INHOUD ANSELMUS MUSTERS
CUBRA HOME

 

Download de complete PDF van Jonge bloei

 

Colofon

 

 

De gedichten van Anselmus Musters werden naar zijn handschrift in 2016 uitgegeven door © Uitgeverij 'Aan het park' (Tilburg) door Louis Raaijmakers e.a.

De on line uitgave werd in december 2018 verzorgd door © Stichting Cultureel Brabant.

 

 

 


 

 

 

 

 

Anselmus Musters

JONGE BLOEI

GEDICHTEN

 

 

 

Inhoud


Loutering
En door de straten van de stad…
Opgang
Aan den Weleerwaarde Pater Teodorus
O crux ave
Klein lied aan de dood
Schone dood
In memoriam
Toewijding
Afscheid
Gebed voor m’n broers
De priester
O.L.V. Vrouw geboorte
Aan Maria
Aan Maria in de mei
Antifoon
Nacht-zuster
Sint Paulus
Aan mijn hemelbroer St. Gabriël
O hemel-broer…
Hart en hoofd
Opgang
Wie aan vele droeve dingen…
Wijsheid
 

 
   
 

Anselmus was nog heel jong toen hij de meeste van zijn gedichten schreef; vele zijn gedateerd in of rond 1933; hij was toen pas 19.

In latere gedichten heeft hij regelmatig geput uit zijn vroege werk door strofen over te nemen of varianten te maken. Deze varianten gebruikte hij soms als hij een gedicht aan iemand opdroeg.

 

LOUTERING

 

voor Ivan

 

 

Wie, door het leven overmand,

God open in de oogen schouwde,

en, aan z’n eigen schuld gestrand,

Zijn schuld’ge handen vouwde

 

en zoo, gelouterd door het leed,

Tot ware wijsheid Gods mocht komen

En schreiend in bevrijdend schromen

zijn schuld beleed,

 

heeft van de vele droeve stonden

Een zacht’ herinnering bewaard.

Want pas na ’s levens diepste wonden

Wordt ’t hoogste heil geopenbaard …

 

 

14 februari 1933

   
   

En door de straten van de stad

Droeg hij zijn last, gelijk een schat

O zuiv’re handen.

Wijl in hem brandde

De Godslamp van de Liefde.

 

En, door dien liefde-drang gedreven,

Droeg hij den stervende het leven weder in.

Doch deze droeg hem zelf naar ’t schoonere begin

Van ’t eeuwige leven.

 

ca. 1934

   
   

OPGANG

 

 

Wij weten ’t wondre licht

Der heilge Roeping, hóóg-gericht

Gelijk een hemel-vlam,

Diep in ons branden ………

 

De kuische morgen ziet omstreden

Met rein-gevouwen handen

Ten outer-gang

En iedren dag,

Met onzen Introïbo-zang

Op jonge lippen,

Gaan onze schreden

Eén trede

Hooger !

 

 ca.  1934

   
   

AAN DEN WELEERWAARDE PATER TEODORUS

 

Op zijn naamfeest 9-11-33.

 

 

Als een gouden bazuin door de herfstlijke pracht

Rijst een klank uit de stilte U tegen.

Uit de stilte, want ’t schoonst wat de liefde ooit bracht

 

Kwam uit harte-ontroering gestegen,

Als van stralende jeugd hooge juichende vreugd

Die verstilt tot een bede om zegen.

 

Want de jubel in ons om uw feest dezen dag

Zingt wel luide haar juichende zangen.

Nu ‘lijk zomersche blauw van een hemelenvlag

Over lentische aarde gehangen

Onze vreugde staat gewelfd als een zuivere lach

Over al Uwe daden en gangen

 

En wel zoeken wij blij naar een zielvollen toon

Die de stem van ons hart kan verklanken.

Maar ’t woordengespeel en ’t stralende schoon

Van wat goudene klank en wat spranken,

Het is slechts een vloed van d’onzegbaren gloed

Waarmede ons hart U wou danken.

 

Het is slechts een klank van wat diep in ons leeft

En wat diep in ons hart ligt verborgen.

Van een dank die begrijpt al wat Gij aan ons geeft

Al Uw werken en offrende zorgen,

Die, verinnigd tot liefde, U bevolen heeft

Aan den God in ons hart dezen morgen.

1933

   
 

O CRUX AVE

 

 

Jezus, tusschen aarde en hemel staat Uw Kruis.

Een Roep van den Zoon naar den Vader :

“Erbarmen !” – Dit brengt ons weer nader

Aan ’t Vaderhuis.

 

Gij zijt van de aarde verheven

En van Oosten naar Westen strekken Uw handen

En Uw vergeven …..

Uw bloed druipt over de wereldranden

En wascht ons rein.

 

Want tusschen hemel en aarde staat Uw mateloos lijden

Onze zekere hoop om Uw maat’loos geduld –

Sinds Gij uw armen hemel-wijde

Naar den Vader openbreidde

Om vergeving aller schuld ….

1933

   
 

KLEIN LIED AAN DE DOOD

 

 

 

De Dood komt als ’n dief bij nacht,

wij weten dag noch uur.

Heer, geef mij kracht

dat ik hem blij begroet;

de dood is goed

voor wie hem biddend wacht…

1933

   
   

SCHONE DOOD

 

 

De kim bloeit rond in verre brand

De late dag verdween.

De goede avond kust het land

Wat blanke doom daarover heen ……

 

De late dag en jonge nacht hebben elkaar ontmoet

Aan gindsen kimme-rand.

En in die liefde-rode brand

Elkaar gekust: hun groet !

 

Mijn hart wordt stil en in zich zelf gekeerd

In deze zuivre rust.

De dag heeft jonge Nacht met rode mond gekust

En ons de liefde weer geleerd.

 

En bracht mijn hart Uw Goedheid weer nabij

O Vader aller dagen, ook van deze dag.

En dank dat nu mijn hoofd weer rusten mag

Aan Liefde-klop van Uwe zij !

8 juli 1933

   
   

IN MEMORIAM

 

Men heeft hem begraven ergens ver, in den grond

Waar hij werd getroffen door ‘n scherf der granaten,

Waar velen vielen met hem, in pijn en verlaten,

Met Moeders beeld in hun hart en haar Naam in hun mond …

 

Daar rust hij nu al zoo veel lange jaren …

En niemand van de zijnen heeft ooit zijn graf aanschouwd,

Noch den grond kunnen kussen die hem bedolven houdt.

 

Doch de aarde houdt slechts zijn lichaam omgeven,

Zijn ziel heeft haar loon reeds ontvangen bij God!

En zijn geest en energie ontwaken nu in mij en herleven!

ca. 1934

   
   

TOEWIJDING

 

Aan het H. Hart

Geïntroniseerd in ons gezin

 

Godd’lijk Hart, aanzie ons heden

Allen rond Uw beeld getreden

Onze harten liefde – rood, -

Om U alles toe te wijden:

ons geluk en vreugd en lijden,

heel ons leven tot de dood.

 

En ons vurigste beminnen

zal nu, als ’n nieuw beginnen,

naar Uw liefde  zijn gericht.

Gij alléén zult ons regeren,

in ons triompheren

en ons leiden in Uw licht !

 

Want wij kiezen U tot Koning

onzer harten, onzer woning,

onzer rechten voor altijd.

onzer kindr’en, rijkste panden

die we ontvingen uit Uw handen:

alles zij aan u gewijd.

 

Al ons werk en al onze plichten;

onze ogen die Gij richten

moet naar ’t hemels Vaderland;

onze voeten om te schrijden

naar het Eeuwige verblijden

waar w’ U volgen, hand in hand.

 

Onze mond om u te loven

Goddelijke liefde-oven

Waar ons harte aan ontbrandt.

Onze ziel om U te dragen

Hóóg doorheen deez’ donkre dagen

nu de wereld U verbant !

 

Laat dan zo Uw beeld geheven

Als symbool van heel ons streven –

in ons midden blijven staan;

en, wijl wij U àlles geven,

ons eens vòl zijn van Uw leven

en ons hart’lijk ’t Uwe slaan !

ca. 1934

   
  De roeping voor het priesterschap was ook in het begin van de vorige eeuw bijzonder en had grote gevolgen voor iemands leven. Zo ook afscheid nemen.

Extra bijzonder was het dat drie jongens uit één gezin een priesterroeping hadden en ook in die tijd was het niet vanzelfsprekend dat degene die geroepen was ook tot de uitverkorenen behoorde. Veel studenten stopten vroegtijdig met hun priesteropleiding.

Anselmus was zich dit bewust, getuige het gedicht GEBED VOOR M’N BROERS.
 

AFSCHEID

 

aan ’n vriend in de wereld…..

 

 

M’n vriend, geef mij je hand.

Waar zullen nu ons beider wegen leiden ?

Hier splitsen zij; wij moeten scheiden…

Ik heb mij gansch aan God verpand

 

En volg Hem blij, en rijk in Zijnen zegen;

ik heb het beste deel…

Waarheen gaat gij ? Er zijn zooveel

verkeerde wegen …

1933

   
   

GEBED VOOR  M’N  BROERS

 

 

Ik bid U, Vader, voor m’n Broers

Die met mij samengaan het pad

Naar ’t hoge ideaal !

Een grote schat

Hebt Gij betrouwd aan onze wankel-moed.

Heer, Gij zijt goed

En on-naspeurlik zijn Uw wegen !

 

 Waarom kwam Uwe Zegen

Op ons, en niet op anderen

Meer waardig, Heer, dan wij ?  -

 

Wij danken U, dat Gij ons hebt geroepen !

Doch velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren

O Heer, laat ons behoren

Tot het getal der weinigen,

Die blij, in Uwe vreugd,

Hun dagen leven, stil, hun schone jeugd,

Verwachtende de Dag

Van de Voleinding !

ca. 1933

   
   

DE PRIESTER

 

Hij had het woord verstaan:

“Wie Mijnen weg wil gaan,

Verloochene zich zelf

En volge mij”

 

Gelijk een kind dat blij

Met bei

Z’n kleine handjes

Wel alles weg wil geven,

Gaf hij aan God zijn jonge leven

En al wat hij bezat !

 

En in de armoe van een kleine cel

Heeft hij een schat,

De grootste schat nog wel

Gevonden !

Want toen hij binnentrad

Bleef aan de poort de wereld staan.

Hij had zichzelf ontdaan

Van al het aardse.. en

Vond God alleen !

 

ca. 1946

   
 

Anselmus had een grote verering voor de heilige Maria.

In 1942 promoveerde hij in Rome met zijn proefschrift ‘La souveraineté de la Vierge’. In het blad van de Augustijnen in Gent verscheen hierover de volgende tekst:

'Zoojuist verschenen. Een prachtboek over O.L. Vrouw.

Een boek dat geschreven is met kennis van zaken om Maria beter te leeren kennen en haar zoo meer te beminnen.

<<LA SOUVERAINETE DE LA VIERGE>>

door P. Anselmus Musters, O.E.S.A., doctor in de Godgeleerdheid.

De auteur toont aan hoe Maria door haar verheven voorrechten en onvergelijkelijke grootheden als waardige Koningin heerscht over onze harten, naast den Koning der eeuwen, Christus.

Het boek van meer dan 200 bladzijden dat keurig uitgegeven is, mocht den lof verwerven van de Pauselijke Universiteit te Rome.

Verkrijgbaar bij den schrijver, Academiestr., 3, Gent.

Prijs: 65.- Fr.'

Ook in zijn gedichten gaf hij uiting aan zijn bewondering voor Maria, voor de rol van de vrouw en die van de moeder.

O.L. VROUW-GEBOORTE

 

 

Toen hing muziek en zonne-kleuren

rondom de stilte van haar huis

-      de wijding om dit groot gebeuren –

 

En uit de hoge hemel-deuren

zag heel het Hof dit wonder aan…

 

Toen is de Zoon Gods opgestaan

en schouwde neder op dat Huis

 

Want in Maria zag Hij Kribbe

en bij de Kribbe ook het Kruis…

 

En na die beiden, Kruis en Kribbe,

de mensen weer in ’t Vaderhuis…

1933

   
   

AAN MARIA

 

In stille klanken samengereid

Met kinder-onbevangenheid

Heb ik mijn zielebeden

In rijm na rijm aaneengesmeed,

Zooals alleen de liefde weet

Een krone u te smeden.

 

Want in mijn liefde blijf ik kind

Dat fluister-teedre woorden vindt

Om Moeder iets te vragen,

En ’t hoofdje aan haar schouder vlijt

In onbewuste tederheid

Om klein verdriet te klagen.

 

Zoo kwam ik, Moeder, keer op keer

Aan Uwe voeten, telkens weer

Mijn ziele openleggen.

En alles wat ik had aan leed

Of vreugde, Moeder, och, Gij weet

Ik kwam het trouw U zeggen.

 

En Uwe Moeder-liefde vond

Voor ziele-pijn of ziele-wond

Steeds woorden, balsem-zachte.

En in mijn harte zong weer vreugd

Van idealen-volle jeugd

En geestdrift-schoon verwachten.

 

En daarom ook, uit dankbaarheid,

Is U mijn eerste zang gewijd,

Een liefde cantilene.

En wat ik ooit nog zingen zal

Of dichten, Moeder, U dat al,

U wijd ik het alleene !

 

ca. 1933

   
   

AAN MARIA IN DE MEI

 

O moeder, geef m’een hemeltaal

Lijk eng’lenmonden zingen.

Dat ik Uw Heerlijkheid verhaal,

In kleurenpracht Uw rijkdom maal’,

En ieder woord hèl overstraal

Met mijne jubelingen !

 

Want in m’n hart en over ’t land

is weer de Mei getogen.

En strooit z’n bloemen t ‘allenkant

Op veld en wei en wegenrand;

De aarde is een bloemenmand

en Gij staat blij gebogen !

 

Ofwel een wereld-wijd tapijt

In wonder kleurschakeeren,

Dat God alomme heeft gespreid,

En dat Zijn rijke heerlijkheid

Voor zijne Bruid thans weer bereidt

Opdat het àl U eere !

 

En in dees jonge lente-pracht

Het bloesemt allerwegen --

Heb ik Uw beeltenis gedacht

zooals mijn ziel U heeft verwacht:

Uw stil verschijnen, mild en zacht,

De witte Meimaand-zegen.

 

Uw handen vormen een pateen

Die Jezus houdt geheven.

Uw oogen zijn twee edelsteen’

Die hemel-zuiver en alleen

Gods licht weerstralen, dat geen één

Zoo zuiver weer kon geven !

 

En lelieblank is uw gewaad,

Een sneeuwen-zuivre glorie

Waarboven ’t hoog en rein gelaat

Nog in azuren sluier staat

Een velum dat God om U slaat

Want Gij zijt Zijn ciborie

 

Zijt Gij Ciborie, smett’loos rein,

Die God in U moogt dragen,

Laat ons dan Uw herauten zijn

En Uwen Naam, gelijk Gods schrijn,

Hoog heffen onder ’t baldakijn

Van deze Lente-dagen

 

ca. 1933

   
   

ANTIFOON

 

 

Omdat de nood gestegen is

In onze harten,

En Uwe hemelzegenis

Zoo dringende van noode is,

Bidt ieder menschenhart tot U

Moeder van Smarten !

 

Omdat Uw beeld beschermend staat

Boven de hoofden,

En boven het groote wereldkwaad

En vlammen van den Broederhaat

Buigt Gij Uw Moeder-zacht gelaat

Tot wie geloofde ..

 

Omdat G’Uw hoofd zoo minzaam laat

Tot ons gebogen ….

-      Gelijk een liefde-zuster gaat

Alomme weldoend, blij gelaat

En zachte oogen ---

 

En wijl Gij zeegnend nederschouwt,

En ooit beschamen

Gij niemand zult, die d’oogen houdt

Gericht op U, en handen vouwt :

Hebben wij alles U betrouwd

In alle eeuwen. Amen.

 

 

23-1-1933

   
   

NACHT-ZUSTER

 

Er lag een vriend naast mij in smart;

en over hem gebogen

uw zacht gelaat en zachte oogen

en ’t kloppen van uw hart.

 

En uw gestalte als een zegen

heel teer genegen

over hem…

 

En Uwe stem

vond fluister-woorden liefde-zacht

-      uw stille kracht

die in de zwijging van den nacht

die over ons gekoepeld stond,

de woorden vond

diep uit uw hart,

gelijk een balsem op zijn smart

zacht neergezegen… -

 

Zoo is uw beeld mij bijgebleven

dat immer in mijn blij herdenken blijft geschreven,

ontroerend beeld waarvoor ‘k slechts deze woorden vind:

de liefde van een Moeder bij haar gebroken kind…

 

Leiden, Sint Anna-kliniek, 6 mei 1933

   
 

Anselmus noemde Gabriël zijn HEMELBROER. Een voorbeeld, een beeld dat hem was voorgegaan, voor wie hij grote bewondering had. Wellicht leek hij wel op de Gabriël die hij in zijn gedichten beschrijft.

Ook de apostel Paulus fascineerde Anselmus.

Paulus en Gabriël, het zal geen toeval zijn; Gabriël de boodschapper van God en Paulus de verkondiger van het Evangelie.

 

SINT PAULUS

 

Ik ben de vratige vogel des Heeren,

nimmer verzadigd en immer belust !

Iedere ziel die ik win komt vermeêren

eeuwigen honger; een hart zonder rust,

zwerver voor God alle volk te bekeren;

na ieder strand wenkt mij ginds weer een kust.

Elk den gekruisigden Christus te leeren:

wie was zich ooit stouter roeping bewust ?

 

Ik ben de jager dien God heeft gezonden

over de bergen en over de zee.

‘k Word te Korinthe en Rome gevonden

immer dezelfde, want God, Gij gaat mee !

Ik ben een dwaas door de Liefde bevangen,

Joden ten aanstoot en heiden ten spot.

Doch ik heb niets wat ik niet heb ontvangen:

wat ik verkondig is de Dwaasheid van God !

 

Dwaasheid die kwam alle wijsheid beschamen,

Dwaasheid van God in een Bethlehem-Kind …

Liefde die mens werd en God bleef tezamen

en die de mensen zoo zéér heeft bemind

dat Hij zich zelf tot den dood toe wou geven,

wijl door Zijn dood alle Leven begint;

Die, tusschen aarde en hemel verheven,

heerscht door het Kruis en de wereld verwint !

 

Dat is de Dwaasheid die mij heeft gedreven,

dat is de Liefde die steeds mij nog drijft,

wijl ‘t Kruis als een vlam in mijn ziel staat geschreven

en Paulus op aarde een vreemdeling blijft.

Want, sinds het vuur van den Christus mij brandde,

is heel mijn leven Zijn machtige stem;

roep ik ten hemel en trek door de landen,

mijn hart blijft hier balling, een hunker naar Hem !

 

En zoo lang wij den Vader daar boven ons weten,

En den Zoon, -Die van Saulus tot Paulus mij riep-,

ter rechter des Vaders in de glorie gezeten

en ter linker den Geest Die in vuur mij herschiep:

zo lang zal ik immer Zijn kruisdrager heeten

en trek door de wereld om Christus verguisd.

Want nimmer zal Paulus zijn zending vergeten:

Ik predik den Christus en Christus gekruist !

 

 

9 juni 1933

   
   

AAN MIJN HEMELBROER ST. GABRIEL

 

Gelijk een kind vertrouwvol schouwt

Naar groote broer, en blijde houdt

Diens hand omklemd, omdat het dit

Al kinder-zekerheid bezit :

Dat ’t onbezorgd en veilig gaat

Als ’t zich door hem geleiden laat, --

Zoo heb ik eens voor U gestaan

En ben hetzelfde pad gegaan

Dat Gij betrad. Met jongen moed

En oogen vol van jubel-gloed

Ging ik ’t blijde lenteland

In ‘t diepend blauw een zonnebrand

Van juichend rood, De heele lucht

‘Zonlicht vaandel. Feestgerucht

Van vogel-vreugde, -- wijd en zijd

Lag morgenvroegte blank gespreid.

 

Zoo was de eerste jubeldag

Van mijne roeping, die mij zag

U volgend als een kind zoo blij

En ook gelijk een kind nog vrij

Van allen strijd en alle leed,

Van alles wat niet “vreugde” heet.

 

O Gabriël, en heden treed

Ik voor Uw beeld, als een die weet

Wat strijden is - -  niet meer een kind

Dat overal slechts bloemen vindt,

Doch jongeling, en zal voortaan

Daarom nog dichter bij u staan.

Mijn jonge oog peilt Uwen blik,

Den hemel-diepen, Gij en ik

We hebben beiden ’t woord verstaan

Van uitverkiezing; laat ons gaan

Naar ’t hooge doel, getrouw wij beiden:

O Gabriël, wilt Gij mij leiden !

 

ca. 1933

   
   

O Hemel-broer

Gij zijt ons voor gegaan.

 

Uw leven is een zonnebaan

Hoog over zwakke menschelijkheden

Naar ’t hart van God !

 

En onze jonge schreden

Willen hetzelfde pad

Met reine geestdrift treden.

 

Doch Gij, Gij kent wel onzen wankelmoed

Wij schromen - -

Maar in de zwakheid wordt de Kracht volkomen,

En wie met God de eerste schrede doet

En Hem getrouw blijft in zijn ziel,

En in z’n hart nog kind:

Die ongetwijfeld vindt

De kracht tot verder gaan :

Dezelfde hemelbaan

Stralend naar God !

 

ca. 1935

   
 

Na de eerste wereldoorlog werden verschillende literaire tijdschriften opgericht.

 

Was voorheen het werk van katholieke dichters vooral bedoeld voor ´eigen parochie´, tussen de wereldoorlogen vonden dichters elkaar in deze tijdschriften.

 

Anselmus las het tijdschrift ROEPING en was een bewonderaar van Jac Schreurs die daarin publiceerde. Dat deed ook de Vlaamse dichteres Reninca die in 1949 haar dichtbundel EEN LIED DER MENSHEID aan hem opdroeg met het bericht:

 ´…. waar leven en sterven heersen in gelijke pijn´.

 

Anselmus schreef voor het tijdschrift DE LINIE een artikel over Zuster Marie Adolphine en het volgende gedicht HART EN HOOFD publiceerde hij in 1947 in GOLFSLAG, een kultureel Vlaams periodiek.

 

HART EN HOOFD

 

 

Ik weet van vele dingen

nog niet de diepe zin.

Wie kent van ’s harten zingen

de wijze en ’t begin ?

 

Wie kent de weg der winden,

’t waarheen en waarvandaan ?

Wie zal ’t mysterie vinden

van eigen harte-slaan ?

 

Alleen de Welbeminde

Kent zang èn wijze èn woord.

Want zonder zoeken ’t vinden

Kan slechts wie ’t toebehoort…

 

1947

   
 

In de inleiding staat al: Anselmus heeft ons nooit verteld over zijn oorlogsverleden.

 

De volgende gedichten zijn geschreven na de oorlog en hierin kijkt hij terug. 

OPGANG

 

Wie bij ‘t keren en ’t gaan

der jaren, ook zich zelf hervonden

en van het tijdelijk bestaan

de diepe eeuw´ge zin verstonden,

 

hun wordt de wereld transparant

’n glimlach van Gods zegen;

de goedheid van Zijn Vaderhand

nabij en teer-genegen. –

 

Want Zijn omsluierd aangezicht

straalt door ’t kristal der aardse dingen

geschapen glanzen van Zijn licht

die ’t ongeschapen Schoon bezingen. –

 

Geen wisseling van tijd en waan

kan hen, in God verankerd, storen.

Wie zich van alles heeft ontdaan

wordt in bestendigheid herboren.

 

Hen maakt het lijden mild en vrij;

gelouterd stijgen oude zorgen

stil-zingend aan hun hart voorbij

als nevels aan de morgen.

 

Tot, boven tijd en ruimte uit

in Gods oneindigheid verloren,

hun Overgave zich besluit

in blijvend toe-behoren.

 

Gent, 24 december 1946

   
 

Wie aan vele droeve dingen

uren en dagen en tijden

geen verbitterde

herinnering bewaart,

 

heeft voor zichzelf en voor zijn lijden

vernieuwd leed al uitgespaard.

 

Wie van verleden zonne-dagen

nog blijvend vreugde mee kan dragen,

kan het vertrouwensvol ook wagen

de volgende tijden uit te dagen,

ook zonder zekerheid over alle vragen,

wijl geloof en vertrouwen de zorgen zullen dragen.

 

ca. 1975

   
 

WIJSHEID

 

Van ’t Hart als slot

 

 

want zonder zoeken vinden

kan slechts een welbeminde

die zelfs ’t ongesproken zingen

van hart tot hart nog kan verstaan

 

ca. 1975