeneej zwrt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - de portemonnee kan niet open (gezegd als iemand niets wenst te geven)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - knip - portemonnee of beurs

- WBD -
III.3.1:125 'Knip', 'knipbeurs' = portemonnee

- WNT - KNIP VII 2) c) - Sluiting van een beurs, en bij uitbreiding, meestal in verkleinvorm, de beurs zelf (ook wanneer er geen veerende sluiting aan zit).

 

knipeugske / knipugske / knipogske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van knipog

knipoogje

- CuBra 2018 - benaming van een Tilburgs koffielikeurtje

 

Foto: CuBra 2018

 

knipmik

zelfstandig naamwoord.

- WBD - knipbrood (brood waarin met behulp van schaar of mes een gleuf is aangebracht); = schurmik ?

 

knipmis

zelfstandig naamwoord.

zakmes

- WBD - (III.2.1:152) 'knipmes', ook zakmes

 

knippe

Werkwoord, zwak
knippen

- WBD - een gleuf aanbrengen in het deegbrood

knippe - knipte - geknipt

 

knippel

zelfstandig naamwoord

knuppel [?]

- en aaf en toe n knippeltje hout mee in de zkskes gedouwd (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

knipschr

zelfstandig naamwoord.

schaar

contaminatie

Zntw. KNIPSCHR znw.v. - bij goudsmeden: soort van kleine tang met omgebogen stangen, wier platte en scherpe uiteinden dienen om metalen draden door te knippen.

 

knbbelben

zelfstandig naamwoord.

- WBD - III.1.1:29 'knobbelbeen' = kraakbeen

 

knbbele

werkwoord, zwak

- WBD - III. 2.3:9 'knobbelen' = knabbelen

- WBD - III.4.4:231 'knobbel' = bobbel, ook 'bult'

 

knoebele

Werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - knabbelen

 

knoedel

zelfstandig naamwoord

knoedel [?]

Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

- WNT - Knoedel - meelbal, deegspijs

 

knoeperd

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.1.1:3 'knoeperd' = man

- WBD - III.4.4:222 'knoeperd' iets groots in zijn woort, ook 'kadee', 'klepper'

Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:

Knoepert

Een knoepert is heel grof gebouwd,
hij is haast als een stier zo sterk,
doet met plezier het lomper werk,
of hij nou spaait of maait of sjouwt.

knoerselbintje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
van Dale: knoers(t) - (stuk) kraakbeen

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "knoerselbeentje - kraakbeen"

Bosch knoerzel - stukjes kraakbeen in vlees

 

knoest

zelfstandig naamwoord.

boomstronk, datgene wat achterblijft na het omhakken/omzagen van een boom

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - koppig persoon, boomstronk

- WBD -
III.4.3:57 knoest - korte dikke wortel; ook genoemd: knol, mllestrt of dikke wortel

- WBD - III.4.3:77 knoest - tak; ook genoemd rangel

- WBD - III.4.3:125 knoest - stronk van de wilg; ook genoemd: knsje of stomp

- WBD - III.1.2:67 'knoest' = knuppel, knots; ook: 'klippel'

- WBD - III.4.3:68 'knoest' = knoest in het hout

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - knoest zelfstandig naamwoord mannelijk - groot onbehouwen stuk, bonkig onhandelbaar persoon: 'ene stijve knoest'

 

knoet

zelfstandig naamwoord.

kluwen

- WBD - (III.2.1:579) knoet, bl

 

knoezel

 

 

zelfstandig naamwoord.

kruisbes (Ribes uva-crispa; ook: Ribes grossularia)

 

 

Zn de knoezels b llie al rp?

- Daamen - Handschrift 1916:  "knoezelen of kroezelen - kruisbessen"

- A.J.A.C. van Delft - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD - III.2.3:175 'knoezel', 'kroezel' = kruisbes; ook 'knoersel'

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kroesel, kroezel, knoesel, knoezel, knoerzel, kroensel - aalbes, kruisbes

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - knoezel - zelfstandig naamwoord - kruisbes

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNOESEL zelfstandig naamwoord.v.- stekelbezie, vrucht van de Ribes Uva-Crispa

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - KNOESEL - zelfstandig naamwoord vrouwelijk stekelbezie, meest in 't mv.

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KROEZELS worden, aan den Meijerijschen kant, de kruisbezin genaamd, in het overige gedeelte der Baronie 'kruisdoorns'.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KROESEL - kruisbes. Kiliaen heeft kroes-besie, kroeselbesie.

Verh KNOERZEL v., ook wel 'knoezel'; kroezel, kruisbes.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - knurzəl/knursəl zelfstandig naamwoord vrouwelijk knoerzel/knoersel' - kruisbes 'knuzəl' gehoord in Esbeek.

- WNT - KNOESEL - Bij vergelijking - tenzij het woord in dezen zin een vervorming is van KROESEL - een benaming in verschillende streken ten Z. van den Moerdijk voor de kruisbes en vervolgens ook voor de kruisbessenstruik, Ribes grossularia.

 

knoezelben

zelfstandig naamwoord.

- WBD - III.1.1:29 'knoezelbeen' = kraakbeen; ook 'knobbelbeen'

 

knoezelbos

zelfstandig naamwoord.

kruisbessenstruik; onverzorgd kapsel

Informant Raaijmakers - Hij vlog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos.

Kees en Bart: ...vlog op ... as enen haon p ene knoezelbs.

Ge kunt beter 'n paor knoezelbuskes minder hebbe dan d de spinne aon oe neus hange,of d oe maogsap bevriest. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'Mn haor ziet ur vort t as unne knoezelbos' - gon ze derop los as enen haon op ene knoezelbos

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - knursələnbs zelfstandig naamwoord mannelijk 'knoerselenbos' kruisbessestruik.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNOESELBOS zelfstandig naamwoord mannelijk - stekelbessenstruik

 

knl

- WNT - KNOL (I) A, 7) b) bepaaldelijk een groot horloge (oudtijds waren de horloges gewoonlijk in het midden vrij dik). In gemeenzame taal [►knlraop]

- WBD -
III.1.3:242 'knol', 'gat' of 'Kot' = gat in een kous

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as gewilt gn vrije, dan moete ene knl p zak hbbe (Daamen - Handschrift
1916: zie aldaar onder Made)

- WBD -
III.1.3:261 'knol' = zakhorloge

- WBD -
III.2.3:108 'knol' = meiraap

 

knldk

zelfstandig naamwoord.

kanaaldijk, ook straatnaam

zie: kenaoldk

 

knlderedske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
radijsje (Raphanus)

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - knldereds, knlderedske

- WBD -
III.2.3:109 'knolderradijs'; ook 'radijsje'

 

knlderaop

zelfstandig naamwoord

Brassica oleracea

Piet van Beers t og moet ok w hbbe: Nst Bontjes slaoj n knlderaop,/ spinzzie praaj n jn. / Hek ok ng hil w blomme staon/ d og gift n de tn. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'knolderaop' zelfstandig naamwoord koolraap

► knlraop

 

knlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'knl', met umlaut
meiraap

'keel', 'knl'; lief meisje

- Dialectenqute 1876 - knol, knulleke (u = Frans oeu)

- Daamen - Handschrift
1916: "knolleke - 't is toch zo'n lief knlleke, lief meisje"

- WBD -
III.2.3:108 'knolletje' = meiraap

 

knllerads

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
radijsje (Raphanus)

As 't naa nog gegaon ha over asperges of knollerads! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

knlliekoj
zelfstandig naamwoord
kanariekooi
- Cees Robben -
Ons menneke (...) zit op zn hukkes vur de knollie-kooi... (19791109)
►knrriekoj
 

Knolraap oogsten - Robert Cree Crawford (detail)

 

 

knlraop

zelfstandig naamwoord

Brassica oleracea

koolraap, koolrabi, 'knlleraop', 'knlraop'

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 02 07 - 'n Aauwe taante van de Tiest / Die hee 'n knolraop-neus / Zwel d'n grtte, as de kleur / Allebaai irste keus.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - 'knlraop'

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'knlraop' - koolrabi

- WBD - III.2.3:106 'knolraap' = koolraap, ook 'knolderraap', 'knollerraap'

- WBD - III.2.3:108 'knolraap' = meiraap

- WBD - I:1420 knoprapen; 'knlraopə', enkelv. 'knlraop'- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KOOLDERAAP (scherpe o) znw.v.- soort v. knolplant voor het vee

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'knolderaap' - 1) knopraap; 2) (schertsende benaming voor) groot lomp horloge.

► knlderaop

 

knook

zelfstandig naamwoord.

bot, been

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - enen s moet wl geknkt zn

Cees Robben: ene knook vur nzen hnd

- WBD -
III.1.1:28 'knook' = been, beenderen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNOOK znw.v. - spr.: zijn knoken stijf en krom werken.

- WNT - KNOOK - 2) been, bot, hetzij afzonderlijk of als deel van het skelet beschouwd.

 

knootwilg

zelfstandig naamwoord.

- WBD -
III.4.3:123 knootwilg - geknotte wilg; ook genoemd kpwilg of wilg

 

knpke

zelfstandig naamwoord.

knopje

- WBD -
' knpkes' (II:1057) - kno(o)pjes

- WBD -
III.1.1:119 'knopje' = tepel

- WBD -
III.1.3:264 'knopje', '(oor)knop(je) oorknop; ook: 'oorbel(letje)'

 

knppe

zelfstandig naamwoord, meervoud, geen enkelvoud

knoppen, metafoor voor de borsten van een vrouw

- En die vriendin van jou heeter ok 'n paor geve knppe op staon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

knppert

zelfstandig naamwoord.

joviale benaming voor mannelijke personen

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kerel, kanjer, flinke knaap

Laps KNOEPERT - (ouwe - ) rare oude man

 

knrft

zelfstandig naamwoord.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - knurft, lomperd, onbehouwen iemand

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - knrft zelfstandig naamwoord - pummel, kinkel

- WNT - KNURF - Bij overdracht als gewestelijke benaming met verschillende gevoelswaarde voor een persoon, in gunstigen zowel als ongunstigen zin.

 

knrrie

zelfstandig naamwoord

kanarie; serinus canaria domesticus

- Piet Heerkens; uit De knaorrie, 'De knaorrie, 1949 -

Gevange vogel in gouwe cel,

w klinken oe liekes helder en fel!

 

Hoe komde gij aon oe gelukkig geluid?

W lierde gij blij en w haolde diep uit!

 

W fraozelde zuut en w leuterde vlot,

W zingde gij, zingde gij, zingde gij zot!

 

W schokkelde, klingelde en kloekte gij vol

mee tie-tie-fluiten en waoterrol!

 

Gekooide zanger, as goud zo geel,

'k bewonder oe hartjen, oe liekes, oe keel!

Piet Heerkens - De knaorrie - 1949

 

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 04 14 - Ik heb 'ne knaoriepiet gerven.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 05 29 - As 's moeder de gerdne waast / Witte nie wgge ziet / Niemand hee dan nog aord in huis / Nog nie de knaoriepiet.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) -  knllie, knrrie

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

- WBD - (III.2.1:514) 'kanarie', 'kanarievogel', 'kanollievogel', 'kanariepiet'

- Ivo van Leeuwen & Sander Neijnens; pictogram 'De Doje knrrie' - Dit pictogram is er een van de vele die behoren bij het door Neijnens en Van Leewen ontworpen lettertype TilburgsAns. Het pictogram heeft als motto de kunstenaar is als een kanarie in de kolenmijn en werd in juni 2020 aangeboden aan de Brabantse gedeputeerde Wil van Pinxteren naar aanleiding van het provinciale Bestuursakkoord 2020-2023.

 

►knrriepiet

►knrrievoogel

 

 

knrriekoj

zelfstandig naamwoord.

kanariekooi

- Cees Robben -
Unne handoek over de knorrie-kooi... (19690110)

En knrriekooi... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - de knrriekoj = Antoon de Rooij (blz. 69)

Stadsnieuws:
 Hij h in et schp en knrriekoj meej en paor poppe n aoreg w manne die schon kosse zinge (140307)

►knlliekoj

 

knrriepiet

zelfstandig naamwoord.

kanariepiet(je)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''t knorriepietje in z'n kooike'

't Knorrie-pietjen in z'n kooike (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Stilleeve, 1938)

En juffrouw Jaanse ha gezien, d den nuuwen kapelaon ook al 'n kanarieveugeltje ha, zooals zijzelf. "Hij hee 'n kanaoriepietje, 't zal wel 'nen goeien meens zijn, aanders hield ie nie van veugeltjes." (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938)

- Cees Robben -
Tilburgse knorrie-pietjes en keurmeester op zang naor Lissabon (19570126) [In Lissabon werd een wedstrijd gehouden]

Et knrriepietje stao op zulder/ den hond leej jaankend in et schp... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den hrt op)

Ik heb ene knorriepiet gerven/ en mnneke, ng wl w jng... (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oopas Pietje)

As es moeder de gerdne waast/ witte nie wgge ziet/ Niemand heej dan nog aord in hs/ nog nie de knorriepiet. (Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de gerdne gewaasse worre)

Bij ons op school zit ok nne knrriepiet. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

 

knrrievoejer

zelfstandig naamwoord.

kanarievoer, -zaad

 

knrrievoogel, knrrieveugel

zelfstandig naamwoord.

kanarie(vogel)

Kees en Bart:
 'knorrievogel'

..."hier in Baozel zitten zooveul veugeltjes, d'r moeten wel enkelde nachtegaoltjes en kanaorieveugeltjes onder zitte! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938)

Mienen knorrievogel zingt veul schonder as ie ooit hee gedaon... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - voogeltjes hk ok aatij gehad, knrrievoogeltjes, zeebravinkskes n zo..

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- WBD - (III.2.1:514) 'kanarievogel' = kanarie

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk 'ke(r)narievogel' - kanarievogel

 

knrrievoogeltungskes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kanarievogeltongetjes

- mPiet Heerkens; uit: De Mus, Geld, 1939 - "Hartje-wat-lus-je?" / Kanaorrietonge! / "Tafeltje-dek-je!" / Ge pruft hoe ze zonge!

-Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - we zullen oe knrrievoogeltungskes te eete geeve (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - gezegd tegen een opschepper die kieskeurig is bovendien: we zullen je tevredenstellen (verband met de nachtegaaltongetjes die voor de Romeinen een delicatesse waren?)

 

knsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
knuistje, vuistje, hoofdje

verkleinwoord van 'knst', met uitstoting van de t.

ook: - WBD - III.4.3:125 knsje - stronk van de wilg; ook genoemd: knoest of stomp

 

knst

zelfstandig naamwoord.

1. lichaamsdeel: knuist, vuist, kop, hoofd

- Daamen - Handschrift
1916: " 'k zal oe tegen oe knst sloan (hoofd)"

- Waast oewe knst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Cees Robben - ...zonne kaole gladde knst... (19730223)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KNUIST (knst) mannelijk - lomp wezen; lelijke kop.

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Dieje knrft heej gin harses in zene knst - die lomperik ... in zijn hoofd (170110)

- WBD - III.1.4:179 'knuist' = stijfkop

- WNT - KNUIST - 4) Grove, harde, sterke hand of vuist.

1.1. grote, sterke handen

Alleen meervoudig gebruikt

- Cees Robben - D zn pas knste... (19620608)

2. boomstronk

- WBD - III.4.3:59 knst - boomstronk, ook genoemd: post, strk, gatnd of kontnd

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - KNUIST (knst) mannelijk - knoest, stronk van een boom met kleine takken eraan; weerbarstig stuk hout; lomp wezen; lelijke kop.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - knst zelfstandig naamwoord - knoest, lomperik, hoofd

 

knsteg

bijvoeglijk naamwoord .

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - knoestig

 

knstks

zelfstandig naamwoord.

hoofdkaas

- Daamen - Handschrift 1916: "knstkais - hoofdkaas"

 

knudde

bijwoord

waardeloos, droevig, het lijkt naar niets; etymologie onbekend (Van Dale)

 

kntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van knt

- Der haor in en kntje... (Henritte Vunderink; Ons Moeder; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

knupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'knp', met vocaalkrimping
knoopje

- Cees Robben -
Ge peutert t paoterke t knupke van zunnen toog los... (19550514) (Prent bij een inzamelingsactie bij het honderdjarig bestaan van de missionarissen MSC, in Tilburg ►Rooie Harten genoemd. In plaats van collectebussen hadden de collectanten een pop in de vorm van een missionaris van MSC, en moest de bijdrage onder de toog gedaan worden.)

 

knuppel

zelfstanadig naamwoord

- A.J.A.C. van Delft - "Hij heeft een knuppel ingeslikt" zegt men van iemand, die overdreven recht en stijf loopt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

knupsgat, knupsgtje

zelfstandig naamwoord.

knoopsgat

Kees en Bart: knupsgat

Henk van Rijen gimme et knupsgaoterschrken es

Hij moes meej enne kraant in zen rechterhaand tkke naor un dame, die gekleed waar in un blauw maantelpekske meej un anjer in et linkerknupsgat van der jeske. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Want die aander vf, die hbben ok gin mundje as en knupsgtje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

knut, knutje

zelfstandig naamwoord.

- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - knot, kluwen

- WBD -
III.1.3:226 'knut' = haarwrong

 

knutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
bosje ineengedraaid en opgestoken haar

- WBD -
III.1.3:226 'knutje' = haarwrong

van Dale KNOT - bosje ineengedraaid en opgestoken haar

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - KNOD, KNODDE anw.m. - knobbel, knoop, knop, knoest

 

knutse

Werkwoord, zwak
- H. van Rijen; Mèn Tilbörgs wôordeboek (1993) - kneuzen, botsen

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - knutse ww - kneuzen, stoten

- WNT - KNUTSEN bedr. en onzijdig; zw.ww: A) Bedr.: door slaan of stooten stuk maken, verbrijzelen of kneuzen; B) Onz.: stooten, botsen

 

koebak

zelfstandig naamwoord.

houten voerbak voor de koeien

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - kubak zelfstandig naamwoord mannelijk - koebak, houten bak voor het voeren van koeien

- WNT - KOEBAK - ter bewaring van veevoeder

 


Schilderij van Willem Roelofs - Koeien drenken (detail)

koej

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

zelfstandig naamwoord.

koe

meervoud: koej, koeje